← België

Cassatiebeschikking 16249 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 14/04/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 14 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.249 Rolnummer: A. 244332/VII-42818 Zaak: Cassatiebeschikking 16249 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 14/04/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-04-16 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-16 05:28 Fiche Beschikking nr 16.249 van 14 april 2025 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.249 van 14 april 2025 in de zaak A. 244.332/VII-42.818 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Romy Jessen kantoor houdend te 4000 Luik Rue Paul Devaux 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 9 maart 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 321.345 van 7 februari 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 18 maart 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Noch de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ noch de materiëlemotiveringsplicht en de zorgvuldigheidsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest, waarmee te dezen uitspraak met hervormingsbevoegdheid is gedaan. Het enige middel is in die mate kennelijk niet ontvankelijk. VII-42.818-1/6
  2. Verzoeker citeert wat hij in zijn aanvullende nota onder “2.
  3. Actuele situatie omtrent terugkeerders uit Europa” heeft aangevoerd voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Volgens verzoeker kan men “niet betwisten dat in het verzoekschrift én de aanvullende nota uitgebreid kritiek wordt geuit op het feit dat de bijgebrachte bronnen van verwerende partij te beperkt is en dat me zich ernstige vragen kan stellen over de betrouwbaarheid van de bijgebrachte bronnen daar voldoende nauwkeurige en actuele informatie over de algemene situatie in Afghanistan ontbreekt” en is het “onbegrijpelijk dat men op basis van de aangehaalde kritiek en de vaststellingen van de Raad [voor Vreemdelingenbetwistingen] in het arrest alsnog tot de conclusie komt dat uit de landeninformatie niet blijkt dat in het algemeen kan gesteld worden dat personen die terugkeren uit het buitenland of het Westen het risico lopen dat nodig is om te kunnen spreken van een gegronde vrees voor vervolging”. Hij besluit “dat er geen afweging en onderzoek van de argumenten die door verzoeker werden aangehaald in het verzoekschrift en de aanvullende nota heeft plaatsgevonden en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich zonder verdere motivering volledig bij de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing aansluit”.
  4. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepalingen. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. VII-42.818-2/6
  5. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst in punt 3.
  6. van het bestreden arrest naar de bij de aanvullende nota van de verwerende partij gevoegde nieuwe stukken, waaronder een COI Focus Afghanistan van 14 december 2023, een rapport van UNAMA van juni 2023 en een Country Focus van het EUAA over Afghanistan van november
  7. Hij vermeldt in punt 3.
  8. ook verzoekers aanvullende nota van 4 december 2024, met daarbij (onder meer) ook gevoegd de Country Focus van het EUAA over Afghanistan van november
  9. In punt 4.
  10. van het bestreden arrest antwoordt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uitdrukkelijk en zeer omstandig op het door verzoeker voorgehouden gebrek aan objectieve en betrouwbare informatie over de situatie in Afghanistan, waarbij de meest recente door beide partijen bijgebrachte landeninformatie aan bod komt: “In zijn verzoekschrift betoogt verzoeker betreffende het onderzoek naar de veiligheidssituatie in Afghanistan dat in de COl Focus van januari 2022 te lezen valt dat bronnen – waaruit geconcludeerd kan worden dat de situatie in Afghanistan geen risico inhoudt in de zin van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet – niet voorhanden waren, dat de UNHCR in 2022 aangaf dat men betrouwbare bronnen ontbrak, dat de media door de taliban werden vergrendeld en dat het dus heel moeilijk is om de situatie werkelijk in te schatten, dat verweerder in zijn beslissing niet aantoont dat de situatie vandaag anders is en dat er verschoond is aan het gebrek aan betrouwbare bronnen, dat het immers zo is dat zowel Asylos haar maandelijkse publicaties als ACLED haar wekelijkse publicaties over de incidenten in Afghanistan heeft stopgezet sedert december 2022, dat hoewel verweerder nu aan zijn motivatie een nieuwe bron heeft toegevoegd, met name ‘Impact of improvised Explosive Devices on Civilians in Afghanistan’, deze weinig bijbrengt, dat UNAMA zelf aangeeft dat het verslag enkel staaft op informatie die in handen van UNAMA is terechtgekomen en dat er door UNAMA duidelijke en overtuigende informatie voorhanden is, dat een incident enkel wordt opgenomen in het verslag vanaf het ogenblik dat dit door drie verschillende informatiekanalen is geverifieerd, dat de data gebrekkig zijn door de beperkingen eigen aan het werkterrein in Afghanistan en dat journalisten enkel verslagen kunnen uitbrengen die de taliban bevredigen, daar deze anders worden vervolgd, dat Human Rights Watch op dezelfde wijze in 2023 benadrukte dat er amper informatiebronnen voorhanden zijn en dat journalisten worden gecensureerd, dat de EUAA van januari 2023, die verweerder als meest uitgebreide bron aankaart, verre van actueel is, dat men zo leest dat gebeurtenissen na 30 juni 2022 niet in acht genomen worden, hetzij een half jaar voor de publicatie van de EUAA zelf, dat verweerder als meest recente bron de EUAA Afghanistan Security Situation van januari 2023 aanvoert, dat deze bron zich enkel over veiligheidsincidenten tot 30 juni 2022 ontfermt, dat de website van ACLED tot december 2022 veiligheidsincidenten in Afghanistan opsomde maar haar bijna wekelijkse publicaties plots heeft stopgezet, dat ACLED de bron was die door EUAA werd gebruikt om haar onderzoek te plegen naar veiligheidsincidenten en dat het dus om een belangrijke bron gaat die niet verder beschikbaar is. VII-42.818-3/6 Betreffende zijn vrees als terugkeerder en de beschikbare informatie hieromtrent, betoogt verzoeker dat hoewel EUAA, Afghanistan Country Focus van december 2023 informatie verschaft die relevant is voor het bepalen van de internationale beschermingsstatus voor de periode van 1 juli 2023 tot en met 30 september 2023, er opgemerkt dient te worden dat het rapport zelf wijst op de problemen die zij ondervinden omwille tijds- en onderzoeksbeperkingen, dat de CEDOCA, COl Focus Afghanistan, Migratiebewegingen van Afghanen sinds de machtsovername door de Taliban van 14 december 2023 ook tot deze conclusie komt. Verzoeker wijst zowel in zijn verzoekschrift als in zijn aanvullende nota van 4 december 2024 op een gebrek aan nauwkeurige informatie over de situatie in Afghanistan omwille van tijds- en onderzoeksbeperkingen en stelt dat hoewel er dus recente rapporten werden toegevoegd aan het administratief dossier, men kan concluderen dat de onzekerheid en onwetendheid groot blijft en verweerder de nodige voorzichtigheid aan de dag diende te leggen. Voorts stelt verzoeker in zijn aanvullende nota dat het bekomen van objectieve informatie problematisch blijft, nu journalisten in uiterst moeilijke omstandigheden dienen te werken en dat UNAMA zo onder meer rapporteert dat verslaggeving tegen de de facto-autoriteiten één jaar gevangenisstraf oplevert. De Raad wijst er vooreerst op dat het CGVS bij aanvullende nota van 2 december 2024 de beschikbare objectieve landeninformatie geactualiseerd heeft en heeft aangevuld, zoals verzoeker ook erkent in zijn aanvullende nota van 4 december
  11. De Raad betwist niet dat de machtsovername door de taliban een impact heeft gehad op de aanwezigheid van bronnen in het land en op de mogelijkheid om verslag uit te brengen. Zo blijkt er dat, in vergelijking met de periode voor de machtsovername waarin bijzonder veel bronnen en organisaties in Afghanistan actief waren en over de veiligheidssituatie rapporteerden, heden minder gedetailleerde en betrouwbare informatie over de situatie in het land voorhanden is. Ook de rapporten van EUAA van december 2023 en november 2024, waarnaar verzoeker in zijn aanvullende nota verwijst, erkennen dat ze sinds de machtsovername door de taliban met verschillende uitdagingen worden geconfronteerd in het verzamelen en controleren van informatie over Afghanistan. Doch blijkt duidelijk dat de berichtgeving uit en over Afghanistan niet is gestopt, dat tal van bronnen nog steeds beschikbaar zijn en dat nieuwe bronnen zijn verschenen, zoals wordt geattesteerd door de voorgelegde landeninformatie. Bij het opstellen van de rapporten heeft EUAA daarenboven zowel gebruik gemaakt van informatie afkomstig van gouvernementele als niet-gouvernementele (internationale) organisaties. Bovendien zijn verschillende gezaghebbende experten, analisten en (internationale) instellingen de situatie in het land blijven opvolgen en rapporteren zij over gebeurtenissen en incidenten. De verbeterde veiligheidssituatie heeft verder als gevolg dat meer regio's dan vroeger toegankelijk zijn. De Raad oordeelt aldus dat er wel degelijk voldoende informatie voorhanden is om de nood aan internationale bescherming, zowel op grond van artikel 48/3 als op grond van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet te analyseren. Aldus is de huidige situatie niet vergelijkbaar met de situatie eind 2021 en begin 2022, die het uitgangspunt vormde voor de UNHCR Guidance note van februari 2022, waarnaar verzoeker in zijn verzoekschrift verwijst. De Raad houdt in zijn beoordeling rekening met de uitdagingen waarmee verschillende organisaties worden geconfronteerd in hun bronnenonderzoek, zoals hierna zal blijken. Het volstaat echter niet dat verzoeker deze pijnpunten nogmaals benadrukt, zonder in concreto aan te tonen dat de gehanteerde landeninformatie niet zou toelaten om over te gaan tot de beoordeling van beschermingsverzoeken van Afghaanse onderdanen. De Raad zal zich bij de actuele beoordeling van de door verzoeker voorgehouden nood aan internationale bescherming laten leiden door de meest recente landeninformatie, in casu bestaande uit diverse bronnen, die zich in het VII-42.818-4/6 rechtsplegingsdossier bevindt en die hem door beide partijen wordt aangereikt. Het verzoek van verzoeker wordt daarbij afzonderlijk en op individuele wijze onderzocht en beoordeeld, rekening houdend met de concrete situatie in het land van herkomst, alsook met de individuele elementen zoals aangebracht door verzoeker zelf. Bovendien betreft het de beoordeling van de situatie in het land van herkomst van verzoeker zoals deze bestaat op het ogenblik van het vellen van het onderhavige arrest De appreciatie van de feiten in het licht van de bestaande situatie in het land van herkomst gebeurt namelijk in elk stadium van het verzoek om internationale bescherming. In casu dient te worden vastgesteld dat zowel verzoeker als verweerder een veelheid aan recente, uitgebreide en gedetailleerde landenrapporten, informatie en persartikels aanleveren die afkomstig zijn van een breed scala aan bronnen. In tegenstelling tot wat verzoeker doorheen zijn kritiek in het voorliggende verzoekschrift en zijn aanvullende nota tracht te laten uitschijnen, oordeelt de Raad dat er te dezen en op heden wel degelijk actuele, betrouwbare, eensluidende en omvattende informatie voorhanden is die toelaat om een gedegen inschatting te maken van de situatie in het land en regio van herkomst van verzoeker en om tot een oordeel te komen omtrent de door hem voorgehouden nood aan internationale bescherming, in het licht van deze situatie, in de zin van de artikelen 48/3 en 48/4 van de Vreemdelingenwet.” In punt 4.6.2.
  12. van het bestreden arrest maakt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een omstandige analyse van de gevolgen van een (gepercipieerde) verwestering voor Afghanen die terugkeren naar hun land. Hij steunt zich daartoe ook op de recentste informatie uit de bij de aanvullende nota’s van de partijen gevoegde landeninformatie betreffende de algemene situatie in Afghanistan. Ook hieruit blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt over voldoende en actuele informatie te beschikken over de situatie in Afghanistan. Door verder zijn eigen standpunt te herhalen en te benadrukken, toont verzoeker geen schending aan van artikel 149 van de Grondwet of artikel 39/65 van de vreemdelingenwet.
  13. Waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in punt 4.6.2.
  14. van het bestreden arrest de situatie voor (verwesterde of als dusdanig gepercipieerde) terugkeerders naar Afghanistan in het algemeen onderzoekt, gaat hij in de punten 4.6.2.
  15. en 4.6.2.
  16. omstandig in op verzoekers concreet aangevoerde vrees en situatie wat dat betreft. Het gaat om een concrete en omstandige motivering, waarvan verzoeker niet aantoont dat ze niet volstaat in het licht van artikel 149 van de Grondwet of artikel 39/65 van de vreemdelingenwet.
  17. Het enige middel is in die mate kennelijk ongegrond. VII-42.818-5/6 BESLUIT:
  18. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
  19. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op veertien april tweeduizend vijfentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.818-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.249 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.