id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 13 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.206 Rolnummer: A. 243923/VII-42762 Zaak: Cassatiebeschikking 16206 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 13/03/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-03-14 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-17 01:46 Fiche Beschikking nr 16.206 van 13 maart 2025 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.206 van 13 maart 2025 in de zaak A. 243.923/VII-42.762 In zake : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tine Bricout en Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Orchideestraat 61A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : XXXXX ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 9 januari 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 316.508 van 14 november 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 19 februari 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Om op ontvankelijke wijze een administratief cassatieberoep te kunnen instellen, moet de verzoekende partij de krachtens artikel 3 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ iuncto artikel 19, eerste lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste hoedanigheid bezitten, hetgeen in beginsel impliceert dat zij partij was in de procedure voor het administratief rechtscollege dat het bestreden arrest heeft gewezen. VII-42.762-1/3
- Hoewel zij geen partij was in de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die tot het bestreden arrest heeft geleid, meent de verzoekende partij zich op artikel 39/56 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) te kunnen beroepen om blijk te geven van de vereiste hoedanigheid. Artikel 39/56 van de vreemdelingenwet luidt: De beroepen bedoeld in artikel 39/2 kunnen voor de Raad worden gebracht door de vreemdeling die doet blijken van een benadeling of van een belang. De Minister of diens gemachtigde kan een beroep instellen tegen een beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, die hij strijdig acht met de wet of met de koninklijke besluiten die ermee in verband staan. De partijen mogen zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door advocaten die ingeschreven zijn op de tabel van de Orde der Advocaten of op de lijst van de stagiairs, alsook, volgens de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, door de onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie die gerechtigd zijn om het beroep van advocaat uit te oefenen. Onverminderd deze mogelijkheid, wordt bij een beroep tegen een beslissing van de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, deze partij vertegenwoordigd door de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, door een van de adjuncten of door een door de Commissaris-Generaal aangewezen gemachtigde.” Waar het tweede lid van voormelde bepaling de verzoekende partij de mogelijkheid biedt om beroep in te stellen tegen die beslissingen van de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen die zij in strijd acht met de wet of de koninklijke besluiten die ermee in verband staan, geldt deze regeling uitsluitend voor de beroepen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Noch voormelde bepaling van de vreemdelingenwet noch een andere wettelijke bepaling voorziet in een gelijkaardige mogelijkheid voor wat de administratieve cassatieberoepen betreft. De verzoekende partij die in casu geen partij was in het geding voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, kan zich niet dienstig beroepen op artikel 39/56 van de vreemdelingenwet om alsnog blijk te kunnen geven van de vereiste hoedanigheid.
- Dat de tussen- en einduitspraken van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen krachtens artikel 39/65 van de vreemdelingenwet ter kennis worden gebracht aan de verzoekende partij, impliceert niet, anders dan hoe zij het ziet, dat de wetgever haar hiermee tevens de mogelijkheid heeft geboden om deze arresten aan te VII-42.762-2/3 vechten middels een cassatieberoep bij de Raad van State, zelfs wanneer zij geen partij was in de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
- Het cassatieberoep is kennelijk niet ontvankelijk. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op dertien maart tweeduizend vijfentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.762-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.206 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div