id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 11 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.553 Rolnummer: A. 245724/VII-43008 Zaak: Cassatiebeschikking 16553 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 11/12/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-01-12 Raadplegingen: 217 - laatst gezien 2026-06-18 06:17 Fiche Beschikking nr 16.553 van 11 december 2025 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.553 van 11 december 2025 in de zaak A. 245.724/VII-43.008 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Geens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 3 september 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 330.711 van 6 augustus 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 12 september 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Met betrekking tot verzoekers beschermingsstatus en verblijfsstatuut in Griekenland overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in zijn met toepassing van artikel 39/73 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ VII-43.008-1/8 (hierna: vreemdelingenwet) genomen beschikking van 13 mei 2025, die in het bestreden arrest is opgenomen: “[…] Verzoekende partij is een zesentwintigjarige man zonder bijzondere kwetsbaarheid. Uit het administratief dossier blijkt dat aan verzoekende partij in Griekenland op 12 januari 2023 de vluchtelingenstatus toegekend werd en dat aan haar een verblijfsvergunning afgegeven werd die nog geldig is tot en met 11 januari 2026 […]. Uit de richtlijn 2011/95/EU van het Europees parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking) (hierna: richtlijn 2011/95/EU) blijkt dat de verleende beschermingsstatus onverkort blijft gelden zolang er een nood is aan bescherming en slechts in uitzonderlijke, limitatief bepaalde omstandigheden kan worden ingetrokken of beëindigd (cf. de artikelen 11, 14, 16 en 19 van de Kwalificatierichtlijn). De bewijslast met betrekking tot de eerder verleende internationale bescherming(sstatus) in toepassing van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 3° berust inderdaad bij het Commissariaat-generaal, doch eens hieraan is voldaan, het aan de verzoeker die de actualiteit of effectiviteit van deze bescherming ter discussie stelt, persoonlijk toekomt om aan te tonen dat hij niet (meer) op deze bescherming kan rekenen. Verzoekende partij blijft hier echter in gebreke. Door in het verzoekschrift louter hypothetisch te stellen dat Griekenland haar status kan intrekken, toont zij niet in concreto aan dat zij op heden niet langer over een beschermingsstatus zou beschikken. Het verstrijken van de geldigheid van deze verblijfstitel blijkt nergens uit en wordt door verzoekende partij niet aangetoond. Het loutere feit dat zij op heden niet langer over haar Griekse verblijfsvergunning beschikt omdat zij deze verloren is, doet aan bovenstaande geen afbreuk […]. Er wordt namelijk nergens aangetoond dat zij in de onmogelijkheid zou verkeren om bij een terugkeer naar Griekenland een duplicaat aan te vragen. Zij kan in het verzoekschrift aldus niet dienstig verwijzen naar de algemene informatie betreffende de moeilijkheden bij het hernieuwen en verlengen van Griekse verblijfsdocumenten.” In het bestreden arrest bevestigt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de voormelde beoordeling uit zijn beschikking van 13 mei 2025: “De Raad beklemtoont dat verzoekende partij haar verzoek om internationale bescherming in België door het CGVS niet-ontvankelijk werd verklaard overeenkomstig artikel 57/6, § 3, eerste lid, 3° van de Vreemdelingenwet, waarbij bij voormelde beschikking werd vastgesteld dat zij geen elementen aanbrengt waaruit blijkt dat zij zich niet langer kan beroepen op de bescherming die de Griekse autoriteiten haar hebben toegekend en zij dus niet aantoont dat onterecht toepassing werd gemaakt door het CGVS van voormelde wetsbepaling (waarbij haar beschermingsverzoek niet- ontvankelijk werd verklaard) en dat er derhalve geen reden is om het beschermingsverzoek in België ten gronde ten aanzien van het land van herkomst/land van gewoonlijk verblijf te beoordelen.” VII-43.008-2/8 Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, anders dan verzoeker voorhoudt, zijn onderzoek niet beperkt tot de vaststelling dat verzoeker op 12 januari 2023 in Griekenland werd erkend als vluchteling. Hij overweegt immers dat “de verleende beschermingsstatus onverkort blijft gelden zolang er een nood is aan bescherming en slechts in uitzonderlijke, limitatief bepaalde omstandigheden kan worden ingetrokken of beëindigd”, dat verzoeker beschikt over een verblijfsvergunning, geldig tot 11 januari 2026 en dat verzoeker heeft verklaard dat hij zijn (gedrukte) Griekse verblijfsvergunning verloren is, doch de onmogelijkheid niet aantoont om bij terugkeer naar Griekenland een duplicaat te bekomen. Verder in het bestreden arrest, waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de algemene situatie voor begunstigden van internationale bescherming in en bij terugkeer naar Griekenland bespreekt, wordt onder andere nog vastgesteld dat voor asielzoekers sinds een besluit dat in december 2020 in werking trad automatisch een fiscaal registratienummer (AFM) wordt aangemaakt bij hun beschermingsverzoek, dat dit fiscaal registratienummer (het openen van) een bankrekening, de huur van onroerende goederen en het verkrijgen van een sociale zekerheidsnummer (AMKA), dat toegang verleent tot de gezondheidszorg en de arbeidsmarkt, mogelijk maakt en dat het fiscaal registratienummer en het sociale zekerheidsnummer volgens de beschikbare informatie automatisch worden gedeactiveerd wanneer de verblijfsvergunning verloopt.
- Op grond van de voormelde elementen acht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het bewezen dat verzoeker nog steeds internationale bescherming geniet in Griekenland. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kon derhalve zonder schending van artikel 57/6, § 3, 3°, van de vreemdelingenwet oordelen dat het vervolgens aan verzoeker toevalt het bewijs te leveren dat hij geen of geen effectieve internationale bescherming meer geniet in Griekenland. In de mate dat verzoeker een andere beoordeling voorstelt van de voorhanden zijnde elementen, vraagt hij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is.
- Volgens verzoeker stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de erkenning als vluchteling in Griekenland gelijk met het bestaan van “actuele en effectieve bescherming”, om vervolgens de bewijslast van het tegendeel bij verzoeker te leggen. VII-43.008-3/8 De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat in punt 5.
- van het bestreden arrest omstandig in op de “[a]lgemene situatie voor begunstigden van internationale bescherming in en bij terugkeer naar Griekenland”, waarbij hij met verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 maart 2019 in de gevoegde zaken C-297/17, C-318/17, C-319/17 en C-438/17, Ibrahim tegen Duitsland, besluit dat de beschikbare landeninformatie “op zich niet [volstaat] om zonder meer te besluiten dat de geboden bescherming in hoofde van eenieder die er internationale bescherming werd verleend, niet langer effectief of toereikend zou zijn en evenmin dat statushouders in Griekenland bij terugkeer hoe dan ook zullen terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie, ook al wordt de situatie er gekenmerkt door een grote onzekerheid of een sterke verslechtering van de levensomstandigheden”, dat verzoeker “[m]et de loutere verwijzing naar de bijgebrachte en beschikbare algemene landeninformatie […] dus niet aan[toont] dat elke begunstigde van internationale bescherming in Griekenland zich in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie zoals geduid door het Hof van Justitie bevindt of dat hij of zij er bij terugkeer automatisch in zal belanden” en dat “[e]en individuele beoordeling […] dus aan de orde [blijft]”. In punt 5.
- van het bestreden arrest onderzoekt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vervolgens de “[p]ersoonlijke situatie van verzoekende partij als Grieks statushouder”. Onder meer met verwijzing naar de volgende vaststellingen in zijn eerder genoemde beschikking van 13 mei 2025, oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat verzoeker geen pogingen ondernam om in Griekenland een leven op te bouwen en er zijn rechten te doen gelden, dat uit zijn verklaringen en gedragingen niet blijkt dat hij de nodige inspanningen leverde om zich te integreren in de Griekse samenleving door er onder meer werk en huisvesting te zoeken en de taal te leren, dat hij er weliswaar in slaagde om illegaal werk te vinden, maar niet aantoont ernstige pogingen te hebben ondernomen om legaal werk te vinden, dat hij in Griekenland onderdak vond en steeds in zijn levensonderhoud kon voorzien, dat hij blijk geeft van een zekere mate van zelfredzaamheid, dat hij nooit hulp zocht bij de Griekse instanties of bij organisaties en niet in concreto aantoont dat hij bij terugkeer naar Griekenland geen beroep zou kunnen doen op de Griekse politie: […] Het komt aan de begunstigde(n) van internationale bescherming toe om de nodige inspanningen te doen om zich te integreren in de samenleving waar hij/zij internationale bescherming heeft bekomen, door er onder meer werk en huisvesting te zoeken en de taal te leren. Er kan van verzoekende partij verwacht worden dat zij de nodige procedures doorloopt en geduld uitoefent vooraleer hieromtrent conclusies te trekken. Zulke inspanningen mogen geenszins blijken uit verzoekende partij haar verklaringen en gedragingen. Uit haar verklaringen blijkt dat zij slechts ongeveer drie maanden na het verkrijgen van de vluchtelingenstatus in Griekenland verbleven heeft. Het is voor VII-43.008-4/8 verzoekende partij op basis van zulk kortstondig verblijf na het verkrijgen van internationale bescherming en de nodige documenten, niet mogelijk om conclusies te trekken omtrent de mogelijkheden op vlak van huisvesting, werkgelegenheid, gezondheidszorg of het aanbieden van taalcursussen in Griekenland. Verzoekende partij slaagde erin om in Athene samen met anderen voor 5 euro per nacht een plek te huren […]. Zij was ook enkele dagen dakloos, maar slaagde er tijdens deze periode wel in om bij een vriend die een hotelkamer huurde te douchen alsook in haar eten te voorzien met geld dat zij verdiend had me het werk dat ze deed […]. Uit haar verklaringen blijkt bovendien dat verzoekende partij erin slaagde om, weliswaar illegaal, werk te vinden. Zij werkte een maand in Kreta en trok vervolgens naar Athene waar zij anderhalve maand voor [...] werkte […]. Zij werkte in de landbouw en plukte aardbeien, sinaasappels en abrikozen […]. Zij stelt verder dat er in Griekenland geen legaal werk zou zijn en dat zij geen interimkantoren vond […]. Verzoekende partij toont hiermee echter niet aan dat zij ernstige pogingen ondernomen heeft om op legale wijze werk te vinden. Daarnaast blijkt ook uit haar verklaringen dat zij verder geen pogingen ondernomen heeft om een leven in Griekenland op te bouwen […]. Verzoekende partij verklaart op algemene wijze dat zij in Griekenland geen toegang had tot medische zorgen. Echter blijkt uit haar verklaringen dat zij ondanks haar depressieve gevoelens nooit hulp of medische bijstand gezocht heeft in Griekenland […]. Zij heeft nooit hulp gezocht bij organisaties of de Griekse instanties. Daarnaast blijkt dat zij een bepaalde mate van zelfredzaamheid vertoonde aangezien zij contact kon leggen met twee advocaten […]. Zij verklaart dat zij via deze advocaten een klacht wilde indienen tegen de politie, die haar gewelddadig behandeld hadden bij haar aankomst in Griekenland […], maar zij ging hier niet mee door en vertrok zonder de voortgang van de procedure af te wachten […]. Zij maakt met bovenstaande dan ook niet op concrete wijze aannemelijk dat zij buiten haar eigen wil om in de onmogelijkheid was om haar rechten in Griekenland te doen gelden. Het komt in dit verband haar toe om de middelen die het recht en haar status in Griekenland hiertoe bieden terdege te gebruiken, hetgeen zij evenwel niet aantoont. Zij toont niet aan deze afdoende te hebben benut, laat staan uitgeput. Verzoekende partij haalt verder nog aan dat […] haar zou hebben laten werken zonder haar te betalen en dat zij buiten diende te slapen. [...] begon haar te bedreigen en sloeg haar. Dit is voor verzoekende partij een van de voornaamste redenen voor haar vertrek uit Griekenland […]. Er kan echter geen geloof gehecht worden aan haar verklaring dat zij Griekenland besloot te verlaten uit vrees voor [...], haar ex-werkgever, waarvan zij angst heeft persoonlijk vervolgd en bedreigd te worden. Het betreffen namelijk louter blote beweringen die op geen enkele wijze gestaafd worden. Bovendien maakt zij niet aannemelijk dat […] haar, ondanks zij haar werkzaamheden bij hem na anderhalve maand stopte en verhuisde van Manulada naar Arkos stad, nog steeds zou bedreigen of vervolgen. Verzoekende partij verklaart daarop dat zij naar een andere ‘verre’ plek gegaan is waar [...] haar niet meer zou vinden […]. Verzoekende partij brengt echter geen concrete elementen aan waaruit kan blijken dat zij effectief vervolgd wordt. Bovendien betreft dit een persoonlijk conflict waarvoor verzoekende partij geen stappen ondernomen heeft om deze problematiek en het onrecht dat haar aangedaan werd aan te kaarten door bijvoorbeeld klacht in te dienen bij de Griekse politie. Nochtans moet in het licht van hoger genoemd vermoeden dat hun grondrechten als begunstigden van internationale bescherming in Griekenland geëerbiedigd worden, waaronder het gegeven dat de daar aanwezige autoriteiten in beginsel in staat zijn een effectieve en gelijkwaardige bescherming te bieden, redelijkerwijze van hen verwacht worden dat zij alle mogelijke middelen uitputten die het recht in Griekenland hen biedt. Gelet op het geheel van voorgaande bevindingen heeft verzoekende partij niet alle redelijkerwijze van haar te mogen verwachten stappen tot het verkrijgen van nationale hulp en/of bescherming van de in Griekenland opererende instanties uitgeput. Zij toont dan ook VII-43.008-5/8 niet in concreto aan dat zij bij een terugkeer naar Griekenland geen beroep zou kunnen doen op de Griekse politie. Een algemene verwijzing, zoals in het verzoekschrift waarbij dienaangaande naar algemene landeninformatie wordt verwezen, naar de moeilijke (levens)omstandigheden voor begunstigden van internationale bescherming in Griekenland, volstaat niet om zonder meer aan te tonen dat verzoekende partij als begunstigde van internationale bescherming in Griekenland buiten haar wil en haar persoonlijke keuzes om in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie verkeerde dan wel bij een terugkeer dreigt terecht te komen. Dit dient in concreto te worden aangetoond, waar verzoekende partij in gebreke blijft. Verzoekende partij toont niet aan, ook al kan worden aangenomen dat haar situatie door onzekerheid of een verslechtering van haar levensomstandigheden gekenmerkt wordt, dat zij bij een terugkeer naar Griekenland in een situatie terechtkomt die zo ernstig is dat haar toestand kan worden gelijkgesteld met een onmenselijke of vernederende behandeling (HvJ 19 maart 2019, Ibrahim e.a., overweging 91). Ze toont niet aan dat zij bij een terugkeer naar Griekenland persoonlijk in een situatie zou belanden die kan worden beschouwd als onmenselijk of vernederend in de zin van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de EU. De verzoekende partij kan, gelet op de gedane vaststellingen, niet overtuigen dat er in haar hoofde sprake is van buitengewone omstandigheden die ertoe kunnen leiden dat zij, buiten haar wil en persoonlijke keuzes om, in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie terecht al komen. Zij maakt niet in concreto aannemelijk dat zij daadwerkelijk verhinderd was om in Griekenland in haar elementaire levensbehoeften te voorzien of om er aanspraak te kunnen maken op bepaalde basisvoorzieningen, noch dat zij zou worden blootgesteld aan onmenselijke en vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van het EVRM en van artikel 4 van het Handvest. Er zijn evenmin aanwijzingen dat de verzoekende partij verhinderd zou zijn om opnieuw tot het Griekse grondgebied te worden toegelaten. Verzoekende partij maakt zodoende niet op overtuigende wijze aannemelijk dat haar situatie kan worden aangemerkt als een situatie van uitzonderlijke aard zoals geduid door het Europees Hof van Justitie (in voornoemde rechtspraak), noch dat zij zich derhalve niet langer onder de internationale bescherming die haar in Griekenland werd verleend, kan stellen. De stelling dat de verzoekende partij in geval van terugkeer naar Griekenland zal worden blootgesteld aan onmenselijke of vernederende behandelingen is louter gebaseerd op hypotheses zonder dat de verzoekende partij aantoont dat zij persoonlijk in een situatie zou belanden die kan worden beschouwd als onmenselijk of vernederend in de zin van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de EU.” Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zowel met algemene landeninformatie als met verzoekers individuele situatie rekening heeft gehouden. Verzoeker wijst op de vereiste van een individueel en actueel onderzoek, maar hij beperkt zich daarbij tot algemene opmerkingen, zonder in het licht van de concrete motieven van het bestreden arrest aannemelijk te maken dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bepaalde elementen op onwettige wijze buiten beschouwing zou hebben gelaten of bepaalde kritiek niet of onvoldoende zou hebben beantwoord. VII-43.008-6/8 In de mate dat verzoeker het niet eens is met de door de eerste rechter gemaakte feitelijke beoordeling, dient te worden herhaald dat de Raad van State als cassatierechter niet in de beoordeling treedt van de zaak zelf.
- Aangaande verzoekers voorgehouden bijzondere kwetsbaarheid wordt in de beschikking van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 13 mei 2025 overwogen: “Verzoekende partij maakt vooreerst niet aannemelijk dat zij over een bijzondere kwetsbaarheid beschikt die haar zou verhinderen haar rechten te doen gelden, verbonden aan haar status toegekend in Griekenland, of waardoor zij bij terugkeer naar Griekenland een risico loopt te worden blootgesteld aan behandelingen die in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Zij haalt tijdens het persoonlijk onderhoud aan dat zij in Griekenland met depressieve gevoelens kampte. Griekenland is voor haar de hel en zij wordt moe en boos als zij over Griekenland moet praten […]. Zij legt echter geen psychologische of medische attesten betreffende haar mentale gezondheid neer. Bijkomend verklaart zij zich bij aanvang van het persoonlijke onderhoud in een goede algemene gezondheid te bevinden […]. Zij brengt aldus geen elementen aan waaruit zou blijken dat zij kampt met medische of psychologische problemen of andere elementen die belangrijke gevolgen zouden hebben voor haar zelfstandig functioneren. Op basis hiervan kan niet op objectieve wijze een bijzondere kwetsbaarheid in hoofde van verzoekende partij worden vastgesteld. Aldus brengt verzoekende partij wat betreft haar persoonlijke situatie geen specifieke elementen die blijk geven van een bijzondere kwetsbaarheid die haar zou verhinderen haar rechten te doen gelden, verbonden aan haar status toegekend in Griekenland, of waardoor zij bij terugkeer naar Griekenland een risico loopt te worden blootgesteld aan behandelingen die in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest.” In het bestreden arrest voegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nog toe: “Met de loutere verwijzing naar haar herkomst uit Gaza toont verzoekende partij niet aan dat zij over een bijzondere kwetsbaarheid beschikt zoals omschreven door het Hof van Justitie in de reeds ruim aangehaalde relevante rechtspraak en uiteengezet in punt 4 van de beschikking. Verzoekende partij doet hiermee dan ook geen afbreuk aan de grond van de beschikking. Een schending van artikel 3 EVRM dient in concreto te worden aangetoond, waartoe verzoekende partij geheel in gebreke blijft, zoals ook eerder al in de beschikking werd vastgesteld en haar algemeen betoog ter zitting is niet van die aard anders te besluiten” Uit het voorgaande blijkt een omstandig onderzoek van een gebeurlijke bijzondere kwetsbaarheid van verzoeker op medisch of psychologisch gebied die het hem dermate moeilijk zou maken om zich staande te houden en zelfstandig zijn rechten uit te oefenen en dat hij een ernstig risico loopt terecht te komen in leefomstandigheden die in VII-43.008-7/8 strijd zijn met zijn grondrechten. Verzoeker gaat ook voorbij aan de beoordeling van zijn concrete situatie in Griekenland zoals geciteerd in punt 3 supra. Hij toont niet aan welke omstandigheden de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op onwettige wijze buiten beschouwing zou hebben gelaten noch op welke aangevoerde elementen niet zou zijn geantwoord in strijd met artikel 149 van de Grondwet. Verder behoort de feitelijke beoordeling van de omstandigheden van de zaak tot de soevereine beoordelingsbevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, die te dezen met hervormingsbevoegdheid uitspraak heeft gedaan. Als cassatierechter vermag de Raad van State niet dergelijke beoordeling over te doen.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op elf december tweeduizend vijfentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-43.008-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.553 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div