id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 07 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.171 Rolnummer: A. 243693/VII-42727 Zaak: Cassatiebeschikking 16171 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 07/02/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-02-11 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-06-17 03:01 Fiche Beschikking nr 16.171 van 7 februari 2025 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.171 van 7 februari 2025 in de zaak A. 243.693/VII-42.727 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jonathan Waldmann kantoor houdend te 4000 Luik Rue Paul Devaux 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 10 december 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 317.955 van 4 december 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 24 december 2024 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Eerste middel
- Noch de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, noch de materiëlemotiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en de zorgvuldigheidsplicht als algemene beginselen van behoorlijk VII-42.727-1/8 bestuur zijn van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest waarmee de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, te dezen met hervormingsbevoegdheid, uitspraak heeft gedaan over een beroep tegen een beslissing waarmee de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus werden geweigerd aan verzoeker.
- Verzoeker voert aan dat het bestreden arrest “onvoldoende rekening [houdt] met de kritiek die verzoeker heeft uiteengezet in zijn verzoekschrift tegen de beslissing van het CGVS. Zo stelde verzoeker dat de bestreden beslissing van het CGVS zich niet heeft gebaseerd op relevante landeninformatie”. Voorts heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volgens verzoeker “onvoldoende rekening gehouden met gewijzigde omstandigheden (politieke repressie in Tunesië)”, “nagelaten om een grondige individuele beoordeling te maken van de specifieke situatie van verzoeker, zoals vereist door artikel 48/6 van de Vreemdelingenwet” en “beantwoordt [de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen] de grieven van verzoeker, uiteengezet in het verzoekschrift niet afdoende”. Tot slot meent verzoeker door de motivering van het bestreden arrest niet in staat te worden gesteld te begrijpen waarom hij zich niet dienstig op de bijgebrachte informatie en kritiek kan beroepen en concludeert hij dat “geen afweging en onderzoek van de argumenten die […] [verzoeker heeft] aangehaald in het verzoekschrift heeft plaatsgevonden en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich zonder verdere motivering volledig bij de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing aansluit.
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de vreemdelingenwet aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepalingen. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. VII-42.727-2/8
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in punt 2.3.5.
- van het bestreden arrest dat “[d]e Raad […] na grondige analyse van het rechtsplegingsdossier en de opmerkingen van de partijen ter terechtzitting, in navolging van de commissaris-generaal, tot de vaststelling [komt] dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een actuele, persoonlijke en gegronde vrees voor vervolging heeft in de zin van het Vluchtelingenverdrag noch dat hij bij een terugkeer naar Tunesië een reëel risico op ernstige schade loopt, zoals bepaald in de definitie van subsidiaire bescherming” en geeft vervolgens in punt 2.3.5.
- de door verzoeker aangevoerde elementen weer en beoordeelt deze concreet. Aangaande de gewijzigde politieke situatie in het land van herkomst, beschouwt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onder meer dat “[h]oewel verzoeker terecht opwerpt dat de situatie van teruggekeerde vluchtelingen kan veranderen afhankelijk van politieke ontwikkelingen, biedt hij met zijn verwijzingen naar de verslechterde situatie in Tunesië evenwel geenszins een afdoende verklaring waarom hij dan pas in oktober 2024 een beschermingsverzoek heeft ingediend hoewel hij zelf omstandig betoogd dat de (politieke) situatie reeds sinds 2021 verslechterde”. Verder overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen: “De Raad wijst er vooreerst op dat verzoeker geen persoonlijke, actuele, gegronde vervolgingsvrees of een reëel risico op ernstige schade aannemelijk maakt in de zin van de artikelen 48/3 en 48/4, § 2, a) en b) van de Vreemdelingenwet door louter de algemene veiligheidssituatie, de situatie rond mensenrechten evenals de politieke onrust en repressie in Tunesië aan te halen. Met betrekking tot de vraag of een verzoeker een gegronde vrees voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin loopt dan wel een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2, a) en b) van de Vreemdelingenwet in geval van terugkeer naar het land van herkomst, kan het niet volstaan met een verwijzing naar de algemene toestand in het land van herkomst maar moet enig verband met de persoon aannemelijk gemaakt worden. Louter blote beweringen en verwijzingen naar algemene informatie die geen betrekking hebben op verzoekers persoon, zonder dergelijk risico in concreto aan te tonen, kunnen in casu dan ook niet volstaan. De Raad stelt verder vast dat in tegenstelling tot wat verzoeker voorhoudt, uit de aangehaalde landinformatie niet afdoende kan blijken dat het loutere lidmaatschap bij de Ennahda-partij op zich reeds volstaat om aan te tonen dat in hoofde van verzoeker een gegronde vervolgingsvrees of een reëel risico op het lijden van ernstige schade kan worden aangenomen. Immers blijkt geenszins uit de algemene landeninformatie dat het loutere feit dat verzoeker lid is van de Ennahda-partij, terwijl zijn laatste politieke activiteiten reeds van zeven jaar geleden dateren, hij ook effectief wordt vervolgd. In de door verzoeker aangehaalde landeninformatie is bovendien veeleer sprake van arrestaties van partijleiders en ‘high-profile’ opposanten en hoewel ook gewag wordt gemaakt van repressie en aanhoudingen van sympathisanten, moet in VII-42.727-3/8 casu beklemtoond worden dat verzoeker in zijn specifiek geval geenszins aannemelijk maakt dat hij actueel wordt geviseerd of dreigt geviseerd te worden, te meer zijn vluchtmotieven niet geloofwaardig zijn bevonden en door de commissaris-generaal met reden wordt vastgesteld dat het meer dan tien jaar geleden is dat verzoeker bij protesten betrokken was en deelnam aan activiteiten in Tunesië en zijn politieke activiteiten in België reeds dateren van zeven jaar geleden waarbij hij overigens een laag profiel had […]. De Raad is aldus van oordeel dat het lidmaatschap van verzoeker op zichzelf niet kan volstaan om in zijn hoofde een zodanige zichtbaarheid vast te stellen die de interesse van de nationale autoriteiten zou kunnen wekken. Het louter behoren tot een bepaalde risicogroep kan zodoende op zich niet volstaan om de erkenning van de vluchtelingenstatus of de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus te rechtvaardigen. De Raad benadrukt te dezen dat een individuele beoordeling van de vraag naar internationale bescherming noodzakelijk blijft en deze vervolgingsvrees en reëel risico op ernstige schade aldus in concreto moeten worden aangetoond. Verzoeker blijft hiertoe echter, gelet op het voorgaande, in gebreke.” Met de voormelde omstandige motivering, waarbij uitdrukkelijk wordt verwezen naar de door verzoeker bijgebrachte landeninformatie, geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op basis van een individuele beoordeling reeds duidelijk aan op welke gronden hij van oordeel is dat voor verzoeker geen gegronde vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A
(2)van het Vluchtelingenverdrag en artikel 48/3 van de vreemdelingenwet in aanmerking kan worden genomen, noch een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2,
- a)en
- b)van de vreemdelingenwet. Uit het voorgaande blijkt ook dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in antwoord op verzoekers kritiek de in de aanvankelijk bestreden beslissing van de verwerende partij ontwikkelde elementen weergeeft en ze zich eigen maakt, maar deze tevens aanvult, zodat hij zich niet beperkt tot “zich zonder verdere motivering [aansluiten] bij de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing”. Verzoeker toont geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht. In het licht van de voormelde motivering van het bestreden arrest, waar verzoeker verder niet concreet op ingaat, toont verzoeker niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de voorliggende gegevens onvoldoende zou hebben onderzocht. Verder treedt de Raad van State als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf en is hij derhalve niet bevoegd om de door de feitenrechter gemaakte beoordeling over te doen. 5. Verzoeker acht de artikelen 13/1 en 19 van het koninklijk besluit ‘tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen’ en de rechten van verdediging geschonden omdat het VII-42.727-4/8 verzoek dat hij richtte aan de verwerende partij tot het bekomen van een kopie van de notities van het persoonlijk onderhoud onbeantwoord bleef. Verzoeker gaat met deze kritiek echter voorbij aan de overwegingen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen: “Inzake de kritiek op de betekening van de notities van het persoonlijk onderhoud op hetzelfde ogenblijk als de beslissing, wijst de Raad op artikel 57/5quater, § 4 van de Vreemdelingenwet dat bepaalt dat wanneer onder meer artikel 57/6/1, § 1 wordt toegepast, quod in casu, een kopie van de notities van het persoonlijk onderhoud kan worden betekend op hetzelfde ogenblik als de betekening van de beslissing in verband met het verzoek om internationale bescherming, hetgeen ook als dusdanig werd toegepast in casu. De Memorie van Toelichting bij artikel 57/5quater, § 4 van de Vreemdelingenwet […] bepaalt wat volgt: ‘Ten slotte bepaalt de vierde paragraaf dat zodra de artikelen (…), 57/6, § 3, 57/6/1, § 1 of 57/6/4 worden toegepast, een kopie van die notities van het persoonlijk onderhoud kan worden betekend op hetzelfde ogenblik als de betekening van de beslissing in verband met het verzoek om internationale bescherming, gezien deze procedures korte termijnen voorziet. Dit betekent logischerwijs dat men niet zal wachten op de opmerkingen van de verzoeker of van zijn advocaat om een beslissing in verband met het verzoek om internationale bescherming te nemen. De eventuele opmerkingen in verband met de overeenstemming van de notities met de inhoud van het persoonlijk onderhoud zullen worden onderzocht in het kader van de beroepsprocedure’. Uit de toelichting blijkt dat het de wil van de wetgever is dat de eventuele opmerkingen van verzoeker in het geval van toepassing van 57/6/1, § 1 van de Vreemdelingenwet (zoals in casu het geval
- is)zullen worden onderzocht in het kader van de beroepsprocedure. Het vermoeden van instemming met de inhoud van de notities van het persoonlijk onderhoud geldt, gelet op het feit dat verzoeker de mogelijkheid ontnomen werd om dienaangaande opmerkingen te formuleren, dewelke de commissaris-generaal desgevallend – overeenkomstig artikel 57/5quater, § 3 van de Vreemdelingenwet – had moeten onderzoeken alvorens de bestreden beslissingen te nemen, niet in casu. Verzoeker heeft in het kader van onderhavig beroep de mogelijkheid om zijn opmerkingen over de inhoud van de notities van het persoonlijk onderhoud kenbaar te maken, wat hij in casu ook heeft gedaan. De Raad oordeelt met betrekking tot de in het verzoekschrift onder randnummer 92 geformuleerde opmerkingen dat deze geen afbreuk kunnen doen aan de pertinente weigeringsmotieven in de bestreden beslissing en de vaststellingen van de Raad. Zo werd reeds rekening gehouden met het bezwaar tegen het gehoor via een videoconferentie (cf. 2.3.4.). De materiële vergissing op p. 4 van het gehoor waar Syrië wordt vermeld, het gegeven dat verzoekers vergunning werd gestolen in plaats van kwijtgeraakt […], dat verzoeker nooit heeft verklaard dat hij hield van politiemeningen en hij Tunesië heeft verlaten in maart 2011 en niet in 2010 […], dat hij nooit heeft verklaard dat hij slechts tot 2019 een dossier had doch hij nog altijd in procedure is om een compensatie te verkrijgen […], dat hij nooit heeft verklaard dat hij mensen van Ennahda vreest en mensen van het vorig regime nu daarbij horen […] en dat hij nooit heeft verklaard dat ze hem niet kennen en niet weten dat hij bij de partij hoort en dat hij problemen had met de gouverneur en het hoofd van het ziekenhuis of van het politiekantoor […], zijn immers niet als dusdanig opgenomen in de bestreden beslissing en maken geen deel uit van de weigeringsmotieven van de bestreden beslissing. VII-42.727-5/8 Waar in het verzoekschrift nog wordt opgeworpen dat er blijkbaar enkele misverstanden waren tussen de tolk en verzoeker en bijgevolg deze vertaling nogmaals werd vertaald van het Engels naar het Nederlands, moet de Raad opmerken dat dit niet volstaat om vast te stellen dat de verklaringen van verzoeker volledig onjuist werden geformuleerd en dit geenszins zijn houding, zijn onaannemelijke, tegenstrijdige en gebrekkige verklaringen kan verschonen, te meer door de Raad rekening werd gehouden met de in het verzoekschrift geformuleerde opmerkingen en verzoeker daarenboven tijdens zijn gehoor als op het einde uitdrukkelijk aangaf de tolk goed te begrijpen en te hebben begrepen en iedereen goed te horen […]. Gelet op het voorgaande toont verzoeker derhalve niet in concreto aan welke nadelige gevolgen deze handelwijze voor hem zou hebben gehad of op welke wijze deze handelwijze die is gebaseerd op artikel 57/5quater, § 4 van de Vreemdelingenwet van invloed zou zijn geweest op de bestreden beslissing. Aan de bestreden beslissing kleven bijgevolg geen onregelmatigheden die door de Raad niet kunnen worden hersteld en een schending van de rechten van verdediging of het recht op bijstand van een advocaat worden bijgevolg niet aangetoond. Verzoeker laat na enig element aan te voeren ter weerlegging van deze motivering uit het bestreden arrest en beperkt zich louter tot het op algemene wijze beweren van het tegendeel, waarmee hij derhalve geen schending aantoont van voormelde bepalingen. 6. Verzoeker voert in het opschrift van het eerste middel de schending aan van artikel 48/6, § 5 van de vreemdelingenwet en van de “de gelijkheid der wapens” doch zet hij niet uiteen, minstens niet anders dan met de voormelde ongegrond bevonden kritiek, op welke wijze deze bepalingen zouden zijn geschonden met het bestreden arrest. 7. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede middel 8. In het tweede middel voert verzoeker andermaal de schending aan van de formelemotiveringsplicht, de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur die, zoals in punt 1 supra reeds werd toegelicht, niet van toepassing zijn op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. In de mate dat verzoeker de jurisdictionele motiveringsplicht geschonden acht waar hij stelt dat “de RVV zijn motiveringsplicht [heeft] geschonden” toont hij geen gebrekkige of tegenstrijdige motivering in het bestreden arrest aan door eerst de motieven van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen omtrent verzoekers kritiek op het gehoor via videoconferentie en zijn verzoek op waarborging van de vertrouwelijkheid en de integriteit van de gegevens tijdens het persoonlijk onderhoud te citeren en vervolgens op algemene VII-42.727-6/8 wijze het tegendeel te beweren. A fortiori door louter de kritiek op de aanvankelijk bestreden beslissing te herhalen, vraagt verzoeker in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. 9. Verzoeker verwijst in het opschrift van het middel naar artikel 13/1 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 ‘tot regeling van de werking en de rechtspleging voor het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen’ iuncto de artikelen 13 en 44 tot 50 van verordening 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 ‘betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG’ doch zet hij niet uiteen op welke wijze deze bepalingen zouden zijn geschonden met het bestreden arrest. 10. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT: 1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zeven februari tweeduizend vijfentwintig door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter VII-42.727-7/8 Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.727-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.171 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div