id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 17 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.187 Rolnummer: A. 243825/VII-42742 Zaak: Cassatiebeschikking 16187 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 17/02/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-02-18 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-06-17 01:44 Fiche Beschikking nr 16.187 van 17 februari 2025 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.187 van 17 februari 2025 in de zaak A. 243.825/VII-42.742 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pierre Robert kantoor houdend te 1000 Brussel Sint-Quentinstraat 3/3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 24 december 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 317.679 van 29 november 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 17 januari 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Eerste onderdeel van het enige middel
- Met betrekking tot de situatie van de Ahmadi-gemeenschap in Pakistan overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest: VII-42.742-1/10 “In de bestreden beslissing motiveert de commissaris-generaal op goede gronden dat het louter behoren tot de Ahmadi-gemeenschap niet volstaat om een nood aan internationale bescherming aannemelijk te maken, doch dat verzoekster haar vrees voor vervolging in concreto dient aan te tonen. In de bestreden beslissing stelt de commissaris-generaal terecht als volgt: ‘Uit de informatie waarover het CGVS beschikt (en waarvan een kopie werd toegevoegd aan het administratief dossier) blijkt dat Ahmadi in Pakistan te maken kunnen krijgen met discriminatoire maatregelen, bedreigingen en geweld. Zo bevat de Pakistaanse ‘Penal Code’ meerdere artikelen die er specifiek op zijn gericht om het geloof van de Ahmadiyya-gemeenschap als blasfemie te beschouwen en strafrechtelijk te vervolgen. In deze context ontstond een klimaat van religieuze intolerantie en straffeloosheid ten aanzien van de Ahmadiyya-gemeenschap, dat de leden van deze gemeenschap blootstelt aan mishandeling, geweld en intimidatie vanwege sommige medeburgers, alsook vanwege de Pakistaanse overheid. Dit klimaat van religieuze intolerantie en straffeloosheid wordt door de Pakistaanse autoriteiten gedoogd en in sommige gevallen zelfs aangemoedigd, zoals bijvoorbeeld het tolereren en vergoelijken van anti-Ahmadipropaganda vanwege onder meer extremistische, religieuze groeperingen. Ook in het dagelijkse leven worden de Ahmadi geconfronteerd met haat, (valse) beschuldigingen van blasfemie, bedreigingen, economische belemmeringen geconfronteerd met haat, (valse) beschuldigingen van blasfemie, bedreigingen, economische belemmeringen en andere discriminatoire bejegeningen vanwege hun medeburgers. De meerderheid van geweldsplegingen en/of aanklachten van blasfemie tegen de gemeenschap is afkomstig van medeburgers, omwonenden, van lokale geestelijken, al dan niet opgezweept door haatspeech, en geïndoctrineerd door onevenwichtige curricula in het onderwijs en straffeloze uitingen van haat in de media, ook door politieke leiders. Het aantal aanklachten tegen Ahmadi’s onder de blasfemiewetgeving is gedaald sinds 2018 maar vanaf 2021 is een stijging te bemerken. In 2021 en 2022 werden respectievelijk 110 en 107 Ahmadi’s aangeklaagd. Verder dient erop gewezen te worden dat uit de beschikbare informatie blijkt dat lokale personen die een positie bekleden en een zeker aanzien genieten in de Ahmadiyya-gemeenschap het meeste risico lopen om het slachtoffer te worden van een doelgerichte aanval of moord. Dient evenwel te worden opgemerkt dat het aantal Ahmadi in Pakistan geschat wordt tussen 400 000 tot 600 000 en 2 miljoen tot 5 miljoen, terwijl het aantal doelgerichte moorden in de jaren 2014-2020 varieert tussen twee en elf moorden per jaar. In de jaren 2021-2022 en de eerste helft van 2023 ging het om respectievelijk 3, 3 en 1 moorden per jaar. Hoewel rekening moet worden gehouden met mogelijke onderrapportering van geweldsdelicten tegen Ahmadi’s, en hoewel het CGVS zich bewust is van de precaire situatie waarin Ahmadi in Pakistan zich kunnen bevinden, dient in het licht van de beschikbare landeninformatie besloten te worden dat het loutere feit Ahmadi te zijn in Pakistan als dusdanig niet volstaat om te besluiten tot de erkenning van de status van vluchteling of te de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus. Dit wordt bevestigd door de UNHCR in de ‘Eligibility Guidelines for Assessing the International Protection Needs of Members of Religious Minorities from Pakistan’ van januari 2017 (beschikbaar op https://www.refworld.org/docid/5857ed0e4.html of https://ww.refworld.org.. Hierin stelt de UNHCR dat Ahmadi ‘are likely to be in need of international refugee protection on account of religion, ethnicity, (imputed) political opinion, and/or other relevant grounds, depending on the individual circumstances of the case’. Uit de COI Focus Pakistan. De Ahmadiyya-gemeenschap van 10 oktober 2023 (waarvan een kopie werd toegevoegd aan het administratief dossier) blijkt dat UNHCR sinds januari 2020 geen nieuwe richtlijnen heeft gepubliceerd met betrekking tot religieuze minderheden in Pakistan. VII-42.742-2/10 Uit het geheel van bovenstaande vaststellingen volgt dat een verwijzing naar een risicoprofiel, met name het behoren tot de Ahmadi-gemeenschap, niet volstaat om aan te tonen dat u in uw land van herkomst werkelijk wordt bedreigd en vervolgd. Een individuele beoordeling van uw vraag naar internationale bescherming, waarbij u uw vrees voor vervolging in concreto dient aan te tonen, blijft dan ook noodzakelijk.’ Verzoeksters betoog onder verwijzing naar algemene informatie, dat er in Pakistan daden van vervolging jegens de Ahmadi-gemeenschap plaatsvinden, dat er sprake is van een wettelijke strafbaarstelling, dat de Pakistaanse autoriteiten bovendien deze strafwetgeving toepassen en dat medeburgers zich door dezelfde wettelijke bepalingen gesterkt zien om leden van de Ahmadi-gemeenschap aan te vallen, elementen die op zich niet betwist worden, en die bovendien worden gestaafd aan de hand van voorbeelden aangehaald in en bij het verzoekschrift, is geenszins afdoende om afbreuk te doen aan bovenstaande vaststelling dat uit het geheel van de beschikbare informatie niet blijkt dat de situatie in Pakistan van die aard is dat er aldaar sprake zou zijn van een systematische vervolging van de Ahmadi-gemeenschap. Verzoekster kan dan ook niet volstaan met een loutere verwijzing naar de algemene situatie voor Ahmadi’s in Pakistan om een vrees voor vervolging in haar hoofde aan te tonen, doch dient dergelijke vrees in concreto aannemelijk te maken, alwaar zij echter, gelet op wat volgt, in gebreke blijft. […] Waar verzoekster wijst op de situatie in haar dorp, Goghiat, en onder meer wijst op de grafschendingen op de begraafplaats van de Ahmadiyya-gemeenschap aldaar, dient vastgesteld dat uit de bijgebrachte stukken daaromtrent […] inderdaad blijkt dat de Ahmadi-gemeenschap aldaar door de Pakistaanse gemeenschap werd geviseerd, waardoor een groot deel van deze gemeenschap er wegtrok, zoals verzoekster ook zelf verklaarde. Dit ligt evenwel in lijn met voormelde informatie in verband met de situatie van de Ahmadi-gemeenschap in Pakistan en hieruit kan dan ook niet blijken dat verzoekster in het kader van deze algemene situatie persoonlijk zou zijn geviseerd. De door haar aangehaalde informatie is van louter algemene aard en heeft geen betrekking op zijn persoonlijke, individuele, situatie. Verzoekster verklaarde immers zelf dat zij Pakistan verliet omwille van de algemene situatie van de Ahmadi’s in Pakistan en om bij haar familieleden in België te kunnen zijn.” Uit de voorgaande overwegingen blijkt dat en waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van oordeel is dat het niet volstaat om te behoren tot de Ahmadi-gemeenschap in Pakistan om een nood aan internationale bescherming aannemelijk te maken. Verzoekster is wat dat betreft een andere mening toegedaan doch zij toont daarmee niet aan dat de bovenstaande motieven in strijd zijn met artikel 48/3 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet), geïnterpreteerd overeenkomstig artikel 9 van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking)’ (hierna: richtlijn 2011/95). VII-42.742-3/10 De feitelijke beoordeling van de situatie van de Ahmadi-gemeenschap in Pakistan, met name of het volstaat tot die gemeenschap te behoren om tot een nood aan internationale bescherming te besluiten, behoort tot de soevereine beoordelingsbevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, die te dezen uitspraak met hervormingsbevoegdheid heeft gedaan. Ook de vraag of verzoekster bij een terugkeer naar Pakistan een reëel risico loopt het voorwerp te worden van de sancties en gevolgen van de Pakistaanse wetgeving, behoort tot die soevereine beoordelingsbevoegdheid. De Raad van State treedt als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf.
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de vreemdelingenwet specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voormelde bepalingen. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. De verwijzing door een verzoeker naar rechtspraak van een rechtbank of een hof vormt slechts de argumentatie betreffende de kritiek dat een bepaling of een beginsel zou zijn geschonden, maar vormt geen afzonderlijk middel of middelonderdeel dat als dusdanig zou moeten worden beantwoord. Tweede onderdeel van het enige middel
- Verzoekster leidt uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie af dat twee cumulatieve criteria gelden om te besluiten tot een daad van vervolging in de zin van de artikelen 9 en 10 van richtlijn 2011/95, namelijk een wettelijke strafbaarstelling en de daadwerkelijke toepassing ervan. Volgens verzoekster heeft de Raad VII-42.742-4/10 voor Vreemdelingenbetwistingen haar argumentatie dat dezelfde redenering in haar geval mutatis mutandis toepassing moet vinden, onbesproken gelaten zodat niet duidelijk is dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen rekening heeft gehouden met door het Hof van Justitie van de Europese Unie gegeven interpretatie.
- Zoals bij de beoordeling van het eerste middelonderdeel supra is gesteld, vormt de verwijzing door een verzoeker naar rechtspraak van een rechtbank of een hof slechts de argumentatie betreffende de kritiek dat een bepaling of een beginsel zou zijn geschonden, maar vormt ze geen afzonderlijk middel of middelonderdeel dat als dusdanig zou moeten worden beantwoord. Al wordt in het bestreden arrest niet uitdrukkelijk ingegaan op de door verzoekster aangehaalde interpretatie, hieruit volgt niet dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen artikel 48/3 van de vreemdelingenwet in het bestreden arrest foutief zou hebben geïnterpreteerd. Verzoekster geeft ook niet nader aan waar en hoe in het bestreden arrest een foutieve interpretatie van die bepaling, gelezen in het licht van de artikelen 9 en 10 van richtlijn 2011/95 zou zijn gemaakt. Derde onderdeel van het enige middel
- Volgens verzoekster wordt in het bestreden arrest “geen blijk gegeven van een gedegen, rigoureus onderzoek naar het risico om blootgesteld te worden aan dezelfde praktijken van vervolging die volgens de [Raad voor Vreemdelingenbetwistingen] bestaan in Pakistan en waar de geloofsgemeenschap van verzoekster aan blootgesteld wordt”, waardoor verzoekster artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) geschonden acht. Omdat zij daardoor “geen daadwerkelijk rechtsmiddel” heeft gehad, acht verzoekster ook artikel 13 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie geschonden. Verzoekster verwijst naar rechtspraak betreffende de voormelde bepalingen van het EVRM, doch zij toont daarmee niet aan dat de supra geciteerde overwegingen betreffende de algemene situatie voor Ahmadi’s in Pakistan in strijd zijn met de voorwaarde van een grondig en nauwgezet onderzoek, zoals vereist door artikel 3 van het EVRM. Verzoekster gaat immers voorbij aan de op meerdere rapporten gesteunde analyse VII-42.742-5/10 van die algemene situatie in het bestreden arrest en aan de in dat arrest vermelde elementen die de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen doen besluiten dat het louter behoren tot de Ahmadi-gemeenschap niet volstaat om een nood aan internationale bescherming aannemelijk te maken. Verzoekster gaat ook voorbij aan de omstandige motivering in het bestreden arrest betreffende de door haar aangevoerde persoonlijke elementen, die de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen evenmin tot een nood aan internationale bescherming doen besluiten. Een schending van artikel 13 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie blijkt evenmin, nu verzoekster zich wat dat betreft enkel steunt op de voormelde, ongegrond bevonden, kritiek. Vierde onderdeel van het enige middel
- In de mate dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aanvaardt dat in Pakistan bepaalde daden van vervolging hebben plaatsgevonden of nog plaatsvinden tegen leden van de Ahmadi-gemeenschap, is dit niet in strijd met de overweging dat daaruit niet blijkt dat aldaar sprake zou zijn van een “systematische vervolging van de Ahmadi- gemeenschap”, zodat een individuele beoordeling van het verzoek om internationale bescherming noodzakelijk blijft, waarbij verzoekster haar vrees voor vervolging in concreto moet aantonen. Verzoekster toont wat dat betreft geen tegenstrijdigheid in de motieven van het bestreden arrest aan. Vijfde onderdeel van het enige middelonderdeel
- Verzoekster acht het bestreden arrest tegenstrijdig gemotiveerd omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen enerzijds erkent dat de Pakistaanse samenleving de Ahmadi-gemeenschap in het dorp Goghiat viseerde waardoor een groot deel van deze gemeenschap wegtrok uit Goghiat doch anderzijds stelt dat verzoekster niet concreet aantoont dat haar familieleden zich in een gelijkaardige situatie bevonden als verzoekster en internationale bescherming in België hebben gekregen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest: “Waar verzoekster wijst op de situatie in haar dorp, Goghiat, en onder meer wijst op de grafschendingen op de begraafplaats van de Ahmadiyya-gemeenschap aldaar, dient VII-42.742-6/10 vastgesteld dat uit de bijgebrachte stukken daaromtrent […] inderdaad blijkt dat de Ahmadi-gemeenschap aldaar door de Pakistaanse gemeenschap werd geviseerd, waardoor een groot deel van deze gemeenschap er wegtrok, zoals verzoekster ook zelf verklaarde. Dit ligt evenwel in lijn met voormelde informatie in verband met de situatie van de Ahmadi-gemeenschap in Pakistan en hieruit kan dan ook niet blijken dat verzoekster in het kader van deze algemene situatie persoonlijk zou zijn geviseerd. De door haar aangehaalde informatie is van louter algemene aard en heeft geen betrekking op haar persoonlijke, individuele, situatie. Verzoekster verklaarde immers zelf dat zij Pakistan verliet omwille van de algemene situatie van de Ahmadi’s in Pakistan en om bij haar familieleden in België te kunnen zijn. Dat verschillende van verzoeksters familieleden in België verblijven […] wordt op zich niet betwist, doch dit doet geen afbreuk aan de eerdere vaststelling dat het aan verzoekster toekomt om in concreto aan te tonen dat zij omwille van haar Ahmadi- geloof nood heeft aan internationale bescherming. De Raad wijst erop dat elk verzoek om internationale bescherming op zijn eigen merites moet worden beoordeeld en dat uit de erkenning van de nood aan internationale bescherming in hoofde van verzoeksters familieleden niet automatisch volgt dat verzoekster zelf nood heeft aan internationale bescherming. De Raad herinnert eraan dat in het arrest N. R. K. Ahmedbekova, en R. E. O. Ahmedbekov het Hof van Justitie oordeelde dat de richtlijn 2011/95 niet voorziet in verlening van de vluchtelingenstatus of van de subsidiaire beschermingsstatus aan andere derdelanders dan diegenen die vallen onder de definitie van ‘vluchteling’ en van ‘persoon die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt’ (HvJ 4 oktober 2018, N. R. K. Ahmedbekova, en R. E. O. Ahmedbekov, nr. C-652/16, punt 48) en dat elke beslissing over de verlening van een van beide statussen moet worden gebaseerd op een individuele beoordeling om na te gaan of de verzoeker op basis van zijn persoonlijke situatie aan de voorwaarden voor de verlening van de status voldoet. Het doel van de richtlijn is immers om te bepalen of de verzoeker een gegronde vrees heeft, dat hij persoonlijk wordt vervolgd of een risico op ernstige schade heeft. Hieruit volgt dat de nood aan internationale bescherming niet zonder meer kan worden vastgesteld of een internationale beschermingsstatus kan worden toegekend op grond van het feit dat een gezinslid van de verzoeker een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. Evenwel trad het Hof de advocaat-generaal bij in zijn stelling dat dit niet verhindert dat ‘wel rekening moet worden gehouden met de bedreigingen waaraan een gezinslid van een verzoeker is blootgesteld, teneinde te bepalen of deze verzoeker wegens zijn familieband met die bedreigde persoon, zelf wordt bedreigd met vervolging of ernstige schade’ (HvJ 4 oktober 2018, N. R. K. Ahmedbekova, en R. E. O. Ahmedbekov, nr. C-652/16, punten 50-51). Het Hof verwijst in dit verband meer specifiek naar overweging 36 van de Kwalificatierichtlijn volgens dewelke ‘Gezinsleden zijn louter door hun verwantschap met de vluchteling normaal gezien op zodanige wijze kwetsbaar voor daden van vervolging dat zulks een grond voor de toekenning van de status van vluchteling zou kunnen vormen’. In casu kan uit de door verzoekster bijgebrachte identiteitskaarten van haar in België verblijvende familieleden evenwel niet worden afgeleid dat deze familieleden in België als vluchtelingen werden erkend, laat staan omwille waarvan deze familieleden dergelijke erkenning zouden hebben gekregen. Verzoekster maakt dan ook niet concreet aannemelijk dat haar familieleden zich in een gelijkaardige situatie als de hare bevonden en/of bevinden, temeer daar zij zelf verklaarde Pakistan te hebben verlaten omwille van de algemene situatie van de Ahmadi’s aldaar en teneinde bij haar in België verblijvende familieleden te kunnen zijn.” VII-42.742-7/10 Uit de beoordeling van het eerste middelonderdeel supra blijkt reeds dat verzoekster niet de onwettigheid aantoont van de beoordeling in het bestreden arrest dat het niet volstaat om te behoren tot de Ahmadi-gemeenschap in Pakistan om een nood aan internationale bescherming aannemelijk te maken. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft in zijn beoordeling ook de gebeurtenissen in het dorp Goghiat betrokken. Het bestreden arrest is aldus gesteund op de beoordeling van de algemene situatie van de Ahmadi-gemeenschap, op de beoordeling van de door verzoekster aangehaalde concrete elementen, op het gegeven dat verzoekster enkel identiteitskaarten van haar familieleden in België bijbrengt en op de door verzoekster niet bestreden vaststelling dat verzoekster zelf heeft verklaard Pakistan te hebben verlaten omwille van de algemene situatie van de Ahmadi’s aldaar en teneinde bij haar in België verblijvende familieleden te kunnen zijn. Het vormt geen tegenstrijdigheid van motieven die elkaar opheffen door enerzijds te aanvaarden dat een groot deel van de inwoners van Goghiat hun dorp hebben verlaten en anderzijds vast te stellen dat hieruit noch voor verzoekster noch voor haar familieleden, enkel omdat deze ook hun dorp hebben verlaten en in België verblijven, een nood aan internationale bescherming kan worden afgeleid. In het licht van de ongegrondheid van het eerste middelonderdeel en de verschillende omstandig en concreet uitgewerkte motieven van het bestreden arrest, zowel wat de algemene situatie van de Ahmadi’s in Pakistan als verzoeksters concrete situatie betreft, toont verzoekster evenmin een gebrek aan een grondig en nauwgezet onderzoek aan, waardoor de artikelen 3 en 13 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zouden zijn geschonden. Conclusie
- Het enige middel is in zijn vier onderdelen, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar. VII-42.742-8/10
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. VII-42.742-9/10 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zeventien februari tweeduizend vijfentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.742-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.187 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div