← België

Cassatiebeschikking 16246 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 11/04/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 11 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.246 Rolnummer: A. 244265/VII-42815 Zaak: Cassatiebeschikking 16246 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 11/04/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-04-14 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-16 05:28 Fiche Beschikking nr 16.246 van 11 april 2025 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.246 van 11 april 2025 in de zaak A. 244.265/VII-42.815 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Romy Jessen kantoor houdend te 4000 Luik Rue Paul Devaux 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 24 februari 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 320.672 van 24 januari 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 11 maart 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Noch de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ noch de materiëlemotiveringsplicht en de zorgvuldigheidsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest, waarmee te dezen uitspraak met hervormingsbevoegdheid is gedaan. VII-42.815-1/6 Het enige middel is in die mate kennelijk niet ontvankelijk.
  2. Verzoeker citeert wat hij in zijn aanvullende nota onder “2.
  3. Actuele situatie omtrent terugkeerders uit Europa” heeft aangevoerd voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Hij laat gelden dat in het bestreden arrest onvoldoende wordt geantwoord op zijn kritiek op “de betrouwbaarheid van de bijgebrachte bronnen daar voldoende nauwkeurige en actuele informatie over de algemene situatie in Afghanistan ontbreekt” en dat ook de motivering over het risico bij een terugkeer in geval van (gepercipieerde) verwestering niet volstaat. Verzoeker besluit “dat er geen afweging en onderzoek van de argumenten die door verzoeker werden aangehaald in het verzoekschrift en de aanvullende nota heeft plaatsgevonden en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich zonder verdere motivering volledig bij de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing aansluit”.
  4. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepaling wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepalingen. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt.
  5. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst in punt 3.
  6. van het bestreden arrest naar de bij de aanvullende nota van de verwerende partij gevoegde geüpdatete informatie, waaronder een COI Focus Afghanistan van 14 december 2023, een rapport van UNAMA van juni 2023 en een Country Focus van het EUAA over Afghanistan van november
  7. Hij vermeldt in punt 3.
  8. ook verzoekers aanvullende nota van VII-42.815-2/6 4 december 2024, met daarbij (onder meer) ook gevoegd de Country Focus van het EUAA over Afghanistan van november
  9. In punt 4.
  10. van het bestreden arrest antwoordt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uitdrukkelijk op het door verzoeker voorgehouden gebrek aan objectieve en betrouwbare informatie over de situatie in Afghanistan: “Verzoeker wijst in zijn aanvullende nota van 4 december 2024 op een gebrek aan nauwkeurige informatie over de situatie in Afghanistan omwille van tijds- en onderzoeksbeperkingen en stelt dat hoewel er dus recente rapporten werden toegevoegd aan het administratief dossier, men kan concluderen dat de onzekerheid en onwetendheid groot blijft en verweerder de nodige voorzichtigheid aan de dag diende te leggen. Voorts stelt verzoeker dat het bekomen van objectieve informatie problematisch blijft, nu journalisten in uiterst moeilijke omstandigheden dienen te werken en dat UNAMA zo onder meer rapporteert dat verslaggeving tegen de de facto-autoriteiten één jaar gevangenisstraf oplevert. De Raad wijst er vooreerst op dat het CGVS bij aanvullende nota van 2 december 2024 de beschikbare objectieve landeninformatie geactualiseerd heeft en heeft aangevuld, zoals verzoeker ook erkent in zijn aanvullende nota van 4 december
  11. De Raad betwist niet dat de machtsovername door de taliban een impact heeft gehad op de aanwezigheid van bronnen in het land en op de mogelijkheid om verslag uit te brengen. Zo blijkt er dat, in vergelijking met de periode voor de machtsovername waarin bijzonder veel bronnen en organisaties in Afghanistan actief waren en over de veiligheidssituatie rapporteerden, heden minder gedetailleerde en betrouwbare informatie over de situatie in het land voorhanden is. Ook de rapporten van EUAA van december 2023 en november 2024, waarnaar verzoeker in zijn aanvullende nota verwijst, erkennen dat ze sinds de machtsovername door de taliban met verschillende uitdagingen worden geconfronteerd in het verzamelen en controleren van informatie over Afghanistan. Doch blijkt duidelijk dat de berichtgeving uit en over Afghanistan niet is gestopt, dat tal van bronnen nog steeds beschikbaar zijn en dat nieuwe bronnen zijn verschenen, zoals wordt geattesteerd door de voorgelegde landeninformatie. Bij het opstellen van de rapporten heeft EUAA daarenboven zowel gebruik gemaakt van informatie afkomstig van gouvernementele als niet-gouvernementele (internationale) organisaties. Bovendien zijn verschillende gezaghebbende experten, analisten en (internationale) instellingen de situatie in het land blijven opvolgen en rapporteren zij over gebeurtenissen en incidenten. De verbeterde veiligheidssituatie heeft verder als gevolg dat meer regio's dan vroeger toegankelijk zijn. De Raad oordeelt aldus dat er wel degelijk voldoende informatie voorhanden is om de nood aan internationale bescherming, zowel op grond van artikel 48/3 als op grond van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet te analyseren. De Raad houdt in zijn beoordeling rekening met de uitdagingen waarmee verschillende organisaties worden geconfronteerd in hun bronnenonderzoek, zoals hierna zal blijken. Het volstaat echter niet dat verzoeker deze pijnpunten nogmaals benadrukt, zonder in concreto aan te tonen dat de gehanteerde landeninformatie niet zou toelaten om over te gaan tot de beoordeling van beschermingsverzoeken van Afghaanse onderdanen. De Raad zal zich bij de actuele beoordeling van de door verzoeker voorgehouden nood aan internationale bescherming laten leiden door de meest recente landeninformatie, in casu bestaande uit diverse bronnen, die zich in het rechtsplegingsdossier bevindt en die hem door beide partijen wordt aangereikt. Het VII-42.815-3/6 verzoek van verzoeker wordt daarbij afzonderlijk en op individuele wijze onderzocht en beoordeeld, rekening houdend met de concrete situatie in het land van herkomst, alsook met de individuele elementen zoals aangebracht door verzoeker zelf. Bovendien betreft het de beoordeling van de situatie in het land van herkomst van verzoeker zoals deze bestaat op het ogenblik van het vellen van het onderhavige arrest. De appreciatie van de feiten in het licht van de bestaande situatie in het land van herkomst gebeurt namelijk in elk stadium van het verzoek om internationale bescherming. In casu dient te worden vastgesteld dat zowel verzoeker als verweerder een veelheid aan recente, uitgebreide en gedetailleerde landenrapporten, informatie en persartikels aanleveren die afkomstig zijn van een breed scala aan bronnen. In tegenstelling tot wat verzoeker doorheen zijn kritiek in het voorliggende verzoekschrift en zijn aanvullende nota tracht te laten uitschijnen, oordeelt de Raad dat er te dezen en op heden wel degelijk actuele, betrouwbare, eensluidende en omvattende informatie voorhanden is die toelaat om een gedegen inschatting te maken van de situatie in het land en regio van herkomst van verzoeker en om tot een oordeel te komen omtrent de door hem voorgehouden nood aan internationale bescherming, in het licht van deze situatie, in de zin van de artikelen 48/3 en 48/4 van de Vreemdelingenwet.” In punt 4.6.2.
  12. van het bestreden arrest maakt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een omstandige analyse van de gevolgen van een (gepercipieerde) verwestering voor Afghanen die terugkeren naar hun land. Hij steunt zich daartoe ook op de recentste informatie uit de bij de aanvullende nota’s van de partijen gevoegde landeninformatie betreffende de algemene situatie in Afghanistan. Ook hieruit blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt over voldoende en actuele informatie te beschikken over de situatie in Afghanistan. Door verder zijn eigen standpunt te herhalen en te benadrukken, toont verzoeker geen schending aan van artikel 149 van de Grondwet of artikel 39/65 van de vreemdelingenwet.
  13. Waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in punt 4.6.2.
  14. van het bestreden arrest de situatie voor (verwesterde of als dusdanig gepercipieerde) terugkeerders naar Afghanistan in het algemeen onderzoekt, gaat hij in de punten 4.6.2.
  15. en 4.6.2.
  16. omstandig in op verzoekers concreet aangevoerde vrees en situatie wat dat betreft. Ook verzoekers voorgehouden “vrijere omgang […] met meisjes en vrouwen” komt hierbij aan bod, hetgeen een antwoord vormt op verzoekers vrees in Afghanistan te worden beschouwd als schuldig aan het misdrijf zina. Verzoeker richt zich nog tegen de overweging in punt 4.6.2.
  17. van het bestreden arrest dat zijn betoog “omtrent het gebrek aan gegevens met betrekking tot een terugkeer uit het Westen […] niet dienstig is nu noch de bestreden beslissing noch dit arrest een beslissing tot terugkeer of verwijdering inhoudt”. Het is correct dat noch de beslissing VII-42.815-4/6 van de verwerende partij noch het bestreden arrest een verwijderingsmaatregel bevat. Deze vaststelling doet geen afbreuk aan het feit dat punt 4.6.2.
  18. van het bestreden arrest een omstandige motivering bevat over de situatie van terugkeerders in Afghanistan, waarin de desbetreffende motieven uit de beslissing van de verwerende partij worden overgenomen en die verder luidt als volgt: “De thans beschikbare informatie in verband met terugkeer is voldoende en in de regel, voor iemand als verzoeker zonder specifiek profiel, niet problematisch. Het loutere gegeven dat men zou weten van waar verzoeker exact terugkeert, doet verder geen afbreuk aan wat hierboven wordt uiteengezet, met name dat verzoeker geen daadwerkelijke, noch toegeschreven verwestering aannemelijk maakt, alsook dat niet blijkt dat hij in de specifieke negatieve aandacht zou staan van de taliban. Waar verzoeker in zijn aanvullende nota van 4 december 2024 bemerkt dat de taliban hun controle op verplaatsingen in het land vergroten door meer personeel aan te werven voor het bezetten van checkpoints, verwijst de Raad naar wat hierover werd uiteengezet in de nota van 2 december 2024 van verweerder. Er blijkt uit de beschikbare algemene informatie niet dat elke Afghaan die langs een controlepost komt problemen zal ondervinden. De focus van de taliban ligt op het opsporen van tegenstanders of voormalige medewerkers van het Afghaanse leger en politie. Verzoeker toont in de huidige stand van zaken echter niet aan dat hij over een specifiek profiel beschikt waardoor hij persoonlijk zou worden geviseerd bij deze controleposten. Zoals hierboven uiteengezet, blijkt niet dat verzoeker voor zijn vertrek in het vizier stond van de taliban, noch zijn er concrete indicaties die erop wijzen dat hij bij terugkeer in hun vizier zou komen. De algemene informatie waaruit zou blijken dat er niet zonder meer geloof kan worden gehecht aan de belofte van de taliban tot veilige terugkeer vanuit het Westen en de behandeling van personen die proberen te vertrekken en die terugkeren vermag, gelet op het gebrek aan concrete en op verzoekers persoon betrokken elementen, evenmin in hoofde van verzoeker een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade aan te tonen.” Verzoeker toont ook wat dat betreft geen schending aan van artikel 149 van de Grondwet of artikel 39/65 van de vreemdelingenwet.
  19. Het enige middel is in die mate kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  20. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
  21. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. VII-42.815-5/6 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op elf april tweeduizend vijfentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.815-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.246 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.