id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 10 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.241 Rolnummer: A. 244147/VII-42794 Zaak: Cassatiebeschikking 16241 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 10/04/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-04-11 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-13 05:48 Fiche Beschikking nr 16.241 van 10 april 2025 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.241 van 10 april 2025 in de zaak A. 244.147/VII-42.794 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jonathan Waldmann kantoor houdend te 4000 Luik Rue Paul Devaux 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 11 februari 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 319.736 van 9 januari 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 14 februari 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Noch de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, noch de materiëlemotiveringsplicht en de zorgvuldigheidsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest, waarmee te dezen uitspraak met hervormingsbevoegdheid is gedaan. ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.241 VII-42.794-1/5 Het enige middel is in die mate kennelijk niet ontvankelijk.
- Verzoeker voert over het al dan niet voorhanden zijn van voldoende, actuele en betrouwbare informatie over de toestand in Afghanistan in essentie aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “geen of alleszins niet afdoende uitleg [geeft] waarom zij ondanks deze vaststellingen alsnog tot de conclusie […] komt dat er wel actuele betrouwbare informatie is en […] haar stelling niet afdoende [motiveert], terwijl dit […] onder meer de kern van het betoog van verzoeker betreft”. Verder zou de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers grieven, uiteengezet in het verzoekschrift, niet beantwoorden. Verzoeker stelt “dat er geen afweging en onderzoek van de argumenten die door verzoeker werden aangehaald in het verzoekschrift en de aanvullende nota heeft plaatsgevonden en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich zonder verdere motivering volledig bij de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing aansluit”.
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepaling wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepalingen. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt.
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst in punt 3.2.
- van het bestreden arrest naar de bij de aanvullende nota van de verwerende partij gevoegde geüpdatete informatie, waaronder een Country Guidance van het EUAA over Afghanistan van mei 2024, een COI Query Afghanistan van het EUAA van 2 februari 2024, een COI ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.241 VII-42.794-2/5 Focus Afghanistan van 14 december 2023 en een rapport van UNAMA van juni
- Hij vermeldt in punt 3.2.
- ook verzoekers eerste aanvullende nota van 19 november 2024 en in punt 3.2.
- verzoekers tweede aanvullende nota van 20 november 2024 met de bijgebrachte documenten. In punt 3.3.6.4.
- van het bestreden arrest gaat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in op het door verzoeker voorgehouden gevaar ingevolge (gepercipieerde) verwestering bij een terugkeer naar Afghanistan. Hierbij steunt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich ook op de recentste informatie uit de bij de aanvullende nota van de verwerende partij gevoegde landeninformatie betreffende de algemene situatie in Afghanistan. In punt 3.3.6.4.
- van het bestreden arrest beantwoordt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uitdrukkelijk de kritiek uit verzoekers aanvullende nota van 19 november 2024 betreffende het voorhanden zijn van (al dan niet voldoende) informatie over Afghanistan om het verzoek tot internationale bescherming te kunnen beoordelen. In punten 3.3.6.4.
- tot 3.3.6.4.
- van het bestreden arrest bespreekt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het voorgehouden risico voor verzoeker bij een terugkeer naar Afghanistan ingevolge zijn verblijf in het Westen. Hij gaat hierbij uitgebreid en concreet in op de door verzoeker aangevoerde elementen, ook uit de aanvullende nota’s van 19 en 20 november
- In punt 3.3.7.
- van het bestreden arrest beoordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen omstandig de door verzoeker voorgehouden situatie van geweld in Afghanistan. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen steunt zich hierbij onder meer op de door de verwerende partij bij haar aanvullende nota gevoegde informatie. In antwoord op verzoekers commentaar op die landeninformatie in zijn aanvullende nota van 19 november 2024, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen: “Verzoeker verklaart afkomstig te zijn uit de provincie […]. Uit landeninformatie blijkt dat voor de provincie […] geen reëel risico bestaat dat een burger persoonlijk wordt getroffen door willekeurig geweld, waardoor de vraag, naar het al dan niet voorhanden zijn van individuele elementen, die het risico op ernstige schade kunnen verhogen, zich in casu niet stelt. Voorgaande ligt in dezelfde lijn van de Country Guidance Afghanistan van mei
- Verzoeker brengt geen informatie bij die hierop een ander licht kan werpen. De informatie waarnaar hij in zijn verzoekschrift en eerste aanvullende nota verwijst, ligt in lijn met deze waarop voormelde analyse van de veiligheidssituatie is gestoeld. ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.241 VII-42.794-3/5 De Raad herhaalt nogmaals dat de kritiek van verzoeker in de eerste aanvullende nota op de gebruikte landeninformatie niet volstaat. Zoals hierboven reeds werd gesteld, is de Raad zich ervan bewust dat de machtsovername door de taliban een impact heeft op de aanwezigheid van bronnen in het land en op de mogelijkheid om verslag uit te brengen, maar oordeelt hij dat er wel degelijk voldoende informatie voorhanden is om de nood aan internationale bescherming op grond van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet te analyseren. Waar verzoeker in zijn verzoekschrift verwijst naar rechtspraak van de Raad, wordt herhaald dat de precedentenwerking niet wordt aanvaard in het Belgisch recht.” Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de kritiek uit verzoekers verzoekschrift en aanvullende nota’s wel degelijk in overweging neemt, zodat hij zich niet beperkt tot het verwijzen naar het verweer van de verwerende partij, zoals verzoeker voorhoudt. Verzoeker geeft niet concreet aan hoe en toont derhalve niet aan dat de motivering van het bestreden arrest wat dat betreft zou tekortschieten.
- Verzoeker toont geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht. Het enige middel is in die mate kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.241 VII-42.794-4/5 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op tien april tweeduizend vijfentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.241 VII-42.794-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.241 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div