← België

Arrest 265355 - Tucht (openbaar ambt) - 09/01/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.355 Rolnummer: A. 242879/XII-9761 Zaak: Arrest 265355 - Tucht (openbaar ambt) - 09/01/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-01-19 Raadplegingen: 203 - laatst gezien 2026-06-18 06:13 Fiche Arrest nr 265.355 van 9 januari 2026 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.355 no lien 286972 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 265.355 van 9 januari 2026 in de zaak A. 242.879/XII-9761 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marlies De Raeve kantoor houdend te 3520 Zonhoven Spierhoofseweg 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE 5341 ANDERLECHT – SINT-GILLIS – VORST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jérôme Sohier en Manoël De Keukelaere kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 181/24 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 3 september 2024, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de hogere tuchtoverheid van 8 juli 2024 waarbij aan verzoeker de tuchtstraf van de afzetting wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. XII-9761-1/19 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 november
  3. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Cynthia Petroons, die loco advocaat Marlies De Raeve verschijnt voor verzoeker, en advocaat Lisa Yona Costa, die loco advocaten Jérôme Sohier en Manoël De Keukelaere verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker was inspecteur van politie bij de lokalepolitiezone. 3.
  6. Op 15 december 2016 verneemt de gewone tuchtoverheid dat ten laste van verzoeker een gerechtelijk onderzoek loopt voor feiten van oplichting en opzettelijke brandstichting en dat hij door de onderzoeksrechter werd aangehouden. Inzage in het gerechtelijk dossier wordt door het parket geweigerd in het belang van het gerechtelijk onderzoek. 3.
  7. Op 23 december 2016 beslist de gewone tuchtoverheid om toepassing te maken van artikel 56, tweede lid, van de wet van 13 mei 1999 XII-9761-2/19 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: tuchtwet). 3.
  8. Op 16 januari 2017 vraagt de dienst “Interne Toezicht” van de verwerende partij aan de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde om op de hoogte te worden gehouden van de stand van zaken en dat toestemming zou worden verleend tot gebruik met inzage van dit dossier in administratieve zaken. 3.
  9. Op 30 januari 2017 maakt de gewone tuchtoverheid de zaak aanhangig bij de hogere tuchtoverheid. 3.
  10. Op 14 februari 2017 wordt verzoeker gehoord in het kader van het voornemen van het politiecollege om verzoeker bij ordemaatregel voorlopig te schorsen. Tijdens dat verhoor verklaart verzoeker dat hij onschuldig is en dat hij een neuropsychiatrisch onderzoek onderging met als resultaat dat hij geen pyromaanprofiel heeft noch enige andere vorm van persoonlijkheidsstoornis. 3.
  11. Op 24 februari 2017 vraagt de dienst “Interne Toezicht” van de verwerende partij aan de procureur des Konings van Brussel om op de hoogte te worden gehouden van de stand van zaken en dat toestemming zou worden verleend tot gebruik met inzage van dit dossier in administratieve zaken. Deze vraag wordt herhaald op 31 augustus 2017 en op 8 december
  12. 3.
  13. Op 20 december 2017 antwoordt het parket van Brussel: “Het onderzoek naar de feiten waarvan INP […] verdacht wordt, behoort tot de bevoegdheid van de heer procureur des Konings te Halle-Vilvoorde. Het gerechtelijk onderzoek wordt gevoerd door de heer onderzoeksrechter [D.C.]. Het parket te Brussel is geen meester van dit dossier; is niet bevoegd om u inzage/kopij te verlenen noch om enige daad van onderzoek of vervolging te verrichten. Wanneer een lid van een politiedienst van het Brussel Hoofdstedelijk Gewest betrokken [is] in een strafonderzoek, treedt het parket te Brussel slechts op als ‘single point of contact’ voor de tuchtoverheid, met als doel de doorstroming van informatie van de verschillende betrokken gerechtelijke instanties naar de tuchtoverheid te faciliteren. Nu (onder meer uit uw schrijven) blijkt [dat] dit niet als XII-9761-3/19 een meerwaarde gepercipieerd wordt, werd besloten dat het parket te Brussel niet langer zal investeren in deze informatiegaring bij andere gerechtelijke instanties. Voor verdere informatie over dit onderzoek dient u zich te wenden tot het ambt van de heer procureur des Konings te Halle-Vilvoorde. In de toekomst zal ik u enkel kunnen inlichten over strafonderzoeken die tot de bevoegdheid van het parket te Brussel behoren.” 3.
  14. Op 26 maart 2018 vraagt de dienst “Interne Toezicht” van de verwerende partij aan de procureur des Konings van Brussel om op de hoogte te worden gehouden van de stand van zaken en dat toestemming zou worden verleend tot gebruik met inzage van dit dossier in administratieve zaken. 3.
  15. Op 20 maart 2018 meldt het parket van Halle-Vilvoorde dat de strafprocedure ten laste van verzoeker wordt ingeleid op de zitting van 6 juni
  16. Het parket verleent “toestemming tot inzage en kopiename van het dossier, dat zich bevindt op de ‘griffie vastgestelde zaken’ van deze rechtbank”. 3.
  17. Op 11 juli 2018 vraagt de dienst “Interne Toezicht” van de verwerende partij aan de procureur des Konings van Brussel om op de hoogte te worden gehouden van de stand van zaken en dat toestemming zou worden verleend tot gebruik met inzage van dit dossier in administratieve zaken. 3.
  18. Op 11 oktober 2018 meldt het parket van Halle-Vilvoorde: “Ik verwijs naar mijn brief van 20 maart 2018 met betrekking tot het strafdossier lastens inspecteur […]. Hierbij wens ik nog te verduidelijken dat u de inhoud van het strafdossier mag gebruiken voor administratieve doeleinden. Brengt u mij op de hoogte indien u eventuele disciplinaire maatregelen zou nemen?” 3.
  19. Bij vonnis van 10 januari 2019, uitgesproken door de 24e kamer van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, afdeling Strafzaken, is verzoeker veroordeeld voor verschillende tenlasteleggingen die verband houden met valsheid in geschifte, opzettelijke brandstichting en oplichting. 3.14 Op 13 maart 2019 legt de voorafgaand onderzoeker zijn verslag neer. XII-9761-4/19 3.
  20. Op 20 maart 2019 stelt de hogere tuchtoverheid het inleidend verslag op met daarin het voornemen om de zware tuchtstraf van de afzetting op te leggen. Verzoeker dient op 10 april 2019 een schriftelijk verweer in. In dat schriftelijk verweer worden de ten laste gelegde feiten “op de meest formele wijze” ontkend en wordt onder meer gevraagd om te wachten met het opleggen van een tuchtstraf tot er een definitieve strafrechtelijke beslissing is. Verzoeker is niet ingegaan op de mogelijkheid om mondeling te worden gehoord. 3.16 Op 2 mei 2019 stelt de hogere tuchtoverheid voor de zware tuchtstraf van de afzetting op te leggen. Tegen dat voorstel dient verzoeker een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad. 3.
  21. Het proces-verbaal van de hoorzitting bij de Tuchtraad op 24 september 2019 vermeldt onder meer: “
  22. De afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid stelt dat het aangewezen kan zijn om te wachten op een arrest van het Hof van Beroep.
  23. De raadsman van verzoeker krijgt het woord en vraagt ook het uitstel van de zaak.” 3.
  24. Op 23 oktober 2019 adviseert de Tuchtraad in een tussenadvies: “Zegt dat de tuchtzaak dient uitgesteld te worden tot wanneer de strafrechter definitief uitspraak doet over de strafvordering en op vraag van de tuchtoverheid terug op de agenda van de Tuchtraad zal worden gebracht.” Dit tussenadvies steunt op de volgende motivering: “[…] Hetgeen volgens de Tuchtraad inzake problematisch voorkomt, is het gegeven dat de tuchtoverheid voor wat het bewijs van de feiten betreft enkel en alleen verwijst naar het voormeld vonnis van 10 januari 2019 van de rechtbank van eerste aanleg ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.355 XII-9761-5/19 Brussel, waarvan oorspronkelijk zelfs geen afschrift in het tuchtdossier gevoegd werd en dat slechts gevoegd werd aan het dossier op vraag van de Tuchtraad. Het is inzake duidelijk dat het bewijs van de ten laste gelegde tuchtfeiten in het voorstel van zware tuchtstraf enkel gemotiveerd wordt als volgt: ‘deze feiten blijken afdoende uit het strafdossier en in het bijzonder uit het vonnis van de correctionele rechtbank’. De tuchtoverheid kan het materiële bestaan van de feiten bewezen achten enkel en alleen op grond van de strafrechtelijke uitspraak, op basis van het gegeven dat de strafrechtelijke uitspraak gezag van gewijsde erga omnes heeft doch dit geldt enkel voor een definitieve strafrechtelijke uitspraak. Er dient wel op gewezen te worden dat het vonnis van 10 januari 2019 echter niet behept is met het strafrechtelijk gewijsde nu de verzoeker op 14 januari 2019 daartegen hoger beroep heeft aangetekend zodat zowel qua feiten als bewijs als toerekenbaarheid op heden nog niets vaststaat op strafrechtelijk gebied. Het zorgvuldigheidsbeginsel impliceert dat indien de tuchtoverheid, met de beperkte onderzoeksmiddelen die zij ter beschikking heeft, zelf niet kan bewijzen dat het personeelslid de feiten heeft gepleegd zij haar beslissing zal moeten uitstellen tot de strafrechter uitspraak heeft gedaan. Aldus komt het, volgens de Tuchtraad, gepast voor dat de tuchtoverheid de definitieve beslissing van de strafrechter zal dienen af te wachten alvorens een definitieve tuchtbeslissing zal kunnen genomen worden.” 3.
  25. Op 26 juni 2023 bevestigt het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, het voormelde vonnis van de rechtbank van eerste aanleg, behalve wat de straftoemeting betreft. 3.
  26. Op 28 november 2023 vernietigt het Hof van Cassatie het voormelde arrest van het hof van beroep “in zoverre dit de eiser veroordeelt tot straf en tot betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds”. Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen. 3.
  27. Op 22 maart 2024 vraagt de verwerende partij aan de Tuchtraad om de procedure verder te zetten. 3.
  28. Op 11 juni 2024 adviseert de Tuchtraad: “dat de ten laste gelegde feiten, zoals omschreven in punt 3.1 en zoals bedoeld onder de feiten C, D, E, F en H bedoeld in het voorstel tot zware tuchtstraf blz. 5 onderaan en 6, bewezen zijn en aan verzoeker dienen te worden toegerekend; dat de feiten een tuchtinbreuk uitmaken in de zin van art. 3 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten; dat de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde zware tuchtstraf van de afzetting een gepaste straf is.” XII-9761-6/19 3.
  29. Op 8 juli 2024 beslist de hogere tuchtoverheid aan verzoeker de zware tuchtstraf van de afzetting op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  30. Artikel 86, tweede lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: algemeen procedurereglement) bepaalt dat het administratief dossier wordt overgemaakt met een inventaris van de stukken waaruit het samengesteld is. In het auditoraatsverslag wordt dienaangaande het volgende vastgesteld, waarbij de Raad van State zich aan sluit: “Volgens de inventaris van de verwerende partij zou het administratief dossier uit slechts 4 stukken bestaan, waaronder ‘
  31. Tuchtdossier’. Het administratief dossier, zoals het opgeladen werd op het e-platform telt evenwel 42 stukken waarvan het merendeel tot het ‘Tuchtdossier’ behoren. Vastgesteld moet worden dat dit een onoverzichtelijk kluwen aan stukken betreft, deels in het Nederlands deels in het Frans, waarin een olifant werkelijk haar jongen niet vindt. Het had de verwerende partij ertoe moeten aanzetten om een afzonderlijke, duidelijke en genummerde inventaris op te maken van het ‘Tuchtdossier’. Nu dit niet is gebeurd, kan in het onderhavige verslag evenmin op een zinnige wijze naar de concrete stukken van het administratief dossier worden verwezen.” Zelfs na kennisname van het auditoraatsverslag heeft dit de verwerende partij er niet toe aangezet om het tuchtdossier behoorlijk te inventariseren, zodat uiteindelijk de Raad van State met toepassing van artikel 23 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de verwerende partij heeft moeten vragen om een inventaris van het stuk 1 in te dienen. Dat dit geen overbodige vraag was, blijkt uit de vaststellingen dat de in extremis neergelegde inventaris van stuk 1 vier bladzijden omvat en stuk 1 uit 2088 bladzijden bestaat. Hoewel aan de niet-naleving van de bepalingen van artikel 86, tweede lid, van het algemeen procedurereglement geen formele sanctie is XII-9761-7/19 verbonden, onderstreept de Raad van State het belang van een behoorlijk geïnventariseerd dossier, zowel ten behoeve van het onderzoek door het auditoraat, als om zijn wettigheidstoezicht op de bestreden beslissing uit te oefenen. Dit impliceert dat stukken die zelf uit een reeks andere stukken bestaan, zoals te dezen een tuchtdossier, eveneens moeten worden geïnventariseerd overeenkomstig artikel 86, tweede lid, van het algemeen procedurereglement, daar van partijen wordt vereist dat zij hun medewerking verlenen aan de rechter. V. Onderzoek van het tweede middel Uiteenzetting van het middel
  32. Verzoeker voert in het tweede middel de schending aan van artikel 56 van de tuchtwet, het zorgvuldigheidsbeginsel en de redelijketermijneis. De samenvatting van het tweede middel in het verzoekschrift luidt: “
  33. Doordat het inleidend verslag niet betekend werd aan verzoeker binnen de zes maanden na kennisneming van de feiten werd de verjaringstermijn van artikel 56, tweede lid van de Wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten geschonden.
  34. De hogere tuchtoverheid heeft daarnaast het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden door op 26.03.2018 en op 11.07.2018 het parket van Brussel aan te schrijven om toestemming te vragen tot gebruik met inzage van dit dossier in administratieve zaken, terwijl zij reeds op 20.12.2017 op de hoogte werd gebracht door het parket van Brussel dat het parket van Halle-Vilvoorde in casu bevoegd is en niet het parket van Brussel. Bovendien werd er op 20.03.2018 door het parket van Halle-Vilvoorde reeds toestemming verleend tot inzage, maar werd er door de hogere tuchtoverheid niet diligent gehandeld naar aanleiding van dit schrijven. Door niet als een zorgvuldige en diligente overheid op te treden, werd eveneens het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijke termijn beginsel geschonden.” Verzoeker licht verder toe dat het parket van Brussel driemaal wordt aangeschreven door de dienst “Interne Toezicht” van de verwerende partij met de vraag om toestemming te verlenen “tot gebruik met inzage van dit dossier in administratieve zaken”, dat het parket van Brussel op 20 december 2017 laat weten dat het parket van Halle-Vilvoorde bevoegd is, maar desondanks op 26 maart 2018 en 11 juli 2018 opnieuw het parket van Brussel wordt aangeschreven. Op 20 maart 2018 verleent het parket van Halle-Vilvoorde de toestemming tot inzage en XII-9761-8/19 kopiename, waarna de verwerende partij op 11 juli 2018 opnieuw het parket van Brussel aanschrijft met de vraag tot inzage, waarna het parket van Halle-Vilvoorde op 11 oktober 2018 aan de verwerende partij verduidelijkt dat de inhoud van het strafdossier mag worden gebruikt voor administratieve doeleinden. Verzoeker besluit uit deze chronologie dat de hogere tuchtoverheid al op 20 maart 2018 kennis had kunnen nemen van het strafdossier en dat het zorgvuldigheidbeginsel wordt geschonden door telkens opnieuw het parket van Brussel aan te schrijven, terwijl dit parket had laten weten dat het parket van Halle-Vilvoorde bevoegd was. Voorts zet verzoeker uiteen dat de hogere tuchtoverheid niets heeft gedaan met de toestemming van het parket van Halle-Vilvoorde op 20 maart 2018 “tot gebruik met inzage” van het strafdossier. Mocht de hogere tuchtoverheid oordelen dat die brief niet duidelijk genoeg was, dan had zij volgens verzoeker meteen moeten vragen of het dossier ook mocht worden gebruikt in administratieve zaken, wat zij niet doet, daar zij verschillende maanden laat verstrijken. Door niet zorgvuldig noch diligent op te treden, schendt de verwerende partij volgens verzoeker ook de redelijketermijneis. Voorts voert verzoeker de verjaring van de tuchtfeiten aan. Hij wijst erop dat het inleidend verslag op 20 maart 2019 wordt opgesteld en dat daarin wordt vermeld dat de hogere tuchtoverheid kennis nam van het strafdossier op 11 oktober 2018 en dat haar op diezelfde datum toestemming werd verleend om het strafdossier te gebruiken in een tuchtprocedure. Volgens verzoeker is dat niet juist. Hij voert aan dat al op 20 maart 2018 toestemming werd gegeven tot inzage van het strafdossier en dat mag worden aangenomen dat de afgifte van een kopie van het strafdossier, behoudens andersluidende vermelding, de toelating inhoudt om van de stukken gebruik te maken in een tuchtprocedure. Het parket van Halle-Vilvoorde antwoordde op 20 maart 2018 immers op een brief van de verwerende partij waarin uitdrukkelijk om toestemming wordt gevraagd om het strafdossier in administratieve zaken te mogen gebruiken. Dat de brief van 20 maart 2018 de toestemming inhield om het strafdossier te gebruiken, blijkt volgens verzoeker ook uit de e-mail van het parket van Halle-Vilvoorde van 11 oktober 2018 waarin wordt verwezen naar die brief, die wordt verduidelijkt. Verzoeker wijst er ook op dat de brief van 20 maart 2018 is gericht aan de dienst “Interne Toezicht”, zodat het volgens verzoeker duidelijk is dat het parket weet dat die brief gaat over het tuchtrechtelijk aspect van de zaak en niet aan de politiezone is gericht als burgerlijke partij. Bijgevolg is niet 11 oktober 2018, maar wel 20 maart 2018 XII-9761-9/19 de datum van kennisneming van de feiten door de hogere tuchtoverheid, zodat het inleidend verslag niet werd betekend binnen de verjaringstermijn.
  35. In de memorie van wederantwoord voegt verzoeker hieraan toe dat de mogelijkheid om de tuchtvordering uit te stellen overeenkomstig artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet de uitzondering op de regel is en te dezen de hogere tuchtoverheid in het inleidend verslag besliste om artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet niet toe te passen, zodat moet worden nagegaan wanneer de tuchtoverheid over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikte overeenkomstig artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet. Voorts voert verzoeker aan dat de verwerende partij in de memorie van antwoord een tegenstrijdige houding aanneemt, daar zij eensdeels aanvoert dat het vonnis van 10 januari 2019 doorslaggevend was om het inleidend verslag op te stellen, maar anderdeels niet de gerechtelijke eindbeslissing afwacht. Als de hogere tuchtoverheid beslist om niet de gerechtelijke eindbeslissing af te wachten, had zij het inleidend verslag moeten betekenen binnen de zes maanden na kennisname van het strafdossier.
  36. In de laatste memorie sluit verzoeker zich aan bij het auditoraatsverslag en voert hij aan dat de verwerende partij voorbijgaat aan een essentieel punt, met name dat de hogere tuchtoverheid er zelf voor koos niet de gerechtelijke eindbeslissing af te wachten. Deze keuze heeft tot gevolg dat artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet niet langer van toepassing is. Dat de Tuchtraad nadien heeft beslist de tuchtprocedure te schorsen, doet geen afbreuk aan het feit dat het inleidend verslag werd betekend buiten de verjaringstermijn. Beoordeling Eerste grief: schending van artikel 56 van de tuchtwet
  37. Verzoeker voert vooreerst de schending aan van artikel 56 van de tuchtwet, met name dat de tuchtfeiten verjaard zijn. XII-9761-10/19
  38. Artikel 56, eerste en tweede lid, van de tuchtwet luidt: “De betekening van het inleidend verslag aan het personeelslid moet geschieden binnen zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid. Bij ontstentenis en onder voorbehoud van het tweede lid, kan geen tuchtvordering meer worden ingesteld. In het geval dat een opsporingsonderzoek loopt of de strafvervolging is ingesteld voor dezelfde feiten, begint die termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen of dat het dossier geseponeerd is dan wel de strafvordering vervallen is.” Artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet verplicht de tuchtoverheid om binnen een bepaalde termijn de tuchtprocedure op te starten, hetgeen gebeurt met de kennisgeving van het inleidend verslag aan de betrokkene. Het gaat om een vervaltermijn waarna geen tuchtvordering meer kan worden ingesteld. Deze bepaling garandeert de politieambtenaar dat hij korte tijd nadat de tuchtoverheid op de in de wet bepaalde wijze kennis heeft van de feiten, uitsluitsel krijgt over zijn onzekere situatie. Van een kennisneming of vaststelling van tuchtfeiten in de zin van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet is slechts sprake op het ogenblik dat de tuchtoverheid met betrekking tot die feiten over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt. Het is ook pas dan dat deze verjaringstermijn ingaat. Artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet biedt de tuchtoverheid de mogelijkheid – maar niet de verplichting – om de tuchtrechtelijke vervolging uit te stellen tot de gerechtelijke overheden hun onderzoek hebben beëindigd. Het maakt het de tuchtoverheid mogelijk om, wanneer zij twijfels heeft over de wezenlijke elementen die in een tuchtzaak aan de orde zijn – het bewijs van de feiten die de betrokkene gepleegd heeft, de ernst van de feiten en schuld van de betrokkene, de tuchtrechtelijke kwalificatie en de weerslag van de feiten op de werking van de dienst –, een definitieve uitspraak van de strafrechter af te wachten. De verwijzing naar artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet kan evenwel slechts deugdelijk het uitstel van de tuchtvordering verantwoorden wanneer de tuchtoverheid op grond van een eigen onderzoek geen voldoende klaarheid in de zaak heeft kunnen brengen. De tuchtoverheid heeft immers de verplichting om een tuchtzaak binnen een redelijke termijn af te handelen en het bestaan van een strafonderzoek is op ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.355 XII-9761-11/19 zich geen deugdelijke reden om de tuchtvordering niet op te starten. Er is slechts reden om de tuchtvordering uit te stellen wanneer de tuchtoverheid er niet in slaagt om met een eigen onderzoek een duidelijk zicht te krijgen op het bestaan en de ernst van de feiten en om zich aldus een beeld te vormen van de noodzaak van een tuchtrechtelijke vervolging. De omstandigheid dat de tuchtoverheid aanvankelijk van oordeel is dat zij niet voldoende voorgelicht is om zonder de gegevens van het strafonderzoek tuchtrechtelijk op te treden, belet niet dat de tuchtoverheid na verloop van tijd tot andere inzichten komt en alsnog voor het – definitief – afsluiten van de strafrechtelijke procedure, tuchtrechtelijk optreedt met de gegevens waarover zij op dat ogenblik beschikt. De mogelijkheid om de tuchtvordering uit te stellen, moet derhalve worden opgevat als een uitzondering op de regel waarvan slechts gebruik mag worden gemaakt wanneer de tuchtoverheid op basis van een eigen onderzoek er niet in slaagt om alle gegevens, die van wezenlijk belang kunnen zijn voor het tuchtrechtelijk optreden, te achterhalen. Een en ander heeft tot gevolg dat de Raad van State, wanneer een verzoeker aanvoert dat de tuchtvordering ten onrechte gekoppeld is aan de afloop van de gerechtelijke procedure, desgevraagd nagaat of de tuchtoverheid niet op grond van het eigen onderzoek over voldoende gegevens beschikte om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen en of zij wel voldoende inspanningen heeft geleverd om zelf klaarheid in de zaak te brengen. Bij de beoordeling van de vraag wanneer de gegevens waarover de (hogere) tuchtoverheid beschikt, volstaan om de tuchtvordering op te starten en daartoe een inleidend verslag op te stellen, met andere woorden wanneer de tuchtoverheid zich een duidelijk beeld kan vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan de politieambtenaar, beschikt deze overheid over een ruime beoordelingsbevoegdheid. De Raad van State is bij de beoordeling hiervan enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. XII-9761-12/19 Het is voorts aan verzoeker, die de schending van artikel 56 van de tuchtwet aanvoert, om het bewijs te leveren dat de door die bepaling voorgeschreven verjaringstermijn niet werd nageleefd.
  39. Niet wordt betwist dat de hogere tuchtoverheid aanvankelijk de kennisneming van de gerechtelijke eindbeslissing heeft afgewacht alvorens de tuchtprocedure op te starten. Zij maakte aldus toepassing van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet (zie supra, nr. 3.3). Uit het inleidend verslag van 20 maart 2019 blijkt dat de hogere tuchtoverheid zowel voor de uiteenzetting van de feiten, de kennisneming van de feiten, als het vaststaan van de feiten verwijst naar het vonnis van 10 januari 2019 van de 24e kamer van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, afdeling Strafzaken. Het inleidend verslag vermeldt dat uit dit vonnis blijkt aan welke concrete feiten verzoeker zich schuldig heeft gemaakt, alsook dat het erop lijkt “dat het eigen onderzoek en in het bijzonder het vonnis van de correctionele rechtbank voldoende klaarheid kan brengen om een tuchtrechtelijk optreden toe te laten”. Uit het inleidend verslag blijkt met andere woorden dat de hogere tuchtoverheid van oordeel was dat zij op basis van het voormelde vonnis over voldoende gegevens beschikte om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat, door in het inleidend verslag alzo te oordelen, de hogere tuchtoverheid heeft beslist om geen toepassing (meer) te maken van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet. Verzoeker voert voorts aan dat de hogere tuchtoverheid kennis kreeg van het strafdossier op 20 maart 2018, zodat het inleidend verslag niet werd betekend binnen de verjaringstermijn van zes maanden. De verwerende partij van haar kant, plaatst zich op het standpunt dat de verjaringstermijn gelet op artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet pas is beginnen lopen op 28 november 2023, het ogenblik dat er een gerechtelijke eindbeslissing was. XII-9761-13/19
  40. Centraal staat aldus de vraag of op het door verzoeker aangehaalde tijdstip de (hogere) tuchtoverheid de vereiste voldoende zekerheid had om de tuchtvordering op te starten en daartoe een inleidend verslag op te stellen, met andere woorden of de tuchtoverheid zich op dat ogenblik een duidelijk beeld kon of moest vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan verzoeker derwijze dat er op dat ogenblik sprake was van een kennisneming in de zin als hiervoor is gesteld.
  41. Verzoeker situeert het startpunt van de verjaringstermijn op 20 maart 2018, tijdstip waarop de hogere tuchtoverheid de toelating verkreeg tot kopiename van het strafdossier. Verzoeker licht evenwel op geen enkele wijze toe waarom die datum als startpunt voor de verjaringstermijn in aanmerking moet worden genomen. Het klopt, zoals verzoeker aanvoert, dat in het inleidend verslag wordt vermeld dat op 11 oktober 2018 kennis kon worden genomen van het strafdossier, maar dat dit eerder gebeurde, hoewel niet reeds op 20 maart 2018 zoals verzoeker aanvoert, daar uit het tuchtdossier blijkt dat het omvangrijke strafdossier niet meteen na de toelating van 20 maart 2018 kon worden bezorgd omdat het eerst op CD-rom moest worden gezet. Uit het inleidend verslag blijkt evenwel dat de hogere tuchtoverheid zich niet op de kennisname van het strafdossier baseert om te beslissen dat zij over “voldoende klaarheid” beschikt om een tuchtrechtelijk optreden toe te laten, maar wel op het vonnis van 10 januari
  42. In de mate dat het middel ervan uitgaat dat voor de hogere tuchtoverheid de kennisname van het strafdossier bepalend was om de verjaringstermijn te doen lopen, mist het feitelijke grondslag. Voorts toont verzoeker niet aan dat de hogere tuchtoverheid zich louter op basis van het strafdossier een duidelijk beeld kon vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan de politieambtenaar. Het argument, zoals verzoeker aanvoert in de memorie van wederantwoord, dat de hogere tuchtoverheid niet kan worden geacht het vonnis van 10 januari 2019 essentieel te hebben bevonden om over te gaan tot de betekening van het inleidend verslag, omdat het niet eens bij het tuchtdossier was gevoegd, doet niet anders oordelen. Zoals verzoeker overigens zelf aanvoert, stelt de Raad van State immers vast dat het strafdossier op het tijdstip van betekening van het inleidend verslag evenmin was gevoegd bij het tuchtdossier. XII-9761-14/19
  43. Net zoals de omstandigheid dat de tuchtoverheid aanvankelijk van oordeel is dat zij niet voldoende voorgelicht is om tuchtrechtelijk op te treden, niet belet dat de tuchtoverheid na verloop van tijd tot andere inzichten komt en alsnog voor het – definitief – afsluiten van de strafrechtelijke procedure, tuchtrechtelijk optreedt met de gegevens waarover zij op dat ogenblik beschikt (zie supra, nr. 9), kan niet worden uitgesloten dat een tuchtoverheid die op een bepaald ogenblik hangende de strafrechtelijke procedure oordeelt dat zij voldoende is ingelicht om de tuchtvervolging te starten, nadien op dat standpunt dient terug te komen. Te dezen stelt de Raad van State vast dat de Tuchtraad, gevat door het verzoek tot heroverweging, op 23 oktober 2019 aan de hogere tuchtoverheid heeft geadviseerd de tuchtzaak uit te stellen tot er een gerechtelijke einduitspraak was. De Tuchtraad stelde immers vast dat voor het bewijs van de feiten enkel werd verwezen naar het vonnis van 10 januari 2019 dat echter, gelet op het hoger beroep van verzoeker, geen kracht van gewijsde had (zie supra, nrs. 3.17-3.18). Met ander woorden, de ten laste gelegde feiten konden volgens de Tuchtraad niet worden bewezen. De hogere tuchtoverheid heeft zich bij dat advies van de Tuchtraad aangesloten. Niettegenstaande het advies van de Tuchtraad niet bindend is en de Tuchtraad op 23 oktober 2019 om de door hem vermelde redenen geen advies verleende over de drie punten waarover hij overeenkomstig artikel 52 van de tuchtwet advies moet verlenen – 1° de uiteenzetting van de feiten en de toerekening ervan aan het personeelslid, 2 ° het antwoord op de vraag of de feiten een tuchtvergrijp zijn in de zin van artikel 3 van de tuchtwet voorzover zij bewezen worden geacht, en 3° het voorstel af te zien van een straf, het voorstel om een zware straf op te leggen of het voorstel om een lichte straf op te leggen –, is de hogere tuchtoverheid niet aan dit tussenadvies voorbijgegaan door toch een eindbeslissing te nemen – daargelaten of zij dat wettig kon doen – noch heeft zij aangedrongen op een advies overeenkomstig artikel 52 van de tuchtwet. De hogere tuchtoverheid had dit laatste nochtans kunnen doen en zelfs moeten doen, indien zij – in tegenstelling tot de Tuchtraad – van oordeel was dat zij de ten laste gelegde feiten kon bewijzen op basis van het voorliggende dossier. De Raad van State stelt aldus ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.355 XII-9761-15/19 vast dat, terwijl de hogere tuchtoverheid aanvankelijk – na kennisname van het vonnis van 10 januari 2019 – van oordeel was dat zij over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikte om de tuchtvordering te kunnen inleiden, zij nadien tot andere inzichten is gekomen. De hogere tuchtoverheid kon zich aldus verder op de toepassing van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet beroepen. De opschorting van de verjaringstermijn in geval van een strafvervolging volgt overigens uit de wet zelf, zonder dat daarover een beslissing moet worden genomen door de tuchtoverheid.
  44. Bijgevolg, en gelet op de hiervoor geschetste ruime beoordelingsbevoegdheid van de tuchtoverheid bij de beoordeling van de vraag of zij met betrekking tot de tuchtfeiten over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt om tuchtrechtelijk op te treden (zie supra, nr. 9), blijft de hogere tuchtoverheid, door de gerechtelijke eindbeslissing in de strafprocedure af te wachten – ook al oordeelde zij eerder wel over voldoende gegevens te beschikken om de tuchtvervolging te starten – binnen de perken van haar beoordelingsbevoegdheid.
  45. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker het bewijs niet levert dat de door artikel 56 van de tuchtwet voorgeschreven verjaringstermijn niet werd nageleefd. Tweede grief: schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en de redelijketermijneis
  46. Verzoeker voert voorts aan dat de hogere tuchtoverheid onzorgvuldig handelde door op 26 maart 2018 en 11 juli 2018 het parket van Brussel aan te schrijven om toestemming te vragen tot gebruik met inzage van het strafdossier in administratieve zaken, terwijl zij, eensdeels, reeds op 20 december 2017 op de hoogte werd gebracht door het parket van Brussel dat het parket van Halle-Vilvoorde bevoegd was en niet het parket van Brussel, en anderdeels, op 20 maart 2018 het parket van Halle-Vilvoorde reeds toestemming tot inzage had verleend. XII-9761-16/19
  47. Hoewel het een raadsel is waarom de verwerende partij na het bericht dat zij het parket van Halle-Vilvoorde en niet dat van Brussel om toestemming moest vragen om inzage in het strafdossier te bekomen, toch nog het parket van Brussel blijft aanschrijven met die vraag, bovendien tot tweemaal toe nadat de gevraagde toestemming tot inzage reeds was bekomen, kan deze grief niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden. Luidens artikel 14, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State geven de in artikel 14, § 1, eerste lid, van die wetten bedoelde onregelmatigheden slechts aanleiding tot een nietigverklaring als ze, in dit geval, een invloed konden uitoefenen op de draagwijdte van de genomen beslissing, de betrokkenen een waarborg hebben ontnomen of als gevolg hebben de bevoegdheid van de steller van de handeling te beïnvloeden. Bij de beoordeling van de eerste grief werd vastgesteld dat de hogere tuchtoverheid de gerechtelijke einduitspraak mocht afwachten alvorens de tuchtvervolging verder te zetten. De door verzoeker aangeklaagde onzorgvuldigheid kon derhalve geen invloed uitoefenen op de draagwijdte van de bestreden beslissing. Noch heeft deze aangevoerde onzorgvuldigheid verzoeker een waarborg ontnomen of de bevoegdheid van de hogere tuchtoverheid beïnvloed.
  48. Voorts voert verzoeker aan dat de hogere tuchtoverheid niet diligent handelde na ontvangst van de brief van 20 maart 2018 van het parket van Halle-Vilvoorde waarbij toestemming werd verleend tot inzage in het strafdossier, zodat het zorgvuldigheidsbeginsel en de redelijketermijneis zijn geschonden. Ook deze grief kan niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden. Zelfs indien de hogere tuchtoverheid diligenter zou hebben gehandeld, waardoor zij sneller een kopie van het strafdossier zou hebben bemachtigd, alsook sneller duidelijkheid zou hebben verkregen of zij die kopie van het strafdossier nu al dan niet mocht gebruiken in tuchtzaken, dan nog had dit verzoeker niet kunnen baten, daar – zoals bij de beoordeling van de eerste grief vastgesteld – in de concrete omstandigheden van de zaak, de hogere tuchtoverheid de gerechtelijke eindbeslissing mocht afwachten. Diligenter handelen bij het ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.355 XII-9761-17/19 bekomen van het strafdossier, zou bijgevolg geen impact hebben gehad op de doorlooptijd van de tuchtprocedure. Met verwijzing naar artikel 14, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, stelt de Raad van State ook wat deze grief betreft, vast dat het aangevoerde gebrek aan diligentie geen invloed kon uitoefenen op de draagwijdte van de bestreden beslissing. Noch heeft dit beweerd gebrek aan diligentie verzoeker een waarborg ontnomen of de bevoegdheid van de hogere tuchtoverheid beïnvloed. Conclusie
  49. Uit wat voorafgaat, volgt dat het tweede middel ongegrond is. VI. Aanvullend onderzoek
  50. Het auditoraat heeft het onderzoek van de zaak beperkt tot het onderzoek van het tweede middel, waarvan in de huidige stand van het onderzoek niet blijkt dat dit leidt tot een definitieve oplossing van het geschil. Er is dan ook reden om het auditoraat te gelasten met een aanvullend onderzoek over de zaak. BESLISSING
  51. De Raad van State heropent het debat.
  52. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het verder onderzoek van de zaak.
  53. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. XII-9761-18/19 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negen januari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Chantal Bamps XII-9761-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.355 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.