← België

Arrest 265354 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 09/01/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.354 Rolnummer: A. 242380/XII-9541 Zaak: Arrest 265354 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 09/01/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-01-19 Raadplegingen: 216 - laatst gezien 2026-06-18 06:13 Fiche Arrest nr 265.354 van 9 januari 2026 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.354 no lien 286971 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 265.354 van 9 januari 2026 in de zaak A. 242.380/XII-9541 In zake : R.F. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Amber Bogaert kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas De Donder kantoor houdend te 2018 Antwerpen De Keyserlei 60A bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Claudia Mc Kenzie kantoor houdend te 1930 Zaventem Luchthaven Brussel Nationaal Gateway 1J -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 8 juli 2024, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van 8 mei 2024 van de burgemeester voor de politiezone Antwerpen tot weigering van de heropneming van het ambt van verzoeker”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Verzoeker heeft een toelichtende memorie ingediend. Adjunct-auditeur Samuel Mens heeft een verslag opgesteld. XII-9541-1/19 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 november
  3. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Amber Bogaert, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Claudia Mc Kenzie, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Samuel Mens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker was agent van politie bij de politiezone. Hij legt met ingang van 31 juli 2022 zijn ambt vrijwillig neer. 3.
  6. Bij aangetekende brief van 8 januari 2024 aan de korpschef dient verzoeker een verzoek tot heropneming van het ambt in. 3.
  7. Bij brief van 19 februari 2024 bezorgt de korpschef van de woonplaats van verzoeker het ‘advies moraliteitsonderzoek’ aan de korpschef van de verwerende partij. XII-9541-2/19 Het eindadvies luidt: “Het gesprek met betrokkene was op zijn minst merkwaardig te noemen. Gedurende 40 minuten waren wij getuige van overdreven sociaal-wenselijk gedrag, een gebrek aan oprechtheid en bij momenten zelfs een sterk staaltje acteerwerk. Zeker bij de vraag ‘contacten politie’ (die herhaaldelijk werd gesteld) bleef betrokkene volhouden dat er buiten dat ‘ene feitje’, hij zich niets anders onmiddellijk kon herinneren. Dat feit kon betrokkene ook niet ‘vergeten’ zijn aangezien wij hem daar over verhoord hebben. Betrokkene heeft 18 jaar bij Politie Antwerpen gewerkt, dus hij is bijzonder goed op de hoogte van alle databanken die bij politie ter beschikking zijn. Onderzoekers verwonderen zich hier echt over dat hij hen zo laag inschat, dat wij deze informatie niet zouden hebben. Het zegt langs de andere kant ook heel veel over zijn moreel kompas. Woorden zoals integriteit, respect en loyaliteit zijn duidelijk vreemd aan deze man. Het eindadvies van onze zone over de heropneming van betrokkene is dan ook duidelijk: ONGUNSTIG over de hele lijn. Betrokkene is duidelijk niet van onberispelijk gedrag en vertoont grote risicofactoren die een beletsel tot indienstneming bij de politie vormen.” 3.
  8. Op 27 februari 2024 wordt verzoeker uitgenodigd voor het medisch onderzoek dat plaatsvindt op 8 maart
  9. Het resultaat van het medisch onderzoek luidt: “werkhervatting bij de huidige werkgever niet aanbevolen”. 3.
  10. Op 30 april 2024 formuleert de burgemeester het voornemen van beslissing om de heropneming van het ambt te weigeren. Aan verzoeker wordt de mogelijkheid geboden om op 2 mei 2024 door de korpschef mondeling te worden gehoord en om tot 7 mei 2024 een schriftelijk verweer in te dienen. Daar verzoeker op 2 mei 2024 niet verschijnt op de hoorzitting, wordt hij opnieuw uitgenodigd om mondeling te worden gehoord op 6 mei
  11. Ook op deze nieuwe hoorzitting blijft verzoeker afwezig. Verzoeker dient evenmin een schriftelijk verweer in. 3.
  12. Op 8 mei 2024 beslist de burgemeester om de aanvraag tot heropneming van het ambt te weigeren, omdat verzoeker “niet voldoet aan de voorwaarden voorzien in artikel [IX.III].4 van de RPPol om te worden heropgenomen aangezien u op het ogenblik van de heropneming niet van XII-9541-3/19 onberispelijk gedrag bent, noch medisch geschikt wordt bevonden om bij uw huidige werkgever zijnde Politiezone Antwerpen opnieuw aan de slag te gaan”. Dit is de bestreden beslissing. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging A. Verzuim om een memorie van antwoord in te dienen
  13. De verwerende partij heeft geen memorie van antwoord ingediend. In de mate dat de verwerende partij in haar laatste memorie aanvoert wat zij reeds in de memorie van antwoord had kunnen aanvoeren, wordt die argumentatie niet in aanmerking genomen. De laatste memorie, die wezenlijk ertoe strekt de partijen de kans te bieden te reageren op het auditoraatsverslag, wordt immers oneigenlijk gebruikt en het normale verloop van de rechtsgang wordt verstoord, indien zou worden aangenomen dat ze kan worden aangewend om de inhoud van een eerder niet of niet-regelmatig ingediend processtuk, dat de auditeur-verslaggever niet in zijn onderzoek van de zaak heeft kunnen betrekken, alsnog mede tot voorwerp van het tegensprekelijk debat te maken. B. Laattijdig neerleggen van het administratief dossier
  14. De verwerende partij heeft het administratief dossier pas samen met de laatste memorie ingediend. Artikel 6, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: algemeen procedure- reglement) bepaalt dat de verwerende partij, indien zij in het bezit is van het administratief dossier, over een termijn van zestig dagen beschikt om aan de griffie een memorie van antwoord en het volledig administratief dossier toe te zenden. Het volledig administratief dossier moet binnen de door artikel 6, § 2, van het algemeen procedurereglement opgelegde termijn van zestig dagen worden ingediend en niet pas ter gelegenheid van het indienen van de laatste memorie. Het verzuim door de verwerende partij om binnen de in artikel 6, § 2, ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.354 XII-9541-4/19 van het algemeen procedurereglement bedoelde termijn het volledig administratief dossier neer te leggen, strijdt, niet alleen met de door de wetgever ingebouwde stappen van de schriftelijke procedure, en met de essentiële rol van het auditoraat bij het onderzoek van de zaak, doch eveneens met de in artikel 21, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalde sanctie, met name dat de door de verzoekende partij aangehaalde feiten als bewezen worden geacht, tenzij die feiten kennelijk onjuist zijn. Er is te dezen bijgevolg aanleiding om de in artikel 21, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalde sanctie toe te passen. De Raad van State benadrukt evenwel dat het voormelde vermoeden geen betrekking heeft op de juridische gevolgen of op de kwalificaties van de door verzoeker aangehaalde feiten, of enigerlei afbreuk doet aan de vereisten die ook aan verzoeker worden gesteld, dan wel tot gevolg heeft dat quasi automatisch tot vernietiging van de bestreden beslissing wordt overgegaan. C. Nieuwe stukken bij de laatste memorie van verzoeker
  15. Verzoeker voegt bij zijn laatste memorie negen nieuwe stukken. Al deze stukken dateren van (ruim) voor het indienen van het verzoekschrift tot nietigverklaring en verzoeker toont niet aan dat hij die niet eerder kon indienen. In de mate dat verzoeker bij zijn laatste memorie stukken voegt die hij reeds bij het verzoekschrift had kunnen voegen, worden die stukken niet in aanmerking genomen. De laatste memorie, die wezenlijk ertoe strekt de partijen de kans te bieden te reageren op het auditoraatsverslag, wordt immers oneigenlijk gebruikt en het normale verloop van de rechtsgang wordt verstoord, indien zou worden aangenomen dat ze kan worden aangewend om stukken die eerder konden worden neergelegd maar niet werden neergelegd, en die de auditeur-verslaggever niet in zijn onderzoek van de zaak heeft kunnen betrekken, alsnog mede tot voorwerp van het tegensprekelijk debat te maken. De stukken genummerd 7 tot en met 15 van verzoeker worden uit het debat geweerd. XII-9541-5/19 V. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel
  16. Verzoeker voert in een enig middel de schending aan van artikel IX.III.7 van het RPPol, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991), de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. In het verzoekschrift voert verzoeker in een eerste onderdeel aan dat de onwettigheid die kleeft aan de beslissing inzake de medische geschiktheid, de wettigheid van de bestreden beslissing aantast. Hij zet uiteen dat de bestreden beslissing steunt op de beslissing meegedeeld op 24 april 2024 dat verzoeker niet voldoet aan de medische voorwaarde tot heropneming, maar dat deze voorbeslissing onwettig is en derhalve leidt tot de onwettigheid van de bestreden beslissing die het eindresultaat is van een complexe bestuurshandeling. De medische voorbeslissing is volgens verzoeker onwettig, omdat er geen concreet en correct onderzoek werd gevoerd. Het medisch onderzoek beperkte zich tot een kort gesprek dat tot de niet afdoende gemotiveerde aanbeveling leidde dat werkhervatting niet is aanbevolen, wat volgens verzoeker geen beslissing is over zijn (on)geschiktheid, zoals vereist door artikel IX.III.7 van het RPPol. Voorts voert verzoeker aan dat het medisch onderzoek werd uitgevoerd door een preventieadviseur-arbeidsarts die op het ogenblik van het onderzoek niet voldeed aan alle voorwaarden van artikel II.3-30, § 1, 2°, van de codex van 28 april 2017 ‘over het welzijn op het werk’. Het medisch onderzoek is volgens verzoeker ook onwettig, omdat het resultaat ervan, zowel aan verzoeker als aan de politiezone, pas werd meegedeeld na het verstrijken van de in artikel IX.III.7 van het RPPol daartoe bepaalde termijn. Ondanks al deze onwettigheden steunt de bestreden beslissing op de beoordeling van de medische geschiktheid, zodat de verwerende partij onzorgvuldig handelde. In een tweede onderdeel voert verzoeker aan dat de onwettigheid van de beslissing over de medische geschiktheid de geloofwaardigheid van het gevoerde moraliteitsonderzoek aantast. Door het gebrekkig gevoerde onderzoek naar de medische geschiktheid kunnen de feiten vermeld in het moraliteitsonderzoek niet in een correcte context worden geplaatst. De omkadering inzake de medische en mentale gezondheid die tot de betreffende ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.354 XII-9541-6/19 gebeurtenissen hebben geleid, ontbreekt daardoor. Volgens verzoeker beperkt de bestreden beslissing zich ten onrechte tot de vermelde gebeurtenissen uit het (recente) verleden, zonder een zorgvuldige en medische verklaring bij de beslissing te betrekken. Voorts wijst verzoeker erop dat de beoordeling of verzoeker van onberispelijk gedrag is, dient te gebeuren op het moment van de heropneming. Op grond van de aangehaalde processen-verbaal en meldingen kan niet worden besloten dat op het ogenblik van de heropneming verzoeker geen onberispelijk gedrag vertoont. De medische en mentale toestand van verzoeker op het ogenblik van heropneming is totaal verschillend van de medische en mentale toestand van verzoeker ten tijde van de aangehaalde gebeurtenissen.
  17. In de toelichtende memorie herhaalt verzoeker wat hij in het verzoekschrift heeft uiteengezet.
  18. In de laatste memorie voegt verzoeker, wat het eerste middelonderdeel betreft, toe dat hij een beroep indiende tegen de beslissing van de preventieadviseur-arbeidsarts, maar dat dit beroep niet ontvankelijk werd verklaard daar het een type gezondheidsbeoordeling betreft, waartegen geen beroep openstaat. Wat het tweede middelonderdeel betreft, reageert verzoeker op de bemerking in het auditoraatsverslag dat hij het standpunt, dat bij het beoordelen van de voorwaarde van het onberispelijk gedrag onvoldoende rekening is gehouden met zijn medische en mentale toestand, behoort te onderbouwen. Gelet op die bemerking wenst verzoeker één en ander te “verduidelijken”. Hij schetst daarbij zijn carrièreverloop sinds zijn indiensttreding bij de lokalepolitiezone Antwerpen tot aan zijn vrijwillig ontslag, waarna hij een opleiding volgde en drie maanden bij een andere werkgever was tewerkgesteld. Daar verzoeker vervolgens niet in aanmerking kwam voor een werkloosheidsuitkering, diende hij aan te kloppen bij het OCMW, waarna hij in een negatieve spiraal is beland, die zijn mentale gezondheid heeft beïnvloed. Volgens verzoeker staat hij intussen opnieuw positief in het leven. Bij de beoordeling of hij van onberispelijk gedrag is, mag volgens verzoeker niet enkel naar het nabije verleden worden gekeken, maar moeten ook de huidige situatie en de voortuitgang die hij heeft geboekt, in overweging worden genomen. Voorts wijst verzoeker erop dat hij heeft gebruikgemaakt van de XII-9541-7/19 beroepsmogelijkheid tegen de bevindingen van het moraliteitsonderzoek, maar dat dit beroep niet-ontvankelijk werd verklaard. Beoordeling
  19. Het enig middel bevat twee onderdelen. Het past eerst het tweede onderdeel te onderzoeken. A. Tweede onderdeel
  20. De bestreden beslissing betreft een weigering tot heropneming van het ambt door verzoeker, nadat hij daartoe krachtens de geldende regelgeving een aanvraag had ingediend.
  21. Artikel IX.III.4 van het RPPol bepaalt onder welke voorwaarden een heropneming mogelijk is: “De kandidaat voor heropneming moet de volgende voorwaarden vervullen: 1° op het ogenblik van het aangenomen ontslag, een evaluatie zonder de eindvermelding “onvoldoende” hebben; 2° (...); 3° de burgerlijke en politieke rechten genieten; 4° met uitzondering van de onopzettelijke misdrijven, sedert het aangenomen ontslag niet veroordeeld zijn, zelfs met uitstel, tot een gevangenisstraf van zes maanden of meer wegens enig strafbaar feit, of tot een lagere gevangenisstraf wegens diefstal, afpersing, misbruik van vertrouwen, oplichting, valsheid in geschriften, aanranding van de eerbaarheid, verkrachting of wegens de strafbare feiten omschreven in de artikelen 379 tot 386ter van het Strafwetboek of in de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van de gifstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen en anti-septica, noch sedert het aangenomen ontslag activiteiten te hebben uitgevoerd die de geloofwaardigheid van de politiediensten schaden; 5° niet het voorwerp zijn van één van de gronden van medische ongeschiktheid bedoeld in artikel 12, eerste lid, 6°, van de wet van 26 april 2002; 6° tussen het tijdstip waarop hij wenst te worden heropgenomen en de pensioengerechtigde leeftijd nog ten minste twee volledige dienstjaren kunnen vervullen; 7° op het ogenblik van de heropneming van onberispelijk gedrag zijn.”
  22. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten het bestuur in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de XII-9541-8/19 beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Bij het onderzoek naar het afdoende karakter van de formelemotiveringsplicht moet voorts worden rekening gehouden met het geheel van de formele motivering en niet met een of meerdere onderdelen van de motivering op zich. De motivering in haar geheel moet immers afdoende zijn.
  23. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere bestuurshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van het bestuur. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of het bestuur is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of het die correct heeft beoordeeld en of het op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot zijn besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. Aan een overheidsonderzoek kleeft het vermoeden van wettigheid. Om de onwettigheid van de motieven van de beslissing van het bestuur aan te tonen, mag een verzoeker niet volstaan met het louter ontkennen of in vraag stellen van de feitelijke elementen waarop de beoordeling door het bestuur berust. Het is zaak van verzoeker om aanwijzingen te verschaffen die het vermoeden ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.354 XII-9541-9/19 wettigen of aantonen dat de door het bestuur in aanmerking genomen gegevens niet juist zijn.
  24. Krachtens het zorgvuldigheidsbeginsel moet elk bestuur zich gedragen zoals een voorzichtig en redelijk handelend bestuur, geplaatst in dezelfde omstandigheden. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Het bestuur is onder meer verplicht om zorgvuldig tewerk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat het met kennis van zaken kan beslissen. Het komt aan verzoeker toe om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van het bestuur niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoeker van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaat niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
  25. In het tweede onderdeel van het enig middel voert verzoeker in wezen aan dat de bestreden beslissing niet afdoende formeel noch materieel is gemotiveerd en niet getuigt van een zorgvuldige besluitvorming, door de heropneming van het ambt te weigeren op grond dat verzoeker niet getuigt van het onberispelijk gedrag, vereist door artikel IX.III.4, 7°, van het RPPol. Het middelonderdeel wordt vanuit dat oogpunt onderzocht.
  26. Aan de in artikel IX.III.4 van het RPPol vermelde voorwaarden moet door de kandidaat cumulatief worden voldaan. Het niet voldoen aan één van die voorwaarden volstaat dus om de aanvraag tot heropneming te weigeren. Of de bestreden beslissing in feite en in rechte afdoende is gemotiveerd, dient derhalve in het licht van het aangevoerde middel te worden beoordeeld door de (formele) motivering te toetsen aan de voorwaarde van artikel IX.III.4, 7°, van het RPPol, XII-9541-10/19 met name of deugdelijk wordt gemotiveerd dat verzoeker op het ogenblik van de heropneming niet van onberispelijk gedrag is.
  27. De bestreden beslissing is als volgt formeel gemotiveerd: “
  28. WETTELIJKE BASIS: Wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten (Exodus-wet) - Hoofdstuk 10, art. 80 - 86 bis. Artikelen IX.l.1 - IX.l.9 en IX.III.1 - IX.III.13 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (RPPol). Ministerieel Besluit van 28 december 2001 tot uitvoering van sommige bepalingen van het KB van 30 maart 2001 (UBPol).
  29. PROCEDURESTUKKEN: […] 2.
  30. Op 15 januari 2024 had de moraliteitsonderzoeker van het korps van uw woonplaats (PZ Sint-Niklaas) met u een gesprek. Op basis hiervan verleent uw korps van woonplaats op 19 februari 2O24 volgend advies: ongunstig. De korpschef motiveert dit advies als volgt: ‘Het eindadvies van onze zone over de heropneming van betrokkene is dan ook duidelijk: ONGUNSITG over de hele lijn. Betrokkene is duidelijk niet van onberispelijk gedrag en vertoont grote risicofactoren die een beletsel tot indienstneming bij de politie vormen’. In dit gemotiveerd verslag zijn – samengevat – volgende elementen vermeld:
  31. Bronnenonderzoek ANG / ANG verkeer / ISLP Uit het bronnenonderzoek blijkt dat u diverse malen voorkomt in het ANG-register. Op 1 september 2023 werd een maatregel uitgevaardigd omwille van het feit dat u de wens heeft geuit om eventueel door middel van ‘suicide by cop’ uw leven te beëindigen. Uit de ANG komen 5 processen-verbaal gekwalificeerd onder: bedreiging zonder bevel of voorwaarde, misbruik van vertrouwen, smaad, opzettelijke vernielingen en dronkenschap. Uit de ANG verkeer komen 4 processen-verbaal inzake snelheidsovertredingen. Ook uit ISLP komen nog bijkomend diverse meldingen, processen-verbaal en navolgende processen-verbaal onder meer met betrekking tot depressie, zelfmoordneigingen, verkeersinbreuken, verkeersongeval stoffelijke schade en vluchtmisdrijf, opzettelijke slagen, intrafamiliaal geweld, openbare dronkenschap, smaad, opzettelijke beschadigingen, misbruik van vertrouwen, wildplassen, mondelinge bedreigingen met bevel of voorwaarde, schriftelijke bedreigingen zonder geweld of voorwaarde ten aanzien van een commissaris, beledigingen/bedreigingen via Facebook, poging tot zelfdoding. Wanneer we kijken naar de processen-verbaal opgesteld sedert de datum van uw ambtsneerlegging, gaat het over misbruik van vertrouwen, wildplassen, mondelinge bedreiging met bevel of voorwaarde, overdreven snelheid, schriftelijke bedreiging zonder bevel of voorwaarde, beledigingen/bedreigingen.
  32. Verklaringen gesprek l5 februari 2024: In uw verklaring met betrekking tot uw familie stelt u dat uw familiebanden onstabiel zijn. U zou ook een traject opgestart hebben bij Reakiro (Centrum voor geestelijke gezondheidszorg) met het oog op euthanasie wegens psychisch lijden. Uw familie zou zich verzetten tegen uw doodswens, wat ertoe geleid heeft dat het contact tussen u en hen verbroken werd. U zou wel een zeer grote vriendenkring hebben. XII-9541-11/19 Op de vraag naar uw ervaringen met drugs, alcohol en gokken, verklaart u dat u nooit drugs gebruikt, niet gokt en dat u niet veel drinkt. Uit het bronnenonderzoek blijkt echter dat tal van feiten en incidenten zich voordoen in een context van alcoholgebruik/-misbruik. Op uw verklaring omtrent uw contacten met politie sedert uw ontslag heeft u aangehaald dat u betrokken bent geweest bij een incident na een familiefeest. U wil er niet over praten, omdat het ‘zeer beschamend’ was. U stelt ook onlangs een snelheidsovertreding te hebben begaan in zone 30 waarvoor u zich binnenkort voor de rechter moet verantwoorden. Gezien de aanzienlijke lijst van feiten, stelt de moraliteitsondezoeker tot tweemaal toe dezelfde vraag. Telkens krijgt hij hetzelfde antwoord. ‘Niets wat ik mij onmiddellijk kan herinneren’. Bij nader onderzoek, na toelating voor ontvangst en gebruik van processen-verbaal van zowel het Parket Gent op 7 februari 2024 als het parket Antwerpen op 12 februari 2024 komt naar voor dat u, qua eigen antecedenten echter met diverse andere inbreuken/gebeurtenissen in verband kan worden gebracht. Ook zijn er ernstige twijfels met betrekking tot uw motivatie voor heropneming ambt. U geeft aan dat […]: • U steeds uw job als agent graag heeft gedaan; • U uw job steeds op een correcte manier heeft gedaan; • U het ambt van politie waardeert en dit graag opnieuw wil bekleden; • Uw ontslag netjes verlopen is en alleen in functie was van uw opleiding; • U nu een meerwaarde kan bieden aan Politiezone Antwerpen door uw diploma als programmeur; • U houdt van een gestructureerde omgeving; • U een grote liefde heeft voor hiërarchie; • U respect heeft voor de overheid, regels, personen en eigendommen. Als plan B heeft u de private markt, maar dat ziet u echt niet zitten gezien de grote teleurstelling die u hebt opgelopen bij uw vorige werkgever. De liefde voor hiërarchie, het respect voor regels, eigendommen en personen uit u op een vreemde en ongepaste manier. Onderstaande vaststellingen werden immers opgemaakt in de periode 2022 en 2023 voor: • Schriftelijke bedreiging, zonder bevel of voorwaarde 01/09/2023 [...] • Beledigingen / bedreigingen 05/08/2023 (geen proces-verbaal) • Mondelinge bedreiging, met bevel of voorwaarde 27/02/2023 […] • Wildplassen 08/01/2023 […] • Misbruik van vertrouwen 27/10/2022 […] • Opzettelijke slagen / intra familiaal geweld 05/03/2022 […] • Openbare dronkenschap 05/03/2022 […] • Smaad 05/03/2022 […] • Opzettelijke beschadigingen 06/03/2022 […] Er wordt eveneens vastgesteld in de processen-verbaal dat u ongepast en grof taalgebruik hanteert zoals: ‘kutflikken’, ‘hoofdinspecteurke’ en ‘waarom zijn jullie flikken zo'n lullen?’. U zet uw woorden ook kracht bij door tijdens uw verblijf in de bewaarcel tegen de deur te plassen en een stuk uit de matras te bijten om ze vervolgens met uw handen verder te verscheuren. Het negatieve advies inzake het moraliteitsonderzoek in het kader van uw verzoek tot heropneming wordt u aangetekend overgemaakt op 21 februari
  33. De kandidaat voor heropneming van wie wordt geoordeeld dat hij niet van onberispelijk gedrag is, kan daartegen een beroep aantekenen bij de minister, overeenkomstig de procedure bedoeld in de artikelen IV.I.19 tot IV.I.23 RPPol. 2.3 U werd bij aangetekend schrijven van 27 februari 2024 uitgenodigd voor het gezondheidstoezicht om medisch te worden onderzocht in het kader van uw verzoek heropneming ambt op vrijdag 8 maart 2024 om 9u30 in de kantoren van Mensura, XII-9541-12/19 ltaliëlei 2 te 2000 Antwerpen. Dit schrijven werd door u ontvangen op 28 februari
  34. U bood zich aan in het kader van dit onderzoek. Het resultaat van dit onderzoek is: ‘werkhervatting bij huidige werkgever niet aanbevolen’. Het resultaat, gedateerd op 8 maart 2024, werd op 24 april 2024 door de arbeidsarts overgemaakt. Het resultaat van het formulier voor de gezondheidsbeoordeling almede de mogelijkheid om hiertegen beroep aan te tekenen, werden u aangetekend overgemaakt op 24 april
  35. U kan hoger beroep aantekenen tegen de beslissing van ongeschiktheid overeenkomstig de artikelen 64 tot 69 van het koninklijk besluit van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers.
  36. MOTIVERING - Art. 9.3.4 RPPol bepaalt de voorwaarden waaraan de kandidaat voor heropneming moet voldoen. Zo bepaalt art. 9.3.4, 5e lid RPPol: ‘niet het voorwerp zijn van één van de gronden van medische ongeschiktheid bedoeld in artikel 12, eerste lid, 6°, van de wet van 26 april 2002’. Art. 9.3.4, 7e lid van de RPPol stelt dat de kandidaat voor heropneming op het ogenblik van de heropname van onberispelijk gedrag moet zijn. Art. 86bis van de wet houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten stelt: ‘De kandidaat van het operationeel kader die met toepassing van de door de Koning bepaalde regels wenst te worden heropgenomen, maakt het voorwerp uit van een onderzoek van de omgeving en de antecedenten’. In dit artikel wordt de expliciete wettelijke grondslag gecreëerd voor het voeren van een moraliteitsonderzoek ten aanzien van kandidaten voor heropneming. Er dient te worden vastgesteld dat u noch aan het 5e, noch aan het 7e lid van art. 9.3.4 RPPol voldoet: het advies in het kader van het moraliteitsonderzoek van 19 februari 2024 is ongunstig en ook in het kader van uw medische geschiktheid wordt gesteld dat werkhervatting bij uw huidige werkgever niet aanbevolen wordt. - U stelt zich tijdens het onderzoek sociaal wenselijk op, doch u toont zich niet open en transparant op diverse vlakken: - Rond alcoholgebruik; - Rond de diverse contacten met de politie zowel voor als in de periode tussen ambtsneerlegging en verzoek tot heropname. Ook de aard van de feiten waarvoor proces-verbaal werd opgesteld, tonen een weinig integere ingesteldheid: zo wordt zwaar getild aan zaken als misbruik van vertrouwen (27/10/2022), wildplassen waarbij u duidelijk onder invloed was van alcohol

(2023), mondelinge[…] en schriftelijke bedreiging zonder bevel of voorwaarde
(2023), beledigingen en bedreigingen en agressief gedrag in het algemeen, al dan niet in combinatie met alcoholmisbruik. Ook de uitlatingen in het kader van de diverse interventies sedert de datum van ambtsneerlegging tonen een weinig integere en respectvolle houding ten aanzien van politie. Er is een misnoegde houding, niet enkel ten aanzien van de collega’s, maar ook ten aanzien van het ganse gerechtelijke apparaat en meer specifiek Politiezone Antwerpen als werkgever: u stuurt via Messenger dreigende en verontrustende berichten naar een commissaris van Politiezone Antwerpen, evenals naar een collega van deze zone. Dit misnoegde gedrag stelt zich niet één maal maar diverse keren. Deze elementen zijn kennelijk nefast voor de politieorganisatie in het algemeen en de lokale politie en de bevolking in het bijzonder, waardoor dit aandachtspunt wordt ondersteund. Immers, politieambtenaren zijn door hun vak extra kwetsbaar voor sociale invloed en verleidingen tot normoverschrijdend gedrag. Zij beoefenen een vak dat het in situaties brengt die een beroep doen op integriteit. Ook buiten het werk wordt integer ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.354 XII-9541-13/19 gedrag verwacht van de politieambtenaar. De politieambtenaar bekleedt een voorbeeldfunctie en diens gedrag kan schade opleveren voor het politie-imago. Deze continue dienstverantwoordelijkheid kan als druk worden ervaren. Er kan dan ook, gelet op het feit dat er diverse processen-verbaal werden opgesteld sedert de datum [van] uw ambtsneerlegging enerzijds en de aard van de feiten waarvoor meldingen en processen-verbaal [zijn opgemaakt] anderzijds, worden gesteld dat u niet voldoet aan art. 9.3.4,7° van de RPPol, met name dat u op het ogenblik van de heropneming van onberispelijk gedrag bent. U meldde zich aan in het kader van het gezondheidstoezicht omwille van uw verzoek heropneming ambt, waarbij u medisch ongeschikt werd bevonden om het werk te hervatten bij uw huidige werkgever, zijnde Politiezone Antwerpen. U voldoet derhalve evenmin aan de voorwaarde van art. 9.3.4, 5e lid RPPol.
  1. ANALYSE VAN HET VERWEER […].”
  2. Gelet op deze omstandige formele motivering die in concreto aangeeft waarom verzoeker niet van onberispelijk gedrag is, kan verzoeker niet staande houden dat de bestreden beslissing niet afdoende formeel is gemotiveerd.
  3. Wat de aangevoerde schending van de materiëlemotiveringsplicht betreft, stelt de Raad van State vooreerst vast dat verzoeker de omstandige formele motivering van de bestreden beslissing in het geheel niet betrekt in de uiteenzetting van zijn grief dat de bestreden beslissing, in de mate dat ze oordeelt dat verzoeker niet van onberispelijk gedrag is, niet steunt op in rechte en in feite aanvaardbare motieven. Voorts stelt de Raad van State vast dat verzoeker de feiten en vaststellingen waarop de bestreden beslissing steunt om te besluiten dat verzoeker niet van onberispelijk gedrag is, als zodanig niet betwist. Verzoeker voert enkel aan dat “de nodige medische omkadering” ontbreekt en dat, gelet op het ontbreken van een zorgvuldig medisch onderzoek, deze feiten en vaststellingen “niet in hun correcte context” kunnen worden geplaatst. De niet-betwiste feiten en vaststellingen, waarop de bestreden beslissing steunt om te besluiten dat verzoeker niet van een onberispelijk gedrag getuigt, volstaan in het licht van de materiëlemotiveringsplicht. Zoals hiervoor is uiteengezet (zie supra, nr. 14), komt het immers verzoeker toe om aanwijzingen te verschaffen die het vermoeden wettigen of aantonen dat de door het bestuur in aanmerking genomen feiten en vaststellingen niet juist zijn. Verzoeker doet dit niet. XII-9541-14/19
  4. In de mate dat verzoeker aanvoert dat die feiten en vaststellingen niet in hun correcte context kunnen worden geplaatst door het ontbreken van een degelijk en zorgvuldig medisch onderzoek, en bijgevolg, de nodige omkadering inzake de medische en mentale gezondheid ontbreekt, stelt de Raad van State vooreerst vast dat verzoeker een verkeerde finaliteit toedicht aan het onderzoek naar de medische geschiktheid, bedoeld in artikel IX.III.4 van het RPPol. Luidens artikel 12, eerste lid, 6°, van de wet van 26 april 2002 ‘houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten’ (hierna: wet van 26 april 2002) waarnaar artikel IX.III.4 verwijst, heeft dit onderzoek immers tot doel na te gaan of verzoeker “over de vereiste fysieke vaardigheden beschik[t] en vrij [is] van alle gebreken die onverenigbaar zijn met de eisen van het ambt”. Dit medisch onderzoek heeft aldus niet tot doel om na te gaan of de bevindingen in het kader van het moraliteitsonderzoek, dat luidens artikel IX.III.9bis van het RPPol wordt gevoerd om na te gaan of de vereiste bepaald bij artikel IX.III.4, 7°, van het RPPol is vervuld, al dan niet binnen een bepaalde medische of mentale context moeten worden gekaderd. Het onderzoek naar de medische geschiktheid en het moraliteitsonderzoek zijn twee van elkaar losstaande onderzoeken ter beoordeling van twee eveneens van elkaar losstaande doch cumulatieve voorwaarden waaraan een kandidaat voor heropneming moet voldoen.
  5. In de mate dat verzoeker oordeelt dat de bevindingen uit het moraliteitsonderzoek in een welbepaalde context moeten worden geplaatst, of nog, dat een omkadering inzake zijn “medische en mentale gezondheid” vereist is – daargelaten of dat de beoordeling dat verzoeker niet van onberispelijk gedrag is aan het wankelen kan brengen (zie supra, nr. 20) –, komt het verzoeker toe die context of omkadering aan te dragen. Wie aanvoert dat zijn gezondheidstoestand de bevindingen van het moraliteitsonderzoek in een ander daglicht zou plaatsen, draagt daarvan de bewijslast. Dit betekent dat de betrokkene het bewijs van de aangevoerde gezondheidstoestand moet leveren, alsook het bewijs dat de feiten vastgesteld in het moraliteitsonderzoek, op het ogenblik dat ze zich voordeden, ingevolge die aangeleverde context niet de conclusie kunnen wettigen dat verzoeker niet van onberispelijk gedrag is. Van een verschoningsgrond – wat ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.354 XII-9541-15/19 verzoeker te dezen overigens niet met zoveel woorden aanvoert – kan slechts sprake zijn, wanneer de betrokkene aantoont dat de vastgestelde feiten te wijten zijn aan omstandigheden die volledig buiten zijn wil gelegen zijn. Verzoeker faalt in deze bewijslast. Verzoeker kan de op hem rustende bewijslast voorts niet afwentelen op het bestuur. In de mate dat hij het gebrek aan een degelijk en zorgvuldig medisch onderzoek aanvoert of de wettigheid van de beslissing inzake de medische geschiktheid betwist, faalt dit argument in rechte. In de mate dat verzoeker in dezelfde grieven voorts een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de materiëlemotiveringsplicht ontwaart, faalt het middelonderdeel bijgevolg evenzeer.
  6. Verzoeker kan het tekortschieten aan zijn stelplicht niet verhelpen door in zijn laatste memorie – na kennisname van het auditoraatsverslag waarin verzoeker op die stelplicht wordt gewezen – alsnog één en ander “te verduidelijken” met een uitgebreide toelichting. In de mate dat verzoeker in zijn laatste memorie aanvoert wat hij reeds in het verzoekschrift had kunnen aanvoeren, wordt die argumentatie niet in aanmerking genomen. De laatste memorie, die wezenlijk ertoe strekt de partijen de kans te bieden te reageren op het auditoraatsverslag, wordt immers oneigenlijk gebruikt en het normale verloop van de rechtsgang wordt verstoord, indien zou worden aangenomen dat ze kan worden aangewend om een argumentatie die eerder kon worden gevoerd maar niet werd gevoerd, en die de auditeur-verslaggever niet in zijn onderzoek van de zaak heeft kunnen betrekken, alsnog mede tot voorwerp van het tegensprekelijk debat te maken.
  7. Tot slot voert verzoeker aan dat de voorwaarde dat hij van onberispelijk gedrag moet zijn, moet worden beoordeeld op het ogenblik van de heropneming en dat de bestreden beslissing steunt op gebeurtenissen “uit het (recente) verleden”, daterend van meer dan acht maanden voor de datum van de bestreden beslissing. XII-9541-16/19
  8. Ook dit argument faalt. Luidens artikel IX.III.4 van het RPPol moet de kandidaat voor heropneming “op het ogenblik van de heropneming van onberispelijk gedrag zijn”. Om na te gaan of aan die voorwaarde is voldaan, wordt overeenkomstig artikel IX.III.9bis van het RPPol een moraliteitsonderzoek gevoerd. Uit de bestreden beslissing blijkt dat zij steunt op negen verschillende meldingen en processen-verbaal in de periode 2022-2023, alsook, in niet onbelangrijke mate, op het gesprek van 15 februari 2024 tussen verzoeker en de korpschef van zijn woonplaats in het kader van het moraliteitsonderzoek, om te besluiten dat verzoeker niet van onberispelijk gedrag is (zie supra, nr. 18). Verzoeker zet niet uiteen waarom de verwerende partij niet op die gegevens zou mogen steunen om te besluiten dat verzoeker “op het ogenblik van de heropneming” niet van onberispelijk gedrag is. Verzoeker suggereert, maar maakt geenszins aannemelijk, dat de beslissing of verzoeker van onberispelijk gedrag is een momentopname zou moeten zijn, waarbij abstractie zou moeten worden gemaakt van de vaststellingen gedaan in het recente verleden. Het komt nochtans aan verzoeker toe om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van het bestuur niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Verzoeker faalt in die bewijslast. Het formuleren door verzoeker van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken, zonder enig begin van bewijs, volstaat daartoe immers niet (zie supra, nr. 15). In de mate dat verzoeker in dit verband nog aanvoert dat zijn medische en mentale toestand “op het ogenblik van heropneming” totaal verschillend is van zijn medische en mentale toestand ten tijde van de in de bestreden beslissing aangehaalde gebeurtenissen, stelt de Raad van State vast dat verzoeker desbetreffend geen enkel stuk bijbrengt en derhalve opnieuw faalt in de op hem rustende bewijslast.
  9. Het tweede onderdeel van het enig middel is ongegrond. XII-9541-17/19 B. Eerste onderdeel
  10. In het eerste middelonderdeel betwist verzoeker de wettigheid van het onderzoek van de medische geschiktheid, gevoerd overeenkomstig de artikelen IX.III.6 en IX.III.7 van het RPPol om na te gaan of verzoeker niet het voorwerp is van één van de gronden van medische ongeschiktheid bedoeld in artikel 12, eerste lid, 6°, van de wet van 26 april 2002, met andere woorden, om na te gaan of verzoeker beantwoordt aan de voorwaarde voor heropneming bepaald in artikel IX.III.4, 5° van het RPPol.
  11. Zoals hiervoor werd vastgesteld (zie supra, nr. 17), moet aan de in artikel IX.III.4 van het RPPol vermelde voorwaarden door de kandidaat cumulatief worden voldaan. Uit de beoordeling van het tweede onderdeel van het enig middel is gebleken dat verzoeker er niet in slaagt de onwettigheid aan te tonen van de bestreden beslissing in de mate dat ze steunt op het motief dat verzoeker niet van onberispelijk gedrag is. Dat motief volstaat om de bestreden beslissing te schragen. Het eerste onderdeel van het enig middel kan bijgevolg niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden, zelfs niet indien het gegrond zou worden bevonden. Uit wat voorafgaat, volgt immers dat de kritiek van verzoeker op het onderzoek van de medische geschiktheid het niet onwettig bevonden schragende motief van de bestreden beslissing niet in het gedrang kan brengen. Verzoeker heeft derhalve geen belang bij het onderzoek van het eerste onderdeel van het enig middel. C. Conclusie
  12. Het enig middel is, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond. XII-9541-18/19 BESLISSING
  13. De Raad van State verwerpt het beroep.
  14. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negen januari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Chantal Bamps XII-9541-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.354 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.