id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 22 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.449 Rolnummer: A. 245153/VII-42936 Zaak: Cassatiebeschikking 16449 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 22/09/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-09-24 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-14 04:22 Fiche Beschikking nr 16.449 van 22 september 2025 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.449 van 22 september 2025 in de zaak A. 245.153/VII-42.936 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jonathan Waldmann kantoor houdend te 4000 Luik Rue Paul Devaux 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 25 juni 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 327.054 van 21 mei 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 4 juli 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. 1. Noch de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, noch de materiëlemotiveringsplicht en de zorgvuldigheidsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest, waarmee te dezen uitspraak met hervormingsbevoegdheid is gedaan. Het enige middel is in die mate kennelijk niet ontvankelijk. VII-42.936-1/8 2. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepalingen. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. 3. Verzoeker voert over het al dan niet voorhanden zijn van voldoende, actuele en betrouwbare informatie over de toestand in Afghanistan in essentie aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “geen of alleszins niet afdoende uitleg [geeft] waarom zij ondanks deze vaststellingen alsnog tot de conclusie […] komt dat er wel actuele betrouwbare informatie is en […] haar stelling niet afdoende [motiveert], terwijl dit […] onder meer de kern van het betoog van verzoeker betreft”. Verder zou de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers grieven, uiteengezet in het verzoekschrift, niet beantwoorden. Verzoeker stelt “dat er geen afweging en onderzoek van de argumenten die door verzoeker werden aangehaald in het verzoekschrift en de aanvullende nota heeft plaatsgevonden en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich zonder verdere motivering volledig bij de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing aansluit”. 4. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst in punt 2.3 van het bestreden arrest naar de bij de aanvullende nota van de verwerende partij gevoegde geüpdatete informatie, waaronder een Country Guidance van het EUAA over Afghanistan van mei 2024, een COI Query Afghanistan van het EUAA van 2 februari 2024, een COI Focus Afghanistan van 14 december 2023, een Country Focus van november 2024 en een rapport VII-42.936-2/8 van UNAMA van juni 2023. Daarnaast vermeldt hij ook verzoekers aanvullende nota van 10 april 2025 met de bijgebrachte documenten. Wat betreft de aanwezigheid van voldoende actuele en objectieve landeninformatie, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in punt 2.7 van het bestreden arrest: “Er kan opgemerkt worden dat, in vergelijking met de periode vóór de machtsovername, waarin bijzonder veel bronnen en organisaties in Afghanistan actief waren en over de veiligheidssituatie rapporteerden, heden minder gedetailleerde en betrouwbare informatie over de situatie in Afghanistan voorhanden is. Er blijkt echter duidelijk dat de berichtgeving uit en over Afghanistan niet is gestopt, dat tal van bronnen nog steeds beschikbaar zijn en dat nieuwe bronnen zijn verschenen, zoals wordt geattesteerd door de voorgelegde landeninformatie. Bij het opstellen van de rapporten heeft onder meer de EUAA daarenboven gebruik gemaakt van informatie afkomstig van zowel gouvernementele als niet-gouvernementele (internationale) organisaties. Bovendien zijn verschillende gezaghebbende experten, analisten en (internationale) instellingen de situatie in het land blijven opvolgen en rapporteren zij over gebeurtenissen en incidenten. De verbeterde veiligheidssituatie heeft verder als gevolg dat meer regio’s dan vroeger toegankelijk zijn. In tegenstelling tot wat verzoeker doorheen zijn kritiek tracht te laten uitschijnen, oordeelt de Raad dat er te dezen en op heden wel degelijk actuele, betrouwbare, eensluidende en omvattende informatie voorhanden is die toelaat om een gedegen inschatting te maken van de situatie in verzoekers land en regio van herkomst en om tot een oordeel te komen omtrent de door verzoeker voorgehouden nood aan internationale bescherming, in het licht van deze situatie, in de zin van de artikelen 48/3 en 48/4 van de Vreemdelingenwet.” In de mate dat verzoeker vreest te zullen worden vervolgd omwille van zijn leven in België, stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vast dat de risico’s bij een eventuele terugkeer naar Afghanistan na een verblijf in Europa worden afgewogen in de voor hem bestreden beslissing en overweegt hij in het bestreden arrest: “In zijn verzoekschrift en ook in de aanvullende nota stelt verzoeker nog erg algemeen te vrezen bij een terugkeer naar Afghanistan te zullen worden vervolgd omwille van een zogenaamde toegeschreven verwestering. Hij wijst daarbij op het feit dat hij daadwerkelijk westerse waarden overgenomen zou hebben en geen zicht zou hebben op de concrete invulling die de Taliban zouden geven aan hun richtlijnen en dit zeker na de machtsovername. Wat dit echter concreet inhoudt, wordt niet aangegeven door verzoeker. Uit de objectieve landeninformatie waarover de Raad beschikt blijkt heden evenwel niet dat in het algemeen kan worden gesteld dat voor elke Afghaan die terugkeert uit Europa louter omwille van zijn verblijf aldaar een gegronde vrees voor vervolging kan worden aangenomen. Uit de meest recente informatie waarover de Raad beschikt blijkt veeleer dat Afghanen die terugkeren uit het buitenland in regel weinig of niets in de weg wordt gelegd (cf. EUAA Afghanistan Country Focus, mei 2024 en aanvulling/actualisatie van november 2024). VII-42.936-3/8 Verzoeker maakt ook niet aannemelijk dat hij een specifiek risicoprofiel heeft dat zou toelaten te besluiten dat hij toch een ernstig risico loopt om te worden vervolgd. Verzoeker toont niet aan dat hij tijdens zijn verblijf in West-Europa een opvatting, gedachte, mening, kenmerk of geloof heeft ontwikkeld waardoor hij de negatieve belangstelling van potentiële actoren van vervolging, zoals de taliban, andere groeperingen of zijn lokale gemeenschap in Afghanistan, heeft gewekt of kan wekken. Evenmin maakt hij concreet aannemelijk dat hem een gedachte, opvatting, mening, kenmerk of geloof kan worden toegedicht door de taliban of zijn lokale gemeenschap waardoor hij in de problemen zou kunnen komen. De Raad merkt ook op dat verzoeker, volgens zijn verklaringen, werd geboren en opgroeide in Afghanistan, dat hij op volwassen leeftijd – en dus toen hij reeds voor een belangrijk deel was gevormd door de samenleving waarin hij opgroeide – naar Europa reisde, dat hij een praktiserende moslim is en dat hij een beperkt aantal jaren in West- Europa verblijft en er dus niet zo maar kan worden aangenomen dat hij zich bepaalde westerse denkbeelden – waarvan niet kan worden verwacht dat hij eraan verzaakt – eigen heeft gemaakt. Verzoeker toont ook niet aan uiterlijke kenmerken te hebben die, zelfs al zouden zij betekenisloos zijn, toch zouden kunnen worden aanzien als een reden om hem als afwijkend te beschouwen en hem te vervolgen. Verzoeker is van mening dat hem niet gevraagd werd naar de risico’s bij een eventuele terugkeer naar Afghanistan na een verblijf in Europa. Dit blijkt echter niet te kloppen wanneer de weergave van het persoonlijk onderhoud nagelezen wordt. […]. Op grond van de recente, objectieve landeninformatie in het rechtsplegingsdossier kan niet worden besloten dat blijkt dat het loutere gegeven enige tijd in het Westen te hebben verbleven volstaat om bij een terugkeer uit Europa naar Afghanistan door de taliban of de maatschappij met argwaan te worden bekeken. Deze terugkeerders kunnen eventueel met stigmatisering of uitstoting worden geconfronteerd, maar deze stigmatisering of uitstoting kan slechts in uitzonderlijke gevallen worden beschouwd als vervolging. Wat betreft de negatieve perceptie ten aanzien van terugkeerders uit het Westen blijkt nergens in de aanwezige informatie dat dit gegeven op zich aanleiding zou geven tot daden van vervolging, doch dat dit samen met andere individuele elementen dient te worden beoordeeld.” Verder in het bestreden arrest antwoordt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bij zijn beoordeling in het licht van artikel 48/4 van de vreemdelingenwet expliciet op verzoekers kritiek in zijn aanvullende nota van 10 april 2025 aangaande de actuele veiligheidssituatie in Afghanistan: “Verzoeker stelt op algemene wijze dat uit rapporten blijkt dat er in Afghanistan sprake is van geweld, van een humanitaire crisis en van een strikte interpretatie van de sharia die het met name voor zogenaamde terugkeerders uiterst moeilijk zou maken in de huidige Afghaanse maatschappij, maar toont hiermee niet aan dat hij zelf een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2 van de Vreemdelingenwet. Het blijkt wel dat verzoeker allerhande algemene informatie aanvoert die hij ten dele chronologisch geordend heeft. Deze informatie heeft echter vaak betrekking op feiten van enerzijds jaren geleden en anderzijds provincies of regio’s waar verzoeker helemaal niet uit afkomstig is. De Raad stelt zich dan ook de vraag naar het belang van het opwerpen van deze argumenten. VII-42.936-4/8 In de aanvullende nota werpt verzoeker dan weer op dat, in tegenstelling tot wat beweerd wordt, de veiligheidssituatie nog verder verslechterd zou zijn, dat de Taliban de greep op de samenleving zou verhogen door meer controle in checkpoints, dat de economische verwachtingen pessimistisch zijn en dat hij een risico loopt om in een situatie van ernstige materiële deprivatie zou kunnen terechtkomen. Verzoeker herhaalt zijn zogenaamde risico omwille van zijn beweerde betrekking. Gedwongen repatriëringen zouden ook onverminderd afgeraden blijven. Betreffende verzoekers betoog dat hij in Afghanistan een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 48/4, § 2,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.