← België

Cassatiebeschikking 16243 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 10/04/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 10 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.243 Rolnummer: A. 244360/VII-42823 Zaak: Cassatiebeschikking 16243 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 10/04/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-04-11 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-06-16 05:28 Fiche Beschikking nr 16.243 van 10 april 2025 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.243 van 10 april 2025 in de zaak A. 244.360/VII-42.823 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marlies Van Den Bruel kantoor houdend te 2300 Turnhout Wouwerstraat 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 11 maart 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 321.694 van 17 februari 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 18 maart 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste en tweede middel
  2. Noch de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ noch het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur zijn van toepassing op jurisdictionele beroepen zoals het bestreden arrest, waarmee te dezen uitspraak is gedaan met VII-42.823-1/3 hervormingsbevoegdheid over een beroep tegen de weigering van de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus. Verder vraagt verzoeker in de uiteenzetting van het middel wat de door hem afgelegde verklaringen betreft, wat zijn “verwestering” betreft, en wat de risico’s voor verwesterde personen bij een terugkeer naar Afghanistan betreft, in wezen een nieuwe en andere beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. Verzoeker vermag op die manier geen schending aan te tonen van de artikelen 48/3 en 48/4 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet). Voor zover verzoeker meent dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet zou voldoen aan zijn eigen motiveringsplicht, geeft hij niet aan in welke mate het bestreden arrest concreet geen afdoende antwoord zou geven op verzoekers argumenten inzake de problemen met de taliban.
  3. Tot slot acht verzoeker de artikelen 2 en 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) geschonden doordat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt dat “er in geval van terugkeer geen gegronde vrees voor vervolging zou zijn of risico op ernstige schade” en onvoldoende rekening heeft gehouden met “de gevolgen van een terugkeer van verzoeker uit het Westen op jonge leeftijd en het risico voor onmenselijke behandelingen ten gevolge hiervan”. Met het bestreden arrest wordt geen uitspraak gedaan over een verwijderingsmaatregel. In de mate dat de inhoud van artikel 3 van het EVRM overeenstemt met artikel 48/4 van de vreemdelingenwet, beperkt verzoeker zich tot een algemene stelling waarmee hij geen schending aantoont van de voornoemde verdragsbepalingen.
  4. Het eerste en tweede middel zijn, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Derde middel VII-42.823-2/3
  5. Met de algemene herhaling van zijn eigen standpunt toont verzoeker geen schending aan van de artikelen 9 en 10 van het EVRM.
  6. Het derde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  7. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
  8. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op tien april tweeduizend vijfentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.823-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.243 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.