id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 10 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.244 Rolnummer: A. 244314/VII-42817 Zaak: Cassatiebeschikking 16244 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 10/04/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-04-11 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-16 05:28 Fiche Beschikking nr 16.244 van 10 april 2025 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.244 van 10 april 2025 in de zaak A. 244.314/VII-42.817 In zake :
- XXXXX
- XXXXX
- XXXXX wonende te XXXXX XXXXX alwaar keuze van woonst wordt gedaan bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Sampermans kantoor houdend te 3500 Hasselt Koningin Astridlaan 46 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 13 februari 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 320.537 van 23 januari 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 4 april 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Eerste middel
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest: VII-42.817-1/3 “In de bestreden beslissingen wordt het recht op verblijf van meer dan drie maanden geweigerd omdat de verzoekende partijen geen geldig inreisvisum hebben voorgelegd. In de bestreden beslissingen wordt verwezen naar artikel 52, § 3, iuncto artikel 58 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 (verder: het vreemdelingenbesluit), terwijl met betrekking tot de verplichting om een geldig inreisvisum voor te leggen wordt verwezen naar artikel 40bis, § 4, van de vreemdelingenwet. Dit motief, dat determinerend is, wordt door de verzoekers niet betwist. Verzoekers beperken zich in het middel tot een betoog met betrekking tot de afhankelijkheidsband en het ten laste zijn van de referentiepersoon. Dit betoog houdt geen verband met de determinerende vaststelling dat geen geldig inreisvisum werd voorgelegd. Verzoekers' betoog is niet van aard de motieven van de bestreden beslissingen aan te tasten. Het middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.”
- De verzoekende partijen gaan voorbij aan de vaststelling in het bestreden arrest dat zij het als determinerend beschouwde motief betreffende het niet voorleggen van een geldig inreisvisum niet hebben aangevochten. Zij kunnen zich in de graad van cassatie derhalve niet voor het eerst richten tegen het voormelde determinerend motief.
- Het eerste middel is kennelijk niet ontvankelijk. Tweede middel
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ zijn als dusdanig niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. De verzoekende partijen kunnen dan ook geen schending van deze bepalingen inroepen omdat het bestreden arrest geen voldoende motivering zou bevatten. Ook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. De kritiek van de verzoekende partijen dat de verwerende partij in haar beslissing de zorgvuldigheidsplicht zou hebben geschonden, heeft geen betrekking op het bestreden arrest. Met de kritiek dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ten onrechte zou hebben gesteld dat de zorgvuldigheidsplicht wel werd nageleefd, vragen de verzoekende partijen in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is.
- Het tweede middel is kennelijk niet ontvankelijk. VII-42.817-2/3 BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 600 euro, elk voor een derde, en een bijdrage van 26 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op tien april tweeduizend vijfentwintig door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.817-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.244 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.