id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.336 Rolnummer: A. 243977/XIV-39723 Zaak: Arrest 265336 - Varia (economische zaken) - 07/01/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-01-19 Raadplegingen: 200 - laatst gezien 2026-06-18 06:19 Fiche Arrest nr 265.336 van 7 januari 2026 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour RVSCE ecli_cour_old RVSCE ecli_annee 2019 ecli_ordre ARR ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR invalide Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ecli_input ECLI:BE:GHCC:2020.ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour GHCC ecli_cour_old ecli_annee 2020.ARR ecli_ordre ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:GHCC:2020.ARR invalide Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)ecli_input ECLI:BE:GHCC:2010.ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour GHCC ecli_cour_old ecli_annee 2010.ARR ecli_ordre ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:GHCC:2010.ARR invalide Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 265.336 van 7 januari 2026 in de zaak A. 243.977/XIV-39.723 In zake : de NV V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Thomas Eyskens en Kaat Van Der Schueren kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Economie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tine Bricout kantoor houdend te 9041 Gent/Oostakker Orchideestraat 61A bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 17 januari 2025, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 20 november 2024 van de adviseur-generaal van de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie waarbij de aanvraag van een toelating van de [verzoekende partij] om haar omzetcijfer in haar jaarrekening voor het boekjaar 2023 weg te laten, “zonder voorwerp” wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-39.723-1/25 Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 november 2025. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Kaat Van Der Schueren, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Emeline Willems, die loco advocaat Tine Bricout verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoekende partij produceert, blijkens de verklaring van haar commissaris, in eigen naam en op verzoek van derden (via private labels) diverse soorten peperkoek. Zij biedt geen andere producten, zoals speculoos, wafels of ander gebak aan. De verzoekende partij is als middelgrote onderneming in de zin van artikel 3.3 van de Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 ‘betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, XIV-39.723-2/25 geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad’ (hierna: richtlijn 2013/34/EU) en artikel 3:1, § 1, van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (hierna: het WVV) in beginsel verplicht om een volledige jaarrekening op te stellen en te publiceren. De mogelijkheid om “in bijzondere gevallen” afwijkingen toe te staan, ligt vervat in artikel 3:42, § 1, van het WVV en in artikel III.94, § 1, van het Wetboek van Economisch recht (hierna: het WER). Beide bepalingen voorzien in een voorafgaand en met redenen omkleed advies van de Commissie voor boekhoudkundige normen (hierna: de CBN). Wanneer afwijking wordt toegestaan vermeldt de vennootschap deze afwijking onder de waarderingsregels in de toelichting bij de jaarrekening. 3.2. Op 12 juli 2024 dient de verzoekende partij met betrekking tot de jaarrekening voor het boekjaar 2023 overeenkomstig artikel 3:42, § 1, van het WVV en artikel III.94, § 1, van het WER, een aanvraag tot afwijking in van de verplichting tot neerlegging van de volledige jaarrekening. Concreet, verzoekt zij in haar aanvraag om afwijking van de publicatie van haar omzetcijfer voor het boekjaar 2023 om de hierna volgende redenen: “[…] Uit de productiestatistiek van het Nationaal Instituut voor de Statistiek blijkt dat de producenten van peperkoek ofwel natuurlijke personen zijn, ofwel ondernemingen die hetzij een verkort schema van de jaarrekening mogen publiceren (bv. […]), hetzij naast peperkoek nog andere producten vervaardigen (bv. […] en […]). [De verzoekende partij] produceert uitsluitend peperkoek. Zij biedt geen andere producten, zoals speculoos, wafels of ander gebak aan. Het gegeven dat haar product, in diverse varianten, ook via andere kanalen of labels dan haar eigen merk op de markt wordt gebracht, maakt niet dat het gaat om verschillende soorten producten. Het blijft een homogeen product, met name peperkoek. Als bewijs van het gegeven dat zij enkel peperkoek produceert hiervan, wordt verwezen naar haar schrijven van 15 april 1993, dat een kopij van het handelsregister bevat, en naar de verklaring op eer door [M.A.] van 08/07/2024 betreffende de productie tijdens 2023, die als bijlagen bij huidig schrijven worden gevoegd. XIV-39.723-3/25 [De verzoekende partij] is de enige vennootschap die uitsluitend peperkoek produceert en een volledige jaarrekening dient neer te leggen. Dit heeft tot gevolg dat haar productiegegevens kenbaar worden gemaakt waardoor de concurrentie onmiddellijk haar winst, kosten ed. kunnen vergelijken. Zij ondervindt bijgevolg een concurrentieel en commercieel nadeel ten aanzien van ondernemingen die naast peperkoek ook nog andere producten produceren, en dit zowel in België als in het buitenland. Immers heeft de publicatie van het omzetcijfer van deze laatsten niet tot gevolg dat de concurrentie de winst, kosten ed. voor uitsluitend peperkoek kunnen vergelijken, terwijl dit wel het geval is voor ondernemingen die uitsluitend een product aanbieden, zoals [de verzoekende partij]. De bekendmaking van deze economische gegevens die onder het bedrijfsgeheim vallen, vormen een ernstig nadeel in hoofde van [de verzoekende partij] die een afwijking van de publicatieplicht van de volledige jaarrekening verantwoordt. Bijgevolg is de situatie van [de verzoekende partij] zodanig specifiek, dat binnen haar concurrentiekring er geen enkele andere onderneming is waarvan de productie zich ook tot een product beperkt. De aanvraag tot afwijking doet geen discriminatoire situatie ontstaan tussen ondernemingen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden (gelet op het gebrek aan vergelijkbare ondernemingen die een volledige jaarrekening neerleggen). Zelfs indien het zo zou zijn dat andere ondernemingen die zich in een gelijkaardige situatie als [de verzoekende partij] bevinden wel een jaarrekening volgens het volledig schema, met publicatie van het omzetcijfer, openbaar maken - een hypothese waarvan [de verzoekende partij] geen enkel voorbeeld kent -, is dit zonder invloed op de gegrondheid van het verzoek van [de verzoekende partij]. Het loutere feit dat een andere onderneming de afwijking niet aanvraagt, houdt immers niet in dat de aanvraag van [de verzoekende partij] niet gegrond zou zijn. Hooguit kan hieruit worden afgeleid dat zo'n andere onderneming om redenen die haar eigen zijn, zoals onachtzaamheid, onvoldoende aandacht besteedt aan de bescherming van haar concurrentiële positie in de relevante markt. Tot slot geeft de toelating tot afwijking van de publicatie van het omzetcijfer geen aanleiding tot een inadequate weergave in de rekeningen. [De verzoekende partij] vraagt dan ook enkel het saldo van de rekeningen 60 en 70 te publiceren. Tot al wat kan dienen deelt [de verzoekende partij] mee dat: - de informatie inzake de omzet 2023 aan de vertegenwoordigers van de werknemers van de vennootschap wordt overgemaakt; en - de informatie inzake de omzet 2023 niet op een andere wijze (via artikels, promomateriaal, enz.) kenbaar wordt gemaakt. [De verzoekende partij] bevestigt dat de afwijking vermeld wordt in de toelichting van de jaarrekening en dat de bedragen van de samengevoegde rubrieken voor statistische verwerking worden meegedeeld aan de Balanscentrale van de Nationale Bank. [De verzoekende partij] geeft nog mee dat zij de laatste jaren steeds een verkorte jaarrekening heeft gepubliceerd, zonder dat dit aanleiding heeft gegeven tot klachten. Voor zover de minister een voorafgaand en met redenen omkleed advies van de Commissie voor boekhoudkundige normen (hierna: de CBN) inwint, wenst [de verzoekende partij] hiervan een afschrift te ontvangen, om hierover haar standpunt te kunnen meedelen aan de minister, zodat deze daarmee rekening kan houden alvorens een beslissing te nemen. Het behoeft geen toelichting dat [de verzoekende partij] in de gelegenheid moet worden gesteld om haar standpunt uiteen te zetten omtrent de inhoud en de draagwijdte van dit advies, zodat de minister met kennis van zaken een beslissing kan nemen. […]”. XIV-39.723-4/25 3.3. Op 23 juli 2024 verzoekt de adviseur-generaal van de FOD de voorzitter van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen (hierna: CBN) om spoedig advies te verlenen met betrekking tot de afwijkingsaanvraag. 3.4. Omdat zij niet over een e-mailadres van de verzoekende partij beschikt, richt de secretaris-generaal van de CBN zich met een e-mail van 13 september 2024 tot de commissaris van de verzoekende partij “als boodschapper”. De secretaris-generaal van de CBN verzoekt de commissaris om de verzoekende partij te vragen “concreet aan te tonen op welke manier het voor de vennootschap concurrentieel nadelig zou zijn om het omzetcijfer te publiceren”. Er wordt in die e-mail geen datum meegedeeld waartegen die bijkomende toelichting aan de CBN moet worden verstrekt. 3.5. Met een aangetekend schrijven van 18 oktober 2024 antwoordt de verzoekende partij op de sub 3.4 vermelde vraag, waarin zij zowel het juridische kader toelicht, alsook een omstandige concretisering aanlevert waarom zij de afwijking vraagt. 3.6. Hieraan voorafgaand, op 4 oktober 2024, deelt de voorzitter aan de adviseur-generaal het ongunstig advies van de CBN mee dat luidt: “[…] De [verzoekende partij] verzoekt op 12 juli 2024 om een afwijking die ertoe strekt in de te publiceren jaarrekening over het boekjaar dat eindigt op 31 december 2023 niet het omzetcijfer, doch enkel het bruto-bedrijfsresultaat te vermelden. Inmiddels blijkt dat de vennootschap reeds een verkort model van de jaarrekening voor het boekjaar 2023 heeft goedgekeurd én neergelegd op 31 juli 2024. Hierdoor wordt de aanvraag tot afwijking zonder voorwerp”. 3.7. Op 20 november 2024 neemt de adviseur-generaal een beslissing waarbij de aanvraag tot afwijking wordt verworpen. Dit is het bestreden besluit en steunt op de volgende overwegingen: XIV-39.723-5/25 “[…] Met haar brief van 12 juli 2024 heeft [de verzoekende partij] een verzoek ingediend voor een afwijking die ertoe strekt om in de jaarrekening, opgemaakt volgens het volledig schema, het omzetcijfer in de jaarrekening over het boekjaar 2023 weg te laten. In de brief voert de vennootschap als reden van de afwijking aan dat het vermelden van het omzetcijfer in de jaarrekening een onevenwicht in de concurrentie zou teweegbrengen. 1. Rechtsgrond Vennootschappen die in de zin van artikel 1:24 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, niet als kleine vennootschappen beschouwd worden, vermelden in hun jaarrekening het omzetcijfer, als bepaald in het artikel 3:81 van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen en verenigingen. Uit hoofde van het artikel III.94 van het Wetboek van economisch recht en het artikel 3:42 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen kan de minister of de afgevaardigde ambtenaar een afwijking van het Belgische boekhoudrecht en jaarrekeningenrecht toestaan, na het met om redenen omkleed advies van de Commissie voor boekhoudkundige normen. 2. Advies van de Commissie voor boekhoudkundige normen van 4 oktober 2024 De jaarrekening over het boekjaar 2023 werd op 31 juli 2024 door de algemene vergadering van de vennootschap goedgekeurd en op dezelfde datum bij de Balanscentrale van de Nationale Bank van België neergelegd. Hierdoor wordt de aanvraag tot afwijking zonder voorwerp. 3. Beslissing De aanvraag is zonder voorwerp omdat de jaarrekening met datum van afsluiting al werd goedgekeurd en neergelegd op 31 juli 2024, terwijl de aanvraag pas op 12 juli 2024 werd ingediend. De aanvraag is derhalve zonder voorwerp. […]”. 3.8. Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat: - bij beslissing van 9 mei 2020 de adviseur-generaal, destijds optredende als waarnemend adviseur-generaal, na het gunstig advies van de CBN de verzoekende partij een afwijking van de publicatie van haar omzetcijfer voor het boekjaar 2019 heeft verleend “[w]egens het commerciële nadeel dat zou voortvloeien uit de publicatie van het omzetcijfer”. Er werd in die beslissing aan herinnerd dat de verzoekende partij wel het brutoresultaat in de jaarrekening dient te vermelden, wat impliceert dat in de te publiceren jaarrekening van de vennootschap de rubrieken A en B worden samengevoegd. Voorts wordt in die beslissing nog vermeld dat de afwijking onder de waarderingsregels in de toelichting van de jaarrekening moet worden vermeld, evenals dat de bedragen van de samengevoegde rubrieken voor statistische verwerking aan de Balanscentrale van de Nationale Bank van België moeten worden meegedeeld; XIV-39.723-6/25 - bij beslissing van 4 mei 2021 de waarnemend adviseur-generaal de toelating aan de verzoekende partij heeft geweigerd om haar omzetcijfer in haar jaarrekening voor het boekjaar 2020 weg te laten. Deze beslissing is vernietigd bij arrest nr. 257.970 van 22 november 2023; - bij beslissing van 24 maart 2022 de waarnemend adviseur-generaal de toelating aan de verzoekende partij heeft geweigerd om haar omzetcijfer in haar jaarrekening voor het boekjaar 2021 weg te laten. Deze beslissing is vernietigd bij arrest nr. 260.009 van 5 juni 2024. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen 4. In de memorie van antwoord roept de verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid in wegens gebrek aan belang. Met verwijzing naar artikel 17, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek doet ze gelden dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het beroep. De verwerende partij argumenteert dat het determinerend motief van de bestreden beslissing de vaststelling is dat de verzoekende partij reeds op 31 juli 2024 “een verkort model van de jaarrekening voor het desbetreffende boekjaar [lees: 2023] had goedgekeurd én neergelegd”. Volgens haar beoogt de verzoekende partij met het voorliggende beroep de vernietiging van de bestreden beslissing te bekomen zodat haar beslissing om een verkort model neer te leggen voor boekjaar 2023 “retroactief zou worden goedgekeurd”. Volgens de verwerende partij kan het door de verzoekende partij beoogde resultaat – een retroactieve goedkeuring van het weglaten van het omzetcijfer uit de jaarrekening van 2023 – niet worden ingewilligd omdat de adviseur-generaal niet bevoegd is om een afwijking met terugwerkende kracht toe te staan of te bevestigen, aangezien afwijkingen volgens artikel 3:42 van het WVV enkel prospectief kunnen worden verleend. Zij wijst erop dat die mogelijkheid aanvankelijk was voorzien in artikel 125, § 1, eerste en tweede lid van het Wetboek van Vennootschappen, dat op zijn beurt een samenvoeging was van de artikelen 15 en 16, § 2, tweede lid, van de wet van 17 juli 1975 ‘op de boekhouding en de XIV-39.723-7/25 jaarrekening van ondernemingen’ (hierna: de wet van 17 juli 1975). Zij verwijst naar de memorie van toelichting bij het ontwerp dat tot de wet van 17 juli 1975 heeft geleid en waaruit blijkt dat “een afwijking geen terugwerkende kracht kan hebben en het verlenen ervan geen vroeger gepleegd misdrijf kan verschonen” en waaruit zij vervolgens afleidt dat de adviseur-generaal niet bevoegd is om de rechtsgeldigheid van een reeds uitgevoerde afwijking retroactief te beoordelen en die afwijking retroactief te bekrachtigen. Omdat de verzoekende partij de afwijkingsbeslissing niet heeft afgewacht en reeds een jaarrekening volgens verkort model heeft neergelegd, kan een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing haar geen voordeel opleveren zodat zij geen belang heeft bij het voorliggende beroep. In haar laatste memorie herneemt de verwerende partij haar exceptie. Zij herhaalt dat het feit dat de verkorte jaarrekening werd neergelegd niet retroactief ongedaan kan worden gemaakt. Ingeval de bestreden beslissing zou worden vernietigd, zou de verwerende partij opnieuw het advies van de CBN moeten inwinnen die “opnieuw tot het besluit zal komen dat de aanvraag zonder voorwerp is aangezien de verkorte jaarrekening reeds werd neergelegd”. Zij merkt daarbij nog op dat zij bij het nemen van een beslissing op grond van artikel 3:42 van het WVV “enkel op gemotiveerde wijze kan afwijken van het advies [dat] door de CBN gegeven wordt.” Aangezien de wetgever niet heeft voorzien dat de rechtsgeldigheid van een reeds uitgevoerde afwijking retroactief zou kunnen worden beoordeeld en desgevallend bevestigd, zijn er geen wettelijke redenen voorhanden om af te wijken van het door de CBN gegeven advies. Een a posteriori bekrachtiging van een reeds uitgevoerde afwijking zou neerkomen op een regularisatie, wat niet strookt met de ratio legis van de wetgever. 5. In het verzoekschrift heeft de verzoekende partij haar belang bij het beroep gesitueerd in het gegeven dat zij de geadresseerde van de bestreden beslissing is en dat met de bestreden beslissing haar verzoek om afwijking in wezen wordt afgewezen. De vernietiging van de bestreden beslissing strekt haar tot voordeel aangezien, na vernietiging, haar aanvraag opnieuw zal moeten worden beoordeeld met inachtneming van het tussen te komen vernietigingsarrest. XIV-39.723-8/25 In haar memorie van wederantwoord repliceert de verzoekende partij dat de ingeroepen exceptie moet worden verworpen. Zij vat haar standpunt ter zake als volgt samen: “Verwerende partij steunt de exceptie ten onrechte op artikel 17, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek. Artikel 19, lid 1 van de Gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt het belangvereiste voor de verzoekende partij bij een annulatieberoep bij de Raad van State. De opgeworpen exceptie steunt op de hypothese dat het door verzoekende partij beoogde rechtsherstel niet kan worden gerealiseerd. Het komt in principe niet aan de Raad van State toe om vooruit te lopen op de wijze waarop over een mogelijk rechtsherstel zou worden beslist. Verzoekende partij betwist dat het voor de minister onmogelijk is om, in het kader van het rechtsherstel na een vernietigingsarrest, een voor verzoekende partij gunstige beslissing te nemen. Verwerende partij heeft in de twee vorige vernietigingsprocedures, waarin qua potentieel rechtsherstel exact dezelfde hypothese voorlag, nl. dat de minister na een vernietigingsarrest een herstelbeslissing zou moeten nemen nadat de betrokken jaarrekening reeds is neergelegd, geen vergelijkbare excepties opgeworpen, noch heeft de Raad dit ambtshalve gedaan. Zo bekeken, trekt de verwerende partij eigenlijk de draagkracht van de twee eerdere vernietigingsarresten van Uw Raad in vraag, nu daaruit noodzakelijkerwijze de rechtsplicht voor het bestuur voortvloeit om een herstelbeslissing te nemen. De uitoefening van een bevoegdheid over een afwijkingsaanvraag, op een moment dat de betrokken jaarrekening reeds is goedgekeurd resp. neergelegd, valt niet gelijk te stellen met het nemen van een beslissing met terugwerkende kracht. Verzoekende partij heeft in elk geval geen afwijkingsaanvraag ingediend, met een verzoek om aan de beslissing een terugwerkende kracht te verlenen (omdat dit ook niet nodig was, gezien het bestuur perfect in de gelegenheid verkeerde om een beslissing te nemen vóór het einde van de termijn waarop de jaarrekening door verzoekende partij goedgekeurd en neergelegd moest worden). Het is bovendien algemeen geweten dat het perfect mogelijk is dat een bestuur een beslissing neemt, waarbij aan een bepaalde reeds gerealiseerde handeling, toelating wordt gegeven. Verzoekende partij licht de juridische en feitelijke omstandigheden toe die haar ertoe hebben gebracht om een jaarrekening in verkorte versie goed te keuren en neer te leggen, rekening houdende met de wettelijke termijnen. Ook dit staaft haar belang. Verzoekende partij heeft het rechtens vereiste belang: zij heeft een afwijkingsaanvraag ingediend, maar daarover is een negatieve beslissing genomen, weze zonder inhoudelijke beoordeling van de verantwoording van de afwijkingsaanvraag. Onder verwijzing naar het grondrecht van toegang tot de rechter, gewaarborgd door artikel 13 van de Grondwet, al dan niet samengelezen met art. 6 en 13 van het EVRM, moet het verzoekschrift ontvankelijk worden bevonden. Volgens het standpunt van verwerende partij zou een partij die een beslissing over een afwijkingsaanvraag wil betwisten, na de datum waarop de jaarrekening moet worden goedgekeurd en neergelegd, immers geen ontvankelijke toegang meer tot de Raad van State hebben. De toegang tot de rechter zou afgesloten zijn, zowel in het geval de bestreden beslissing is genomen na deze peildatum, als in het geval dat de herstelbeslissing na deze peildatum genomen moet worden. In praktijk wenst verwerende partij de verzoekende partij de toegang tot de Raad van State dus geheel te ontzeggen, wat niet kan. XIV-39.723-9/25 Verzoekende partij verwijst in dit verband nog naar rechtspraak van Uw Raad omtrent beslissingen met een kortlopende geldingstermijn, alsook naar repetitieve beslissingen, ter verdere ondersteuning van het rechtens vereiste belang.” In haar laatste memorie herhaalt de verzoekende partij wat zij in haar eerdere procedurestukken heeft uiteengezet. Zij herhaalt dat zij een afwijkingsaanvraag heeft ingediend, vooraleer zij haar jaarrekening heeft gepubliceerd en neergelegd, waarover zij een negatieve beslissing ontvangen heeft, zij het zonder inhoudelijke beoordeling van de verantwoording van de afwijkingsaanvraag. De verzoekende partij kan wel degelijk voordeel halen uit de verwijdering van de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer. In tegenstelling tot wat de verwerende partij beweert, volgt uit de neerlegging van de verkorte jaarrekening voor het betrokken boekjaar niet dat de verwerende partij haar bevoegdheid zou verliezen om een beslissing te nemen over de initiële aanvraag, noch dat dit het de verwerende partij onmogelijk zou maken om op dat ogenblik een beslissing over de afwijkingsaanvraag te nemen. De artikelen 3:42 WVV en III.94 WER bepalen niet dat de neerlegging van de verkorte versie van de jaarrekening tot gevolg heeft dat de aanvraag zonder voorwerp wordt. Evenmin blijkt uit artikel 3:42 WVV dat de minister, indien hij een beslissing moet nemen over een afwijkingsaanvraag nadat de jaarrekening al is goedgekeurd en neergelegd, een gebonden bevoegdheid zou hebben om deze verplicht te moeten weigeren. Bovendien dient er niet vanuit gegaan te worden dat de CBN opnieuw een negatief advies zou verlenen of dat de adviseur-generaal hiervan niet zou kunnen afwijken. Dat de verwerende partij blijft volhouden dat het feit dat er een verkorte jaarrekening werd goedgekeurd en neergelegd, ervoor zorgt dat zij de afwijkingsaanvraag “retroactief” moet goedkeuren, of aan de beslissing “terugwerkende kracht” geven, klopt niet. Die argumentatie van de verwerende partij betreft overigens de gegrondheid van het eerste middelonderdeel van het tweede middel zodat het met de grond van de zaak verbonden is. Een tussen te komen vernietigingsarrest houdt noodzakelijkerwijze de rechtsplicht voor het bestuur in om een herstelbeslissing te nemen. Tot slot, benadrukt de verzoekende partij opnieuw haar “grondrecht op toegang tot de rechter, verankerd in artikel 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 XIV-39.723-10/25 EVRM”. Volgens haar tracht de verwerende partij, door te stellen dat zij geen belang heeft, haar de toegang tot de Raad van State volledig te ontzeggen. Beoordeling 6. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring zoals bedoeld in artikel 14 van deze wetten, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR. 244.015). Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, Van Dooren, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR. 243.406). Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR. 244.015), zonder dat de verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020.ARR. 105, punt B.11.2. en B.12.2). Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, ECLI:BE:GHCC:2010.ARR. 109, punt 4.3.; GwH XIV-39.723-11/25 9 juli 2020, nr. 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020.ARR. 105, punt B.9.3.; EHRM 17 juli 2018, Vermeulen t. België, ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506, punten 42 e.v.). 7. Zoals de verwerende partij in het auditoraatsverslag heeft kunnen lezen moet het belang van een verzoekende partij bij het vernietigingsberoep om als toereikend te worden beschouwd, onder meer rechtstreeks zijn en moet een eventuele vernietiging haar een voordeel verschaffen dat voldoende direct verband houdt met de finaliteit van een nietigverklaring, namelijk het doen verdwijnen van de bestreden rechtshandeling uit de rechtsorde. Onvoldoende om een nietigverklaring van de bestreden beslissing te kunnen verkrijgen, is dan ook het belang van een verzoekende partij dat uitsluitend zou bestaat in het onwettig horen verklaren van die beslissing om de toekenning van een schadevergoeding – o.m. door de rechtbanken van de rechterlijke orde, die daartoe zelf de eventuele fout van de overheid kunnen vaststellen –, te faciliteren. Het voordeel moet in beginsel ook méér zijn dan de morele genoegdoening die een verzoekende partij put uit het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing, inzonderheid om derden aldus te overtuigen van haar initieel gelijk. Een dergelijk belang heeft een karakter dat niet valt binnen de grenzen van het belang zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat beoogde voordeel is immers niet verbonden met het verdwijnen van de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer maar enkel met het horen gegrond verklaren erga omnes van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen. 8. Het belang van de verzoekende partij bij een vernietigingsberoep ontbreekt wanneer de bevoegdheid van de administratieve overheid volledig gebonden is en de verwerende partij weer dezelfde – voor de verzoekende partij nadelige – beslissing dient te nemen. Gelet op de onmogelijkheid in dergelijk geval om een beslissing te verkrijgen die in het voordeel is van de verzoekende partij, moet de Raad van State in dat geval vaststellen dat het vereiste belang ontbreekt. Een bevoegdheid is gebonden indien de overheid met betrekking tot de rechtssituatie van een particulier of rechtspersoon over geen beoordelingsvrijheid beschikt, maar een bepaalde beslissing moet nemen op grond van bepaalde XIV-39.723-12/25 feitelijke gegevens en op basis van de toepasselijke regelgeving. De gevolgen die het bestuur aan deze feiten hecht, zijn in de toepasselijke regelgeving alsdan bepaald. Zulke situatie ligt te dezen evenwel niet voor. 9. Het standpunt van de verwerende partij ter adstructie van haar exceptie, namelijk dat de aanvraag van de verzoekende partij moet worden verworpen omdat artikel 3:42 WVV, samen gelezen met de parlementaire voorbereiding, geen afwijkingen met terugwerkende kracht toelaat, dat de verzoekende partij had moeten wachten om een verkorte versie van haar jaarrekening neer te leggen totdat er een beslissing over haar aanvraag werd genomen en dat zij dit niet heeft gedaan waardoor haar aanvraag moest worden verworpen – en ook opnieuw zou moeten worden verworpen –, kan niet worden bijgevallen. Immers de behandeling van deze exceptie hangt samen met de beoordeling van het eerste onderdeel van het tweede middel. De verzoekende partij is immers de mening toegedaan dat uit de wet niet kan worden afgeleid dat de verwerende partij de aanvraag had moeten verwerpen, laat staan dat door de neerlegging van de verkorte jaarrekening deze “zonder voorwerp” zou zijn komen te vallen. Zoals hierna uit de beoordeling van dit middelonderdeel blijkt, heeft de neerlegging van de verkorte versie van de jaarrekening alvast niet tot gevolg dat de aanvraag “zonder voorwerp” wordt of dat een gebonden bevoegdheid voorligt. Bijgevolg is er geen sprake van een gebonden bevoegdheid om de aanvraag van de verzoekende partij te verwerpen of ze “zonder voorwerp” te verklaren. Bovendien, zal na een tussen te komen vernietiging de administratieve overheid rekening moeten houden met het uit te spreken vernietigingsarrest en de daarmee onlosmakelijk verbonden motieven. Het is dan XIV-39.723-13/25 ook volstrekt voorbarig reeds nu te anticiperen op een eventueel tussen te komen advies van de CBN, en al evenzeer – nu nog geen inhoudelijke beoordeling heeft plaats gevonden – op het eventuele voor de verzoekende partij ongunstige karakter daarvan. 10. De exceptie wegens gebrek aan belang wordt verworpen. V. Onderzoek van het eerste onderdeel van het tweede middel Standpunt van de partijen 11. De verzoekende partij voert in het tweede middel dat zij in drie middelonderdelen opsplitst, een schending aan van artikel 3:42 van het WVV, artikel III.94, § 1, van het WER, artikel 7/1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 21 oktober 1975 ‘houdende de oprichting van een Commissie voor Boekhoudkundige Normen’ (hierna: het koninklijk besluit van 21 oktober 1975), het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel, zoals gegarandeerd door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991), evenals van “het materiële motiveringsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur”. Zij vat het door haar aangevoerde eerste onderdeel van het tweede middel zelf als volgt samen: “Door de afwijkingsaanvraag van verzoekende partij om het omzetcijfer weg te laten in haar jaarrekening voor boekjaar 2023 af te wijzen, nl. door deze te verwerpen als zijnde zonder voorwerp, wordt verzoekende partij administratiefrechtelijk niet ontheven van de verplichting om haar jaarrekening volledig openbaar te maken. Het loutere feit dat de vennootschap een verkorte jaarrekening heeft goedgekeurd en heeft neergelegd vormt geen deugdelijk argument om geen uitspraak te doen over de afwijkingsaanvraag. Door dit toch te doen, zonder dat hiervoor enige deugdelijke motieven in feite en in rechte bestaan, schendt de adviseur-generaal de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen. XIV-39.723-14/25 In het eerste middelonderdeel zet verzoekende partij uiteen dat noch de bestreden beslissing, noch het advies van de voorzitter van de CBN van 4 oktober 2024, afdoende en draagkrachtige motieven bevat die de weigering om ten gronde een beslissing over de afwijkingsaanvraag te nemen, kunnen dragen. Met name valt niet in te zien waarom de neerlegging van een jaarrekening bij de Nationale Bank van België ertoe zou leiden dat de aanvraag van verzoekende partij zonder voorwerp is. Zulks vloeit immers enerzijds niet voort uit enige wettelijke bepaling, noch wordt dit anderzijds door verwerende partij op enige wijze gemotiveerd. Dit geldt des te meer nu de motivering die de verwerende partij aanhaalt, niet geheel spoort met deze die het ‘advies’ dd. 4 oktober 2024 van de [voorzitter van de CBN] vermeldt, welk advies op zijn beurt niet verenigbaar is met de aanzet tot een reguliere adviesafhandeling die door de secretaris-generaal op 13 september 2024 wordt opgestart. […]”. In de memorie van wederantwoord vat de verzoekende partij haar repliek op het verweer van de verwerende partij wat het eerste onderdeel van het tweede middel betreft, als volgt samen: “Door de afwijkingsaanvraag van verzoekende partij om het omzetcijfer weg te laten in haar jaarrekening voor boekjaar 2023 af te wijzen, namelijk door deze te verwerpen als zijnde zonder voorwerp, wordt verzoekende partij administratiefrechtelijk niet ontheven van de verplichting om haar jaarrekening volledig openbaar te maken. Het loutere feit dat de vennootschap een verkorte jaarrekening heeft goedgekeurd en heeft neergelegd, vormt geen deugdelijk argument om geen uitspraak te doen over de afwijkingsaanvraag. Door dit toch te doen, zonder dat hiervoor enige deugdelijke motieven in feite en in rechte bestaan, schendt de adviseur-generaal de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen. In het eerste middelonderdeel zet verzoekende partij uiteen dat de bestreden beslissing, noch het ‘advies’ van de voorzitter van de CBN van 4 oktober 2024, afdoende en draagkrachtige motieven bevat die de weigering om ten gronde een beslissing over de afwijkingsaanvraag te nemen, kunnen dragen. Met name valt niet in te zien waarom de goedkeuring van de jaarrekening en de neerlegging ervan bij de Nationale Bank van België ertoe zouden leiden dat de aanvraag van de verzoekende partij zonder voorwerp is. Zulks vloeit immers enerzijds niet voort uit enige wettelijke bepaling, noch wordt dit anderzijds door verwerende partij op enige wijze gemotiveerd. Dit geldt des te meer nu de motivering die de verwerende partij aanhaalt, niet geheel spoort met deze die het ‘advies’ van 4 oktober 2024 van de [voorzitter van de CBN] vermeldt, welk advies op zijn beurt niet verenigbaar is met de aanzet tot een reguliere adviesafhandeling die door de secretaris-generaal op 13 september 2024 wordt opgestart. Verzoekende partij voert verweer aan tegen het standpunt dat verwerende partij ontwikkelt ter verantwoording van de bestreden beslissing. Deze verantwoording verwijst naar een beweerde onmogelijkheid om over een afwijkingsaanvraag een beslissing met retroactieve werking te nemen. Verzoekende partij verweert zich tegen deze verantwoording, in wezen op grond van argumenten die zij ook aanhaalt om de belangenexceptie te weerleggen. XIV-39.723-15/25 Omtrent de exceptie van belang, gericht tegen de opgeworpen schending van de formele motiveringseis, kan verzoekende partij antwoorden, zoals zij heeft gedaan onder het wederantwoord bij het eerste middel.” In haar laatste memorie herhaalt de verzoekende partij dat de bestreden beslissing dat de aanvraag “zonder voorwerp” is omdat er al een neerlegging was gebeurd, juridische grond mist omdat de bevoegdheid tot beslissen over de afwijking niet verdwijnt door die neerlegging. Niet de neerlegging van de verkorte jaarrekening bepaalt de toelaatbaarheid van de afwijking, maar wel de beslissing omtrent de vrijstelling van de verplichting tot neerlegging volgens volledig model, en dit slechts vanaf het ogenblik waarop die beslissing wordt genomen. Er is geen bevoegdheidsverlies in geval van voorgaande neerlegging van de jaarrekening in verkorte vorm zodat het feit dat de verzoekende partij haar jaarrekening heeft neergelegd, zelfs wanneer dit gebeurt in verkort model, geen invloed heeft op de beoordeling van de afwijkingsaanvraag. In ieder geval kan niet beweerd worden dat door het neerleggen van de jaarrekening in verkort model de verwerende partij een retroactieve beslissing moet nemen. Zoals hoger aangegeven, werkt de beslissing van de minister over de aanvraag niet retroactief. De beslissing regulariseert de door de verzoekende partij gedane neerlegging niet. Verder ontbreekt elke andere deugdelijke motivering. Zo was de minister ten eerste perfect in staat om vóór het verstrijken van de neerleggingstermijn een afwijking toe te staan. De verwerende partij maakt niet aannemelijk waarom dat niet is gebeurd. Evenmin kan uit artikel 3:42 WVV worden afgeleid dat de minister gehouden zou zijn de aanvraag verplicht te weigeren wegens een gebonden bevoegdheid. Daarbij komt dat de verzoekende partij wettelijk verplicht was haar jaarrekening tegen 31 juli 2024 neer te leggen. De verzoekende partij mocht er redelijkerwijs van uitgaan dat zij gerechtigd was de verkorte jaarrekening neer te leggen, aangezien haar afwijkingsaanvragen voor het boekjaar 2019 en recent voor het boekjaar 2024 gunstig werden beoordeeld, terwijl de aanvragen voor de boekjaren 2020 en 2021 op onwettige wijze werden geweigerd zonder dat na de vernietigingsarresten een herstelbeslissing werd genomen waaruit de ongegrondheid van die aanvragen zou blijken. Tot slot, geldt dat een bestuur dat door de wetgever een bevoegdheid krijgt toegewezen, onder de XIV-39.723-16/25 vorm van een procedure op aanvraag, deze bevoegdheid niet zomaar kan weigeren uit te oefenen zonder daarvoor een deugdelijke motivering te geven. 12. Krachtens art. 6, § 2 van het besluit van de Regent van de 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de algemene procedureregeling) bevat de memorie van antwoord als voor het antwoord op de middelen een verdere uiteenzetting nodig is, een samenvatting van de argumenten van verwerende partij. Te dezen bevat de memorie van antwoord geen dergelijke samenvatting wat het eerste middelonderdeel van het tweede middel betreft. De verwerende partij doet in de memorie van antwoord ter zake enkel gelden dat “zij meent dienstig te kunnen verwijzen naar haar uiteenzetting in subtitel 2.1 [lees: de door haar aangevoerde exceptie van niet-ontvankelijkheid van het voorliggende beroep wegens gebrek aan belang (zie supra, punt 4)]”, waarin zij “verduidelijkt heeft dat de wetgever niet toelaat een afwijking met terugwerkende kracht te verlenen zodat de CBN terecht in haar advies van 04.10.2024 heeft overwogen dat de aanvraag zonder voorwerp is. De bestreden beslissing werd vervolgens ook terecht op dit motief gesteund”. In haar laatste memorie stelt zij nog bijkomend dat het standpunt dat “de goedkeuring van verwerende partij niet vereist is om een jaarrekening neer te leggen, voorbijgaat aan het feit dat de bestreden beslissing specifiek genomen werd omdat er bij de beoordeling van de door verzoekende partij ingediende aanvraag om een verkorte jaarrekening te mogen neerleggen, werd vastgesteld dat verzoekende partij reeds een verkorte jaarrekening had neergelegd”. Beoordeling Vooraf: relevante wettelijke bepalingen XIV-39.723-17/25 13. Artikel 3:1, § 1, van het WVV bepaalt: “§1. Het bestuursorgaan is verplicht elk jaar een inventaris op te maken volgens de waarderingsregels bepaald door de Koning, evenals een jaarrekening in de vorm en met de inhoud bepaald door de Koning. Die jaarrekening bestaat uit de balans, de resultatenrekening en de toelichting, en vormt een geheel. De jaarrekening moet binnen zes maanden na de afsluitingsdatum van het boekjaar ter goedkeuring worden voorgelegd aan de vennoten verenigd in vergadering of de algemene vergadering. Indien de jaarrekening niet binnen deze termijn aan de vennoten verenigd in vergadering of de algemene vergadering is voorgelegd, wordt de door derden geleden schade, behoudens tegenbewijs, geacht voort te vloeien uit dit verzuim.” De jaarrekening moet vervolgens luidens artikel 3:10, eerste lid, van het WVV door toedoen van het bestuursorgaan worden neergelegd bij de Nationale Bank van België. Deze neerlegging gebeurt binnen dertig dagen nadat de jaarrekening is goedgekeurd, en ten laatste zeven maanden na de datum van afsluiting van het boekjaar. Indien de jaarrekening niet werd neergelegd zoals bepaald in het tweede lid, wordt de door derden geleden schade, behoudens tegenbewijs, geacht voort te vloeien uit dit verzuim. 14. Krachtens artikel 3:2, eerste lid, van datzelfde WVV kunnen kleine vennootschappen hun jaarrekening opmaken volgens een verkort schema dat de Koning vaststelt. De andere (grote) vennootschappen dienen dus het volledig model te gebruiken. Artikel 1:24, § 1 van het WVV legt de criteria inzake kleine vennootschappen vast. De verzoekende partij behoort daar, zoals zij in haar verzoekschrift zelf aangeeft, niet toe. Vennootschappen, zoals de verzoekende partij, die in de zin van artikel 1:24 van het WVV niet als kleine vennootschappen worden beschouwd, dienen in beginsel in hun jaarrekening op te stellen volgens het volledig schema, zoals bepaald in artikel 3:81 van het koninklijk besluit van 29 april 2019 ‘tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen en verenigingen’, daarin begrepen de vermelding van het omzetcijfer. XIV-39.723-18/25 15. In artikel 3:42, van het WVV ligt evenwel een mogelijkheid tot het bekomen van afwijkingen vervat. Deze bepaling luidt: “§ 1. De minister bevoegd voor Economie of zijn afgevaardigde kan in bijzondere gevallen, na een gemotiveerd advies van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen, toestaan dat wordt afgeweken van de koninklijke besluiten genomen ter uitvoering van deze titel. Met betrekking tot de kleine vennootschappen wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door de minister die de Middenstand onder zijn bevoegdheden heeft of zijn afgevaardigde. De Commissie voor Boekhoudkundige Normen wordt in kennis gesteld van het besluit van de minister of zijn afgevaardigde. De vennootschap waarvoor de afwijking werd toegestaan vermeldt deze afwijking onder de waarderingsregels in de toelichting bij de jaarrekening. § 2. Paragraaf 1 geldt niet voor vennootschappen die de verzekering tot voorwerp hebben en die door de Koning zijn toegelaten op grond van de wetgeving betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen”. Artikel III.94, § 1, van het WER bepaalt ter zake nog: “§1. De minister bevoegd voor de Economische Zaken of zijn afgevaardigde kan in bijzondere gevallen, na een met redenen omkleed advies van de in artikel III.93 vermelde Commissie voor boekhoudkundige Normen, toestaan dat wordt afgeweken van de regels vastgesteld op grond van artikel III.84, zesde lid, artikel III.89, § 2, artikel III.90 en artikel III.91. Deze bevoegdheid wordt op dezelfde wijze door de minister bevoegd voor Middenstand of zijn afgevaardigde uitgeoefend ten aanzien van de vennootschappen en andere ondernemingen die als klein kunnen worden beschouwd in de zin van het Wetboek van Vennootschappen. De Commissie voor boekhoudkundige Normen wordt in kennis gesteld van het besluit van de minister of zijn afgevaardigde.” Deze mogelijkheid om afwijkingen toe te staan, lag reeds vervat in artikel 125, § 1, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Vennootschappen. Deze regeling was op zijn beurt een samenvoeging van de artikelen 15 en 16, § 2, tweede lid, van de wet van 17 juli 1975 ‘op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen’ (Parl. St. Kamer, 1998-99, nr. 1838/1, 46). In de memorie van toelichting bij de eerdergenoemde artikelen 15 en 16, § 2, wordt de aan de minister toegekende bevoegdheid om afwijkingen te verlenen als volgt verantwoord: “Luidens deze bepaling kunnen de Minister van Economische Zaken, en voor de kleine en middelgrote ondernemingen, de Minister van Middenstand, in speciale gevallen afwijkingen verlenen van de bepalingen der besluiten getroffen ter uitvoering van de wet. Het aanwenden van die bevoegdheid mag, zoals de Raad van State onderstreept, niet tot gevolg hebben dat de gelijkheid van de Belgen voor de XIV-39.723-19/25 wet wordt verbroken door in de rekeningen een verschillende behandeling mogelijk te maken van identieke of gelijkaardige toestanden. Deze mogelijkheid werd ingevoerd, enerzijds opdat de toepassing van een algemene norm in een bijzondere toestand en uit hoofde van de specifieke kenmerken van het geval niet tot een inadequate weergave in de rekeningen zou leiden, en, anderzijds, opdat de bekendmaking van een feit ter wille van de omstandigheden geen ernstig nadeel voor de onderneming zou meebrengen. Het ontwerp van hervorming van het vennootschapsrecht, het ontwerp van vierde richtlijn van de E.E.G. inzake jaarrekeningen en het koninklijk besluit met betrekking tot de informatie van de ondernemingsraad bevatten bepalingen die van dezelfde bekommernis uitgaan. Overigens is het evident dat een afwijking geen terugwerkende kracht kan hebben en dat het verlenen ervan geen vroeger gepleegd misdrijf kan verschonen. Het is al even evident dat de afwijkingen slechts worden verleend met inachtneming van de vereisten voor een werkelijke coherentie in de boekhoudingsdoctrine. Daarom bepaalt het ontwerp dat de commissie voor boekhoudkundige normen een met redenen omkleed advies zal verstrekken over de vragen om afwijking.” (Parl.St. Senaat, 1974-75, nr. 436/1, 13). In zijn advies bij de ontworpen regeling had de afdeling Wetgeving van de Raad van State reeds het volgende opgemerkt: “Volgens de gemachtigde van de Minister verleent dit artikel aan de Minister van Economische Zaken de bevoegdheid om ten behoeve van individuele aangewezen ondernemingen toe te staan dat wordt afgeweken van de verordeningen die op grond van de door de wet aan de Koning verleende bevoegdheden zijn vastgesteld. De daartoe strekkende bepalingen mogen onder geen beding terugwerken, zoniet dan zou door dit procedé amnestie worden verleend voor reeds gepleegde misdrijven. De beslissing moet worden genomen op grond van gemotiveerd advies van de commissie voor boekhoudkundige normen; is ze in overeenstemming met het advies, dan zal ze worden geacht rekening te zullen houden met de motieven van de commissie; is ze strijdig met het advies, dan zal ze naar de vorm gemotiveerd moeten worden opdat van haar wettigheid blijkt. Het grondwettelijk beginsel dat de Belgen gelijk zijn voor de wet zou kunnen worden geschonden als de toegestane afwijking de betrokken onderneming een stellig voordeel mocht opleveren op het gebied van de handelsconcurrentie, al was het maar via een gevoelige vermindering van de algemene onkosten.” (Parl.St. Senaat, 1974-75, nr. 436/1, 26-27). 16. Artikel 3:42, § 1, van het WVV houdt in dat slechts in bijzondere gevallen kan worden afgeweken van de verplichting om een jaarrekening (volgens het volledig schema) op te stellen. Hieruit volgt dat het verlenen van een afwijking een gunstmaatregel is wat dan weer inhoudt dat de verwerende partij over een ruime appreciatiemarge beschikt om de gunst wel of niet te verlenen, met dien verstande dat zij niet willekeurig mag handelen en haar (weigerings)beslissing op afdoende wijze moet verantwoorden. XIV-39.723-20/25 Toepassing 17. De door de verzoekende partij in het eerste onderdeel van het tweede middel aangevoerde grief is in essentie gesteund op een schending van de materiëlemotiveringsplicht. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. 18. Uit de hiervoor in de punten 13 tot 15 aangehaalde artikelen 3:1, § 1, 3:10 en 3:42, § 1, eerste lid, van het WVV volgt dat een vennootschap zoals de verzoekende partij er een is, in beginsel verplicht is jaarlijks een jaarrekening op te maken volgens de door de Koning vastgestelde regels. De jaarrekening, bestaande uit balans, resultatenrekening en toelichting, moet binnen zes maanden na het boekjaar ter goedkeuring aan de vennoten of algemene vergadering worden voorgelegd en vervolgens binnen de in artikel 3:10 bepaalde termijn worden neergelegd bij de Nationale Bank van België. Op grond van het aangehaalde artikel 3:42, § 1, eerste lid, van het WVV kan de minister (of zijn afgevaardigde) evenwel, in bijzondere gevallen, na gemotiveerd advies van de CBN, afwijkingen toestaan van de boekhoudregels. Aldus kan afwijking worden toegestaan om een jaarrekening volgens volledig schema, zoals bepaald in artikel 3:81 van het koninklijk besluit van 29 april 2019 XIV-39.723-21/25 ‘tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen en verenigingen’, op te stellen, daarin begrepen de vermelding van het omzetcijfer. In de parlementaire voorbereiding waarop de verwerende partij zich beroept, staat: “Overigens is het evident dat een afwijking geen terugwerkende kracht kan hebben en dat het verlenen ervan geen vroeger gepleegd misdrijf kan verschonen.” In zijn advies stelt de afdeling Wetgeving hieromtrent: “De daartoe strekkende bepalingen mogen onder geen beding terugwerken, zoniet dan zou door dit procedé amnestie worden verleend voor reeds gepleegde misdrijven”. 19. Anders dan de verwerende partij dat ziet, leidt het enkele feit dat een jaarrekening (volledig of verkort) reeds werd neergelegd bij de Nationale Bank van België, er niet toe dat de aanvraag tot afwijking op grond van artikel 3:42 van het WVV zonder voorwerp is geworden. Artikel 3:42 van het WVV schrijft immers niet voor dat een afwijkingsaanvraag automatisch vervalt of zonder voorwerp wordt als de jaarrekening inmiddels is neergelegd. Er bestaat geen wettelijke bepaling die de overheid verbiedt of ervan ontslaat om alsnog over een dergelijke aanvraag inhoudelijk te beslissen nadat de betrokken jaarrekening openbaar werd gemaakt. De regelgeving noch de parlementaire voorbereiding stellen expliciet dat afwijkingen uitsluitend voorafgaand aan de openbaarmaking van de jaarrekening kunnen worden verleend. Wel blijkt uit de parlementaire voorbereiding dat er geen terugwerkende kracht kan worden verleend aan de toelating tot afwijking waardoor de toelating kan dienen voor de amnestie van een vroeger gepleegd misdrijf. Deze overwegingen sluiten aan bij het beginsel dat een administratieve rechtshandeling van reglementaire of individuele aard in de regel – want ook deze regel geldt niet absoluut en kent uitzonderingen – niet mag terugwerken in de tijd. 20. Uit de verwijzing in de parlementaire voorbereiding naar het gebrek aan terugwerkende kracht van de toelating tot afwijking, volgt dan ook geen ‘bevoegdheidsverlies’ in hoofde van de verwerende partij in geval van neerlegging van de jaarrekening volgens verkort model door de aanvrager. De beslissing over XIV-39.723-22/25 de toelaatbaarheid kan in beginsel pas uitwerking hebben op het moment dat dit besluit is genomen en niet vanaf de eerder verrichte neerlegging. De bestreden beslissing waarbij de beoordeling van 4 oktober 2024 van de CBN wordt bijgevallen en, aldus, de afwijkingsaanvraag zonder voorwerp wordt verklaard enkel en alleen omdat de betrokken jaarrekening reeds werd neergelegd bij de balanscentrale van de Nationale Bank van België steunt dan ook op een ondeugdelijk motief. 21. Dat de goedkeuring door de minister of zijn afgevaardigde niet is vereist om een (volledige) jaarrekening neer te leggen doch wel om er een in verkorte vorm neer te leggen en dat de bestreden beslissing specifiek is genomen “omdat er bij de beoordeling van de door de verzoekende partij ingediende aanvraag om een verkorte jaarrekening te mogen neerleggen, werd vastgesteld dat deze reeds een verkorte jaarrekening had neergelegd”, verandert daaraan niets. De “toelating tot afwijking” als bedoeld in het eerder genoemde artikel 3:42 waarover het te dezen gaat, heeft uiteraard betrekking op de toelating om af te wijken van de regel, namelijk van de verplichting om een volledige jaarrekening neer te leggen. Het gegeven enerzijds dat tussen het ogenblik van het indienen van de aanvraag door de vennootschap en de beslissing die de administratieve overheid over de ingediende aanvraag behoort te nemen, door de vennootschap een jaarrekening werd neergelegd, dat zij dat deed zonder vermelding van het omzetcijfer (doch enkel het bruto-bedrijfsresultaat) en, anderzijds, het gegeven dat de toelating niet kan terugwerken in de tijd waardoor amnestie mogelijk zou zijn, ontslaat de administratieve overheid nog niet van haar verplichting om een gemotiveerde inhoudelijke beoordeling in de ene of de andere zin over de aanvraag tot afwijking te nemen. Zulks klemt des te meer niet alleen in de wetenschap dat op de verzoekende partij een wettelijke plicht rust om haar jaarrekening bij de Nationale Bank van België neer te leggen maar ook aangezien de verzoekende partij na de indiening van haar aanvraag door de secretaris-generaal van de CBN op 13 XIV-39.723-23/25 september 2024 nog werd uitgenodigd om ten behoeve van de plenaire behandeling van het dossier door de CBN – doch zonder in die uitnodiging een datum te vermelden noch dat een volgende vergadering van de CBN zou plaats vinden op 2 oktober 2024 –, bijkomende toelichting te verschaffen, namelijk om “concreet aan te tonen op welke manier het voor de vennootschap concurrentieel nadelig zou zijn om het omzetcijfer te publiceren” (cfr. supra, punt 3.4), wat de verzoekende partij vervolgens ook heeft gedaan. Wat er ook van zij, ook al legde de verzoekende partij reeds een jaarrekening neer, heeft de verwerende partij op 13 september 2024 minstens de indruk gewekt dat wel degelijk nog een inhoudelijke beslissing over het verzoek om afwijking zou worden genomen. 22. Het eerste onderdeel van het tweede middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de beslissing van de adviseur-generaal van de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie van 20 november 2024 waarbij de aanvraag van de verzoekende partij voor een afwijking met toepassing van artikel lll.94 van het Wetboek van economisch recht en artikel 3:42 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, met betrekking tot het weglaten van het omzetcijfer in de jaarrekening voor het boekjaar 2023, zonder voorwerp wordt verklaard. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. XIV-39.723-24/25 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zeven januari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIVde kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Inge Vos, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-39.723-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.336 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.