← België

Arrest 265385 - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 12/01/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.385 Rolnummer: A. 246952/X-19250 Zaak: Arrest 265385 - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 12/01/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-01-13 Raadplegingen: 244 - laatst gezien 2026-06-18 06:15 Fiche Arrest nr 265.385 van 12 januari 2026 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Bevolen Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.385 no lien 286779 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 265.385 van 12 januari 2026 in de zaak A. 246.952/X-19.250 In zake:

  1. de BELGISCHE STAAT
  2. het FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE OPVANG VAN ASIELZOEKERS (Fedasil) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jens Mosselmans, Stef Feyen, Daniel Cortez Cazas en Thomas Dirven kantoor houdend te 1000 Brussel Terhulpsesteenweg 120 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de GEMEENTE SCHILDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Reiner Tijs en Joram Maes kantoor houdend te 2000 Antwerpen Stijfselrui 48, bus 101 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  3. De vordering, ingesteld op 7 januari 2026, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van: “- het burgemeestersbesluit van 23 december 2025 met als onderwerp ‘Paters van Scheut – Brandveiligheid – goedgekeurd’, waarbij een verbod tot in gebruik name voor het asielcentrum in Schilde, gelegen Brasschaatsebaan 126 te Schilde, kadastraal gekend als afdeling 1 sectie D, nummers 227C, 228K, 228M, 229B, 229E, 229F en 230 met onmiddellijke ingang wordt opgelegd. […] - aanvullend, […] het (mondeling) besluit tot staking van 5 januari 2026 waarin wordt bevolen om alle vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen te staken. […].” X-19.250-1/16 De verzoekende partijen vorderen ook “om, bij wijze van voorlopige maatregel, de verwerende partij te bevelen, onder verbeurte van een dwangsom van 15.000 EUR per inbreuk, om zich te onthouden van elke handeling of maatregel […] die redelijkerwijze kunnen worden geacht de beoogde verhuizing van asielzoekers van het opvangcentrum te Deurne naar het opvangcentrum te Schilde te bemoeilijken, te beletten of te verhinderen […]”. II. Verloop van de rechtspleging
  4. Bij beschikking van 8 januari 2026 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. Met toepassing van artikel 90, § 1, vierde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met drie leden. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 januari 2026, om 10.00 uur. Staatsraad David D’Hooghe heeft verslag uitgebracht. Advocaten Jens Mosselmans, Stef Feyen, Daniel Cortez Cazas en Thomas Dirven, die verschijnen voor de verzoekende partijen, en advocaat Joram Maes, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. X-19.250-2/16 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. Fedasil is een instelling van openbaar nut, belast met het verschaffen van materiële hulp (inclusief opvang) aan verzoekers om internationale bescherming (hierna: asielzoekers).
  7. Te Schilde wenst zij een kleinschalig medisch opvangcentrum te openen voor asielzoekers met functionele beperkingen en medische noden. De bedoeling is om er 178 asielzoekers onder te brengen, met inbegrip van hun familieleden en mantelzorgers. Zij wenst dit te doen in het voormalige kloostergebouw “Missiehuis van Scheut” en de omliggende terreinen gelegen aan de Brasschaatsebaan 126 te 2970 Schilde, die beide in private eigendom zijn van de bv Gezondheidspark Schilde – ’s Gravenwezel.
  8. Op 31 juli 2025 heeft er, op aanvraag van Fedasil, een overleg plaats met de Brandweerzone Rand over “de te nemen preventiemaatregelen bij de bestemmingswijziging naar opvangcentrum voor asielzoekers”. Die bespreking geeft aanleiding tot een brandpreventieadvies.
  9. Op 19 december 2025 wordt, op vraag van Fedasil, door de Brandweerzone Rand een brandpreventieverslag opgemaakt “in het kader van het inrichten van een asielcentrum in het bestaande gebouw”. X-19.250-3/16 Het brandpreventieverslag besluit:
  10. Op 23 december 2025 neemt de burgemeester van de gemeente Schilde het volgende besluit: “Feiten en context • Op 19 december 2025 ontving de gemeente het brandweerverslag van Brandweer Zone Rand voor de site van Paters Van Scheut. • Uit bijhorend verslag blijkt dat het pand volgende gebreken vertoont die een acuut veiligheidsrisico met zich meebrengen: o veiligheidsrisico door niet aanwezig zijn van compartimentering; o de rechtse vluchtweg is onvoldoende uitgerust, waardoor compartimentering onvoldoende bijdraagt tot vluchtroute in geval van brand. • Wegens de hoogdringendheid van de situatie werd geen hoorplicht aangeboden. Juridische gronden Artikel 133 en 135 §2 van de Nieuwe Gemeentewet De burgemeester heeft de bevoegdheid om artikel 135 §2 van de Nieuwe Gemeentewet toe te passen wanneer de openbare gezondheid of de openbare veiligheid in gevaar is. Inspraak en advies Brandweer Zone Rand: verslag van 19 december
  11. Argumentatie • Artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet, is voorzien voor situaties waarbij de veiligheid of de gezondheid van bewoners, omwonenden of passanten in acuut gevaar is. • De burgemeester kan uitsluitend die maatregelen nemen die nodig zijn om de vastgestelde acute gevaren te verhelpen. De maatregelen moeten in verhouding staan tot de vastgestelde risico’s. • Gelet op de hoogdringendheid en het feit dat de gebreken zoals weergegeven in voormeld verslag niet eenvoudig kunnen worden opgelost en een rapport van een expert moet afwachten, is een tijdelijk woonverbod in voorliggend geval de meest passende maatregel. X-19.250-4/16 Besluit Artikel
  12. De burgemeester beveelt, bij hoogdringendheid, een verbod tot in gebruik name voor het pand gelegen Brasschaatsebaan 126 te Schilde, kadastraal gekend als afdeling 1 sectie D, nummers 227C, 228K, 228M, 229B, 229E, 229F en 230 met onmiddellijke ingang, zolang het acuut veiligheidsrisico zich voordoet. Het veiligheidsrisico houdt in dat er onvoldoende uitgeruste nood vluchtwegen aanwezig zijn bij brandgevaar. Artikel
  13. Een afschrift van dit besluit wordt aangetekend of tegen ontvangstbewijs bezorgd aan de eigenaar. Artikel
  14. […] Artikel
  15. Dit besluit wordt herzien na voorlegging van een nieuw verslag, een expertise en/of controle door brandweerzone Rand.” Dit is de eerste bestreden beslissing.
  16. Op 29 december 2025 wordt dit burgemeestersbesluit per aangetekend schrijven aan de eigenaar, de bv Gezondheidspark, verzonden. Het wordt op 6 januari 2026 op het postkantoor opgehaald. Op 6 januari 2026 heeft Fedasil van dit besluit kennisgenomen.
  17. Op 5 januari 2026 wordt, op grond van artikel 6.4.
  18. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), een stakingsbevel opgelegd naar aanleiding van “het plaatsen van een brandtrap tegen de rechter zijgevel waarbij de bouwoppervlakte wordt gewijzigd”. Dit is de tweede bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van de vordering A. Samenhang 10.
  19. De verwerende partij werpt op dat, wat de tweede bestreden beslissing betreft, het verzoekschrift niet ontvankelijk is om reden dat de verzoekende partijen in één enkel verzoekschrift de schorsing van twee afzonderlijke beslissingen vorderen die geen enkele samenhang vertonen. X-19.250-5/16 10.
  20. Hierna zal blijken dat, wat de tweede bestreden beslissing betreft, niet aan de grondvoorwaarde van de spoedeisendheid is voldaan. Het is dan ook niet nodig om over de exceptie uitspraak te doen. B. Belang Standpunt van de verwerende partij
  21. De verwerende partij houdt in eerste instantie voor dat de verzoekende partijen met huidig verzoek tot schorsing van het verbod tot ingebruikname “in wezen de ingebruikname van een pand [nastreven] dat niet voldoet aan de veiligheidsvoorschriften inzake brandveiligheid”: “Uw Raad wordt er letterlijk om verzocht om het verbod tot ingebruikname op te heffen dat betrekking heeft op een pand dat door de lokale brandweer wordt geacht nog niet te voldoen aan de door hen gestelde veiligheidsvoorschriften. Dit is des te frappanter nu de bestreden beslissing zelf slechts geldt zolang de opgelegde voorwaarden inzake brandveiligheid niet worden nageleefd. […] Uit het verzoekschrift blijkt bijgevolg onbetwistbaar de intentie om het domein Paters van Scheut koste wat kost onmiddellijk in gebruik te nemen, zelfs wanneer het door de bevoegde brandweerdiensten niet integraal brandveilig wordt geacht. […] Verzoekende partijen zijn ondubbelzinnig in het nastreven van een onwettig belang. Bijgevolg dient de vordering tot schorsing onontvankelijk te worden verklaard.” Beoordeling
  22. Te dezen betwisten de verzoekende partijen in eerste instantie en hoofdzakelijk de wettigheid van de beslissing waarbij de ingebruikname van het betrokken pand wordt verboden om reden van een “acuut veiligheidsrisico”. De exceptie hangt samen met de beoordeling van de ernst van het eerste middel hierna. X-19.250-6/16 V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  23. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van de partijen
  24. De verzoekende partijen verantwoorden de ingeroepen uiterst dringende noodzakelijkheid als volgt: “Sinds de asielcrisis

(2015)kampt Fedasil volgens de meest recente cijfers van 15 december 2025 met een wachtlijst van 1.708 personen en kan een grote groep personen niet worden toegelaten tot het opvangnetwerk, ondanks de op de Belgische Staat rustende internationale verplichtingen. Het door Fedasil gehuurde pand in Schilde is het enige reële alternatief voor de bewoners van het sluitende centrum te Deurne. De verhuurder van het centrum te Deurne heeft Fedasil immers aangemaand het goed te ontruimen en in de oorspronkelijke staat te herstellen tegen uiterlijk 18 januari, zonder uitstel, gelet op de reeds geplande (sloop)werken. Voorts is het opvangnetwerk voor asielzoekers in België verzadigd […]. De bestreden beslissing die onmiddellijk een verbod doet ingaan op ingebruikname van het pand sorteert onmiddellijk externe gevolgen voor de positie van Fedasil als huurder van het opvangcentrum en als Agentschap die samen met (en namens) de Belgische Staat instaat voor het verzekeren van opvangplaatsen voor asielzoekers in lijn met haar nationale en internationale verplichtingen. De bestreden beslissing verhindert de verhuis en ingebruikname van het opvangcentrum en aldus van de X-19.250-7/16 wettelijke taak van de verzoekende partijen om de opvang te organiseren op een wijze waarop iedere asielzoeker overeenkomstig artikel 3, eerste lid van de Opvangwet recht heeft. De verhuis naar het nieuwe opvangcentrum was gelet op de voorziene sluiting van het opvangcentrum te Deurne aanvankelijk voorzien op 7 januari 2026, waartoe zelfs het nodige vervoer werd besteld […]. Gelet op de verschillende belemmeringen en (procedurele) hordes die de verwerende partij heeft opgeworpen […], is thans dinsdag 13 januari de laatst logistiek uiterst haalbare verhuisdatum gezien Fedasil Deurne op 18 januari dient te verlaten en moet hebben ontruimd. Bij verdere verhindering uit hoofde van de bestreden beslissingen om de verhuis te verwezenlijken, ontbreekt elk alternatief gezien de bewoners niet in Deurne kunnen blijven (gelet op het einde van het contract en de voorziene ontruiming en sloopwerken) en kunnen niet naar Schilde (gelet op de bestreden beslissingen), zodat de bestreden beslissingen een situatie creëren die de opvangopdracht feitelijk lamlegt. Dat is precies het soort dreigend en onherstelbaar nadeel waarvoor de gewone (schorsings)procedure in casu te laat komt. […] Het spreekt voor zich dat de bestreden beslissingen de ingebruikname verhinderen van de infrastructuur te Schilde, met het reëel gevaar dat indien de asielzoekers en het personeel niet uiterlijk tegen 13 januari kunnen verhuizen, er geen opvangalternatieven kunnen worden aangeboden en de asielzoekers dreigen op straat of in andere mensonwaardige omstandigheden terecht te komen of erger nog, mogen vrezen voor hun lijf en leden in de vrieskou die ze gedwongen zouden zijn te trotseren. […] Zonder een schorsing van de bestreden beslissing(
  1. en)ontstaat bovendien een onherstelbare operationele ontwrichting. De keuze voor de opvang in Schilde is immers ingegeven uit de noodzaak om het personeel en asielzoekers […] ‘in de omgeving’ op te vangen met behoud van continuïteit. Essentiële diensten zoals medische en psychosociale opvolging, intake en registratie, distributie en voeding, hygiëne, veiligheid, en voor minderjarigen de noodzakelijk geachte stabiliteit in schooltrajecten worden ingevolge de verhindering van de ingebruikname van het asielcentrum abrupt onderbroken. Dergelijke onderbrekingen zijn niet herstelbaar door een latere schorsing of vernietiging van de bestreden beslissing. Een tijdelijke noodopvang buiten de voorziene infrastructuur te Schilde is logistiek niet (sc)haalbaar, terwijl de personeelsinzet en contractuele planningen reeds op Schilde zijn afgestemd. De tijdsfactor maakt dat elke vertraging de situatie verergert en het nadeel vergroot indien een schorsing niet (tijdig) voor de voorziene verhuisdatum zou worden bevolen.” 15. De verwerende partij betwist de ingeroepen uiterst dringende noodzakelijkheid om reden dat de ingeroepen nadelen “hadden kunnen worden X-19.250-8/16 voorkomen door tijdig gevolg te geven aan eerdere beslissingen (in casu brandweerverslagen)”: “Wanneer er minder dan twee weken voor opening blijkt dat er nog geen substantiële aanstalten zijn gemaakt om de voorwaarden uit het brandpreventieverslag te voldoen, kan Uw Raad niet anders dan besluiten dat de huidige vermeende situatie van spoedeisendheid louter te wijten valt aan de eigen gedragingen van verzoekers. Nochtans verwacht Uw Raad van een verzoekende partij, wanneer zij zich op een UDN tracht te beroepen, dat zij zich inspant om de gevreesde schade te vermijden of minimaal te houden. […] Verzoekers hadden klaarblijkelijk verschillende opties om tegemoet te komen aan het brandpreventieverslag, en hadden daarmee zelfs verschillende mogelijkheden om zelf een einde te stellen aan de situatie die de aanleiding tot de UDN vormt […]. […] Het mag duidelijk zijn dat het niet de bestreden beslissing is die de opening van het opvangcentrum verhindert. Het is het eigen maandenlange nalaten van de verzoekers om tegemoet te komen aan voorwaarden inzake brandveiligheid dat heeft geleid tot de situatie op heden. Op grond van vaststaande rechtspraak van Uw Raad dient bijgevolg te worden besloten dat er niet wordt voldaan aan de vereisten inzake de uiterst dringende noodzakelijkheid.” Beoordeling 16. Om een beroep te kunnen doen op de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid moet de verzoekende partij aan de hand van pertinente en concrete gegevens aannemelijk maken dat de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voor haar veroorzaakt, niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en zelfs niet gedurende de doorlooptijd van een gewone vordering tot schorsing. 17. Uit het brandpreventieadvies dat naar aanleiding van de bespreking van 31 juli 2025 werd opgesteld, blijkt niet dat er zich een “acuut veiligheidsrisico” zou voordoen indien niet aan bepaalde voorwaarden zou zijn voldaan. X-19.250-9/16 Indien de opening van het opvangcentrum eerstdaags niet mogelijk zou zijn, zou dit kennelijk enkel uit de eerste bestreden beslissing voortvloeien. 18. De verzoekende partijen overtuigen er dan ook van dat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid is voldaan voor wat betreft de eerste bestreden beslissing tot verbod van ingebruikname van het betrokken pand. 19. Dit wordt evenwel niet aannemelijk gemaakt specifiek voor wat de tweede bestreden beslissing inzake het stakingsbevel betreft. Meer bepaald lichten de verzoekende partijen niet toe waarom, om tot opening te kunnen overgaan, niet alleen de tenuitvoerlegging van de beslissing houdende verbod tot ingebruikname maar ook de tenuitvoerlegging van het stakingsbevel zou moeten worden geschorst. 20. Het besluit is dat aan de grondvoorwaarde van de spoedeisendheid is voldaan, doch enkel in de mate dat de vordering tegen de eerste bestreden beslissing is gericht. VII. Ernst van het eerste middel Standpunt van de partijen 21. De verzoekende partijen vatten de twee eerste onderdelen van het eerste middel als volgt samen: “Eerste onderdeel. In de bestreden beslissing staat vermeld dat er geen hoorplicht wordt ‘aangeboden’ wegens hoogdringendheid. Er wordt op geen enkele wijze gemotiveerd waarop deze ‘hoogdringendheid’ betrekking heeft. Nergens wordt bovendien gemotiveerd waarom een van de erkende uitzonderingen in casu van toepassing is wat tevens in strijd is met de op het bestuur rustende motiveringsplicht en de zorgvuldigheidsplicht. Fedasil is bovendien ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.385 X-19.250-10/16 duidelijk betrokken en in haar belangen geschaad nu zij duidelijk betrokken is bij de inrichting en uitbating van het gebouw. Fedasil was niet enkel aanwezig op de datum van het brandpreventieverslag dat de aanleiding vormt van de bestreden beslissing maar heeft de brandweer zelfs gevraagd om ter plaatse aanwezig te zijn. De verwerende partij wist maar al te goed dat Fedasil betrokken was. Het zonder enige inspraak nemen van een dermate ingrijpende beslissing schendt kennelijk de hoorplicht die volgens de vaste rechtspraak van Uw Raad van toepassing is op beslissingen genomen op grond van de artikelen 133 juncto 135, § 2 NGW […] Tweede onderdeel. Het verbod op ingebruikname van het gebouw in afwachting van een nieuw verslag of expertise van de brandweer overschrijdt de grenzen van de redelijkheid en is in strijd met het proportionaliteitsbeginsel. Vooreerst is/(zijn) de bestreden beslissing(
  2. en)niet noodzakelijk en evenmin pertinent aangezien de brandweer een gunstig brandpreventieverslag met voorwaarden oplegt en aanvaardt […] een compenserende vluchtsas voor personen met beperkte mobiliteit als alternatief voor de buitentrap [wordt voorzien]. De verwerende partij geeft een verkeerde feitelijke en juridische draagwijdte aan dit verslag. Zelfs indien de maatregel pertinent en noodzakelijk zou zijn (quod non), blijft hij disproportioneel in de strikte zin wanneer – rekening houdend met het doel (brandveiligheid), de gevolgen (totale stilstand van de uitbating als opvangcentrum en het beletten van de daadwerkelijke verhuis van de bewoners) – geen redelijk verband kan worden aangetoond tussen het ingrijpende middel en het beoogde doel. In casu volstaan gerichte ingrepen om te voldoen aan de voorwaarden van [h]et brandweerverslag. Een totaalverbod is kennelijk disproportioneel en miskent de in dit middelenonderdeel aangevoerde bepalingen en beginselen.” 22.1. De verwerende partij werpt ten aanzien van het eerste onderdeel op dat het dringend karakter van de te nemen maatregel een uitzondering op de voormelde hoorplicht vormt en dat de eerste bestreden beslissing daar ook uitdrukkelijk naar heeft verwezen. Zij houdt tevens voor dat de verzoekende partijen erkennen “dat er sprake is van onbetwiste tekortkomingen inzake brandveiligheid” en dat de verzoekende partijen die tekortkomingen in het kader van de uitoefening van hun hoorrecht niet hadden kunnen weerleggen of ontkennen. Het gaat volgens de verwerende partij “overduidelijk om feiten die voor eenvoudige constatatie vatbaar waren/zijn”. X-19.250-11/16 22.2. Volgens de verwerende partij kan er voorts niet worden betwist dat niet alle voorwaarden van het brandpreventieverslag geheel werden uitgevoerd en geldt het tijdelijk verbod tot ingebruikname bovendien enkel “zolang het acuut veiligheidsrisico zich voordoet”. Het burgemeestersbesluit is volgens haar dan ook “dienstig en geschikt om verzoekende partijen ertoe aan te zetten zich te conformeren aan de inhoud van het brandweeradvies van 19 december jl. en alle hieraan gekoppelde voorwaarden uit te voeren alvorens het gebouw in gebruik te nemen”. Beoordeling 23. Prima facie kan met de verzoekende partijen worden aangenomen dat het brandpreventieverslag van 19 december 2025 niet wijst “op een onmiddellijk en onvermijdbaar gevaar dat een absoluut onmiddellijke aanname van een besluit zonder het (nuttig) horen van de betrokkenen” kan rechtvaardigen. Het brandpreventieverslag is gunstig, weze het mits naleving van een aantal voorwaarden. Met de verzoekende partijen lijkt dan ook te kunnen worden aangenomen dat, indien de naleving van bepaalde voorwaarden de verwerende partij zorgen zou baren, een hoorzitting net nuttig kan zijn “om de feiten en de uitvoerbaarheid van (minder ingrijpende) maatregelen te kunnen beoordelen”. 24. Daarbij komt dat de verwerende partij geen enkele inspanning blijkt te hebben gedaan om Fedasil bij hoogdringendheid van de genomen beslissing in kennis te stellen, hoewel net dit agentschap specifiek door het bestreden verbod wordt getroffen. De op 23 december 2025 genomen beslissingen werden immers pas op 29 december 2025, en bovendien enkel met een aangetekend schrijven, uitsluitend aan de eigenaar ter kennis gebracht. Dat Fedasil pas op 6 januari 2026 X-19.250-12/16 van de eerste bestreden beslissing kennis heeft kunnen nemen, was voor de verwerende partij blijkbaar geen probleem. 25. De verwerende partij toont prima facie dan ook niet aan dat de ingeroepen hoogdringendheid niet toeliet om Fedasil te horen. 26. Te dezen is prima facie evenmin sprake van “directe, voor eenvoudige constatatie vatbare feiten” op grond waarvan van de hoorplicht kan worden afgezien. 27. Het eerste onderdeel is ernstig. 28. De eerste bestreden beslissing berust in essentie op de overweging dat uit het brandweersverslag van 19 december 2025 zou blijken dat het pand “gebreken vertoont die een acuut veiligheidsrisico met zich meebrengen”. Luidens het bestreden besluit houdt het veiligheidsrisico in “dat er onvoldoende uitgeruste nood vluchtwegen aanwezig zijn bij brandgevaar”. Ook wordt verwezen naar het “niet aanwezig zijn van compartimentering”. 29. Het “acuut veiligheidsrisico” waarnaar de eerste bestreden beslissing verwijst, blijkt prima facie echter niet uit het brandpreventieverslag van 19 december 2025. Dit brandpreventieverslag is “gunstig”, weze het mits naleving van een aantal voorwaarden. Uit dit verslag blijkt niet dat er een “acuut veiligheidsrisico” zou ontstaan indien aan een of meerdere voorwaarden niet zou zijn voldaan. Uit het verslag blijkt evenmin dat het onmogelijk zou zijn om op korte termijn aan die voorwaarden te voldoen. 30. Het bestreden besluit bevat op dat punt geen bijkomende verantwoording. Integendeel beperkt het zich ertoe om “het acuut veiligheidsrisico” zonder meer af te leiden uit voormeld brandpreventieverslag. 31. Het tweede onderdeel is in de aangeven mate ernstig. X-19.250-13/16 VIII. Besluit 32. Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 5, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. IX. Vordering tot voorlopige maatregelen Samenvatting van de vordering 33. De vordering tot voorlopige maatregelen wordt door de verzoekende partijen als volgt verantwoord: “Met name wordt Uw Raad verzocht de verwerende partij te bevelen zich te onthouden van het stellen van elke materiële dan wel administratieve rechtshandeling die de verhuis van de asielzoekers van het opvangcentrum te Deurne naar het (nieuwe) opvangcentrum te Schilde verhindert of kan verhinderen, en dit totdat de verhuis volledig is voltooid minstens, dat het bestuur wordt bevolen het brandveiligheidsverslag van 19 december 2025, dan wel eender wel toekomstig brandveiligheidsverslag, voor zover het gunstig is, niet aan te wenden om verdere bestuursmaatregelen te treffen. Aangezien […] blijkt dat de verwerende partij geen mogelijkheid onbenut laat om stokken in de wielen te steken teneinde de opening van het opvangcentrum te verhinderen (wat overigens expressis verbis in de pers werd verklaard), moet – nog los van de vraag of zulks neerkomt op machtsafwending – worden vastgesteld dat moet worden ingegrepen, opdat (minstens en eerst) de verhuizing van de asielzoekers naar Schilde wordt veiliggesteld. Niemand kan ernstig betwisten dat – zeker in de huidige omstandigheden – de veiligheid van deze personen alsook de openbare orde en veiligheid dicteren dat op een serene wijze wordt omgegaan met deze verhuizing, waartegen (o.a.) de gemeente Schilde tevergeefs nu talloze procedures heeft gevoerd. Het is onduldbaar (geworden) dat telkenmale logistieke wijzigingen moeten worden aangebracht telkenmale de verwerende partij andermaal spijkers op laag water ontwaart. […] Gelet op de extreme en vaststaande risico’s waaraan de betrokken asielzoekers – overigens goeddeels kwetsbare personen – zich zouden blootstellen in de huidige omstandigheden, is het absoluut onontbeerlijk dat de verwerende partij wordt verhinderd om nog bijkomende démarches te X-19.250-14/16 ondernemen op grond van nieuwe (frivole) munitie die ze telkenmale lijkt te vinden in een arsenaal van blokkeringsinspanningen. […] Uw Raad wordt dienvolgens verzocht om de verwerende partij te bevelen, op straffe van het verbeuren van een dwangsom van 15.000 EUR per inbreuk, om zich te onthouden van elke handeling of maatregel – met uitzondering van maatregelen die het burgerlijk recht betreffen – die redelijkerwijze kunnen worden geacht de beoogde verhuizing van asielzoekers van het opvangcentrum te Deurne naar het opvangcentrum te Schilde te bemoeilijken, te beletten of te verhinderen, tenzij de absolute noodzakelijkheid hiervan is aangetoond en aanvaard door hetzij de Belgische Staat, hetzij door Fedasil, minstens, dat de verwerende partij wordt bevolen het brandveiligheidsverslag van 19 december 2025, dan wel eender wel[k] toekomstig brandveiligheidsverslag, voor zover het gunstig is, niet aan te wenden om verdere bestuursmaatregelen te treffen.” Beoordeling 35. De verzoekende partijen maken niet aannemelijk dat de verwerende partij het gezag van gewijsde van het tussen te komen schorsingsarrest zal miskennen. Dit is des te meer het geval nu ter zitting een nieuw brandpreventieverslag van 12 januari 2026 wordt neergelegd, waaruit blijkt dat de redenen waarop de eerste bestreden beslissing is gesteund, zijn komen te vervallen. 36. Bovendien bestaat er hoe dan ook te allen tijde de mogelijkheid om een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid bij de Raad van State in te dienen. 37. De vordering tot voorlopige maatregelen wordt afgewezen. BESLISSING 1. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het besluit van de burgemeester van de gemeente Schilde van 23 december 2025 met als onderwerp ‘Paters van Scheut – Brandveiligheid – goedgekeurd’, waarbij met onmiddellijke ingang een verbod tot in gebruik name voor het pand, gelegen Brasschaatsebaan 126 X-19.250-15/16 te Schilde, kadastraal gekend als afdeling 1 sectie D, nummers 227C, 228K, 228M, 229B, 229E, 229F en 230 wordt opgelegd. 2. De Raad van State verwerpt de vorderingen voor het overige. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twaalf januari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, David D’Hooghe staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Jan Clement X-19.250-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.385 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.