id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 19 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.566 Rolnummer: A. 245528/VII-42984 Zaak: Cassatiebeschikking 16566 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 19/12/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-01-09 Raadplegingen: 200 - laatst gezien 2026-06-18 06:17 Fiche Beschikking nr 16.566 van 19 december 2025 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.566 van 19 december 2025 in de zaak A. 245.528/VII-42.984 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pierre Robert kantoor houdend te 1000 Brussel Sint-Quentinstraat 3/3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 8 augustus 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 329.524 van 9 juli 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 22 augustus 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Eerste middel
- Verzoeker voert in een eerste middelonderdeel aan dat artikel 48/3 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) geschonden is door een wijdverspreide en systematische groepsvervolging als criterium te nemen voor een VII-42.984-1/7 gegronde vrees voor vervolging. Daarbij gaat verzoeker uit van een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Het bestreden arrest oordeelt immers dat op basis van het geheel van de door de partijen aangebrachte informatie niet a priori kan worden aangenomen dat ieder lid van de LGBT-gemeenschap in Colombia met een redelijke mate van waarschijnlijkheid het risico loopt om het slachtoffer te worden van vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin. Daarna benadrukt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat een individuele beoordeling van het beschermingsverzoek noodzakelijk blijft en onderzoekt hij of op basis van verzoekers individuele omstandigheden een gegronde vrees voor vervolging aannemelijk wordt gemaakt. Verzoeker toont in die mate geen schending aan van artikel 48/3 van de vreemdelingenwet.
- Verzoeker voert in een tweede middelonderdeel een schending aan van artikel 48/5, § 2, tweede lid, van de vreemdelingenwet omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een onmogelijke bewijslast oplegt aan verzoeker die zou moeten aantonen dat “de bestaande beschermingsmechanismen dermate gebrekkig en disfunctioneel zouden zijn dat zij in geen enkel geval als doeltreffend kunnen worden beschouwd”. Daarmee gaat verzoeker voorbij aan de vaststelling in het bestreden arrest dat geen geloof kan worden gehecht aan de vermeende problemen van verzoeker in Colombia, en de vraag derhalve niet rijst naar het voorhanden zijn van nationale bescherming in zijn land van herkomst, alsook inzake het voorhanden zijn van een intern vluchtalternatief, zoals omschreven in artikel 48/5, § 2, en § 3, van de vreemdelingenwet. De kritiek in het tweede middelonderdeel kan niet tot de cassatie van het bestreden arrest leiden.
- In een derde middelonderdeel voert verzoeker een schending aan “van de bewijskracht der stukken, zoals vervat in de artikelen 8.11, 8.17 en 8.23 van het Burgerlijk Wetboek” en ontwaart hij eveneens een tegenstrijdige motivering die een schending vormt van artikel 149 van de grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet. Verzoeker verwijst daarbij naar een specifieke passage van de COI Focus 2025 waarin sprake is van “systematische vervolging”, om vervolgens te hekelen dat het bestreden arrest “op basis van het geheel van de door de partijen aangebrachte landeninformatie [concludeert] dat er geen risico bestaat op vervolging”. De bewijskracht van een akte bestaat in de vereiste eerbiediging van hetgeen daarin schriftelijk is vastgelegd. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring toeschrijft die dit geschrift niet bevat dan wel ontkent dat dit geschrift een VII-42.984-2/7 verklaring bevat die er wel in voorkomt. Daarentegen miskent de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, wanneer hij uit een akte louter een feitelijk of juridisch gevolg trekt, de bewijskracht van die akte niet. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de vreemdelingenwet aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepalingen. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. Het bestreden arrest schrijft geen verklaring toe aan de COI Focus 2025 die dit document niet bevat noch ontkent het bestreden arrest de vaststelling in de COI dat systematische vervolging in het verleden heeft plaatsgevonden tegen LGBTIQ- personen die hiv-positief zijn. Verder hoort de beoordeling van de bewijswaarde van de voorhanden zijnde stukken tot de soevereine beoordelingsbevoegdheid van de feitenrechter. Verzoeker toont geen schending aan van de “bewijskracht der stukken, zoals vervat in de artikelen 8.11, 8.17 en 8.23 van het Burgerlijk Wetboek”. Verzoeker toont geen tegenstrijdige motivering aan. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen concludeert op basis van de COI Focus 2025 (zie randnummer 4.4.
- van het bestreden arrest) “dat ook homoseksuelen met hiv toegang hebben tot antiretrovirale therapie (ART), het wettelijk kader voldoende uitgebouwd en volledig is, maar dat er desondanks nog steeds discriminatie kan voorkomen en het Colombiaanse Grondwettelijk Hof zich heeft uitgesproken tegen discriminatie.” Verzoeker betwist deze vaststellingen niet, maar citeert enkel selectief uit de COI Focus
- Daarna stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vast dat verzoeker in Colombia toegang heeft gehad tot hiv-medicatie en deze ook effectief heeft genomen en dat hij niet in concreto VII-42.984-3/7 aantoont dat hij persoonlijk het risico loopt om in Colombia bedreigd of vervolgd te worden omwille van zijn hiv-besmetting als homoseksueel. In de mate verzoeker het niet eens is met de gemaakte beoordeling, houdt dit geen verband met de jurisdictionele motiveringplicht, maar vraagt hij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is.
- In een vierde middelonderdeel voert verzoeker aan dat de eerste rechter niet antwoordt op zijn argument waarin hij de analogie maakt met arrest nr. 244.488 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Dit middelonderdeel mist feitelijke grondslag aangezien de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt dat “[i]n zoverre verzoeker verwijst naar ’s Raads arrest nr. 261.885 van 8 oktober 2021 en andere rechtspraak van de Raad, […] benadrukt [wordt] dat de precedentenwerking niet wordt aanvaard in het Belgische recht”. Bovendien antwoordt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen minstens impliciet ook op het argument dat er weliswaar een wettelijk kader is dat op papier bescherming biedt aan seksuele minderheden, maar dat de bescherming in de praktijk dode letter blijft, door in te gaan op de concrete situatie van verzoeker en onder meer vast te stellen dat hij toegang heeft gehad tot hiv-medicatie en deze ook effectief heeft genomen. Er ligt in die mate geen schending voor van de jurisdictionele motiveringsplicht vervat in artikel 149 van de grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet. Tweede middel
- Verzoeker voert in een tweede middel een schending aan van artikel 48/6 en artikel 51/10 van de vreemdelingenwet doordat het bestreden arrest zich baseert op “de vaststelling dat [verzoeker] bij de [DVZ] uitermate summier is gebleven” om zijn geloofwaardigheid te contesteren. Artikel 51/10 van de vreemdelingenwet luidt als volgt: "De minister of zijn gemachtigde neemt het verzoek om internationale bescherming dat ingediend werd bij de in artikel 50, § 3, tweede lid, bedoelde overheden in ontvangst en neemt een verklaring af van de vreemdeling met betrekking tot diens identiteit, herkomst en reisweg, en diens antwoorden op een vragenlijst met betrekking tot de redenen die hem ertoe aanzetten om een verzoek om internationale bescherming in te dienen en waarin de mogelijkheden tot terugkeer naar het land waaruit hij gevlucht is worden verduidelijkt. Deze verklaring en vragenlijst moeten worden ondertekend door de vreemdeling. Indien deze dit weigert, wordt hiervan melding gemaakt op de verklaring of op de vragenlijst evenals, in voorkomend geval, van de redenen waarom hij weigert om dit te VII-42.984-4/7 ondertekenen. Deze verklaring en vragenlijst worden onmiddellijk overgemaakt aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen. Tegelijkertijd stelt de minister of zijn gemachtigde vast of de vreemdeling legaal in het Rijk verblijft of niet." In zoverre verzoeker het bestreden arrest strijdig acht met artikel 48/6 en artikel 51/10 van de vreemdelingenwet omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen rekening houdt met het feit dat verzoeker bij de dienst Vreemdelingenzaken uitermate summier is gebleven, wordt vastgesteld dat het tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de rechter ten gronde behoort om te oordelen over de bewijswaarde van stukken en de opgenomen verklaringen van een verzoeker om internationale bescherming. De Raad van State treedt als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf. Het feit dat deze summiere verklaringen bijgedragen hebben tot de ongeloofwaardigheid, onder meer omdat verzoeker daarbij nagelaten heeft te verwijzen naar “het ergste en moeilijkste wat hij had meegemaakt” dat overigens het “laatste” was, “waarna hij besloot het land te verlaten”, vormt geen schending van artikel 48/6 en artikel 51/10 van de vreemdelingenwet.
- Verzoeker voert tevens aan dat de “bewijskracht der stukken, zoals vervat in de artikelen 8.11, 8.17 en 8.23 van het Burgerlijk Wetboek” geschonden is ten aanzien van de vragenlijst van 17 maart
- Het bestreden arrest stelt volgens verzoeker ten onrechte dat daaruit niet zou blijken dat het om de woning van verzoekers moeder gaat. Uit de vragenlijst blijkt inderdaad dat verzoeker aangegeven heeft “dat hij in 2021 bij zijn moeder is gaan wonen in […]”. Vervolgens stelt verzoeker echter dat “in 2021 guerrilaleden van de FARC naar mijn huis [kwamen]”. Hieruit blijkt dat verzoeker in de vragenlijst inderdaad niet heeft aangegeven dat het huis van zijn moeder was, maar integendeel suggereerde dat het “zijn” huis (“mijn huis”) was. De “bewijskracht der stukken, zoals vervat in de artikelen 8.11, 8.17 en 8.23 van het Burgerlijk Wetboek” is niet geschonden. Derde middel Eerste onderdeel
- In zoverre verzoeker aanvoert dat geen rekening is gehouden met de door hem aangevoerde landeninformatie, mist het middel feitelijke grondslag. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst expliciet bij de beoordeling van artikel 48/4 van de vreemdelingenwet naar de “beschikbare landeninformatie” en de “geconsulteerde bronnen”. VII-42.984-5/7
- De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. Met de motivering in randnummer 4.5.
- van het bestreden arrest beantwoordt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk verzoekers standpunt met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden en de veiligheidssituatie in het departement Valle del Cauca. In de mate dat verzoeker het ten gronde niet eens is met de gemaakte beoordeling, houdt dit geen verband met de jurisdictionele motiveringsplicht, doch vraagt hij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf. Er ligt in de die mate geen schending voor van de jurisdictionele motiveringsplicht vervat in artikel 149 van de grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet.
- Door aan te geven dat niet blijkt dat er “zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat burgers louter door hun aanwezigheid in Valle del Cauca een reëel risico lopen om slachtoffer te worden van een ernstige bedreiging van hun leven of hun persoon als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een binnenlands gewapend conflict in de zin van artikel 48/4, § 2, c), van de [v]reemdelingwet” en daarna te stellen dat “[v]erzoeker […] geen informatie bij[brengt] waaruit het tegendeel zou kunnen blijken”, kent de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen inhoud toe die in strijd is met de bewoordingen van het rapport van de UNHCR zoals geciteerd op pagina 16 en 17 van het verzoekschrift voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, noch ontkent hij dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt. Verzoeker toont in die mate geen schending aan van de bewijskracht der stukken of artikel 48/4 van de vreemdelingenwet. Tweede onderdeel
- Artikel 6 van het Gerechtelijk Wetboek luidt: “De rechters mogen in de zaken die aan hun oordeel onderworpen zijn, geen uitspraak doen bij wege van algemene en als regel geldende beschikking.” De verkeerde verwijzing naar andere verzoekende partijen op één plaats in randnummer 4.5.
- van het bestreden arrest is een materiële vergissing. Dit betekent niet dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een uitspraak heeft gedaan bij wege van VII-42.984-6/7 algemene en als regel geldende beschikking. Artikel 6 van het Gerechtelijk Wetboek is niet geschonden. Bovendien blijkt uit de motivering in randnummer 4.5.2 van het bestreden arrest dat wel degelijk rekening is gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verzoeker, zoals bijvoorbeeld het feit dat verzoeker zelf heeft aangegeven dat hij in Palmira geen problemen heeft gekend. De materiële vergissing kan de strekking van het bestreden arrest niet hebben beïnvloed. Conclusie
- De drie middelen zijn, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op negentien december tweeduizend vijfentwintig door: Frédéric Vanneste, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Frédéric Vanneste VII-42.984-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.566 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div