id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.353 Rolnummer: A. 234015/XII-9604 Zaak: Arrest 265353 - Dierenwelzijn - 09/01/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-01-22 Raadplegingen: 247 - laatst gezien 2026-06-18 08:38 Fiche Arrest nr 265.353 van 9 januari 2026 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.353 no lien 286970 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 265.353 van 9 januari 2026 in de zaak A. 234.015/XII-9604 In zake : S.J. tegen :
(10)van de Verordening 2019/1010 van 5 juni 2019 die het nieuw lid 3 van artikel 43 van voornoemd[e] Richtlijn heeft ingevoerd. De verplichting om de retrospectieve analyse aan de overheid te bezorgen berust in artikel 43, lid 3 van Richtlijn 2010/63/EU die voorschrijft dat de overheid de niet- technische samenvattingen en de aanvullingen publiceert. Artikel 25, §3 van het KB van 29 mei 2013 zoals van toepassing tot 31 december 2020, voorziet dat de ethische commissie de niet-technische samenvattingen van projecten en de bijgewerkte versies aan de Dienst Dierenwelzijn bezorgt en dat deze documenten gepubliceerd worden. Artikel 25, §3 zoals van toepassing sinds 1 januari 2021 voorziet dat deze documenten zowel aan de Dienst Dierenwelzijn en aan de Europese Commissie worden bezorgd en dit volgens het formaat vastgesteld door de Europese Commissie (dit artikel maakt ook gebruik van de woorden ‘retrospectieve analyses’ maar in dit artikel zijn de woorden ‘aanvullingen daarop’ al synoniem van ‘retrospectieve analyses’). Bovendien gaat de bestreden beslissing niet in op de argumentatie die door de verzoekende partij zou zijn aangevoerd. Volgens de Beroepsinstantie volstaat het feit dat de overheidsinstantie de informatie kan bekomen of elders kan opvragen in het kader van het KB proefdieren niet om ‘te eisen dat deze stukken openbaar worden gemaakt’. Het gaat hier niet over een exceptie aan de openbaarheid aan te tonen. De redenen om de openbaarheid te weigeren zijn wettelijk en limitatief opgesomd. De aangehaalde reden om de stukken niet openbaar te maken beantwoordt helemaal niet aan de wettelijke voorziene redenen. De motivering is hier niet juist, niet pertinent, niet duidelijk en strijdig. − De Beroepsinstantie heeft geen onderzoek uitgevoerd om na te gaan of de gevraagde informatie beantwoordt aan de voorwaarden van artikel I.4, 3° Bestuursdecreet, meer bepaald of de Dienst Dierenwelzijn in het bezit is van de gevraagde informatie in de zin dat het de juridische beschikking heeft of niet over deze informatie. De argumenten van de verzoekende partij daarover werden noch vermeld noch besproken. De Beroepsinstantie heeft zich niet geïnformeerd over de mogelijkheid dat sommige retrospectieve analyses na 31 december 2021 zouden kunnen worden opgemaakt. In het verzoek tot informatie van de verzoekende partij wordt nochtans duidelijk vermeld dat een onderzoeksproject op 31 december 2020 afloopt, wat betekent dat de retrospectieve analyse van dit project in 2021 wordt uitgevoerd. De Beroepsinstantie is bovendien onduidelijk en partijdig waar zij stelt dat: ‘In het KB betreffende de bescherming van proefdieren van 29 mei 2013, wordt in artikel 18 vermeld dat de ethische commissies retrospectieve analyses moeten uitvoeren, o.a. voor projecten waarin niet-menselijke primaten worden gebruikt. Er ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.353 XII-9604-9/22 wordt echter niet vermeld dat deze retrospectieve analyses aan de Dienst bezorgd dienen te worden.’ Bovendien verplicht artikel 25, § 2 KB Proefdieren dat de niet- technische samenvatting bijgewerkt wordt met de resultaten van de retrospectieve analyses. Het is hierbij niet relevant of de Dienst Dierenwelzijn de niet-technische samenvattingen heeft opgevraagd. De Beroepsinstantie geeft daarnaast niet aan waarom het volgens haar in ‘de praktijk duidelijk werd dat het niet de bedoeling kan zijn dat niet-technische samenvattingen, die opgesteld moeten worden bij de aanvraag van een projectvergunning, na afloop van het project bijgewerkt worden’. De retrospectieve analyses aan de niet-technische samenvatting toevoegen is een bijwerking uitvoeren. Het feit dat de niet-technische samenvatting al gepubliceerd werd wanneer de retrospectieve analyses worden opgemaakt is normaal; het is het principe van een feedbackdocument om na het document waarover het feedback geeft te worden opgemaakt (en gepubliceerd). In de bestreden beslissing geeft de Beroepsinstantie bovendien een verkeerde reden waarom aan de Europese Richtlijn 2010/63/EU en het KB van 29 mei 2013 betreffende de bescherming van proefdieren wijzigingen werden aangebracht. Dat de Europese Commissie zou bevestigd hebben dat het niet de bedoeling kan zijn dat niet-technische samenvattingen later nog bijgewerkt worden is zeer twijfelachtig omdat dit strijdig zou zijn met de wetgeving en strijdig zou zijn met de eigen verklaring van de Europese Commissie op haar website, waaruit blijkt dat de Europese Commissie geen probleem heeft met het feit dat de niet-technische samenvattingen later worden bijgewerkt. De reden voor de aangebrachte wijziging van de Europese Richtlijn is niet de door de Beroepsinstantie aangehaalde reden maar een grotere transparantie en de harmonisatie van de rapportageverplichtingen van onder ander artikel 43 en bijgevolg de oprichting van een centrale Europese databank die de niet-technische samenvattingen en de bijbehorende beoordeling achteraf zal kunnen hosten. Daarvoor werd ook een gemeenschappelijk format vastgesteld voor het indienen van de niet-technische samenvattingen en de bijbehorende beoordelingen achteraf.” Het auditoraat vat de essentie van het middel, zoals uiteengezet in de memorie van wederantwoord, als volgt samen: “Met betrekking tot de eerste voorafgaande opmerking in de memorie van antwoord merkt verzoekende partij op dat het niet juist is om te beweren dat de regelgeving met inwerkingtreden vanaf 1 januari 2021 hier automatisch niet van toepassing zou zijn. Wat onderzoeksprojecten betreft die eind 2020 afliepen en waarvan de retrospectieve analyses na 31 december 2020 plaatsvonden, is de regelgeving die vanaf 1 januari 2021 geldt wel van toepassing op deze retrospectieve analyses en in het bijzonder de bepalingen betreffende de communicatieverplichting van deze retrospectieve analyses. De verandering die de nieuwe regelgeving meebracht (betreffende de retrospectieve analyses) heeft alleen maar betrekking op de manier om de retrospectieve analyses te communiceren: op elektronische wijze, volgens een vast model, naar een bijkomende bestemmeling en op een vaste termijn. Aan de communicatie en de publicatie op zich van de retrospectieve analyses werd niets gewijzigd. Concreet houdt dit in, onderzoeksprojecten met apen hebben doorgaans een looptijd van 5 jaar, dat de retrospectieve analyses worden gemaakt op een ogenblik dat de niet-technische samenvatting van het project al 5 jaar geleden aan de Dienst Dierenwelzijn werd opgestuurd en dat deze al 5 jaar geleden gepubliceerd is. Een ‘bijwerking’ van de niet-technische samenvatting kan alleen maar inhouden dat de retrospectieve analyse wordt gepubliceerd met een verwijzing naar de desbetreffende niet-technische samenvatting. De verplichting om de niet-technische samenvattingen ‘bij te werken’ met de resultaten van de retrospectieve analyses is ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.353 XII-9604-10/22 niet veranderd. De nieuwe regelgeving heeft wel het woord ‘bijwerken’ door het woord ‘geactualiseerd’ vervangen. De verplichting tot het publiceren van de retrospectieve analyses (en dus daarvoor aan de Dienst Dierenwelzijn bezorgd moeten worden) vloeit voort uit de Europese regelgeving. De Europese wetgever maakt gebruikt van een andere terminologie dan de Vlaamse wetgever. De ene gebruikt de woorden ‘bijgewerkte versie’ de ander gebruikt de woorden ‘aanvullingen’ maar ze bedoelen daarmee allebei hetzelfde. In 2019 werd in Europees verband een gemeenschappelijk format opgesteld voor twee gegevens, de niet-technische samenvatting en de beoordelingen achteraf. De inhoud van dit format komt overeen met de inhoud van de retrospectieve analyses zoals voorzien in artikel 21 van het koninklijk besluit van 29 mei 2013 betreffende de bescherming van proefdieren. Kortom de Richtlijn 2010/63/EU heeft dus altijd verplicht om zowel de niet-technische samenvattingen als de retrospectieve analyse te publiceren. Met betrekking tot de tweede voorafgaande opmerking van de verwerende partij wijst de verzoekende partij erop dat, als in het kader van de passieve openbaarheid van bestuur er dient te worden nagegaan dat er effectief een publicatieverplichting geldt voor de overheid, dit niet als ‘buiten het debat’ kan worden beschouwd. In de veronderstelling dat de Raad van State effectief zou bevestigen dat er een publicatieplicht in hoofde van de overheid geldt voor de gevraagde documenten, is het niet de schending van de publicatieplicht in se die tot de vernietiging van het bestreden besluit zou leiden. Het nagaan of er effectief een verplichting tot publicatie bestond moet beschouwd worden als een noodzakelijke stap in het onderzoek over het wel of niet ‘in het bezit zijn’. Met betrekking tot de derde voorafgaande opmerking van de verwerende partij wijst verzoekende partij erop dat zij een e-mail heeft gericht aan de ethische commissie waar de K.U.L. bij aangesloten is op 27 januari 2021. Met betrekking tot de kernmotieven van de bestreden beslissing stelt verzoekende partij dat de vraag naar het ‘in het bezit zijn’ wel deel maakt van de definitie ‘bestuursdocumenten’. Artikel I.4, 3° Bestuursdecreet definieert ‘bestuursdocumenten’ als zijnde ‘alle informatie, ongeacht de drager ervan, die in het bezit is van een overheidsinstantie’ en wat men onder ‘in het bezit van’ moet verstaan wordt in de memorie van toelichting van het Bestuursdecreet toegelicht aan de hand van de rechtspraak van de Raad van State. Met betrekking tot de ethische commissies en de toepassing van artikel 25 KB Proefdieren stelt verzoekende partij vast dat verwerende partij zich vergist waar zij stelt dat in de tweede paragraaf van deze bepaling niets terug te vinden is van de retrospectieve analyses. Artikel 25, §2 spreekt over de ‘beoordelingen achteraf’, deze woorden hebben exact dezelfde betekenis als ‘retrospectieve analyses’. Deze vaststelling geldt eveneens voor de derde paragraaf van deze bepaling. Verwerende partij laat bovendien ten onrechte gelden dat de ethische commissies overheidsinstanties zijn die onder toepassing vallen van het Bestuursdecreet, met andere woorden de principes van openbaarheid van bestuur. De ethische commissies zijn echter noch overheidsinstantie, noch Vlaams adviesorgaan in de zin van artikel I.3.3°, b), Bestuursdecreet. Zij beantwoorden niet aan de drie in deze bepaling opgesomde cumulatieve voorwaarden. Tenslotte merkt verzoekende partij op dat de verwerende partij verwijst naar twee berichten van de Dienst Dierenwelzijn, die echter niet in het administratief dossier aanwezig zijn. Bij vergelijking van deze berichten blijkt echter sprake te zijn van een tegenstrijdigheid. In het bericht van 24 februari is de Dienst Dierenwelzijn van mening dat de retrospectieve analyses aan de overheid moeten bezorgd worden, doch in het bericht van 16 april zou dezelfde Dienst herhaald (?) hebben dat de retrospectieve analyses niet aan de Dienst moeten bezorgd worden. Ongeacht de werkelijkheid over de beweringen van de Dienst Dierenwelzijn, de Beroepsinstantie heeft hier op zijn minst geen zorgvuldigheid getoond met de tegenstrijdigheid niet op te merken en nog erger met te zeggen dat het over een ‘herhaling’ gaat. De ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.353 XII-9604-11/22 verplichting van de Dienst Dierenwelzijn om de retrospectieve analyses op te vragen vloeit voort uit haar verplichting om deze informatie te publiceren. Als men verplicht is om een zekere informatie te publiceren is men ook verplicht om deze informatie op te vragen om het te kunnen publiceren. De Beroepsinstantie heeft niet nagegaan of de Dienst Dierenwelzijn een verplichting zou hebben om de informatie op te vragen. De door verzoekende partij geuite argumenten daarover werden niet besproken. De Beroepsinstantie heeft de verklaringen van de Dienst Dierenwelzijn gewoon overgenomen; zijnde dat de gevraagde documenten niet in haar bezit zijn en dat ze over een discretionaire bevoegdheid zou beschikken om deze documenten al of niet op te vragen. Voor het overige verwijst de verzoekende partij naar haar verzoekschrift.” In de laatste memorie gat verzoekster nog uitvoerig in op de door haar geschonden geachte rechtsregels en beginselen. Wat de schending van artikel 32 van de Grondwet, de artikelen I.4., 3°, en II.31 van het bestuursdecreet en artikel 25 van het koninklijk besluit van 29 mei 2013 betreft, vraagt verzoekster de Raad van State om ook de aangevoerde schending van deze rechtsregels te bespreken. De kern van de zaak ligt volgens verzoekster in de definitie van het begrip bestuursdocumenten en het antwoord op de vraag of de gevraagde informatie beantwoordt aan de wettelijke definitie. Om die vraag te beantwoorden, moet worden nagegaan of de overheidsinstantie in het bezit is van de informatie. Als het antwoord bevestigend is, moet de Raad van State de schending van de voornoemde wetsbepalingen uitspreken, daar er geen sprake is van een door de wet voorziene uitzondering. Volgens verzoekster is het verkeerd om de gevraagde informatie als bestuursdocumenten te bestempelen, maar vervolgens nog na te gaan of de overheidsinstantie in het bezit is van de informatie. Bij het beantwoorden van de vraag of de gevraagde informatie in het bezit is van de dienst Dierenwelzijn, moet niet enkel worden nagegaan of de dienst de informatie fysiek in bezit heeft, maar ook of zij de informatie juridisch in bezit heeft. Verzoekster licht vervolgens toe wanneer informatie juridisch in het bezit is van een overheidsinstantie. Volgens verzoekster moet een overheidsinstantie worden beschouwd als zijnde in het juridisch bezit van informatie: 1) wanneer een instantie die informatie, op basis van een wettelijke bepaling, verplicht ter beschikking moet houden van een overheidsinstantie; 2) wanneer een instantie informatie verplicht aan een overheidsinstantie moet bezorgen, op grond van een wetsbepaling; 3) wanneer een overheidsinstantie verplicht is om bepaalde informatie te publiceren en ze dus die informatie desgevallend mag opvragen. Verzoekster licht vervolgens toe dat die gevallen hier van toepassing zijn. Verzoekster besluit dat de gevraagde informatie ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.353 XII-9604-12/22 door de overheidsinstantie werd geweigerd; de gevraagde informatie aan de definitie van ‘bestuursdocument’ beantwoordt en er geen door de wet voorziene uitzondering werd ingeroepen om de informatie niet openbaar te maken, zodat de schending van de vermelde rechtsnormen moet worden vastgesteld. Door het beroep ongegrond te verklaren omdat de dienst Dierenwelzijn niet in bezit zou zijn van de gevraagde informatie, miskent de Beroepsinstantie volgens verzoekster de definitie van ‘bestuursdocumenten’. Wat het zorgvuldigheidsbeginsel betreft, ontwaart verzoekster drie schendingen van dit beginsel van behoorlijk bestuur. Ten eerste geeft de Beroepsinstantie een e-mail van 24 februari 2021 van de dienst Dierenwelzijn anders weer in de beslissing in het dossier OVB/2021/076, dan in de beslissing in het dossier OVB/2021/157. De vermelding dat het gaat om documenten die moeten worden bezorgd aan de dienst Dierenwelzijn is in de tweede beslissing weggelaten en die verplichte communicatie is van belang. Ten tweede bekritiseert verzoekster dat de Beroepsinstantie zich op de mening van de dienst Dierenwelzijn baseert, met name dat de dienst over een discretionaire bevoegdheid zou beschikken om de gevraagde informatie al dan niet op te vragen, om daaruit te besluiten dat de dienst Dierenwelzijn niet in het bezit is van de gevraagde informatie. Een derde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel is volgens verzoekster gelegen in het gegeven dat de Beroepsinstantie geen eigen onderzoek heeft gevoerd om te weten of de retrospectieve analyses al dan niet bestaan. Wat de schending van het onpartijdigheidsbeginsel betreft, voert verzoekster aan dat de Beroepsinstantie een bekentenis van de dienst Dierenwelzijn verdoezelt en een leugen vertelt in het voordeel van deze dienst met betrekking tot de vraag of de retrospectieve analyses aan de dienst Dierenwelzijn moeten worden bezorgd. Wat de schending van de motiveringsplicht betreft, vermeldt verzoekster dat de Beroepsinstantie haar conclusies enkel heeft gebaseerd op de beweringen van de dienst Dierenwelzijn, maar geen bespreking heeft gewijd aan de analyse van de aangehaalde wetsbepalingen door verzoekster noch aan haar argumentatie. 5. De verwerende partijen voeren in de memorie van antwoord aan dat de openbaarheidsvraag de retrospectieve analyses betreft van de onderzoeksprojecten die niet-menselijke primaten gebruikten en die tussen 2017 en 2020 afgelopen zijn, zodat de wijzigingen in de toepasselijke regelgeving met ingang van 1 januari 2021 buiten het debat vallen. Ook de beweerde schendingen ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.353 XII-9604-13/22 van de regelgeving inzake de actieve openbaarheid van bestuur vallen, in een procedure over de passieve openbaarheid van bestuur, buiten het debat. Voorts citeren de verwerende partijen de “kernmotieven” van de bestreden beslissing. Volgens de verwerende partijen is te dezen de te beantwoorden rechtsvraag niet of de gevraagde retrospectieve analyses bestuursdocumenten zijn – dat zijn ze, indien ze bestaan – maar of ze in het bezit zijn, dan wel behoorden te zijn van de dienst Dierenwelzijn. De verwerende partijen gaan vervolgens in op de regelgeving inzake de ethische commissies. Zij wijzen erop dat in artikel 25 van het koninklijk besluit van 29 mei 2013 van de retrospectieve analyses geen spoor is, nu deze pas worden vermeld in het besluit van de Vlaamse regering van 18 december 2020 ‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 29 mei 2013 betreffende de bescherming van proefdieren’ (hierna: besluit van de Vlaamse regering van 18 december 2020), van toepassing vanaf 1 januari 2021. Uit de vermelde regelgeving besluiten de verwerende partijen voorts dat de ethische commissies in het Vlaamse Gewest minstens Vlaamse adviesorganen zijn, in de zin van artikel I.3,1°, h), en 3°, b), van het bestuursdecreet en dus overheidsinstanties in de zin van artikel II.28, § 1, 1°, van het bestuursdecreet, en van de dienst Dierenwelzijn te onderscheiden entiteiten vormen. De ethische commissies zijn belast, in voorkomend geval, met de opmaak van de door verzoekster bedoelde retrospectieve analyses, zodat de documenten waarvan de openbaarheid wordt gevraagd in hun bezit, en niet in het bezit van de dienst Dierenwelzijn, zijn. In de regelgeving valt immers niet te lezen dat de dienst Dierenwelzijn, ter gelegenheid van de controle op de werking van de ethische commissies, ertoe gehouden zou zijn deze documenten op te vragen. De verwerende partijen wijzen erop dat het besluit van de Vlaamse regering van 18 december 2020 pas op 1 januari 2021 in werking is getreden, zodat het (nieuwe) artikel 25, § 3, van het koninklijk besluit van 29 mei 2013 geen toepassing kan krijgen op de openbaarheidsvraag in de mate dat die de periode 2017-2020 betreft. De retrospectieve analyses over projecten van 2020 zijn voorts slechts mededeelbaar aan de dienst Dierenwelzijn vier maanden nadat deze analyses zijn afgerond, terwijl de openbaarheidsvraag dateert van 8 maart 2021. Volgens de verwerende partijen verplicht de regelgeving een met een openbaarheidsvraag gevatte overheidsinstantie niet om bestuursdocumenten bij een andere overheidsinstantie op te vragen, ook niet indien ze daartoe wel gerechtigd is. Volgens de verwerende partijen blijkt uit hun verweer dat van een schending van ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.353 XII-9604-14/22 het zorgvuldigheidsbeginsel en/of van het onpartijdigheidsbeginsel evenmin sprake is. In de laatste memorie handhaven en bevestigen de verwerende partijen hun standpunt zoals verwoord in de memorie van antwoord en vragen zij de Raad van State de voorliggende standpunten tegenover elkaar af te wegen. Beoordeling 6. Het auditoraat heeft het middel zoals uiteengezet in het verzoekschrift en zoals aangevuld in de memorie van wederantwoord weergegeven in de zin als hiervoor (zie supra, nr. 4). Partijen hadden in hun navolgende processtukken geen kritiek op deze analyse. De beoordeling van het middel wordt daarom aan de hand van deze samenvatting verricht. 7. Het auditoraat besluit tot de gegrondheid van dit middel op grond van de volgende overwegingen (met weglating van de voetnoten): “De geschonden geachte bepalingen luiden als volgt: ‘Artikel 32 Ieder heeft het recht elk bestuursdocument te raadplegen en er een afschrift van te krijgen, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden bepaald door de wet, het decreet of de regel bedoeld in artikel 134.’ ‘Artikel I.4 In dit decreet wordt verstaan onder: (…) 3° bestuursdocumenten: alle informatie, ongeacht de drager ervan, die in het bezit is van een overheidsinstantie; (…)’ ‘Artikel II.31. De overheidsinstanties, vermeld in artikel II.28, § 1, zijn verplicht aan iedereen die erom verzoekt, de gewenste bestuursdocumenten openbaar te maken door er inzage in te verlenen of er een afschrift van te overhandigen, of er uitleg over te verschaffen. De inzage en de uitleg zijn kosteloos. De overheidsinstanties kunnen de overhandiging van een afschrift afhankelijk maken van de betaling van een bedrag op basis van een redelijke kostprijs met behoud van de toepassing van artikel 12, lid 5, en artikel 15, lid 3, van de algemene verordening gegevensbescherming. De verplichting, vermeld in het eerste lid, brengt niet de verplichting mee om het gevraagde bestuursdocument te verwerken of te analyseren.’ ‘Artikel 43 Niet-technische samenvatting van het project XII-9604-15/22 1 Onverminderd de bescherming van de intellectuele eigendom en vertrouwelijke informatie bevat de niet-technische samenvatting van een project de volgende gegevens:
- a)informatie over de doelstellingen van het project, met inbegrip van de voorspelde schade en baten en de aantallen en soorten te gebruiken dieren;
- b)het bewijs dat aan de vereiste vervanging, vermindering en verfijning wordt voldaan. De niet-technische samenvatting van een project is anoniem en bevat geen namen en adressen van de gebruiker en zijn personeel. 2 De lidstaten kunnen eisen dat in de niet-technische samenvatting van het project wordt vermeld of een project aan een beoordeling achteraf zal worden onderworpen en binnen welke termijn. De lidstaten dragen er in dat geval zorg voor dat de niet- technische samenvatting van het project wordt bijgewerkt met de resultaten van eventuele beoordelingen achteraf. 3 De lidstaten publiceren de niet-technische samenvattingen van de toegelaten projecten en de eventuele aanvullingen daarop.’ Met ingang van 26 juni 2019 geldt volgende versie van deze bepaling: ‘Artikel 43 Niet-technische samenvatting van het project 1 Onverminderd de bescherming van de intellectuele eigendom en vertrouwelijke informatie bevat de niet-technische samenvatting van een project de volgende gegevens:
- a)informatie over de doelstellingen van het project, met inbegrip van de voorspelde schade en baten en de aantallen en soorten te gebruiken dieren;
- b)het bewijs dat aan de vereiste vervanging, vermindering en verfijning wordt voldaan. De niet-technische samenvatting van een project is anoniem en bevat geen namen en adressen van de gebruiker en zijn personeel. 2 De lidstaten kunnen voorschrijven dat in de niet-technische samenvatting van het project wordt vermeld of een project aan een beoordeling achteraf zal worden onderworpen en zo ja, binnen welke termijn. Vanaf 1 januari 2021 zorgen de lidstaten er in een dergelijk geval voor dat de niet-technische samenvatting van het project uiterlijk zes maanden na de afronding van de beoordeling achteraf wordt geactualiseerd met de resultaten daarvan. 3 De lidstaten publiceren tot en met 31 december 2020 de niet-technische samenvattingen van de toegelaten projecten en de eventuele aanvullingen daarop. Vanaf 1 januari 2021 dienen de lidstaten uiterlijk zes maanden na de vergunning de niet-technische projectsamenvattingen en eventuele aanvullingen via elektronische gegevensoverdracht in bij de Commissie ter publicatie. 4 De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen een gemeenschappelijk format vast voor de indiening van de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde gegevens. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 56, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. De Diensten van de Commissie ontwikkelen en onderhouden een doorzoekbare en vrij toegankelijke databank van niet-technische projectsamenvattingen en de eventuele aanvullingen daarop.’ ‘Artikel 25 (Federale tekst) § 1 Onverminderd de bescherming van de intellectuele eigendom en vertrouwelijke informatie bevat de niet-technische samenvatting van een project de volgende gegevens:
- a)informatie over de doelstellingen van het project, met inbegrip van de voorspelde schade en baten en de aantallen en soorten te gebruiken dieren;
- b)het bewijs dat aan de vereiste vervanging, vermindering en verfijning wordt voldaan. De niet-technische samenvatting van een project is anoniem en bevat geen namen en adressen van de gebruiker en zijn personeel. XII-9604-16/22 § 2 In de niet-technische samenvatting van een project wordt vermeld of een project aan een beoordeling achteraf zal worden onderworpen en binnen welke termijn. Indien dit het geval is, dient de niet-technische samenvatting van het project te worden bijgewerkt met de resultaten van eventuele beoordelingen achteraf. § 3 Ieder jaar bezorgt de Ethische Commissie de niet-technische samenvattingen van alle projecten en bijgewerkte versies die beoordeeld werden tijdens het afgelopen jaar aan de Dienst. De niet-technische samenvattingen van alle projecten en bijgewerkte versies worden gepubliceerd.’ Vanaf 1 januari 2021 geldt volgende tekst in het Vlaamse Gewest: ‘Artikel 25 (Vlaams[e] Gewest) § 1 Onverminderd de bescherming van de intellectuele eigendom en vertrouwelijke informatie bevat de niet-technische samenvatting van een project de volgende gegevens:
- a)informatie over de doelstellingen van het project, met inbegrip van de voorspelde schade en baten en de aantallen en soorten te gebruiken dieren;
- b)het bewijs dat aan de vereiste vervanging, vermindering en verfijning wordt voldaan. De niet-technische samenvatting van een project is anoniem en bevat geen namen en adressen van de gebruiker en zijn personeel. § 2 In de niet-technische samenvatting van een project wordt vermeld of het project aan een beoordeling achteraf, zijnde een retrospectieve analyse, wordt onderworpen en, zo ja, binnen welke termijn. In dergelijk geval wordt de niet-technische samenvatting van het project uiterlijk vier maanden na de afronding van de retrospectieve analyse geactualiseerd met de resultaten daarvan. Dit wil zeggen dat er een link wordt voorzien tussen de niet-technische samenvatting en de retrospectieve analyse waarbij de resultaten van de retrospectieve analyse kunnen worden opgehaald samen met deze van de niet-technische samenvatting. § 3 De Ethische Commissies bezorgen de niet-technische samenvattingen, eventuele aanvullingen daarop en de retrospectieve analyses via elektronische gegevensoverdracht aan de Dienst en aan de Europese Commissie. De gegevens, vermeld in het eerste lid, worden uiterlijk vier maanden nadat de vergunning verleend is, respectievelijk vier maanden nadat de retrospectieve analyse afgerond is, bezorgd met het oog op de publicatie ervan. Om de gegevens te verzenden, wordt het gemeenschappelijke format gebruikt dat de Europese Commissie vaststelt. Het Grondwettelijk Hof heeft uit de algemene omschrijving die artikel 32 van de Grondwet hanteert, afgeleid dat de grondwetgever het recht op openbaarheid van de bestuursdocumenten heeft ingeschreven als een grondrecht. Uitzonderingen op de openbaarheid van bestuursdocumenten zijn slechts mogelijk onder de voorwaarden vastgesteld door de wet, het decreet of de ordonnantie. Ze moeten worden verantwoord en moeten beperkend worden geïnterpreteerd. Artikel 32 van de Grondwet wordt verder geconcretiseerd in artikel II.26 van het Bestuursdecreet. Luidens deze bepaling regelt hoofdstuk 3 ‘Toegang tot bestuursdocumenten’ van titel II van het Bestuursdecreet het recht om bestuursdocumenten te raadplegen en er een afschrift van te krijgen, vermeld in artikel 32 van de Grondwet, om uitleg te krijgen bij bestuursdocumenten en om persoonsgegevens in bestuursdocumenten te laten verbeteren. Artikel II.31, eerste lid, van het Bestuursdecreet voorziet in een principieel recht op openbaarmaking: ‘De overheidsinstanties, vermeld in artikel II.28, § 1, zijn verplicht aan iedereen die erom verzoekt, de gewenste bestuursdocumenten openbaar te maken door er inzage in te verlenen of er een afschrift van te overhandigen, of er uitleg over te verschaffen.’ Onder titel II, Hoofdstuk 3, afdeling 3 van het Bestuursdecreet worden de uitzonderingen op dit recht geregeld. Elk beroep op een uitzonderingsbepaling moet ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.353 XII-9604-17/22 concreet worden gemotiveerd met verwijzing naar de specifieke gegevens, eigen aan de zaak. Geen enkele uitzonderingsgrond kan de grondslag vormen om aan een bestuurde systematisch de openbaarheid van bestuur te weigeren. Wat de beoordeling van de door de beroepsinstantie gemaakte belangenafweging betreft, komt het de Raad van State niet toe om in de plaats van de beroepsinstantie een eigen afweging te maken. De Raad is binnen het raam van zijn rechtmatigheidstoezicht wel bevoegd om na te gaan of de beroepsinstantie is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan met een zorgvuldige beoordeling tot haar besluit is gekomen. De artikelen 2 en 3 van de motiveringswet verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dit op een afdoende wijze; het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De beslissingnemende overheid is evenwel niet verplicht op elk aangehaald argument afzonderlijk te antwoorden. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals opgelegd door de motiveringswet, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. De materiële motiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Die motieven moeten steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die relevant zijn en met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Zij moeten kenbaar, feitelijk juist en draagkrachtig zijn. Zij moeten de beslissing dus rechtens kunnen dragen en verantwoorden. Bij het onderzoek van de vraag naar de materiële motivering van de bestreden beslissing moet de Raad van State derhalve onderzoeken of de concrete gegevens van het dossier de vermelde motieven op een deugdelijke wijze onderbouwen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiële motiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De zorgvuldigheid verplicht de overheid er onder meer toe om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en ervoor te zorgen dat de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk onderzocht worden, zodat de overheid met kennis van zaken kan beslissen. Het onpartijdigheidsbeginsel, zoals van toepassing op organen van het actief bestuur, waarborgt zowel de persoonlijke onpartijdigheid van de personeelsleden en de (leden van bestuurlijke) organen die mede een beslissing nemen, als de structurele onpartijdigheid van die personeelsleden en bestuurlijke organen op het vlak van de organisatie van deze organen, het verloop van de procedure en het tot stand komen van hun beslissingen. Subjectieve partijdigheid wordt niet vermoed en ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.353 XII-9604-18/22 mag slechts worden aangenomen indien precieze feiten of concrete aanwijzingen worden bijgebracht die deze partijdigheid aantonen. Een loutere subjectieve indruk van partijdigheid volstaat niet om de aangevoerde schending van het onpartijdigheidsbeginsel aannemelijk te maken. Het komt aan de verzoekende partij toe de daadwerkelijke vooringenomenheid van de beslissingnemende overheid aan te tonen. Artikel 288 derde alinea VWEU stelt dat een richtlijn slechts verbindend is ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd is. Deze bepaling luidt als volgt: ‘Een richtlijn is verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd is, doch aan de nationale instanties wordt de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen.’ Aan de nationale instanties wordt de bevoegdheid gelaten om de vorm en de middelen van omzetting te kiezen. Doorgaans voorziet een richtlijn in een termijn waarbinnen de lidstaten de nodige maatregelen in werking moeten doen treden. Op die manier dient een richtlijn te worden beschouwd als een resultaatsverplichting, die aan het einde van die termijn moet worden nagekomen. Conform de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie kent een richtlijn geen rechtstreekse werking zolang de in de richtlijn gestelde termijn waarbinnen haar bepalingen in de nationale rechtsorde moeten worden uitgevoerd, niet verstreken is. Dergelijke rechtstreekse werking ontstaat pas indien de lidstaat aan het einde van die termijn in gebreke is gebleven. De rechtstreekse werking van een niet tijdig omgezette richtlijn houdt in dat een particulier rechten kan putten ten laste van de Staat die verzuimt de richtlijn binnen de gestelde termijn om te zetten, hetzij dit op onjuiste wijze doet. Dit is gekend als de verticale rechtstreekse werking. Een niet tijdig of niet correct omgezette richtlijn kent echter geen horizontale rechtstreekse werking. In de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie is reeds geoordeeld dat ‘een lidstaat die de door de richtlijn voorgeschreven uitvoeringsmaatregelen niet tijdig heeft getroffen, het feit dat hij de op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, niet aan justitiabelen kan tegenwerpen’. Doel van deze rechtspraak bestaat erin te voorkomen ‘dat de staat voordeel heeft bij zijn miskenning van het gemeenschapsrecht’. Deze rechtspraak vormt een uitdrukking van het beginsel ‘nemo auditur turpitudinem suam allegans’ uit de continentale rechtsstelsels en het estoppel beginsel uit de commom law. Met het Marshall-arrest verduidelijkte het Hof dat ‘een richtlijn uit zichzelf geen verplichtingen aan particulieren kan opleggen en dat een bepaling uit een richtlijn als zodanig niet tegenover een particulier kan worden ingeroepen. Een richtlijn kan dus wel verticale maar geen horizontale werking hebben. Het Hof baseert zijn rechtspraak op het dwingend karakter dat art. 288 VWEU (ex art. 249 EG-verdrag) toekent aan de richtlijn doch uitsluitend ten aanzien van elke lidstaat waarvoor zij bestemd is. Uit de stukken kan worden afgeleid dat in casu geen betwisting wordt gevoerd aangaande de omzetting van de Richtlijn, doch wel over de interpretatie ervan en in het bijzonder over de interpretatie van de internrechtelijke bepalingen. In deze omstandigheden kan een rechtstreekse schending van de Richtlijn niet nuttig worden aangevoerd. Het wordt niet betwist dat de retrospectieve analyses als bestuursdocumenten te beschouwen zijn. De kern van de betwisting ligt in het feit of deze retrospectieve analyses, indien zij niet in het bezit zijn van de Dienst Dierenwelzijn, dienen te worden beschouwd als zijnde in het ‘juridisch bezit’ van deze Dienst, met toepassing van de geldende regelgeving, met name het KB van 29 mei 2013 betreffende de bescherming van proefdieren. Uit de motivering van de bestreden beslissing kan worden afgeleid dat de Beroepsinstantie een beoordeling van het ingediende beroep heeft gemaakt, doch van oordeel is dat de Dienst Dierenwelzijn niet in het bezit is van de gevraagde ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.353 XII-9604-19/22 informatie. Tevens blijkt dat de beoordeling achteraf van een project dient te worden gelijkgesteld met een retrospectieve analyse. Uit artikel 25 KB Proefdieren blijkt dat in de oude versie van deze bepaling in de niet-technische samenvatting van een project wordt vermeld of een project aan een beoordeling achteraf zal worden onderworpen en binnen welke termijn. Indien dit het geval is, dient de niet-technische samenvatting van het project te worden bijgewerkt met de resultaten van eventuele beoordelingen achteraf. Tevens blijkt hieruit dat de ethische commissie ieder jaar de niet-technische samenvattingen van alle projecten en bijgewerkte versies die beoordeeld werden tijdens het afgelopen jaar aan de Dienst Dierenwelzijn bezorgt, die worden gepubliceerd. In de versie die geldt vanaf 1 januari 2021, voor zover deze in casu van toepassing is, wordt dit in essentie bevestigd (met bijkomende verplichting tot het bezorgen van deze informatie aan de Europese Commissie), waarbij voorts wordt gewezen op de te gebruiken formulieren, met name het gemeenschappelijke format dat door de Europese Commissie werd vastgesteld. Hieruit dient te worden afgeleid dat de Dienst Dierenwelzijn minstens in het bezit moet worden geacht van de niet- technische samenvattingen en tevens kennis heeft van het feit of retrospectieve analyses werden of zullen worden uitgevoerd. De Dienst Dierenwelzijn moet geacht worden minstens kennis van deze informatie te hebben die in het kader van de openbaarheid van bestuur aan derden kan worden verstrekt, met uitzondering van de geldende uitzonderingsgevallen. Zoals de verzoekende partij terecht opmerkt, moet de Dienst Dierenwelzijn, zowel onder de gelding van het oude artikel 25, als van het nieuwe artikel 25 KB Proefdieren deze informatie publiceren, wat de kennis en het bezit van deze eventueel gemaakte retrospectieve analyses inhoudt. Indien de Dienst Dierenwelzijn beweert niet in het bezit van deze gegevens te zijn, gaat zij in tegen de uitdrukkelijke bepalingen van het genoemde artikel van het KB Proefdieren. In casu dient dan ook te worden besloten dat de bestreden beslissing niet beantwoordt aan de vereisten van een afdoende motivering.” De verwerende partijen hebben na kennisneming van het auditoraatsverslag niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Zij verzuimen immers om nog op de bespreking in het auditoraatsverslag van dit middel inhoudelijk te reageren en beperken zich ertoe ter zake te verwijzen naar wat zij in hun memorie van antwoord hebben uiteengezet. In die omstandigheden en na eigen onderzoek ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en besluit, de redenering van het auditoraat bijvallend, dat het middel in de aangegeven mate gegrond is. 8. Uit de analyse in het auditoraatsverslag – die door de Raad van State hiervoor uitdrukkelijk wordt bijgevallen – volgt dat de door verzoekster gevraagde informatie, bestuursdocumenten zijn in de zin van de artikelen I.4, 3°, en II.31 van het bestuursdecreet. XII-9604-20/22 Een onderzoek van de overige grieven, verwoord in het enig middel, kan niet tot een ruimere nietigverklaring leiden. 9. Het middel is in de aangeven mate gegrond. V. Rechtsplegingsvergoeding 10. In de laatste memorie vraagt verzoekster “een tussenkomst van de verwerende partij voor de rechtsplegingswerk waarover [zij] de beslissing aan de wijsheid van de Raad van State overlaat om zijn rechtspraak in dit domein te affineren”. Verzoekster lijkt hiermee om de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding te vragen. 11. Overeenkomstig artikel 30/1, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan een rechtsplegingsvergoeding worden toegekend “die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij”. Verzoekster is weliswaar de in het gelijk gestelde partij, doch wordt niet bijgestaan of vertegenwoordigd door een advocaat. Verzoeker kan derhalve geen aanspraak maken op een rechtsplegingsvergoeding noch “tussenkomst”. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de beslissing van de Beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur van 12 mei 2021 (OVB/2021/157) waarbij het beroepschrift van verzoekster van 6 april 2021 tegen de weigeringsbeslissing van de dienst Dierenwelzijn, om een afschrift te bezorgen van de retrospectieve analyses betreffende de onderzoeksprojecten die niet- menselijke primaten gebruikten en die tussen 2017 en 2020 afgelopen zijn, als ontvankelijk doch ongegrond wordt beschouwd. 2. De verwerende partijen worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. XII-9604-21/22 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negen januari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Chantal Bamps XII-9604-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.353 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.654 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div