id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 27 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.197 Rolnummer: A. 243829/VII-42744 Zaak: Cassatiebeschikking 16197 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 27/02/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-02-28 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-17 01:45 Fiche Beschikking nr 16.197 van 27 februari 2025 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.197 van 27 februari 2025 in de zaak A. 243.829/VII-42.744 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Mieke Van den Broeck kantoor houdend te 1210 Brussel Haachtsesteenweg 55 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 24 december 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 317.192 van 25 november 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 17 januari 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Eerste onderdeel van het enige middel: “met betrekking tot het profiel van verzoeker” 1. Verzoeker voert aan dat in het bestreden arrest niet afdoende rekening is gehouden met zijn profiel van transseksueel persoon in transitie, hetgeen volgens hem een motiveringsgebrek in strijd met artikel 149 van de Grondwet vormt. VII-42.744-1/8 2. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de vreemdelingenwet specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voormelde bepalingen. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. 3. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest: “2.2.7. Verder dient te worden vastgesteld dat verzoekende partij evenmin aannemelijk maakt dat zij voor de door haar aangehaalde problemen die zij er kende omwille van haar genderidentiteit, of bij een eventuele herhaling van dergelijke problemen in geval van een terugkeer naar Kosovo, geen of onvoldoende beroep zou kunnen doen op de hulp van en/of bescherming door de in Kosovo aanwezige lokale en /of hogere autoriteiten. In de bestreden beslissing wordt hieromtrent immers dienstig op het volgende gewezen: ‘Ten tweede maakte u niet aannemelijk dat u in Kosovo omwille van de door u aangehaalde problemen die u er kende omwille van uw genderidentiteit – u bent heden in transitie - geen beroep zou kunnen doen – of bij een eventuele herhaling van dergelijke problemen in geval van een terugkeer naar Kosovo – geen of onvoldoende beroep zou kunnen doen op de hulp van en/of bescherming door de in Kosovo aanwezige lokale en/of hogere autoriteiten. • U verklaarde dat u sinds uw kindertijd problemen kende met uw familie omwille van uw uiterlijk en gedrag waarbij u als kind door uw ouders en twee van uw broer geslagen werd en u later op andere manieren bleven controleren en vernederen. Uw vader bedreigde u ten slotte in augustus 2022 met de dood (CGVS, p. 7, 9-10). U ging, noch als minderjarige noch als meerderjarige, hiervoor niet naar de autoriteiten omwille van dit fysiek en of psychologisch geweld omdat dit het nog erger zou maken, u niet durfde en de politie u zou uitlachen (CGVS 10-11). Hierbij dient aangestipt te worden dat indien de autoriteiten niet op de hoogte worden gebracht van de feiten, zij hiertegen vanzelfsprekend niet kunnen optreden. U wees er voorts op dat Kosovo een klein land is en iedereen steun biedt aan uw vader, maar u kon dit niet concreet maken en verwees enkel naar familieleden die bij de politie werkzaam waren (CGVS, p. 11). Dat uw vader/familie personen kent bij de autoriteiten volstaat niet om te besluiten dat hij/zij deze ook in uw nadeel kan/kunnen manipuleren. VII-42.744-2/8 • U verklaarde voorts dat u beledigd werd door mensen op straat en op uw werkplekken, u werd soms ook bespuwden in 2018 werd u geslagen voor uw appartement (CGVS, p. 11-13). Hiervoor ging u evenmin naar de autoriteiten omdat u meende dat zij zouden zeggen dat u dit verdiend had (CGVS, p. 14). Dit is evenwel een blote bewering en wederom dient er op gewezen te worden dat indien de autoriteiten niet op de hoogte worden gebracht van de feiten, zij hiertegen vanzelfsprekend niet kunnen optreden. • U verklaarde dat u wel naar de politie ging begin 2020 wanneer het lokaal dat u uitbaatte twee keer beschadigd werd na homofoob geweld (CGVS, p. 13). Hoewel u stelde dat de politie niets deed, kaartte u dit gebrekkige politieoptreden evenwel nergens aan (CGVS, p. 13-14). • U stelde voorts dat omdat u nu in transitie bent uw familie, met name uw vader en broers, dit niet zullen aanvaarden en uw vader u zal vermoorden. U zou hiervoor niet naar de politie kunnen stappen omdat de wet er niet belangrijk is en mensen daar gewapend zijn (CGVS, p. 14-15). Dit is evenwel een blote uitspraak die weerlegd wordt door onderstaande informatie. Immers uit informatie aanwezig op het Commissariaat-generaal (zie de COI Focus: Kosovo Algemene Situatie van 5 december 2023, beschikbaar op https://www.cgvs.be/sites/default/files/rapporten/coi_focus_kosovo._algemene_situati e_20231205.pdf of https://www.cgvs.be/
- nl)blijkt dat in Kosovo – m.u.v. Noord- Kosovo, waar door het massale ontslag van etnisch Servische politieagenten en rechters, procureurs en ander gerechtelijk personeel ten gevolge van hernieuwde spanningen tussen de Servische en de Albanese gemeenschap een veiligheidsvacuüm is ontstaan en de toegang tot justitie sterk beperkt is Albanese gemeenschap een veiligheidsvacuüm is ontstaan en de toegang tot justitie sterk beperkt is geworden maatregelen werden/worden genomen om de politionele en gerechtelijke autoriteiten te professionaliseren en hun doeltreffendheid te verhogen. Niettegenstaande hervormingen nog steeds nodig zijn, o.a. om corruptie verder aan te pakken en de georganiseerde misdaad te bestrijden, blijkt uit informatie dat de Kosovaarse autoriteiten voor alle etnische groepen wettelijke mechanismen voor de detectie, vervolging en bestraffing van daden van vervolging garanderen. De rechten van de verdediging zoals het vermoeden van onschuld, de informatieplicht, het recht op een openbaar en eerlijk proces, het recht op een advocaat, het recht op getuigen en het recht om in beroep te gaan, zijn formeel verworven en worden gerespecteerd. Volledigheidshalve kan worden toegevoegd dat voorzieningen inzake kosteloze rechtsbijstand in Kosovo aanwezig zijn. De informatie maakt verder duidelijk dat, wanneer de Kosovaarse Politie (KP) van misdrijven op de hoogte wordt gebracht, ze op afdoende wijze actie onderneemt. Klachten worden zonder onderscheid naar etnie en los van enige inmenging behandeld. Elke burger van Kosovo kan zich indien nodig in vertrouwen wenden tot de Kosovaarse politie. De verbeterde functionering en de multi-etnische samenstelling van de KP hebben geleid tot een groeiend vertrouwen van de bevolking in het werk van de politie. Dit wordt verder gestimuleerd doordat de KP het voorbije decennium tevens bijzonder proactief is geweest in het creëren en onderhouden van lokale samenwerkingsverbanden met alle verschillende gemeenschappen en minderheden (community policing-strategie). De rechtsgang in Kosovo biedt, ondanks de inspanningen die nog geleverd moeten worden, in het algemeen, en ook voor minderheden, de nodige rechtsbescherming. Hierbij dient aangestipt te worden dat de bescherming die de nationale overheid biedt daadwerkelijk moet zijn. Zij hoeft echter niet absoluut te zijn en bescherming te bieden tegen elk feit begaan door derden. De autoriteiten hebben de plicht om burgers te beschermen, maar deze plicht houdt geenszins een resultaatsverbintenis in. Tevens blijkt uit de informatie van het Commissariaat-generaal dat in het geval de Kosovaarse politie haar werk in particuliere gevallen niet naar behoren zou uitvoeren, er VII-42.744-3/8 mogelijkheden zijn die openstaan voor elke burger om eventueel machtsmisbruik door en/of een slecht functioneren van de politie aan te klagen. Dit kan bij het politie- inspectoraat van Kosovo (Police Inspectorate Kosovo, PIK) en de Ombudsdienst (Ombudsperson Institution Kosovo, OIK). Wangedrag van politieagenten wordt immers niet zonder meer gedoogd en kan leiden tot sanctionerende maatregelen en/of gerechtelijke vervolging. EULEX behoudt tevens een speciale politievertegenwoordiging in Kosovo met de bedoeling de rol van second security responder te blijven opnemen. Naast de KP en internationale politietroepen EULEX is KFOR (Kosovo Force) de derde binnenlandse veiligheidsdienst die bescherming biedt aan burgers en dit in de rol van third responder. Met de aanname van een Rule of Law Strategy for 2021-2026 en een bijhorend actieplan werd een belangrijke stap gezet in de versterking van het gerecht. Er kan tot slot nog op gewezen worden dat meerdere lokale en internationale gouvernementele en niet-gouvernementele organisaties toezien op de naleving van de mensenrechten in Kosovo. Uit de op het Commissariaat-generaal beschikbare informatie (zie de COI Focus: Kosovo Algemene Situatie van 5 december 2023, beschikbaar op https://www.cgvs.be/sites/default/files/rapporten/coi_focus_kosovo._algemene_situati e_20231205.pdf of https://www.cgvs.be/
- nl)blijkt dat Kosovo een wetgeving inzake antidiscriminatie van hoog niveau heeft ontwikkeld. Zo is er een grondwettelijke bescherming tegen discriminatie van LGBTI. De Kosovaarse autoriteiten nemen bovendien geen standpunten in tegen LGBTI en nemen ook geen maatregelen tegen LGBTI. Sinds april 2019 worden in de vernieuwde Kosovaarse Strafwet misdrijven op basis van seksuele geaardheid of genderidentiteit als haatmisdrijven beschouwd. Bovendien wordt ook elk strafbaar feit dat tegen een persoon wordt gepleegd vanwege zijn seksuele geaardheid of genderidentiteit in de strafprocedures als een verzwarende omstandigheid beschouwd. Dit heeft ontegensprekelijk de bescherming van leden van de LGBTI-gemeenschap versterkt. In 2019 is voor het eerst ook een rechtszaak ingeleid op grond van haattaal tegen LGBTI-personen. Nog in 2019 werd door de Advisory and Coordination Group voor de LGBTI-gemeenschap een nieuw actieplan voor de periode 2019-2022 uitgewerkt. Ngo’s ondernemen intussen ook andere initiatieven om de Kosovaarse maatschappij te sensibiliseren inzake de rechten van de LGBTI-gemeenschap. Er is tevens een sterke samenwerking tussen de LGBTI- organisaties en de Kosovaarse politie. Het valt evenwel niet te ontkennen dat ondanks dit alles een groot deel van de Kosovaarse bevolking het hebben van een andere seksualiteit nog steeds erg stigmatiseert en dat discriminatie, verbaal geweld en fysiek geweld tegenover LGBTI voorkomen. De informatie maakt weliswaar duidelijk dat, als iemand op grond van zijn seksualiteit aan geweld of pesterijen zou worden blootgesteld, de Kosovaarse autoriteiten wel degelijk voor bescherming kunnen en willen zorgen en dat de politie over het algemeen, wanneer aangifte wordt gedaan, zal ingrijpen. Hoewel het niet uit te sluiten valt dat individuen tewerkgesteld bij de Kosovaarse autoriteiten een negatieve houding uiten ten opzichte van LGBTI, moet worden opgemerkt dat dit niet betekent dat het geheel van de Kosovaarse autoriteiten a priori onwillig zou zijn om hulp te bieden. Gelet op voorgaande meen ik dat er gesteld kan worden dat in geval van eventuele (veiligheids)problemen de in Kosovo opererende autoriteiten aan alle Kosovaarse onderdanen ongeacht hun etnische origine voldoende bescherming bieden en maatregelen nemen in de zin van artikel 48/5 van de Belgische Vreemdelingenwet. Wat betreft de door u neergelegde informatie over de algemene situatie van LGBTI+ gemeenschap in Kosovo, met name artikelen, rapporten en een Wikipediapagina over Duda Balje, erkent het CGVS dat de LGBTI+ gemeenschap in Kovoso met moeilijkheden wordt geconfronteerd, maar dit doet geen afbreuk aan uw persoonlijke beschermingsmogelijkheden.’ VII-42.744-4/8 Verzoekende partij slaagt er niet in deze vaststelling in concreto te weerleggen of te ontkrachten. Vooreerst kan zij niet volstaan met de loutere herhaling dat haar vader verschillende mensen kent binnen de politie en dat zij wel degelijk beroep gedaan heeft op politiediensten na de problemen op haar werkplaats maar dat hiermee niets werd gedaan, nu dienaangaande in de bestreden beslissing reeds terecht opgemerkt wordt dat (
- i)het loutere gegeven dat haar vader personen kent bij de autoriteiten niet volstaat om te besluiten dat hij deze ook in haar nadeel kan manipuleren en (
- ii)zij het door haar vermeende gebrekkige politieoptreden nergens heeft aangekaart. De Raad onderstreept in dit verband dat uit bovenvermelde informatie blijkt dat er in Kosovo verschillende mogelijkheden zijn die openstaan voor elke burger om eventueel machtsmisbruik door en/of een slecht functioneren van de politie aan te klagen. Verzoekende partij heeft deze mogelijkheden evenwel geheel onbenut gelaten en biedt geen overtuigende verklaring voor haar nalaten. Ook met haar betoog dat in Kosovo ‘personen die afwijken van de traditionele gendernormen vaak geconfronteerd (worden) met ernstige discriminatie, geweld en marginalisatie” en dat de Kosovaarse samenleving in het algemeen zeer onverdraagzaam is tegenover transgenders, doet zij geenszins in concreto afbreuk aan de in de bestreden beslissing gedane motivering omtrent de beschermingsmogelijkheden die wel degelijk in Kosovo aanwezig zijn. Ten slotte oppert zij dat de Kosovaarse overheid onvoldoende bescherming en steun biedt aan transgenders en dat klachten over geweld en discriminatie zelden serieus worden genomen of adequaat worden behandeld. De Raad stelt evenwel vast dat zij desbetreffend niet verder komt dan blote beweringen en nalaat andersluidende informatie bij te brengen waaruit blijkt dat de informatie waarop verwerende partij haar motivering inzake de in Kosovo aanwezige beschermingsmogelijkheden steunt, met name de ‘COI Focus’ betreffende ‘Kosovo. Algemene Situatie’ van 5 december 2023, niet langer correct en/of actueel is. 2.2.8. Dient er tevens nog op te worden gewezen dat uit de verklaringen van verzoekende partij blijkt dat zij in Kosovo in staat bleek te zijn een zelfstandig leven uit te bouwen. De commissaris-generaal stelt dienaangaande immers op goede gronden het volgende: ‘Ten derde blijkt uit uw verklaringen dat u in Kosovo wel degelijk een zelfstandig leven uitbouwde. • Hoewel u verklaarde dat uw oudste broer u controleerde tot 2014, 2015 of 2016 en u vervolgens wel onderdruk bleef staan van uw familie omwille van uw houding en kledij (CGVS, p. 10), is het bevreemdend u wel steeds vrijwillig terugkeerde naar hen omdat u uw moeder miste (CGVS, p. 10). Te meer omdat u tegelijkertijd wel verklaarde in de mogelijkheid te verkeren om hen soms maandenlang niet te bezoeken (CGVS, p. 10). • Hoe dan ook dient vastgesteld te worden dat uit uw verklaringen blijkt dat u, die reeds in Kosovo droeg wat u wou (CGVS, p. 12), al geruime tijd zelfstandig alleen woonde in een eigen huurwoning. U behaalde voorts een diploma hoger onderwijs en had steeds werk in de horeca (CGVS, p. 4-5). U had er voorts ook verschillende relaties (CGVS, p. 12) • Hoewel u zelf niet aan hen vertelde over uw trans zijn, blijkt dat u in Kosovo wel degelijk in contact stond met andere transpersonen die zich bovendien op een actieve manier inzetten voor de LGBTI+ gemeenschap. U werd bovendien door hen uitgenodigd op verschillende (besloten) activiteiten (CGVS, p. 12, 13).’ Met een loutere verwijzing naar het belang van familiebanden binnen de Kosovaarse samenleving, ongeacht persoonlijke conflicten of trauma’s, verklaart verzoekende partij geenszins afdoende waarom zij steeds vrijwillig terugkeerde naar haar familie, terwijl zij nochtans in de mogelijkheid verkeerde om hen soms maandenlang niet te bezoeken. Dat zij telkens vrijwillig terugkeerde naar haar familie, relativeert wel VII-42.744-5/8 degelijk de ernst van de druk die haar familie op haar zou hebben uitgeoefend omwille van haar houding en kledij. Ook uit het gegeven dat zij zelfstandig alleen woonde, een eigen huurwoning had, een diploma hoger onderwijs behaalde, steeds werk had in de horeca, verschillende relaties had en ook contact had met andere transpersonen, blijkt allerminst dat haar familie een sterke controle over haar hadden en een dermate grote druk op haar uitoefende dat haar het leven onmogelijk werd gemaakt.” Uit de voormelde motivering blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk verzoekers profiel van transseksueel in transitie in aanmerking neemt en de op die grond door verzoeker voorgehouden noodzaak aan internationale bescherming beoordeelt in het licht van de algemene situatie voor de “LGBTI+ gemeenschap” in Kosovo en van verzoekers concrete situatie. 4. Verzoeker toont derhalve geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht. Tweede onderdeel van het enige middel: “het ontbreken van de mogelijkheid om de transitie van verzoeker verder te zetten in het land van herkomst” 5. Verzoeker voert aan dat in strijd met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 7 november 2013 in de zaken C-199/12 en C-201/12, X., Y, en Z., van hem wordt verwacht dat hij zijn genderidentiteit opnieuw verbergt, hetgeen gebeurt wanneer het transitieproces wordt stopgezet. Hij acht dit ook in strijd met artikel 48/3 van de wet van 15 december 19680 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’, geïnterpreteerd overeenkomstig artikel 10 van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking)’. Door van hem te verwachten dat hij zijn genderidentiteit verbergt of zich conformeert aan de in het land van herkomst opgelegde geslachtsrollen, acht verzoeker ook de artikelen 3 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden geschonden. 6. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest: VII-42.744-6/8 “2.2.9. Wat ten slotte nog het gegeven betreft dat zij momenteel in België in transitie is en dat deze mogelijkheid niet bestaat in Kosovo, is de Raad van oordeel dat de commissaris-generaal in dit verband terecht het volgende motiveert in de bestreden beslissing: ‘Ten vierde dient wat betreft dat u momenteel in België in transitie bent en dat deze mogelijkheid niet bestaat in Kosovo er op gewezen te worden dat dit motief geen verband houdt met de criteria bepaald in artikel 1, A
(2)van het Verdrag van Genève, zoals bepaald in artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980, noch met de criteria inzake subsidiaire bescherming vermeld in artikel 48/4 van diezelfde wet. U dient voor de beoordeling van medische elementen een aanvraag voor een machtiging tot verblijf te richten aan de staatssecretaris van Asiel en Migratie of zijn gemachtigde op basis van artikel 9ter van de wet van 15 december
- Hierbij dient opgemerkt te worden dat u in het verleden reeds een psycholoog in Kosovo raadpleegde om uw identiteit te leren kennen (CGVS, p. 3). Uit niets blijkt dat u indien nodig wederom hierop een beroep kan doen.’ Verzoekende partij kan niet worden gevolgd waar zij stelt dat het ontbreken van toegang tot deze behandeling in Kosovo een vorm van vervolging op grond van haar genderidentiteit betreft. Immers onderstreept de Raad dat het loutere feit dat dergelijke behandeling niet voorhanden is in Kosovo geen intentionele bedreiging van haar leven, vrijheid en/of fysieke integriteit inhoudt. Van vervolging of ernstige schade in de zin van de artikelen 48/3 en 48/4 van de Vreemdelingenwet is dan ook geen sprake. Verzoekende partij dient zich voor de beoordeling van medische elementen te richten tot de geëigende procedure, met name de aanvraag voor een machtiging tot verblijf gericht aan de Staatssecretaris of zijn gemachtigde op basis van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet.” Uit de voormelde motivering blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk ingaat op verzoekers problematiek inzake (het gebrek aan) een behandeling voor transitie in Kosovo. Verzoekers kritiek dat van hem zou worden verwacht zijn genderidentiteit te verbergen, mist feitelijke grondslag. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt integendeel enkel dat het gebrek aan de voor een geslachtsverandering vereiste behandeling in Kosovo geen intentionele bedreiging inhoudt, dat het derhalve niet gaat om vervolging of ernstige schade in vluchtelingenrechtelijke zin en dat verzoeker omwille van de voorgehouden medische redenen een aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter kan indienen. In het licht van die motivering, waarvan verzoeker de onwettigheid niet aantoont, blijkt geen schending van de door verzoeker aangehaalde bepalingen. Conclusie
- Het enige middel is in zijn beide onderdelen kennelijk ongegrond. VII-42.744-7/8 BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zevenentwintig februari tweeduizend vijfentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.744-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.197 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div