← België

Arrest 265469 - Overheidsopdrachten - 19/01/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.469 Rolnummer: A. 246818/XIV-40007 Zaak: Arrest 265469 - Overheidsopdrachten - 19/01/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-01-20 Raadplegingen: 183 - laatst gezien 2026-06-18 09:16 Fiche Arrest nr 265.469 van 19 januari 2026 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 265.469 van 19 januari 2026 in de zaak A. 246.818/XIV-40.007 In zake: de BV M.V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Mattias Van Schel kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 480 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steven Van Garsse en Koen De Metsenaere kantoor houdend te 2600 Antwerpen Prins Boudewijnlaan 18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 22 december 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de gunningsbeslissing voor het aanleggen en herstellen van halfverharde wegen en grindgazon in parken of op openbaar domein […] d.d. 5 december 2025 van de stad Antwerpen.” II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij beschikking van 23 december 2025 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. XIV-40.007-1/14 De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 januari 2026, om 14.00 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Mattias Van Schel, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Koen De Metsenaere, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. De verwerende partij plaatst een overheidsopdrachten voor werken in de markt met als onderwerp: “Raamovereenkomst voor het aanleggen en herstellen van halfverharde wegen en grindgazon in parken of openbaar domein.” 3.
  5. Vier offertes worden ingediend, waaronder die van de verzoekende partij. 3.
  6. Op 5 december 2025 keurt de verwerende partij “op basis van het bijgevoegd verslag van nazicht de gunning goed van de opdracht […] voor het afsluiten van een raamovereenkomst voor het aanleggen en herstellen van XIV-40.007-2/14 halfverharde wegen en grindgazon in parken of op openbaar domein, aan [de gekozen inschrijver].” Dit is de bestreden beslissing. IV. Verzoek tot vertrouwelijke behandeling van bepaalde stukken
  7. De verwerende partij vraagt in haar nota om de vertrouwelijke behandeling van bepaalde door haar neergelegde stukken die zij in de inventaris als vertrouwelijk aanduidt en waarbij zij de redenen opgeeft waarom zij om die vertrouwelijke behandeling vraagt.
  8. De verzoekende partij heeft (ter terechtzitting) niet het lichten van de vertrouwelijkheid van deze stukken gevraagd. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  9. Krachtens artikel 17, §§ 1, 5 en 6, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’, moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. VI. Onderzoek van enig middel Vooraf
  10. Artikel 2, § 1, tweede tot vierde lid, van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene XIV-40.007-3/14 procedureregeling) is op grond van artikel 8, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: het koninklijk besluit van 19 november 2024) – dat immers verwijst naar artikel 4, § 1, tweede lid van dat besluit – van toepassing op een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid waarin, zoals te dezen, nog geen verzoekschrift tot nietigverklaring is ingediend. De vordering moet bijgevolg een samenvatting van het middel bevatten als voor het middel een verdere uiteenzetting nodig is. Luidens voornoemd artikel 2, § 1, derde lid, van de algemene procedureregeling kan de ontstentenis van de samenvatting van de grief niet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het middel, maar luidens het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 21 juli 2023 dat deze verplichting invoerde, heeft “die ontstentenis […] als enig mogelijk gevolg voor de verzoeker dat de draagwijdte van zijn grief niet correct samengevat en dus begrepen wordt in het verslag van de auditeur en in het arrest” (BS 26 juli 2023, 62630).
  11. Te dezen bevat het verzoekschrift weliswaar een uiteenzetting van het enig middel, maar anders dan hoe de verzoekende partij het ter terechtzitting ziet, bevat het geen samenvatting van de grieven in de zin van de voornoemde bepalingen, terwijl de verzoekende partij wel aan de hand van omstandige toelichtingen in detail en concreter ingaat op de argumenten die volgens haar het middel ondersteunen. Uit wat voorafgaat volgt dat, zeker in een kortgedingprocedure ingeleid bij uiterst dringende noodzakelijkheid waarin ook het recht van verdediging van de overige partijen is beperkt, de verzoekende partij moet verdragen dat de Raad van State de grieven samenvat en begrijpt zoals hierna wordt gedaan. XIV-40.007-4/14 Te dezen heeft de verwerende partij het standpunt van de verzoekende partij voor het enig middel samengevat, waaruit mag worden afgeleid dat zij het betrokken middel in die (samengevatte) zin heeft begrepen. Ter terechtzitting formuleerde de verzoekende partij geen opmerkingen inzake deze samenvatting, zodat de Raad van State, in het licht van wat voorafgaat, er voor de redactie ook mag van uitgaan. Uiteenzetting van het middel
  12. De verzoekende partij zet in het verzoekschrift het middel als volgt uiteen: “- Dat uit de prijsverantwoording niet blijkt dat [de derde-gekozen inschrijver] concrete cijfermatige gegevens heeft verstrekt, noch gegevens die een onderscheidend karakter vertonen ten aanzien van de andere inschrijvers terwijl verwerende partij de prijsverantwoording vanwege inschrijver [i.e. de derde-gekozen inschrijver] niet mocht aanvaarden nu deze inschrijver het schijnbaar abnormaal karakter van diens totaalprijs en specifieke posten 37 en 38 niet afdoende heeft weerlegd; - Dat verwerende partij gehouden was de ontvangen prijsverantwoording van inschrijver [de derde-gekozen inschrijver] zorgvuldig te onderzoeken en te beoordelen; Dat de verwerende partij alleszins gehouden is haar beslissing tot gunning van de opdracht en in het bijzonder de aanvaarding van de prijsverantwoording vanwege inschrijver [i.e. de derde-gekozen inschrijver] behoorlijk en afdoende te motiveren; Dat dit niet alleen volgt uit de op verwerende partij rustende formele motiveringsverplichting doch ook, voor wat betreft de aanvaarding van de prijsverantwoording van de totaalprijs, uit artikel 36 § 3 lid 1, 3° van het KB Plaatsing; - Dat het derhalve niet vaststaat dat de opdracht is gegund aan de inschrijver met de economisch meest voordelige offerte; Dit middel volgt uit de schending van: - artikelen 4 en 84 van de Overheidsopdrachtenwet 17 juni 2016; - artikel 36 van het KB Plaatsing; - artikel 5 van de Rechtsbeschermingswet - de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’; - de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder, het zorgvuldigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.”, waarna zij een omstandige “concrete uitwerking van het middel” geeft, elk der paragrafen van de formele motivering van de prijsverantwoording betwistend. XIV-40.007-5/14 De verwerende partij vat het middel als volgt samen in haar nota met opmerkingen: “
  13. Verzoekende partij stelt in essentie dat de motivering van verwerende partij inzake de prijsverantwoording met betrekking tot de offerte van [de derde-gekozen inschrijver] die in de bestreden beslissing is opgenomen niet afdoende zou zijn en niet zou kunnen verantwoorden dat de kennelijk abnormale prijzen van [de derde-gekozen inschrijver] alsnog als niet abnormaal worden gekwalificeerd. Verzoekende partij stelt daarbij in essentie dat de formele motieven onvoldoende gedetailleerd en bijgevolg niet afdoende zijn om de bestreden beslissing te verantwoorden.” Beoordeling
  14. Uit de prima facie-lezing van het enig aangevoerde middel blijkt dat de verzoekende partij de formele motivering in de gunningsbeslissing betwist, voor zover deze betrekking heeft op de aanvaarding van de prijsverantwoording van de offerte van [de gekozen inschrijver]. Volgens de verzoekende partij is die motivering niet afdoende en kan zij niet verantwoorden dat de kennelijk abnormale prijzen van de gekozen inschrijver alsnog als niet‑abnormaal worden aangemerkt. Ook de verwerende partij heeft het middel op deze wijze begrepen. Het middel wordt hierna in deze stand van het geding vanuit dit oogpunt onderzocht.
  15. Overeenkomstig artikel 36, § 4, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’ (hierna: het koninklijk besluit van 18 april 2017) dient de aanbestedende overheid een prijzenbevraging uit te voeren voor elke offerte waarvan het totale offertebedrag minstens vijftien procent onder het gemiddelde bedrag ligt van de door de inschrijvers ingediende offertes. Het is op grond van die bepaling dat de verwerende partij de gekozen inschrijver te dezen bevraagd heeft over diens totaalprijs. Zij heeft hem daarbij ook bevraagd over de posten 37 en 38 vermits deze posten volgens de verwerende partij “een sterke bijdrage leveren aan het XIV-40.007-6/14 prijsverschil.” Wanneer de aanbestedende overheid, zoals te dezen, een prijsverantwoording heeft gevraagd, dient zij hierover inhoudelijk standpunt in te nemen alvorens de gunningsbeslissing te nemen. De betrokken motieven dienen op grond van de artikelen 4 en 5 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ (hierna: de wet van 17 juni 2013), te worden veruitwendigd teneinde een controle mogelijk te maken. De formelemotiveringsplicht, zoals zij geldt in het kader van het prijs‑ en kostenonderzoek bedoeld in voornoemd artikel 36, vereist dat in de gunningsbeslissing afdoende redenen worden opgegeven waaruit blijkt waarom een gekozen offerte, na het uitgevoerde prijsonderzoek, regelmatig wordt bevonden. Deze motivering moet van dien aard zijn dat de inschrijvers in staat worden gesteld om, op basis van de verstrekte motieven en met kennis van zaken, uit te maken of het aangewezen is om de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. De formelemotiveringsplicht moet evenwel worden verzoend met de verplichting van de aanbestedende overheid om bepaalde gegevens vertrouwelijk te behandelen. In dit verband kan, althans op het eerste gezicht, worden aanvaard dat een aanbestedende overheid, onder verwijzing naar de ingediende prijsverantwoording(en), om redenen van vertrouwelijkheid kan volstaan met een beknopte motivering, waarbij zij slechts in algemene termen duidt welke overwegingen haar hebben gebracht tot de erkenning van de relevantie en de afdoende aard van de verstrekte prijsverantwoording(en). Een dergelijke formele motivering mag evenwel niet zodanig summier of laconiek zijn dat zij het onmogelijk maakt om na te gaan om welke redenen een bepaalde offerte, na het gevoerde prijsonderzoek, regelmatig werd bevonden. XIV-40.007-7/14 Bij het onderzoek naar het afdoende karakter van de formele motivering moet voorts worden rekening gehouden met het geheel van de formele motivering en niet met één of meerdere onderdelen van de motivering op zich. De motivering in haar geheel moet immers afdoende zijn.
  16. Te dezen heeft de verwerende partij, blijkens het gunningsverslag: 1°) vastgesteld dat in de offerte van de gekozen inschrijver “de volgende schijnbare abnormaliteiten” werden vastgesteld: “• De totaalprijs werd schijnbaar abnormaal laag bevonden in het kader van artikel 36 paragraaf 4 van het Koninklijk besluit van 18 april
  17. • De prijzen voor de posten 37 en 38 werden schijnbaar abnormaal laag bevonden.” 2°) In toepassing van artikel 36 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 heeft de aanbestedende overheid deze inschrijver om een schriftelijke verantwoording van de samenstelling van de (schijnbaar) abnormale prijzen verzocht. De prijsverantwoording verstrekt door de gekozen inschrijver is neergelegd als vertrouwelijk stuk van het administratief dossier die de Raad van State heeft ingezien. Hieruit blijkt dat de gekozen inschrijver een becijferd overzicht geeft van de prijzen voor de posten 37 en
  18. Daarbij wordt de werkwijze gedetailleerd becijferd, die dus een verklaring kan bieden voor de opgegeven eenheidsprijzen. Tevens neemt de gekozen inschrijver in zijn prijsverantwoording cijfermatige gegevens op over de volumes grondstoffen die in 2024 werden afgenomen, de volatiliteit van de grondstoffen en energieprijzen en wordt uiteengezet wat hij aankan op grond van het machinepark waarover hij beschikt en zijn personeelsbezetting. De prijsverantwoording opgegeven door de gekozen inschrijver wordt in het gunningsverslag aanvaard op grond van de volgende motivering: XIV-40.007-8/14 “De aanbestedende overheid heeft de verantwoording van [de derde-gekozen inschrijver] beoordeeld en is om de volgende redenen van oordeel dat de offerteprijs toch geen abnormaal karakter heeft: • De inschattingen die werden gemaakt voor de berekening en opstelling van posten 37 en 38 werden door de aanbestedende overheid als realistisch beschouwd voor de werkwijze waarop deze inschrijver te werk gaat. Alle nodige kosten werden hierin realistisch in rekening gebracht. • De grote volumes aan grondstoffen die de inschrijver jaarlijks afneemt alsook het uitgebreide machinepark voor dit soort opdrachten, laten de inschrijver toe aan relatief lage kosten te kunnen werken. Dit heeft zowel impact op de prijzen voor posten 37 en 38 als op de totaalprijs. • Bij de uitvoering van de vorige overeenkomst met een gelijkaardig voorwerp en gelijkaardige omvang werden gelijkaardige prijzen aangerekend. Er werden bij deze inschrijver gedurende de uitvoering van dit contract ook geen problemen ondervonden. Deze overweging heeft zowel betrekking op posten 37-38 als op de totaalprijs.” Deze motivering steunt op drie elementen of aanwijzingen dat de prijzen die geboden zijn wel normaal zijn: (1°) de inschattingen voor de berekening van de posten 37 en 38 zijn realistisch voor de werkwijze waarop de gekozen inschrijver te werk gaat en alle nodige kosten hierin werden realistisch in rekening gebracht (eerste aanwijzing); (2°) de jaarlijkse grote volumes aan grondstoffen die de gekozen inschrijver afneemt, alsook zijn uitgebreid machinepark voor dit soort opdrachten, laten de gekozen inschrijver toe aan relatief lage kosten te werken (tweede aanwijzing) en (3°) bij de uitvoering van de vorige overeenkomst met een gelijkaardig voorwerp en gelijkaardige omvang werden gelijkaardige prijzen aangerekend en gedurende de uitvoering van die overeenkomst zijn er geen problemen gerezen (derde aanwijzing). Elk van deze aanwijzingen wordt door de verzoekende partij punctueel bekritiseerd, doch daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat – zoals hiervoor nader uiteengezet – de verzoekende partij moet aantonen dat de gegeven motivering, inhoudende dat de opgegeven prijzen niet abnormaal zijn, in haar geheel genomen, niet afdoende is. Hierin faalt de verzoekende partij op het eerste gezicht, zoals hierna zal blijken. XIV-40.007-9/14
  19. Inzake de eerste aanwijzing in de gegeven formele motivering betoogt de verzoekende partij dat die is beperkt tot “algemene beweringen, zonder concrete toelichting, cijfermatige onderbouwing of verifieerbare elementen”, die niet toelaten “na te gaan op welke objectieve gronden werd geoordeeld dat de posten 37 en 38 realistisch zijn geprijsd.” Deze kritiek overtuigt op het eerste gezicht niet. Uit deze aanwijzing kan de verzoekende partij al vernemen dat de aanbestedende overheid oordeelt dat de gegeven inschattingen voor de berekening van de posten 37 en 38 als realistisch worden beschouwd voor de werkwijze waarop de gekozen inschrijver te werk gaat en dat alle nodige kosten hierin realistisch in rekening werden gebracht. Als de verzoekende partij in de bestreden beslissing zelf méér wenst te vernemen, zoals de cijfermatige onderbouwing of verifieerbare elementen waarop dat standpunt steunt, is zij op zoek naar de “motieven van de motieven”. Die waarborg biedt alvast de geschonden geachte formelemotiveringsplicht niet. Er bestaat voorts geen twijfel tussen de partijen over het vertrouwelijke karakter van de verantwoordingselementen die de gekozen inschrijver in zijn prijsverantwoording inzake de posten 37 en 38 heeft verstrekt. Zoals de verwerende partij overigens reeds heeft opgemerkt in haar e-mail van 18 december 2025 aan de raadsman van de verzoekende partij als antwoord op diens e-mail van 16 december 2025 waarin die om concrete en verifieerbare informatie verzocht, is dergelijke informatie vertrouwelijk waarvan de openbaarmaking de rechtmatige commerciële belangen van deze inschrijver kan schaden. Het kan dan ook niet worden verweten dat in de gunningsbeslissing niet nauwkeuriger wordt aangegeven wat de concrete cijfermatige elementen zijn die ter verantwoording zijn gegeven door de gekozen inschrijver en die de aanbestedende overheid ertoe brachten te oordelen dat de gedane inschattingen voor de berekening van de posten 37 en 38 als realistisch worden beschouwd voor de werkwijze waarop de gekozen inschrijver te werk gaat en dat alle nodige kosten hierin realistisch in rekening werden gebracht. XIV-40.007-10/14
  20. Inzake de tweede aanwijzing dat de opgegeven prijzen niet abnormaal zijn, betoogt de verzoekende partij dat de verwijzing naar de grote jaarlijkse afnamevolumes van grondstoffen en naar een uitgebreid machinepark niet wordt gestaafd door verifieerbare, cijfermatige gegevens. Bovendien ontbeert volgens haar die motivering elk onderscheidend karakter en is de verwijzing naar “relatief lage kosten” te vaag. Deze kritiek wordt op het eerste gezicht evenmin bijgetreden. Uit deze aanwijzing kan de verzoekende partij reeds vernemen dat de aanbestedende overheid van oordeel is dat de grote jaarlijkse volumes aan grondstoffen die de gekozen inschrijver afneemt, evenals diens uitgebreid machinepark voor opdrachten van deze aard, de gekozen inschrijver in staat stellen aan relatief lage kosten te werken. Indien de verzoekende partij in de bestreden beslissing méér wenst te vernemen, zoals een cijfermatige onderbouwing of verifieerbare elementen waarop dit standpunt rust, is zij op zoek naar de zogenaamde “motieven van de motieven”. Die waarborg biedt alvast de geschonden geachte formelemotiveringsplicht niet. Voorts bestaat er geen twijfel over het vertrouwelijke karakter van zowel de prijzen waartegen de gekozen inschrijver zijn grondstoffen kan aankopen, als de volumes die hij afneemt en de kostenstructuur die hij daarbij hanteert. Het kan de aanbestedende overheid dan ook niet worden verweten dat in de gunningsbeslissing niet nauwkeuriger wordt uiteengezet welke concrete cijfermatige elementen door de gekozen inschrijver ter verantwoording zijn verstrekt en die de aanbestedende overheid ertoe hebben gebracht te oordelen dat de grote grondstoffenvolumes en het uitgebreide machinepark van de gekozen inschrijver hem toelaten aan relatief lage kosten te werken. Dit heeft bovendien betrekking op zowel de prijzen van de posten 37 en 38 als op de totale prijs. Voorts strekt de prijsverantwoording er op het eerste gezicht toe inzonderheid te waarborgen dat de opdracht op conforme wijze kan worden uitgevoerd, zonder de mededinging te verstoren of aanleiding te geven tot speculatie met overheidsgeld. De loutere omstandigheid dat de verzoekende partij aanvoert dat ook zij over een “bijzonder uitgebreid en gespecialiseerd machinepark XIV-40.007-11/14 voor dit type werken” beschikt, zodat het door de verwerende partij aangevoerde argument volgens haar geen onderscheidend karakter heeft, doet geen afbreuk aan het feit dat het gegeven dat de gekozen inschrijver over een “uitgebreid machinepark voor dit soort opdrachten” beschikt, in combinatie met de overige in de prijsverantwoording opgenomen elementen, de verwerende partij kon overtuigen dat het vermoeden van abnormaliteit werd weerlegd. Bovendien staat de conclusie dat de opgesomde elementen toelaten aan “relatief lage kosten” te werken niet op zichzelf, maar wordt zij afgeleid uit de gegevens die door de gekozen inschrijver werden verstrekt.
  21. Inzake de derde aanwijzing betoogt de verzoekende partij dat de verwijzing naar de uitvoering van de vorige overeenkomst met een gelijkaardig voorwerp en gelijkaardige omvang, niet kan verklaren waarom de huidige offerte in aanzienlijke mate afwijkt van het offertegemiddelde. Tegen de achtergrond van fundamenteel gewijzigde marktomstandigheden de voorbije jaren, verklaart volgens de verzoekende partij deze motivering niet hoe deze algemeen gekende kostenstijgingen zouden zijn opgevangen of geneutraliseerd. Deze kritiek wordt op het eerste gezicht evenmin bijgetreden. Uit deze derde aanwijzing waaruit blijkt dat de geboden prijzen niet als abnormaal kunnen worden aangemerkt, kan de verzoekende partij reeds afleiden dat de verwerende partij heeft vastgesteld dat, bij de uitvoering van een eerdere opdracht met een gelijkaardig voorwerp en een vergelijkbare omvang, soortgelijke prijzen in rekening werden gebracht en dat tijdens de uitvoering van die overeenkomst bij de betrokken inschrijver geen problemen zijn gerezen. Indien de verzoekende partij in de bestreden beslissing nadere toelichting wenst te verkrijgen, zoals een uiteenzetting omtrent de wijze waarop de algemeen bekende kostenstijgingen en de fundamenteel gewijzigde marktomstandigheden zouden zijn gecompenseerd of geneutraliseerd, zoekt zij opnieuw naar de zogenaamde “motieven van de motieven”. Die waarborg biedt alvast de geschonden geachte formelemotiveringsplicht niet. Voorts stelt de verzoekende partij weliswaar terecht XIV-40.007-12/14 dat de enkele vaststelling dat in het verleden vergelijkbare prijzen werden gehanteerd, op zichzelf niet volstaat om het vermoeden van abnormaliteit te weerleggen. Aangezien echter alle aangevoerde aanwijzingen gezamenlijk in aanmerking moeten worden genomen om te beoordelen of de gegeven formele motivering – inhoudende dat de geboden prijzen geen abnormaal karakter vertonen – afdoende is, maakt de verzoekende partij met haar kritiek geenszins aannemelijk dat dit op zich zou volstaan om te besluiten dat de motivering niet afdoende is. Evenmin toont zij aan dat deze aanwijzing a fortiori niet mag worden betrokken bij de beoordeling van het afdoende karakter van de motivering waaruit blijkt dat geen sprake is van abnormale prijzen. Dat de eerdere opdracht zonder problemen werd uitgevoerd, vormt overigens – vanuit het oogpunt van de aanbestedende overheid – een bijkomende en relevante aanwijzing die deel uitmaakt van de globale appreciatie. Deze omstandigheid draagt derhalve bij aan het geheel van elementen waarop de verwerende partij haar beoordeling van het ontbreken van een abnormaal prijsniveau heeft gesteund.
  22. Uit wat voorafgaat volgt dat de verzoekende partij niet aan de hand van de kritiek op de onderscheiden aanwijzingen afzonderlijk, aantoont dat de motivering van het aanvaarden van de prijzen, in haar geheel genomen niet afdoende zou zijn. Zij toont aldus niet aan waarom de gegeven formele motivering, haar niet in staat stelde de verantwoording ter zake met kennis van zaken te betwisten. Het middel is in die mate niet ernstig.
  23. De verzoekende partij voert in het middel ook nog de schending aan van de artikelen 4 en 84 van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ en van de “beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder, het zorgvuldigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel’. Zij verzuimt evenwel ter zake enige specifieke argumentatie op te bouwen, zodat deze grieven geacht moeten worden ofwel samen te vallen met wat hiervoor al is besproken, ofwel niet ontvankelijk te zijn. XIV-40.007-13/14
  24. Het enig middel is niet ernstig. VII. Besluit
  25. Het enig middel is niet ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt dan ook verworpen. BESLISSING
  26. De Raad van State verwerpt de vordering.
  27. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negentien januari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-40.007-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.469 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.