id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.409 Rolnummer: A. 246954/XII-9995 Zaak: Arrest 265409 - Kind & Gezin - 15/01/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-01-16 Raadplegingen: 180 - laatst gezien 2026-06-18 06:22 Fiche Arrest nr 265.409 van 15 januari 2026 Sociale zaken en volksgezondheid - Kind & Gezin Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.409 no lien 287153 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 265.409 van 15 januari 2026 in de zaak A. 246.954/XII-9995 In zake: K.A. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sophie De Maeijer kantoor houdend te 2800 Mechelen Grote Nieuwedijkstraat 417 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stefaan Verbouwe kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 270 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 7 januari 2026, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing “van de Vlaams [m]inister van Welzijn en Armoedebestrijding, Cultuur en Gelijke Kansen van 18 december 2025, waarbij de vergunning van verzoekster werd ingetrokken met ingang op 1 februari 2026 (en haar subsidies worden stopgezet)”. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 8 januari 2026 werd de procedurekalender vastgesteld en werden de partijen opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 januari 2026 om 11u
- XII-9995-1/8 De nota met opmerkingen en het administratief dossier werden ingediend overeenkomstig de procedurekalender. Kamervoorzitter Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sophie De Maeijer, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Stefaan Verbouwe, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster is organisator van een kinderopvanglocatie. 3.
- Op 18 december 2025 beslist de Vlaams minister van Welzijn en Armoedebestrijding, Cultuur en Gelijke Kansen de vergunning van verzoekster in te trekken met ingang op 1 februari 2026 en haar subsidies stop te zetten. Dit is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.409 XII-9995-2/8 het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van de verzoeker
- Verzoekster laat ter verantwoording van de hoogdringendheid gelden: “Verzoekster brengt het voorwerp van de bestreden beslissing in herinnering. Men kan niet redelijk betwisten dat de vereiste uiterste dringende noodzakelijkheid aanwezig is, doordat verzoekster op basis van de bestreden beslissing wordt verplicht om de kinderopvanglocatie ‘Toverland’ met ingang op 1 februari 2026 te sluiten, zoals eerder werd beslist door het agentschap Opgroeien regie bij besluit van 5 augustus
- Dergelijke drastische maatregelen op korte termijn vormen een reële bedreiging voor het voortbestaan van Toverland en dus ook voor het inkomen van verzoekster. Zelfs wanneer zij nadien toch terug zou mogen openen, kan verwezen worden naar de eerdere periode van sluiting, op basis waarvan verzoekster enkel door inzet van haar eigen spaargelden niet failliet is gegaan. Al haar personeel en klanten zouden wederom verdwenen zijn en zouden tot een opstart vanaf 0 aanleiding geven. Verzoekster is nog aan het herstellen van die periode en kan financieel niet nog een heropstart in combinatie met de kost van een juridische procedure aan. Bijkomend moet ook gewezen worden op de gevolgen voor de ouders en kinderen. Verzoekster geeft mee dat het voor kinderen een enorme impact is om van opvang en dus vertrouwde omgeving te wisselen. Dit mag niet worden onderschat. Voor de stad Mechelen, die ouders contacteert om te wisselen van opvang, lijkt dit allemaal maar logistiek, nl. zorgen dat een kind ergens terechtkan, maar de realiteit is dat een kind geen speelbal is of mag zijn. Voor bepaalde kinderen zou de impact al groter zijn dan voor anderen, wat verzoekster zich ook erg aantrekt. Reeds op dit ogenblik wordt verzoekster geconfronteerd met ouders die een opzeg laten weten of die de ontbinding van een contract eisen wegens het niet in staat zijn om de diensten te leveren. Zelfs de ouders die graag zouden afwachten wat het resultaat van deze procedure is, omdat zij zeer graag bij Toverland zijn met hun kind, moeten soms het zekere voor het onzekere nemen omdat zij geen alternatief voor opvang hebben. Het verleden dreigt zich dus te herhalen. De vordering tot schorsing bij UDN is erop gericht om de onherstelbare schade of nadelen die zouden voortvloeien uit een langdurige sluiting van de voorziening af te wenden. XII-9995-3/8 In deze omstandigheden doet verzoekster dan ook blijken van een urgentie die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van een gewone vordering tot schorsing. Een gewone schorsingsprocedure had immers de sluiting van ‘Toverland’ niet voor kunnen zijn, zelfs niet wanneer al ingediend op 22 december
- Tijdens het verlof van de raadsman van verzoekster werd alvast gepoogd om de minister haar besluit te doen herzien, waarna de eerste dag na het verlof meteen werd afgestemd met verzoekster over het voeren van deze procedure, waarna het verzoekschrift daags later werd ingediend. Verzoekster heeft dan ook diligent gehandeld door met de gepaste voortvarendheid te handelen, zodat een arrest zeker nog voor 1 februari 2026 kan tussenkomen.” Beoordeling
- De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. Het is om die reden dat, zoals overwogen in het arrest van de Algemene Vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, nr. 249.313 van 22 december 2020, de Raad van State met een zekere gestrengheid de voorwaarden beoordeelt die vervuld moeten zijn opdat deze vordering kan worden ingewilligd. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Daarbij is overeenkomstig artikel 17, § 5, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereist dat “in het opschrift van de vordering vermeld is dat de zaak bij uiterst dringende noodzakelijkheid, en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, behandeld dient te worden”. Luidens artikel 8, § 1, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.409 XII-9995-4/8 van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij, zoals wordt aangegeven in de parlementaire voorbereiding, waarin wordt gesteld dat “[d]e procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid […] bovendien uitzonderlijk [moet] blijven en […] hoe dan ook alleen [mag] worden aangewend voor zaken waarin een verzoeker de noodzaak aantoont dat binnen een termijn van maximaal vijftien dagen moet worden opgetreden” (Wetsontwerp tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, KAMER, 2022-2023, 14 maart 2023, nr. 55- 3220/1, 11-12), aan de hand van precieze, concrete en verifieerbare gegevens dient aan te tonen dat indien de zaak binnen een termijn van meer dan vijftien dagen zou worden behandeld, de uitspraak van de Raad van State onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. Alleen de elementen die zij in haar verzoekschrift aanvoert, kunnen in aanmerking worden genomen. Het is aan de verzoekende partij om in haar verzoekschrift bij uiterst dringende noodzakelijkheid de specifieke en concrete redenen te vermelden waarom de gewone vordering tot schorsing voorzien in artikel 17, § 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet geschikt is om het door haar aangevoerde nadeel tijdig op te vangen of haar belangen tijdig veilig te stellen, rekening houdend met de in die bepaling vermelde behandelingstermijnen, en met de mogelijkheid voor de kamer die de zaak behandelt om een datum voor de zitting te bepalen afhankelijk van de mate van urgentie die in het verzoek wordt aangevoerd. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure een verzoekende partij niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling haar volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan zou zijn, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.409 XII-9995-5/8 die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen.
- Bij de concrete uitwerking van de uiterst dringende noodzakelijkheid moet een verzoekende partij er zich voor hoeden dat begrip niet op een algemene wijze te omschrijven. Algemene beschouwingen die niet worden ondersteund door concrete elementen kunnen niet in aanmerking worden genomen. Het bewijs van de uiterst dringende noodzakelijkheid mag zich niet beperken tot een theoretische uiteenzetting doch vereist het aanreiken van concrete, specifieke op de verzoekende partij betrekking hebbende en verifieerbare gegevens dat zij het resultaat van de gewone schorsingsprocedure zoals voorzien in artikel 17, § 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige, onherroepelijke schadelijke gevolgen.
- Voorts dient, wie aanvoert redenen te hebben die een zodanige urgentie verantwoorden dat niet alleen niet de uitkomst van een beroep tot nietigverklaring kan worden afgewacht, maar zelfs niet een schorsing die volgens de gewone procedure zou worden bevolen, zich daar ook naar te gedragen. Dit wordt beoordeeld in het licht van de diligentie die de verzoekende partij bij het instellen van haar vordering, al dan niet, aan de dag heeft gelegd. Diligent optreden is derhalve vervat in de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid en het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid tot schorsing wordt mede afgemeten naar de haast die een verzoekende partij zelf betoont bij het instellen van haar vordering. Een verzoekende partij die zonder afdoende reden talmt met het instellen van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, geeft er blijk van die uiterst dringende noodzakelijkheid zelf niet ernstig te nemen. XII-9995-6/8 Het is vanaf het ogenblik waarop de uiterst dringende noodzakelijkheid ontstaat, dat een verzoekende partij met passende voortvarendheid moet optreden. Dit ogenblik moet niet – maar kan nog wel – samenvallen met het ogenblik dat de verzoekende partij kennis krijgt van de bestreden rechtshandeling. Het valt evenwel aan een verzoekende partij toe om op heldere en overtuigende wijze de (nieuwe of veranderde) feiten en omstandigheden die tot gevolg hebben dat de zaak niet (langer) verenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing, uiteen te zetten, ze aannemelijk te maken en ze in de tijd te situeren. Dit laatste is van belang omdat deze feiten en omstandigheden het uitgangspunt vormen om de diligentie van de verzoekende partij te beoordelen.
- De bestreden beslissing wordt aan verzoeker ter kennis gebracht per aangetekende brief van 18 december 2025, die door haar wordt ontvangen op 22 december
- Verzoekster heeft de voorliggende vordering pas op 7 januari 2026 ingesteld. Het tijdsverloop van 16 dagen tussen de kennisneming van de bestreden beslissing en het indienen van het verzoekschrift, houdt de negatie in van de uiterst dringende noodzakelijkheid. Verzoekster tracht de periode tussen kennisname en het indienen van de vordering te verklaren door de vakantie van haar raadsman. Dit argument kan haar dralen niet goedmaken, noch is het een verschoningsgrond voor het gebrek aan diligent handelen, temeer daar de beslissing het resultaat is van een door verzoekster welgekende en opgevolgde procedure. Het doet immers niets af aan de hiervoor gestelde eis dat, indien volgens verzoekster de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing volgens de gewone procedure te laat zal komen omdat het nadeel door het verloop van de tijd onherstelbaar zal zijn geworden, zij het nodige moet doen om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State. De uitermate hoge graad van urgentie die thans door verzoekster aan de zaak wordt toegeschreven, valt niet te verzoenen met het manifest gebrek aan diligentie in haar hoofde. Verzoekster diende dan ook kortelings nadat zij kennis had van de bestreden beslissing haar vordering tot schorsing in te stellen, gelet op ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.409 XII-9995-7/8 het ingaan van de intrekking van haar vergunning op 1 februari
- Het thans door verzoeker aangevoerde betoog ter verantwoording van de vermeende hoogdringendheid, nog daargelaten het gegeven dat zij zich beperkt tot een algemene, vage en hypothetische uiteenzetting zonder die te steunen op concrete gegevens, overtuigende argumenten en pertinente stavingsstukken ter zake, doet geen afbreuk aan de voorgaande vaststelling.
- Uit het voorgaande volgt dat verzoekster niet met de vereiste diligentie is opgetreden. Het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering is niet aangetoond. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 5, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijftien januari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Chantal Bamps ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.409 XII-9995-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.409 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.