← België

Arrest 265319 - Niet begeleide minderjarigen - 05/01/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.319 Rolnummer: A. 246219/VII-43064 Zaak: Arrest 265319 - Niet begeleide minderjarigen - 05/01/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-01-15 Raadplegingen: 197 - laatst gezien 2026-06-18 06:18 Fiche Arrest nr 265.319 van 5 januari 2026 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.319 no lien 286947 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 265.319 van 5 januari 2026 in de zaak A. 246.219/VII-43.064 In zake: F.J. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Noémie Segers kantoor houdend te 1000 Brussel Huidevettersstraat 58-62 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Vaalbeek (Oud-Heverlee) Onze-Lieve-Vrouwstraat 6 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Verzoekster dient met een enig verzoekschrift op 24 oktober 2025 een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging en een beroep tot nietigverklaring in van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 28 augustus 2025 waarbij wordt beslist verzoekster te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoekster geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. VII-43.064-1/16 Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 17 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 december 2025, om 14 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Lotte Buekenhout, die loco advocaat Noémie Segers verschijnt voor verzoekster, en advocaat Filip Stouthuysen, die loco advocaat Ine De Cneudt verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoekster komt België binnen en zij wordt op 27 februari 2025 als niet-begeleide minderjarige vreemdeling aangemeld door de dienst Vreemdelingenzaken bij de dienst Voogdij. Zij heeft verklaard van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 18 februari
  6. De dienst Vreemdelingenzaken uit twijfel over verzoeksters voorgehouden leeftijd. In het Universitair Ziekenhuis Pellenberg te Leuven ondergaat verzoekster op 5 maart 2025 een medisch onderzoek om na te gaan of zij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. VII-43.064-2/16 De dienst Voogdij beslist op 6 maart 2025 verzoekster te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat zij geen voogd zal krijgen. 3.
  7. Bij arrest nr. 263.803 van 27 juni 2025 heeft de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging bevolen van de voormelde beslissing van de dienst Voogdij. 3.
  8. Op 8 juli 2025 beslist de dienst Voogdij de leeftijdsbeslissing van 6 maart 2025 in te trekken met als motief dat “de procedure niet in overeenstemming verliep met het arrest F.B. t. België d.d. 6 maart 2025”. 3.
  9. De dienst Voogdij bevestigt vervolgens de twijfel omtrent verzoeksters leeftijd en houdt een gesprek met haar. De ambtenaar van de dienst Voogdij acht op basis van dat gesprek een nieuw medisch leeftijdsonderzoek noodzakelijk. Verzoekster weigert dit. Op 28 augustus 2025 beslist de dienst Voogdij op basis van “de andere elementen” van het dossier verzoekster opnieuw te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat zij geen voogd zal krijgen. Dit is de thans bestreden beslissing. IV. Schorsingsvoorwaarden
  10. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. VII-43.064-3/16 V. Ernst van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  11. Verzoekster werpt in een enig middel de schending op van artikel 7 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: voogdijwet), van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 ‘tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet- begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van24 december 2002’ (hierna: koninklijk besluit van 22 december 2003), in combinatie met de artikelen 31 en 56.2 van het Verdrag van de Raad van Europa van 11 mei 2011 ‘inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld’ (hierna: Conventie van Istanbul), artikel 24.2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 17 van het Europees Sociaal Handvest (hierna: ESH), de artikelen 3 en 8 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: IVRK), artikel 22bis van de Grondwet, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991), van het redelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM).
  12. Na een theoretische uiteenzetting over de ingeroepen bepalingen met verwijzing naar rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM), een aanbeveling van de Raad van Ministers van de Raad van Europa, Verordening 2024/1348 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 ‘tot vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Unie en tot intrekking van Richtlijn 2013/32/EU’ (hierna: Verordening 2024/1348), een resolutie van de Parlementaire vergadering van de Raad van Europa en aanbevelingen van het VN-Comité voor de Rechten van het Kind (hierna: VN-Kinderrechtencomité), stelt verzoekster dat ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.319 VII-43.064-4/16 leeftijdsbepaling in een migratiecontext moet plaatsvinden via een transparant en toetsbaar besluitvormingsproces. Dit besluitvormingsproces moet steunen op een multidisciplinaire aanpak waarbij rekening wordt gehouden met de kwetsbaarheden, ontwikkelingskenmerken en culturele achtergrond van het kind. Dit is essentieel om de rechten van het kind te kunnen waarborgen. Verzoekster toetst vervolgens aan deze criteria om te bepalen of het besluitvormingsproces te dezen in overeenstemming is verlopen met artikel 8 van het EVRM. Hoewel het actueel Belgisch wetgevend kader volgens verzoekster ontoereikend is, blijft de verwerende partij zich baseren op artikel 7 van de voogdijwet en artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december
  13. Enkel indien onder het in deze bepalingen bedoelde medisch onderzoek ook psycho-affectieve tests worden begrepen, zouden ze kunnen worden geïnterpreteerd als zijnde in overeenstemming met het arrest F.B. tegen België van 6 maart 2025 van het EHRM. Aangezien verzoekster weigerde een nieuw medisch leeftijdsonderzoek te ondergaan, kon de dienst Voogdij enkel terugvallen op een multidisciplinaire analyse van verzoeksters leeftijd door psycho-affectieve tests. Indien de voormelde wetsartikelen echter niet conform het arrest F.B. tegen België kunnen worden gelezen, moeten ze volgens verzoekster buiten beschouwing worden gelaten en moet worden teruggevallen op de door verzoekster ingeroepen hogere rechtsnormen.
  14. Verzoekster laat gelden dat te dezen geen transparant en toetsbaar besluitvormingsproces heeft plaatsgevonden dat in overeenstemming is met de procedurele waarborgen, vervat in artikel 8 van het EVRM. Er valt niet te begrijpen op welke basis de verwerende partij heeft vastgesteld dat verzoekster ouder dan 18 jaar zou zijn. De verwerende partij heeft een gesprek gehouden met verzoekster en bespreekt in de bestreden beslissing een e-mail van het onthaalcentrum waar verzoekster verblijft, die ten onrechte wordt beschouwd als een observatierapport, doch zij heeft geen verdere stappen ondernomen. Wat het gesprek betreft, merkt verzoekster op dat de notities van de dienst Voogdij gebrekkig en onvolledig zijn en geen letterlijke weergave betreffen van vraag en antwoord, doch eerder een zeer beknopte samenvatting van het gesprek. Uit dit ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.319 VII-43.064-5/16 gebrekkig verslag kan moeilijk worden afgeleid welke elementen tot de conclusie zouden leiden dat verzoekster ouder dan 18 jaar is. Bovendien werd niet voorzien in de mogelijkheid om na afloop van het gesprek de notities te ontvangen en opmerkingen te formuleren. Daarnaast stelt verzoekster dat, in tegenstelling tot wat de bestreden beslissing doet uitschijnen, in wezen geen observatierapport voorligt. Hoogstens werden door het onthaalcentrum waar verzoekster verblijft enkele vaststellingen per e-mail gecommuniceerd aan de dienst Voogdij, zonder dat hieruit kan worden afgeleid welke sociaal assistent op basis van welk overleg tot deze bevindingen is gekomen. Verzoekster benadrukt dat zij reeds door verschillende sociaal assistenten werd opgevolgd, waardoor het aan te bevelen was dat elk van hen een verslag zou opstellen dan wel dat een globaal verslag zou worden opgesteld. Hoe dan ook kan uit de vaststellingen van het onthaalcentrum slechts worden opgemaakt dat verzoekster een kwetsbaar persoon is en dat het moeilijk is om gedetailleerde observaties over haar te maken, omdat zij erg teruggetrokken is. Verzoekster begrijpt niet waarom deze bevindingen zouden leiden tot de conclusie dat zij ouder dan 18 jaar is. Verzoekster verwijst in dit verband nog naar de bestreden beslissing waar deze stelt dat verzoeksters “fysieke uiterlijk […] deze [is] van een persoon die ouder dan 18 jaar is”, dat verzoeksters “verklaringen tijdens het gesprek […] niet coherent [waren]” en dat verzoekster “geen enkel document [heeft] voorgelegd om [haar] identiteit aan te tonen”, zonder aan te geven op basis van welke fysieke kenmerken verzoekster ouder dan 18 jaar lijkt te zijn of welke van haar verklaringen niet coherent waren en zonder rekening te houden met de redenen waarom zij geen documenten kon voorleggen, die zij nochtans uitvoerig uiteen heeft gezet tijdens haar gesprek met de dienst Voogdij. Verzoekster diende het voordeel van de twijfel te genieten, gelet op de aanhoudende twijfel omtrent haar leeftijd.
  15. Het besluitvormingsproces dat leidde tot de bestreden beslissing is evenmin gegrond op een multidisciplinaire analyse, waarin rekening werd gehouden met psycho-affectieve elementen, uitgevoerd door meerdere ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.319 VII-43.064-6/16 professionelen uit verschillende disciplines, die wetenschappelijke kennis hebben over de psychologische ontwikkeling en leeftijdsbeoordeling van kinderen. De bestreden beslissing lijkt louter te zijn gesteund op vage, subjectieve en ongefundeerde elementen, die op onredelijke wijze werden vastgesteld door de ambtenaar van de dienst Voogdij. Deze laatste zou een sociaal assistent zijn die “alle opleidingen heeft doorlopen zoals de voogden naast de functie specifieke opleidingen”. Volgens verzoekster blijkt niet welke specifieke opleidingen de ambtenaar heeft gevolgd, noch dat hij gekwalificeerd is om leeftijdsbeoordelingen te doen.
  16. Voorts verwijt verzoekster de verwerende partij dat zij geen rekening heeft gehouden met haar uiterst kwetsbare profiel en nooit een voorlopige voogd heeft aangesteld. Door zonder multidisciplinaire evaluatie verzoekster te beschouwen als ouder dan 18 jaar, heeft de verwerende partij gehandeld in strijd met artikel 31.1 van de Conventie van Istanbul, waarin het recht op een veilige omgeving wordt gewaarborgd. Als minderjarige diende verzoekster tevens te genieten van de bescherming geboden door artikel 56.2 van de Conventie van Istanbul, dat voorschrijft dat voor kinderen die slachtoffer zijn geworden van geweld bijzondere beschermingsmaatregelen moeten worden genomen. Door geen rekening te houden met verzoeksters kwetsbare profiel, werd ook deze bepaling geschonden.
  17. Ten slotte schendt de verwerende partij de zorgvuldigheidsplicht door zich blindelings te baseren op een kopie van een paspoort, waarvan de authenticiteit niet kan worden gegarandeerd en door geen rekening te houden met verzoeksters verklaringen dat de geboortedatum die erop vermeld staat niet klopt en bewust werd vervalst door de mensenhandelaars opdat zij alleen zou kunnen reizen.
  18. Verzoekster concludeert dat de bestreden beslissing naast artikel 8 van het EVRM, het hoger belang van het kind schendt, zoals verankerd in artikel 3 van het IVRK, alsook in strijd is met de formele- en materiëlemotiveringsplicht, omdat nergens uit het administratief dossier blijkt op ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.319 VII-43.064-7/16 welke gronden en via welke methodologie ze werd genomen, hetgeen op zijn beurt een schending uitmaakt van het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel. Beoordeling
  19. Bij arrest nr. 263.803 van 27 juni 2025 heeft de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging bevolen van de eerste leeftijdsbeslissing die ten aanzien van verzoekster werd genomen. Vervolgens heeft de dienst Voogdij beslist om de leeftijdsbeslissing van 6 maart 2025 in te trekken, stellende dat “de procedure niet in overeenstemming verliep met het arrest F.B. t. België d.d. 6 maart 2025”. In het voormelde arrest heeft het EHRM het besluitvormingsproces dat heeft geleid tot een beslissing van de dienst Voogdij in die zaak om de betrokkene te beschouwen als ouder dan 18 jaar en hem geen voogd toe te wijzen, getoetst aan artikel 8 van het EVRM. Het Hof overweegt in die zaak in de eerste plaats dat de betrokkene behoorlijk moet worden geïnformeerd over zijn rechten in het kader van de uitvoering van het drievoudig medisch leeftijdsonderzoek, hetgeen des te belangrijker is indien de betrokkene, die nog wordt geacht een niet-begeleide minderjarige te zijn en een verzoeker om internationale bescherming is, niet wordt vergezeld door een vertegenwoordiger of een raadsman. De betrokkene moet worden ingelicht over de noodzaak van zijn instemming met het medisch leeftijdsonderzoek. Het EHRM oordeelt in de tweede plaats dat medische leeftijdsonderzoeken omwille van hun ingrijpend karakter slechts in laatste instantie uitgevoerd horen te worden, wanneer andere middelen om de twijfel over de leeftijd van de betrokkene weg te nemen geen uitsluitsel hebben geboden. Volgens het EHRM zou een voorafgaand onderhoud met een daartoe speciaal opgeleide ambtenaar van de dienst Voogdij deze laatste in voorkomend geval kunnen toelaten enerzijds na te gaan of de twijfel over de leeftijd van de minderjarige kan worden opgeheven door minder ingrijpende middelen dan een leeftijdsonderzoek, en anderzijds zich ervan te vergewissen dat de betrokkene alle nodige informatie heeft ontvangen om zijn rechten op afdoende wijze te kunnen laten gelden. VII-43.064-8/16
  20. Na de intrekking van de eerste leeftijdsbeslissing heeft de dienst Voogdij verzoekster uitgenodigd voor een gesprek dat blijkens het administratief dossier plaatsvond op 23 juli
  21. Volgens de verwerende partij werd dit gesprek, in aanwezigheid van verzoeksters raadsman, gevoerd door een ambtenaar van de dienst Voogdij, met name een sociaal assistent die “alle opleidingen heeft doorlopen zoals de voogden naast de functie specifieke opleidingen”. Uit het document “[g]esprek met de dienst Voogdij”, dat deel uitmaakt van het administratief dossier, blijkt dat aan verzoekster onder meer werd gevraagd of zij over identiteitsdocumenten beschikte. Verzoekster antwoordde dat zij een paspoort en geboorteakte heeft gehad, doch dat deze niet langer in haar bezit waren. Zij stelde geen contact te kunnen krijgen met haar zus en enkel haar vingerafdrukken te hebben gegeven voor de opmaak van een paspoort, maar dat zij niet zelf aanwezig was in het bureau van de ambtenaar die hiertoe overging. Bovendien heeft zij verklaard voor haar reis met het vliegtuig een paspoort te hebben gebruikt waaruit blijkt dat zij ouder is dan 18 jaar, doch dat dit noodzakelijk was om de oversteek te kunnen maken. Waarom het paspoort reeds twee jaar oud is, kon verzoekster niet verklaren. Dit paspoort zou zich thans bevinden bij een mensensmokkelaar in Frankrijk. Aangezien verzoekster niet in het bezit was van originele identiteitsdocumenten, zij volgens de ambtenaar van de dienst Voogdij fysiek eerder overkomt als een volwassene en op basis van de informatie die werd verkregen van derde landen, wordt in het voormelde document geconcludeerd dat een medisch onderzoek noodzakelijk is om de twijfel omtrent verzoeksters minderjarigheid te kunnen wegnemen. Verzoekster werd hierover geïnformeerd, alsook over de mogelijkheid en gevolgen van een eventuele weigering en zij ontving informatie over de inhoud van het medisch onderzoek. Verzoekster verzocht om een redelijke termijn om hierover na te denken en zij heeft de dienst Voogdij op 1 augustus 2025 laten weten dat zij geen nieuw medisch leeftijdsonderzoek wilde ondergaan. Verzoekster lijkt derhalve correct te zijn ingelicht over de noodzaak van haar instemming met een eventueel medisch onderzoek, alsook over haar rechten in het kader van de eventuele uitvoering ervan. Gelet op het ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.319 VII-43.064-9/16 voorgaande lijkt zij bovendien een voorafgaand onderhoud gehad te hebben met een speciaal opgeleide ambtenaar van de dienst Voogdij, die zich er enerzijds lijkt van te hebben vergewist dat verzoekster alle nodige informatie heeft ontvangen om haar rechten afdoende te kunnen laten gelden en anderzijds lijkt te zijn nagegaan of de twijfel over verzoeksters leeftijd kon worden opgeheven door minder ingrijpende middelen dan een leeftijdsonderzoek. Dat voormeld document dat werd opgemaakt naar aanleiding van het gesprek van 23 juli 2025 geen woordelijk verslag betreft en verzoekster niet de mogelijkheid werd geboden om na afloop van het gesprek opmerkingen te formuleren, wat overigens door geen enkele wettelijke bepaling lijkt te zijn voorgeschreven, doet prima facie geen afbreuk aan deze vaststellingen. Bovendien blijkt uit de stukken die verzoekster bijbrengt dat zij op haar verzoek de checklijst van het gesprek heeft ontvangen. Ook verzoeksters verwijzingen naar een aanbeveling van de Raad van Ministers van de Raad van Europa, een resolutie van de Parlementaire vergadering van de Raad van Europa en aanbevelingen van het VN- Kinderrechtencomité doen niet anders besluiten. Evenmin lijkt de verwijzing naar Verordening 2024/1348 dienstig, nu deze verordening in haar artikel 1 uitdrukkelijk de vaststelling beoogt van “een gemeenschappelijke procedure […] voor de toekenning en intrekking van internationale bescherming uit hoofde van Verordening (EU) 2024/1347". De voogdijwet maakt echter geen onderscheid naargelang de betrokkenen "de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling hebben gevraagd" dan wel "niet voldoen aan de voorwaarden inzake toegang tot en verblijf op het grondgebied vastgesteld in de wetten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen". Het in de voogdijwet voorziene leeftijdsonderzoek heeft enkel tot doel in geval van twijfel na te gaan of de betrokkenen al dan niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt en hen dus al dan niet een voogd moet worden toegekend. Het gaat niet om een beoordeling in het licht van een verzoek om internationale bescherming.
  22. In de huidige stand van het geding lijkt te zijn voldaan aan beide voorwaarden, gesteld door het EHRM in zijn arrest van 6 maart 2025, F.B. tegen België. Het besluitvormingsproces dat heeft geleid tot de bestreden beslissing lijkt ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.319 VII-43.064-10/16 met voldoende procedurele garanties in het licht van artikel 8 van het EVRM te zijn omringd.
  23. Naar luid van artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 “[gaat] de dienst Voogdij […] over tot de identificatie van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling en controleert zijn verklaringen betreffende zijn naam, nationaliteit en leeftijd inzonderheid door middel van zijn officiële documenten of van de inlichtingen verstrekt door de consulaire of diplomatieke posten van het land van herkomst of van doorvoer, of van elke andere inlichting […]”. Artikel 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 voorziet weliswaar de mogelijkheid van psycho-affectieve tests, doch er is geenszins sprake van een verplichting. Noch deze laatste bepaling, noch het zorgvuldigheidsbeginsel is derhalve geschonden door het niet uitvoeren van psycho-affectieve tests bij het nemen van een leeftijdsbeslissing, zelfs indien geen medisch onderzoek heeft plaatsgevonden.
  24. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Te dezen vermeldt de bestreden beslissing dat en waarom de dienst Vreemdelingenzaken twijfel heeft geuit over verzoeksters voorgehouden ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.319 VII-43.064-11/16 leeftijd. Verder stelt de verwerende partij in de bestreden beslissing vast dat verzoekster heeft geweigerd om een nieuw medisch leeftijdsonderzoek te ondergaan, waardoor de bestreden beslissing wordt genomen op basis van “de andere elementen van [verzoeksters] dossier” en somt zij deze elementen op, waarna wordt geconcludeerd dat de verwerende partij “alle elementen” van verzoeksters dossier heeft bekeken en op basis daarvan verzoekster beschouwt als ouder dan 18 jaar, waardoor zij geen voogd krijgt. Concreet vermeldt de bestreden beslissing: “- uw fysieke uiterlijk is deze van een persoon die ouder dan 18 jaar is - uw verklaringen tijdens het gesprek waren niet coherent - u hebt ons geen enkel document voorgelegd om uw identiteit aan te tonen. U kan geen documenten voorleggen die uw leeftijd kunnen bewijzen. Daarnaast verkreeg je een visum kort verblijf door de Franse autoriteiten. Bij de afgifte van het visum wordt het paspoort grondig op zijn echtheid gecontroleerd. Dit paspoort stond op naam van [F.J.], 18/02/2003, Nigeria. U verklaarde dat dit paspoort door derden werd geregeld en dat u enkel uw vingerafdrukken hebt afgegeven. U had geen verklaring waarom het paspoort reeds werd uitgegeven in 2022.” De bestreden beslissing vermeldt ook dat de dienst Voogdij op 14 augustus 2025 een observatierapport heeft ontvangen van het onthaalcentrum waar verzoekster verblijft. Uit de observaties van het onthaalcentrum blijkt volgens de bestreden beslissing dat verzoekster “in staat [is] om zelfstandig te functioneren”, dat verzoeksters “gedrag […] overeen[komt] met die van een getraumatiseerde adolescente: vermijdingsstrategie, verlegenheid en weinig direct contact met anderen” en dat verzoekster “aanwezig [is] op school, weinig absenteïsme”. Volgens de bestreden beslissing vermeldt het observatierapport ten slotte dat verzoeksters “teruggetrokkenheid ervoor zorgt dat het zeer moeilijk is om gedetailleerde observaties te maken”. In het middel uit verzoekster kritiek op elk van deze elementen uit de bestreden beslissing, waardoor zij kennis lijkt te hebben van de pertinente en draagkrachtige motieven die erin worden vermeld. VII-43.064-12/16
  25. Op het eerste gezicht is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd.
  26. Waar verzoekster in het middel kritiek uit op de elementen waarop de bestreden beslissing is gesteund en het niet eens is met de conclusie die daaruit getrokken wordt, acht zij de materiëlemotiveringsplicht geschonden. Deze houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Zoals vastgesteld in punt 13 supra, heeft de dienst Voogdij prima facie onderzocht of de twijfel omtrent verzoeksters leeftijd kon worden weggenomen met minder ingrijpende middelen dan een medisch onderzoek. De ambtenaar van de dienst Voogdij acht een medisch onderzoek noodzakelijk, omdat verzoekster niet in het bezit is van originele identiteitsdocumenten, zij volgens hem fysiek eerder overkomt als een volwassene en op grond van de informatie die werd verkregen van de Franse autoriteiten. Waar de bestreden beslissing stelt dat verzoekster op basis van haar fysieke uiterlijk ouder lijkt te zijn dan 18 jaar, verzoeksters verklaringen niet coherent waren en zij geen enkel document kon voorleggen om haar identiteit aan te tonen, lijken deze vaststellingen gebaseerd te zijn op het document dat werd opgesteld naar aanleiding van voormeld onderhoud tussen verzoekster en de dienst Voogdij. De beoordeling of verzoekster op basis van haar fysieke uiterlijk ouder lijkt te zijn dan 18 jaar en of haar verklaringen coherent zijn, betreft louter feitelijke appreciaties, die de Raad van State niet vermag over te doen. VII-43.064-13/16 Verzoekster betwist niet dat zij geen identiteitsdocumenten kan overleggen, noch dat zij een visum kort verblijf verkreeg van de Franse autoriteiten op basis van een paspoort dat haar correcte naam vermeldt. Zij voert wel aan dat het paspoort werd vervalst door mensensmokkelaars met als doel haar alleen te kunnen laten reizen. Concreet werd haar geboortedatum aangepast van 18 februari 2009 naar 18 februari
  27. Na erop te hebben gewezen dat de Franse autoriteiten verzoeksters paspoort bij de afgifte van het visum grondig hebben gecontroleerd op zijn echtheid, stelt de verwerende partij in de bestreden beslissing vast dat het paspoort reeds werd uitgegeven in 2022 en dat verzoekster hiervoor geen enkele verklaring kon geven. Op het eerste gezicht betwist noch weerlegt verzoekster dit motief. Waar de bestreden beslissing nog verwijst naar een observatierapport van het onthaalcentrum waar verzoekster verblijft en de observaties daaruit weergeeft, gaat het prima facie niet om een dragend motief waarop de bestreden beslissing is gestoeld. De bestreden beslissing vermeldt immers uitdrukkelijk dat uit het observatierapport blijkt dat verzoeksters teruggetrokkenheid ervoor zorgt dat het zeer moeilijk is om gedetailleerde observaties te maken. Verzoeksters kritiek op het observatierapport lijkt derhalve niet dienstig te kunnen worden aangevoerd om de onwettigheid van de bestreden beslissing aan te tonen. In de mate dat verzoekster aanvoert dat geen rekening werd gehouden met haar uiterst kwetsbare profiel als slachtoffer van mensenhandel, lijkt dit gegeven eerder relevant te zijn bij de beoordeling van haar verzoek om internationale bescherming, doch niet te beletten dat ten aanzien van haar een leeftijdsbeslissing kan worden genomen.
  28. Prima facie toont verzoekster met haar kritiek niet de onredelijkheid aan van de bestreden beslissing. Zij lijkt geen schending aan te tonen van het redelijkheids- of evenredigheidsbeginsel, noch van de materiëlemotiveringsplicht. Anders dan verzoekster het ziet, steunt de verwerende partij zich overigens niet uitsluitend op een kopie van een paspoort dat volgens ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.319 VII-43.064-14/16 verzoekster vervalst is, maar is de bestreden beslissing gebaseerd op verschillende elementen. Op het eerste gezicht blijkt dan ook geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel.
  29. Uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoekster meer dan 18 jaar oud is. Prima facie toont verzoekster de onwettigheid van deze vaststelling niet aan, zodat zij zich niet lijkt te kunnen beroepen op het voordeel van de twijfel, het hoger belang van het kind, zoals vervat in artikel 3 van het IVRK, artikel 8 van het IVRK, de artikelen 31 en 56.2 van de Conventie van Istanbul, artikel 24.2 van het Handvest van de grondrechten van de EU, artikel 17 van het ESH en artikel 22bis van de Grondwet. Conclusie
  30. Het ontbreekt het enige middel aan de vereiste ernst. Bij gebreke aan minstens één ernstig middel waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord, wordt niet voldaan aan één van de voorwaarden die gesteld worden in artikel 17, §1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opdat de vordering tot schorsing kan worden toegewezen. Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing. VII-43.064-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijf januari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-43.064-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.319 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.