id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 30 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.275 Rolnummer: A. 244016/VII-42779 Zaak: Cassatiebeschikking 16275 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 30/04/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-05-02 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-16 05:08 Fiche Beschikking nr 16.275 van 30 april 2025 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.275 van 30 april 2025 in de zaak A. 244.016/VII-42.779 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Zouhaier Chihaoui kantoor houdend te 1083 Ganshoren Landsroemlaan 40 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 22 januari 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 319.313 van 30 december 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 4 februari 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Verzoeker voert in essentie aan dat “[d]e principes die door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen naar voren worden gebracht, […] inderdaad zeer belangrijk [zijn] bij de beoordeling van het risico op onmenselijke of vernederende behandelingen”, doch “dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in werkelijkheid niet de nodige aandacht heeft besteed aan de elementen die door verzoeker aan hem zijn gepresenteerd, of dat hij volledig essentiële elementen in de beoordeling van het risico op VII-42.779-1/7 een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest van de grondrechten heeft genegeerd”. Volgens verzoeker heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “enerzijds geen rekening [gehouden] met de kwetsbaarheidskenmerken van verzoeker, namelijk zijn leeftijd, zijn psychologische toestand en de legitieme zorgen die hij heeft vanwege de aanwezigheid van vrijwel al zijn kinderen in de Gazastrook” en “verlangt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen [aan de andere kant] van verzoeker dat hij een medisch attest overlegt dat zijn psychologische toestand bevestigt […], terwijl hij zich momenteel in detentie bevindt en dit een versnelde procedure voor de asielaanvraag vereist, waardoor de verkrijging van een medisch advies dat zijn psychologische stoornissen bevestigt, wordt bemoeilijkt”. Verzoeker besluit dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “zonder deze elementen […] geen volledige en zorgvuldige analyse mogelijk [heeft] gemaakt” en hij “in dit geval de zaak naar het CGRA [had] moeten doorverwijzen, zodat aanvullende onderzoeksmaatregelen zouden kunnen worden genomen, zoals die mogelijk zijn op grond van artikel 39/2, §1, 2° van de wet van 15 december 1980”.
- Het behoort tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen om te oordelen of al dan niet essentiële elementen ontbreken die inhouden dat hij niet kan komen tot een bevestiging of hervorming van de aanvankelijk bestreden beslissing zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen zoals voorzien in artikel 39/2, § 1, tweede lid, 2°, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’. De Raad van State vermag als cassatierechter niet deze feitelijke beoordeling over te doen.
- Verzoeker richt zich enkel tegen de door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gemaakte beoordeling van zijn concrete situatie bij een terugkeer naar Griekenland in het licht van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) en het daarmee overeenstemmende artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Betreffende het feit dat verzoeker niet meer beschikt over een Griekse verblijfsvergunning, maakt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk het VII-42.779-2/7 verschil tussen een verstreken vergunning en een verloren (vernietigde) vergunning, waarvan enkel een duplicaat moet worden gevraagd: “Wat haar individuele situatie betreft geeft de verzoekende partij geenszins aan dat haar verblijfsvergunning verstreken is. Integendeel uit de kopie van de verblijfsvergunning die bijgebracht wordt, blijkt dat haar verblijfsvergunning geldig is tot 17 augustus
- De verzoekende partij geeft enkel aan dat zij haar verblijfsvergunning vernietigd heeft. Indien zij deze verblijfsdocumenten werkelijk zou hebben weggegooid, toont de verzoekende partij niet aan dat zij er geen duplicaat van kan verkrijgen, noch blijkt dit uit de landeninformatie die er voorligt.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onderzoekt verder concreet de gevolgen van het feit dat verzoeker niet meer over zijn Griekse verblijfsvergunning beschikt: “In ieder geval, moet in casu vooreerst worden onderstreept dat de verzoekende partij geenszins aannemelijk maakt zij niet meer kan beschikken over een geldige verblijfsvergunning, zoals hoger reeds aangegeven kan de verzoekende partij een duplicaat van haar verblijfvergunning aanvragen. De verzoekende partij maakt geenszins aannemelijk dat de procedure om een duplicaat van een geldige verblijfvergunning na diefstal of verlies aan te vragen op dezelfde wijze verloopt als de procedure om de verblijfsvergunning te hernieuwen. Voorts wordt in de bestreden beslissing op goede gronden gemotiveerd dat: ‘U haalt verder aan dat uw Griekse verblijfsvergunning (ADET) werd afgenomen door de Griekse autoriteiten toen u met dit document (samen met uw Palestijns paspoort) naar België trachtte te reizen. U denkt hierdoor dat uw Griekse verblijfsvergunning vals is […]. Dat u niet werd toegelaten om naar België te reizen zonder dat u een geldig paspoort/visum voorlegde, is niet meer dan logisch. Dat uw verblijfsvergunning daarbij werd ingehouden, lijkt – gelet op het feit dat u probeerde te reizen zonder geldig document – te kaderen binnen correcte politionele bevoegdheden die een rechtstaat betaamt. Nergens hieruit blijkt dat u een valse Griekse verblijfsvergunning werd toegekend. Bovendien kon u in november 2024 wel naar België reizen toen u gebruik maakte van een rechtsgeldig document (Grieks reispaspoort). U stelt verder dat u in Griekenland moeilijkheden kende om een nieuwe verblijfsvergunning te bekomen […]. Dat er bepaalde moeilijkheden zijn bij het vernieuwen/verlengen van de Griekse verblijfsvergunning (ADET), ontkent het CGVS niet. Vooreerst dient hierbij opgemerkt te worden dat uw advocaat een afspraak regelde bij de bevoegde diensten voor de vernieuwing van uw ADET maar dat u zelf besloot om hier niet op in te gaan. Bij een volgende poging van uw advocaat in september of oktober 2024 verkreeg u een nieuwe ADET […]. Verder dient hierbij op het volgende gewezen te worden.’ Verder is het niet onredelijk om van de verzoekende partij, die in Griekenland internationale bescherming verkreeg, te verwachten dat zij inspanningen levert om haar levensomstandigheden aldaar te verbeteren en er een bestaan uit te bouwen. Uit de beschikbare landeninformatie blijkt dat een AMKA noodzakelijk is om toegang te krijgen tot gezondheidszorg en de arbeidsmarkt en volgens de AMKA verordening die in werking trad in december 2023 is een geldige verblijfsvergunning met toegang tot de arbeidsmarkt een noodzakelijke voorwaarde voor het verkrijgen van een AMKA. De verzoekende partij heeft haar AMKA verkregen (zie bijkomende vragen M-status Griekenland dd. 3.12.2024). Uit de objectieve informatie blijkt dat de sociale VII-42.779-3/7 zekerheidsnummer (AMKA) pas wordt gedeactiveerd wanneer de verblijfsvergunning verloopt (AIDA/ECRE, Country Report: Greece. Update 2023, juni 2024, blz. 248: ‘According to the latest JMD F80320/109864/14.12.2023, the Social Security Number (AMKA) is deactivated a day after the residence permit expires’). Uit de objectieve informatie blijkt duidelijk dat het AMKA de dag na het verstrijken van de verblijfsvergunning wordt gedeactiveerd omdat de Griekse wet bepaalt dat het AMKA wordt gedeactiveerd in geval van illegaal verblijf op Grieks grondgebied (Ibid., blz. 278: ’Specifically as regards deactivation due to non-legal residence in the country, [deactivation] shall automatically take place on the day following the expiry of validity of the residence title, in the absence of renewal, extension or withdrawal of the status of international or temporary protection’). Het is dus het verlopen van de geldigheid van de verblijfsvergunning die belangrijk is, niet het al dan niet kwijt zijn van de gedrukte verblijfsvergunning. Gezien haar verblijfsvergunning nog geldig is tot 17 augustus 2026, is haar AMKA ook tot die datum geldig. Haar betoog dat zij geen toegang zou hebben tot de sociale zekerheid in Griekenland kan dan ook geenszins gevolgd worden. Wat het fiscaal registratienummer (AFM) betreft, blijkt uit objectieve informatie dat personen die na 31 december 2020 een verzoek om internationale bescherming indienen, automatisch een fiscaal registratienummer (AFM) krijgen wanneer zij hun kaart als verzoeker om internationale bescherming ontvangen (Beneficiaries of international protection in Greece. Access to documents and socio- economic rights, RSA/PRO ASYL, p. 18, maart 2023, beschikbaar op: […]; Greece Refugee Info, 17 november 2022, beschikbaar op: […]). Uit objectieve informatie blijkt echter dat ‘de AFM alleen wordt gedeactiveerd wanneer de verblijfsvergunning verloopt’ (RSA/PRO ASYL, Beneficiaries of international protection in Greece - Access to documents and socio-economic rights, maart 2024, p. 20: ‘the AFM is automatically deactivated upon the expiry of the ADET and cannot be used until the ADET is renewed’). Gezien haar verblijfsvergunning niet verloopt voor 17 augustus 2026, is haar AFM ook geldig tot die datum. Zelfs indien de verzoekende partij stappen moet ondernemen om een duplicaat van haar gedrukte verblijfsvergunning te verkrijgen, blijft hij toegang houden tot de arbeidsmarkt, een bankrekening en de huur van goederen.” Wat verzoekers voorgehouden kwetsbaarheid betreft, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen: “Tijdens het persoonlijk onderhoud geeft de verzoekende partij aan dat haar gezondheid goed is en dat ze een sportieve man is […]. Ter terechtzitting haalt de verzoekende partij aan dat haar psychologische problemen zullen toenemen indien ze niet in België kan verblijven met haar gezin. Vooreerst liggen er geen medische of psychologische attesten voor die betrekking hebben op haar psychologische gezondheidstoestand. In de mate dat verdere opvolging daadwerkelijk noodzakelijk is, toont verzoekende partij niet aan dat zij in Griekenland geen toegang zal hebben tot eventuele benodigde psychologische ondersteuning, temeer haar een verblijfsvergunning werd verleend, waarvan zij niet aantoont dat die verstreken is. Uit de landeninformatie blijkt weliswaar dat er talrijke tekortkomingen zijn in de therapeutische ondersteuning van statushouders met psychische problemen; evenwel brengt de verzoekende partij geen medische en/of psychologische attesten bij waaruit blijkt dat zij op heden in behandeling is voor haar mentale problematiek. Voorts kan uit haar verklaringen overigens niet worden afgeleid dat deze psychologische problemen van dien aard zijn dat ze belangrijke gevolgen voor haar zelfstandig VII-42.779-4/7 functioneren met zich meebrengen. Er kan niet op objectieve wijze vastgesteld worden, en verzoekende partij brengt geen specifieke elementen bij, die aantonen dat zij over een bijzondere kwetsbaarheid beschikt die haar zal verhinderen haar rechten te doen gelden, verbonden aan haar status toegekend in Griekenland, of waardoor zij bij terugkeer naar Griekenland een risico loopt te worden blootgesteld aan behandelingen die in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Aldus brengt de verzoekende partij wat betreft haar persoonlijke situatie geen specifieke elementen aan waaruit moet worden besloten dat er sprake is van buitengewone omstandigheden die specifiek haarzelf betreffen en die ertoe kunnen leiden dat zij bij terugzending naar de lidstaat die haar reeds internationale bescherming heeft toegekend, wegens haar bijzondere kwetsbaarheid, wordt blootgesteld aan een risico op een behandeling die strijdig is met artikel 4 van het Handvest [...].” Tot slot gaat verzoeker voorbij aan de concrete beoordeling in het bestreden arrest betreffende verzoekers verblijf in Griekenland, met de mogelijkheid om in huisvesting en levensonderhoud te voorzien en uit en terug in Griekenland te reizen, en betreffende de door verzoeker zelf gemaakte keuzes. Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bij zijn beoordeling of een schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) of van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aan de orde is, zowel verzoekers voorgehouden psychische kwetsbaarheid als de gevolgen van het verlies (vernietiging) van verzoekers Grieks verblijfsdocument concreet heeft onderzocht.
- In de mate dat verzoeker wat de voormelde beoordeling betreft zijn eigen (ander) standpunt weergeeft, toont hij daarmee niet aan dat het onderzoek onvoldoende grondig en nauwgezet zou zijn gevoerd om te voldoen aan de vereisten van artikel 3 van het EVRM. Verder treedt de Raad van State als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf, zodat het hem niet toekomt de door de feitenrechter gemaakte beoordeling van verzoekers verklaringen over te doen.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar. VII-42.779-5/7
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. VII-42.779-6/7 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op dertig april tweeduizend vijfentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.779-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.275 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div