id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 11 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.554 Rolnummer: A. 245725/VII-43009 Zaak: Cassatiebeschikking 16554 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 11/12/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-01-12 Raadplegingen: 207 - laatst gezien 2026-06-18 06:17 Fiche Beschikking nr 16.554 van 11 december 2025 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.554 van 11 december 2025 in de zaak A. 245.725/VII-43.009 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Geens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 3 september 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 330.719 van 6 augustus 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 12 september 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Met betrekking tot verzoekers beschermingsstatus en verblijfsstatuut in Griekenland overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in zijn met toepassing van artikel 39/73 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ VII-43.009-1/9 (hierna: vreemdelingenwet) genomen beschikking van 13 mei 2025, die in het bestreden arrest is opgenomen: “[…] Verzoeker is een 23-jarige jongeman zonder bijzondere kwetsbaarheid. Uit de documenten in het administratief dossier blijkt dat hij op 19 september 2022 een verzoek om internationale bescherming in Griekenland heeft ingediend. Op 20 oktober 2022 werd hij erkend als vluchteling in Griekenland en verkreeg hij er tevens een verblijfsvergunning geldig van 20 oktober 2022 tot 19 oktober 2025 […]. In tegenstelling tot de informatie uit het administratief dossier stelt verzoeker in zijn verzoekschrift dat hij niet in het bezit is van een geldige Griekse verblijfsvergunning. Dit betoog betreft een blote bewering die niet ondersteund wordt door enig begin van bewijs. Het verstrijken van de geldigheid van verzoekers Griekse verblijfskaart blijkt nergens uit en wordt door verzoeker niet aangetoond. Uit de brief van de Griekse asieldiensten blijkt duidelijk dat verzoeker na het verkrijgen van de vluchtelingenstatus in Griekenland in het bezit werd gesteld van een Griekse verblijfskaart geldig tot 19 oktober 2025 […]. Waar verzoeker bovendien in het verzoekschrift ingaat op de obstakels en problemen die zich voordoen bij het afgifte/verlengen van Griekse verblijfsvergunningen, dient erop gewezen te worden dat hij niet dienstig naar deze informatie hieromtrent kan verwijzen aangezien zijn Griekse verblijfsvergunning nog geldig en hij aldus bij terugkeer naar Griekenland nog over een geldige verblijfsvergunning zal beschikken. Bovendien toont verzoeker niet aan dat hij in de onmogelijkheid zou verkeren om bij een terugkeer naar Griekenland een duplicaat aan te vragen. In zoverre verzoeker in het verzoekschrift aanklaagt dat de commissaris-generaal heeft nagelaten afdoende te onderzoeken of hij actueel internationale bescherming geniet in Griekenland, dient er nogmaals op te worden gewezen dat volgens de gegevens in het administratief dossier […] hem op 20 oktober 2022 internationale bescherming, namelijk de vluchtelingenstatus, werd toegekend in Griekenland. Waar de verblijfstitels blijkens artikel 24 van de richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking) (hierna: richtlijn 2011/95/EU) in wezen beperkt in de tijd en verlengbaar zijn (zoals overigens ook in België), is zulks in beginsel niet het geval wat betreft de verleende beschermingsstatus die onverkort blijft gelden zolang er een nood is aan bescherming en die slechts in uitzonderlijke, limitatief bepaalde omstandigheden kan worden ingetrokken of beëindigd (cf. de artikelen 11, 14, 16 en 19 van de richtlijn 2011/95/EU). De bewijslast met betrekking tot de eerder verleende internationale bescherming(sstatus) in toepassing van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 3° van de Vreemdelingenwet berust inderdaad bij het Commissariaat-generaal, doch eens hieraan is voldaan, komt het de verzoeker die de actualiteit of effectiviteit van deze bescherming ter discussie stelt, persoonlijk toe om aan te tonen dat hij niet (meer) op deze bescherming kan rekenen. Het komt aldus aan verzoeker zelf en niet aan het Commissariaat-generaal toe om het bewijs te leveren dat hij in Griekenland niet langer internationale bescherming geniet. Verzoeker blijft hier echter in gebreke. Hij brengt geen concrete gegevens of verifieerbare elementen bij die wijzen op een intrekking of opheffing van de hem verleende status, noch bevat het administratief dossier enige concrete aanwijzing in die zin. Uit het enkele feit dat hij niet langer woonachtig is in Griekenland, kan immers niet worden afgeleid dat hij er niet langer over internationale bescherming beschikt. Indien hij van mening is dat er een einde zou zijn gesteld aan zijn verblijfsstatuut omwille van een afwezigheid, of dat hiertoe een procedure is opgestart, VII-43.009-2/9 komt het verzoeker toe om dit op afdoende wijze aan te tonen. Het louter in vraag stellen van het actueel karakter van de verleende beschermingsstatus volstaat niet. Aangezien, gelet op het bovenstaande, met reden aangenomen kan worden dat zijn internationale beschermingsstatus in Griekenland nog steeds geldig is, wijst niets er daarenboven op dat verzoeker er niet naar zou kunnen terugkeren.” In het bestreden arrest bevestigt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de voormelde beoordeling uit zijn beschikking van 13 mei 2025: “De Raad beklemtoont dat verzoekende partij haar verzoek om internationale bescherming in België door het CGVS niet-ontvankelijk werd verklaard overeenkomstig artikel 57/6, § 3, eerste lid, 3° van de Vreemdelingenwet, waarbij bij voormelde beschikking werd vastgesteld dat zij geen elementen aanbrengt waaruit blijkt dat zij zich niet langer kan beroepen op de bescherming die de Griekse autoriteiten haar hebben toegekend en zij dus niet aantoont dat onterecht toepassing werd gemaakt door het CGVS van voormelde wetsbepaling (waarbij haar beschermingsverzoek niet- ontvankelijk werd verklaard) en dat er derhalve geen reden is om het beschermingsverzoek in België ten gronde ten aanzien van het land van herkomst/land van gewoonlijk verblijf te beoordelen.” Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, anders dan verzoeker voorhoudt, zijn onderzoek niet beperkt tot de vaststelling dat verzoeker op 20 oktober 2022 in Griekenland werd erkend als vluchteling. Hij overweegt immers dat “de verleende beschermingsstatus […] onverkort blijft gelden zolang er een nood is aan bescherming en […] slechts in uitzonderlijke, limitatief bepaalde omstandigheden kan worden ingetrokken of beëindigd”, dat de Griekse asielautoriteiten op 31 oktober 2023 een vraag om informatie hebben beantwoord, dat verzoeker beschikt over een verblijfsvergunning, geldig tot 19 oktober 2025 en dat verzoeker de onmogelijkheid niet aantoont om bij terugkeer naar Griekenland een duplicaat te bekomen van zijn (gedrukte) Griekse verblijfsvergunning. Verder in het bestreden arrest, waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de algemene situatie voor begunstigden van internationale bescherming in en bij terugkeer naar Griekenland bespreekt, wordt onder andere nog vastgesteld dat voor asielzoekers sinds een besluit dat in december 2020 in werking trad automatisch een fiscaal registratienummer (AFM) wordt aangemaakt bij hun beschermingsverzoek, dat dit fiscaal registratienummer (het openen van) een bankrekening, de huur van onroerende goederen en het verkrijgen van een sociale zekerheidsnummer (AMKA), dat toegang verleent tot de gezondheidszorg en de arbeidsmarkt, mogelijk maakt en dat het fiscaal registratienummer en het sociale zekerheidsnummer volgens de beschikbare informatie automatisch worden gedeactiveerd wanneer de verblijfsvergunning verloopt. VII-43.009-3/9
- Op grond van de voormelde elementen acht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het bewezen dat verzoeker nog steeds internationale bescherming geniet in Griekenland. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kon derhalve zonder schending van artikel 57/6, § 3, 3°, van de vreemdelingenwet oordelen dat het vervolgens aan verzoeker toevalt het bewijs te leveren dat hij geen of geen effectieve internationale bescherming meer geniet in Griekenland. In de mate dat verzoeker een andere beoordeling voorstelt van de voorhanden zijnde elementen, vraagt hij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is.
- Volgens verzoeker stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de erkenning als vluchteling in Griekenland gelijk met het bestaan van “actuele en effectieve bescherming”, om vervolgens de bewijslast van het tegendeel bij verzoeker te leggen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat in punt 5.
- van het bestreden arrest omstandig in op de “[a]lgemene situatie voor begunstigden van internationale bescherming in en bij terugkeer naar Griekenland”, waarbij hij met verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 maart 2019 in de gevoegde zaken C-297/17, C-318/17, C-319/17 en C-438/17, Ibrahim tegen Duitsland, besluit dat de beschikbare landeninformatie “op zich niet [volstaat] om zonder meer te besluiten dat de geboden bescherming in hoofde van eenieder die er internationale bescherming werd verleend, niet langer effectief of toereikend zou zijn en evenmin dat statushouders in Griekenland bij terugkeer hoe dan ook zullen terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie, ook al wordt de situatie er gekenmerkt door een grote onzekerheid of een sterke verslechtering van de levensomstandigheden”, dat verzoeker “[m]et de loutere verwijzing naar de bijgebrachte en beschikbare algemene landeninformatie […] dus niet aan[toont] dat elke begunstigde van internationale bescherming in Griekenland zich in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie zoals geduid door het Hof van Justitie bevindt of dat hij of zij er bij terugkeer automatisch in zal belanden” en dat “[e]en individuele beoordeling […] dus aan de orde [blijft]”. In punt 5.
- van het bestreden arrest onderzoekt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vervolgens de “[p]ersoonlijke situatie van verzoekende partij als Grieks statushouder”. Onder meer met verwijzing naar de volgende vaststellingen in zijn eerder genoemde beschikking van 13 mei 2025, oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoeker geen oprechte intentie had om een duurzaam bestaan VII-43.009-4/9 uit te bouwen in Griekenland en dat uit zijn verklaringen en gedragingen niet blijkt dat hij de nodige inspanningen leverde om zich te integreren in de Griekse samenleving door er onder meer werk en huisvesting te zoeken en de taal te leren: […] Het komt aan de begunstigde(n) van internationale bescherming toe om de nodige inspanningen te doen om zich te integreren in de samenleving waar hij/zij internationale bescherming heeft bekomen, door er onder meer werk en huisvesting te zoeken en de taal te leren. Er kan van verzoeker verwacht worden dat hij de nodige procedures doorloopt en geduld uitoefent vooraleer hieromtrent conclusies te trekken. Zulke inspanningen mogen niet genoegzaam blijken uit verzoeker zijn verklaringen en gedragingen. Het feit dat verzoeker vier maanden na het verkrijgen van de internationale bescherming Griekenland verlaten heeft, getuigt niet van een oprechte intentie om een duurzaam bestaan in Griekenland uit te bouwen en er zijn rechten te doen gelden. Uit zijn verklaringen blijkt niet dat hij ernstige stappen heeft ondernomen om werk en huisvesting te vinden in Griekenland. Hij verklaarde uitdrukkelijk tijdens het persoonlijk onderhoud bij het CGVS na het bekomen van zijn Griekse verblijfsvergunning geen pogingen te hebben ondernomen om werk te vinden in Griekenland […]. Nochtans verklaarde hij eerder dat dat hij in Griekenland niet mocht werken omdat hij niet over een Griekse ID kaart beschikte […]. Dient nog in dit verband opgemerkt dat verzoeker zelfredzaam is: hij heeft immers op eigen houtje zijn tocht van Samos naar Thessaloniki geregeld en zijn oom in België heeft zijn vliegtuigticket van Griekenland naar België gekocht […]. Hieruit kan afgeleid worden dat verzoeker duidelijk beschikt over een netwerk en middelen om zijn vertrek en verdere reis doorheen Europa te bewerkstelligen wat getuigt van zelfredzaamheid en keuzemogelijkheden. Hij kan daarnaast op zijn netwerk rekenen bij terugkeer naar Griekenland om de periode tot het vinden van werk en woning te overbruggen. Uit bovenstaande kan niet afgeleid worden dat verzoeker buiten zijn eigen wil om in de onmogelijkheid was om zijn rechten in Griekenland te doen gelden. Het komt in dit verband hem toe om de middelen die het recht en zijn status in Griekenland hiertoe bieden terdege te gebruiken, hetgeen hij evenwel niet aantoont. Hij toont niet aan deze afdoende te hebben benut, laat staan uitgeput. Wat betreft verzoekers algemeen betoog inzake discriminatie in Griekenland, merkt de Raad op dat vreemdelingen in Griekenland, net als in andere lidstaten, kunnen worden geconfronteerd met discriminatie, racisme of xenofobie maar dat dit niet tot het besluit leidt dat de Griekse autoriteiten hun verplichtingen ten aanzien van verzoeker niet zullen nakomen of dat dit invloed heeft op de werking van de officiële instanties en de rechtscolleges in Griekenland. Bovendien houdt dit evenmin in dat de Griekse autoriteiten hun verdragsrechtelijke verplichtingen niet nakomen en dat zij niet bij machte zijn om een passende bescherming te bieden aan betrokkene bij situaties van discriminatie, racisme of xenofobie. Een algemene verwijzing, zoals in het verzoekschrift waarbij dienaangaande naar algemene landeninformatie wordt verwezen, naar de moeilijke (levens)omstandigheden voor begunstigden van internationale bescherming in Griekenland en een verwijzing naar het gebrek aan huisvesting, voldoende werkgelegenheid, onderwijs, ondersteuning en medische bijstand in Griekenland, volstaat niet om zonder meer aan te tonen dat verzoeker als begunstigde van internationale bescherming in Griekenland buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzes om in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie verkeerde dan wel bij een terugkeer dreigt terecht te komen. Dit dient in concreto te worden aangetoond, waar verzoeker in gebreke blijft. Waar verzoeker doorheen zijn verzoekschrift verwijst naar de internationale rechtspraak, wijst de Raad erop dat precedentenwerking niet wordt aanvaard in het VII-43.009-5/9 Belgische recht. De door verzoeker geciteerde rechtspraak betreft individuele gevallen en heeft geen precedentswaarde die bindend is. Elk verzoek om internationale bescherming dient op individuele basis en aan de hand van de hiertoe in concreto aangevoerde elementen onderzocht te worden, zoals in casu geschiedt. […] Waar verzoeker nog aanvoert dat hij geen bescherming tegen refoulement geniet in Griekenland, verwijst de Raad naar het voorgaande waarbij werd vastgesteld dat geen elementen voorliggen waaruit kan blijken dat hij actueel niet langer internationale bescherming geniet in Griekenland. Op geen enkele wijze toont hij aan dat er sprake is van een wijdverspreide en systematische praktijk van terugdrijving van erkende vluchtelingen door de Griekse overheden. Evenmin toont hij in concreto aan dat er in zijn geval een reëel risico op refoulement bestaat. […] Verzoeker toont niet aan, ook al kan worden aangenomen dat zijn situatie door onzekerheid of een verslechtering van zijn levensomstandigheden gekenmerkt wordt, dat hij bij een terugkeer naar Griekenland in een situatie terechtkomt die zo ernstig is dat zijn toestand kan worden gelijkgesteld met een onmenselijke of vernederende behandeling (HvJ 19 maart 2019, Ibrahim e.a., overweging 91). Hij toont niet aan dat hij bij een terugkeer naar Griekenland persoonlijk in een situatie zou belanden die kan worden beschouwd als onmenselijk of vernederend in de zin van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de EU. […] Verzoeker kan, gelet op de gedane vaststellingen, niet overtuigen dat er in zijn hoofde sprake is van buitengewone omstandigheden die ertoe kunnen leiden dat hij, buiten zijn wil en persoonlijke keuzes om, in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie terecht al komen. Hij maakt niet in concreto aannemelijk dat hij daadwerkelijk verhinderd was om in Griekenland in zijn elementaire levensbehoeften te voorzien of om er aanspraak te kunnen maken op bepaalde basisvoorzieningen, noch dat hij zou worden blootgesteld aan onmenselijke en vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van het EVRM en van artikel 4 van het Handvest. Er zijn evenmin aanwijzingen dat verzoeker verhinderd zou zijn om opnieuw tot het Griekse grondgebied te worden toegelaten. Verzoeker toont niet aan dat hij bij een terugkeer naar Griekenland in een situatie terechtkomt die zo ernstig is dat zijn toestand kan worden gelijkgesteld met een onmenselijke of vernederende behandeling (HvJ 19 maart 2019, Ibrahim e.a., overweging 91). Verzoeker maakt zodoende niet op overtuigende wijze aannemelijk dat zijn situatie kan worden aangemerkt als een situatie van uitzonderlijke aard zoals geduid door het Europees Hof van Justitie (in voornoemde rechtspraak), noch dat hij zich derhalve niet langer onder de internationale bescherming die hem in Griekenland werd verleend, kan stellen. De stelling dat verzoeker in geval van terugkeer naar Griekenland zal worden blootgesteld aan onmenselijke of vernederende behandelingen is louter gebaseerd op hypotheses zonder dat verzoeker aantoont dat hij persoonlijk in een situatie zou belanden die kan worden beschouwd als onmenselijk of vernederend in de zin van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de EU.” Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zowel met algemene landeninformatie als met verzoekers individuele situatie rekening heeft gehouden. Verzoeker wijst op de vereiste van een individueel en actueel onderzoek, maar hij beperkt zich daarbij tot algemene opmerkingen, zonder in het licht van de concrete motieven van het bestreden arrest aannemelijk te maken dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bepaalde elementen op onwettige wijze buiten VII-43.009-6/9 beschouwing zou hebben gelaten of bepaalde kritiek niet of onvoldoende zou hebben beantwoord. In de mate dat verzoeker het niet eens is met de door de eerste rechter gemaakte feitelijke beoordeling, dient te worden herhaald dat de Raad van State als cassatierechter niet in de beoordeling treedt van de zaak zelf.
- Aangaande verzoekers voorgehouden bijzondere kwetsbaarheid wordt in de beschikking van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 13 mei 2025 overwogen: “Verzoeker maakt vooreerst niet aannemelijk dat hij over een bijzondere kwetsbaarheid beschikt die hem zou verhinderen om zijn rechten te doen gelden, verbonden aan zijn status in Griekenland. Uit zijn verklaringen kan niet blijken dat hij kampt met enige medische of psychologische problemen die belangrijke gevolgen zouden hebben voor zijn zelfstandig functioneren. Bovendien verklaart verzoeker uitdrukkelijk tijdens het persoonlijk onderhoud geen medische en/of psychologische problemen te hebben […]. Gelet op het voorgaande kan niet op objectieve wijze een bijzondere kwetsbaarheid in hoofde van verzoeker worden vastgesteld die het hem dermate moeilijk maakt om zich staande te houden en zelfstandig zijn rechten uit te oefenen dat er een ernstig risico is dat hij zou terechtkomen in leefomstandigheden die in strijd zijn met zijn grondrechten. Aldus brengt verzoeker wat betreft zijn persoonlijke situatie geen specifieke elementen aan waaruit moet worden besloten tot het bestaan van een bijzondere kwetsbarheid in zijn hoofde in de zin van de relevante rechtspraak van het Hof van Justitie. Er liggen in casu geen specifieke elementen voor waaruit in hoofde van verzoeker een bijzondere kwetsbaarheid kan blijken die hem bij een terugkeer naar Griekenland zou blootstellen aan behandelingen die in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest.” In het bestreden arrest voegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nog toe: “In de hierboven vermelde beschikking wordt vastgesteld dat de verzoekende partij verklaart geen medische of psychologische problemen te hebben. Er wordt dan ook besloten dat de verzoekende partij niet over een bijzondere kwetsbaarheid beschikt in de zin van de relevante Europese rechtspraak. Hoewel kan worden aangenomen dat de huidige situatie in Gaza een invloed kan hebben op de mentale gezondheid van personen afkomstig uit deze regio, dient een psychologische kwetsbaarheid individueel aannemelijk te worden gemaakt. De verzoekende partij brengt echter geen documenten bij waaruit zou kunnen blijken dat ze over enige psychologische kwetsbaarheid beschikt. Haar betoog dat ze een verhoogde kwetsbaarheid beschikt omwille van haar afkomst uit Gaza, kan dan ook geen afbreuk doen aan de in de beschikking opgenomen grond waarin vastgesteld dat de verzoekende partij geen bijzondere kwetsbaarheid heeft zoals bepaald in de relevante Europese rechtspraak.” VII-43.009-7/9 Uit het voorgaande blijkt een omstandig onderzoek van een gebeurlijke bijzondere kwetsbaarheid van verzoeker op medisch of psychologisch gebied die het hem dermate moeilijk zou maken om zich staande te houden en zelfstandig zijn rechten uit te oefenen en dat hij een ernstig risico loopt terecht te komen in leefomstandigheden die in strijd zijn met zijn grondrechten. Verzoeker gaat ook voorbij aan de beoordeling van zijn concrete situatie in Griekenland zoals geciteerd in punt 3 supra. Hij toont niet aan welke omstandigheden de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op onwettige wijze buiten beschouwing zou hebben gelaten noch op welke aangevoerde elementen niet zou zijn geantwoord in strijd met artikel 149 van de Grondwet. Verder behoort de feitelijke beoordeling van de omstandigheden van de zaak tot de soevereine beoordelingsbevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, die te dezen met hervormingsbevoegdheid uitspraak heeft gedaan. Als cassatierechter vermag de Raad van State niet dergelijke beoordeling over te doen.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. VII-43.009-8/9 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op elf december tweeduizend vijfentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-43.009-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.554 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div