← België

Cassatiebeschikking 16518 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/11/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 18 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.518 Rolnummer: A. 245049/VII-42918 Zaak: Cassatiebeschikking 16518 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/11/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-11-20 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-15 07:11 Fiche Beschikking nr 16.518 van 18 november 2025 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.518 van 18 november 2025 in de zaak A. 245.049/VII-42.918 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pauline Delgrange kantoor houdend te 1210 Brussel Haachtsesteenweg 55 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 12 juni 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 326.602 van 13 mei 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 19 juni 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste middel
  2. De beslissing van de verwerende partij van 29 februari 2024 tot weigering van verzoeksters visumaanvraag (hierna: de aanvankelijk bestreden beslissing) wordt in het bestreden arrest geciteerd. Ze vermeldt “vooreerst dat het dossier geen bewijs van verwantschap tussen de aanvraagster en de te vervoegen persoon bevat gelet op het feit dat de VII-42.918-1/4 tazkira geen melding maakt van de naam van de moeder”. Daarna gaat ze in op de vraag of de aanvraag niet te laat is ingediend en of verzoekster al dan niet overmacht heeft aangetoond. Uit deze overweging vermocht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze af te leiden dat het ontbreken in het dossier van een bewijs van de verwantschapsband tussen verzoekster en de referentiepersoon een determinerend motief van de aanvankelijk bestreden beslissing vormt, daargelaten de vraag of dit motief al dan niet is aangetast door een onwettigheid. Verzoekster betwist niet de vaststelling dat zij het voormelde motief niet heeft aangevochten voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Bijgevolg kan verzoekster niet voor het eerst in de graad van administratieve cassatie alsnog de wettigheid van het kwestieuze motief betwisten door zich te steunen op artikel 12bis, § 5 en § 6, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet), gelezen in het licht van artikel 11, § 2, van richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 ‘inzake het recht op gezinshereniging’.
  3. Het eerste middel is kennelijk niet ontvankelijk. Tweede middel
  4. Verzoeksters voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgeworpen eerste middel tegen de aanvankelijk bestreden beslissing heeft uitsluitend betrekking op het motief dat zij geen beroep kan doen op artikel 10, § 1, eerste lid, 7°, van de vreemdelingenwet omdat haar aanvraag laattijdig zou zijn en zij geen overmacht zou hebben aangetoond. Verzoekster heeft in het opschrift van dat eerste middel wel de schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) vermeld, evenwel zonder hierop in het minst in te gaan in de uiteenzetting van het middel. In het tweede middel voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft verzoekster met betrekking tot artikel 8 van het EVRM aangevoerd “[i]n het onmogelijke geval dat Uw Raad zou oordelen dat de aanvraag gezinshereniging laattijdig was, […] dat de bestreden beslissing haar gezinsleven schendt, omdat er een positieve verplichting bestaat voor de Belgische Staat om haar met haar zoontje in België erkend vluchteling te vervoegen”. Uit het voorgaande blijkt, zoals in het bestreden arrest wordt vastgesteld, dat verzoekster het motief dat zij de verwantschapsband tussen haarzelf en de VII-42.918-2/4 referentiepersoon niet aannemelijk maakt, onverlet heeft gelaten. Verzoekster toont niet aan dat zij niet in de mogelijkheid was dit motief van de aanvankelijk bestreden beslissing aan te vechten voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Net omdat verzoekster het motief onverlet heeft gelaten dat de verwantschapsband tussen haarzelf en de referentiepersoon niet bewezen is, kan zij niet voor het eerst in de graad van administratieve cassatie inroepen dat het recht op gezinsleven tussen haarzelf en de referentiepersoon zou zijn geschonden en kan zij bijgevolg niet op ontvankelijke wijze een schending van de artikelen 8 en 13 van het EVRM, gelezen samen met artikel 12bis, § 5 en § 6, van de vreemdelingenwet opwerpen.
  5. Het tweede middel is kennelijk niet ontvankelijk Derde middel
  6. Uit de beoordeling van het eerste middel supra blijkt reeds dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uit de bewoordingen van de aanvankelijk bestreden beslissing op wettige wijze heeft afgeleid dat het ontbreken in het dossier van een bewijs van de verwantschapsband tussen verzoekster en de referentiepersoon volgens die beslissing een determinerend weigeringsmotief vormt. Het recht van verdediging houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekster vooraf moest wijzen op zijn voornemen om vast te stellen dat verzoekster had nagelaten een determinerend weigeringsmotief aan te vechten.
  7. Het derde middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  8. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
  9. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. VII-42.918-3/4 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op achttien november tweeduizend vijfentwintig door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.918-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.518 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.