← België

Cassatiebeschikking 16247 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 11/04/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 11 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.247 Rolnummer: A. 243986/VII-42773 Zaak: Cassatiebeschikking 16247 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 11/04/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-04-14 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-16 05:28 Fiche Beschikking nr 16.247 van 11 april 2025 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.247 van 11 april 2025 in de zaak A. 243.986/VII-42.773 In zake : XXXXX wonende te XXXXX XXXXX alwaar keuze van woonst wordt gedaan bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Londa Sengi kantoor houdend te 1000 Brussel Joseph Stevensstraat 7 tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 16 januari 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 318.382 van 12 december 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 18 februari 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Verzoekers kritiek op bepaalde vaststellingen in de beslissing van de verwerende partij van 12 april 2024, is niet gericht tegen het bestreden arrest. Bovendien vraagt verzoeker in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, ook van de in het bestreden arrest gemaakte beoordeling, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet VII-42.773-1/4 bevoegd is. Daarmee vermag hij geen schending aan te tonen van de artikelen 48/3 en 48/4 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet).
  2. Verzoeker acht de motivering van het bestreden arrest onvoldoende wat betreft de argumentatie dat hij zou deel uitmaken van UNITA en zijn rol in die beweging. Verzoeker gaat hierbij echter voorbij aan de concrete en omstandige beoordeling in het bestreden arrest van de diverse aangevoerde elementen. Hierbij kan in het bijzonder worden gewezen op de volgende overwegingen in het bestreden arrest: “Door louter de door hem neergelegde bewijsstukken te benadrukken, brengt hij geen dienstige argumenten aan tegen de hiervan gemaakte beoordeling door de commissaris-generaal, met name: ‘Ter staving van uw verzoek om internationale bescherming legt u een kopie van een getuigenisbrief neer waarin jullie situatie wordt uitgelegd, opgesteld op 14 december 2021 en ondertekend door de secretaris-generaal van Unita, A.C.D.. Dit document doet geen afbreuk aan de uitgebreide vaststellingen met betrekking tot de ongeloofwaardigheid van jullie asielrelazen. Een document in de vorm van een kopie heeft immers onvoldoende bewijskracht daar het gemakkelijk te vervalsen is met allerhande knip- en plakwerk. Sowieso dienen (zelfs originele) documenten slechts ter ondersteuning van geloofwaardige verklaringen en kunnen zij in geen geval compleet incoherente verklaringen in een ander licht plaatsen. Getuigenissen hebben in elk geval weinig bewijswaarde, gezien onmogelijk kan worden uitgesloten dat ze gesolliciteerd zijn. Zowel u als uw partner leggen een originele UNITA lidkaart voor. U toont eveneens een foto van een persoon in Unita kledij waarvan u meent dat u het bent. Dit vormt echter geen bewijs van de mate van betrokkenheid van u en uw vrouw bij Unita, laat staan dat ze uw deelname aan bovengenoemd project ondersteunen. U legt tevens verschillende krantenartikelen neer om de politieke context in Angola te schetsen, maar ook deze tonen op geen enkele manier uw beweerde relaas of een persoonlijke vrees voor vervolging aan. Tenslotte legt u een originele akte van samenwoonst, zowel uw originele Angolese identiteitskaart als die van uw partner […]. en haar zoon […], uw origineel Angolees paspoort en rijbewijs neer. Uw advocaat voegt daar een werkcontract en loonfiche van Tempo Team […] aan toe, in combinatie met foto’s van de lessen die u in het opvangcentrum geeft, een certificaat van uw Nederlandse les en uw blanco strafregister. Deze documenten bevatten louter persoonsgegevens en gegevens met betrekking tot uw professionele en educatieve carrière hier in België, dewelke hier niet ter discussie staan’. In het bijzonder wat betreft de originele lidkaarten van UNITA, brengt verzoeker geen objectieve elementen aan die erop wijzen dat het louter hebben van een lidkaart van UNITA volstaat, opdat kan worden aangenomen dat er in hoofde van verzoeker een vrees voor vervolging dient te worden aangenomen. Ook het rechtsplegingsdossier bevat geen dergelijke indicaties. Een individueel onderzoek blijft noodzakelijk, waarbij verzoeker in casu niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij omwille van de door hem geschetste context een gegronde vrees voor vervolging dient te koesteren. Wat betreft de kopieën van verzoekers paspoort, die bij aanvullende nota werden overgemaakt, wijst de Raad erop dat hieruit enkel blijkt dat verzoeker in het verleden meermaals een Schengenvisum bekwam en meermaals Europese landen bezocht. Het VII-42.773-2/4 betoog ter terechtzitting dat enkel invloedrijke Angolezen dergelijke Schengenvisa kunnen bemachtigen, is niet meer dan een loutere bewering.” Verzoeker toont dan ook geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht.
  3. Wat de voorgehouden schending van de bewijskracht van stukken betreft, benadrukt verzoeker slechts de geloofwaardigheid van de door hem bijgebrachte stukken. Deze kritiek betreft enkel de bewijswaarde van documenten, die tot de soevereine beoordelingsbevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen behoort. Verzoeker geeft nergens aan, en toont a fortiori niet aan, in welke mate de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan bepaalde stukken een betekenis zou hebben gegeven die niet overeenstemt met de bewoordingen ervan.
  4. Het enige middel is in de aangegeven mate, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  5. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
  6. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op elf april tweeduizend vijfentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter VII-42.773-3/4 Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.773-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.247 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.