← België

Arrest 265470 - Overheidsopdrachten - 19/01/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.470 Rolnummer: A. 246879/XIV-40015 Zaak: Arrest 265470 - Overheidsopdrachten - 19/01/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-01-22 Raadplegingen: 186 - laatst gezien 2026-06-18 09:12 Fiche Arrest nr 265.470 van 19 januari 2026 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.470 no lien 287210 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 265.470 van 19 januari 2026 in de zaak A. 246.879/XIV-40.015 In zake: de NV T. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rika Heijse kantoor houdend te 9052 Gent Dorpsstraat 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de nv van publiek recht INFRABEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nathanaëlle Kiekens, Leen De Vuyst en Hannah Mignolet kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 29 december 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van ongekende datum van de naamloze vennootschap van publiek recht Infrabel […] waarbij de ‘Raamovereenkomst voor het uitvoeren van archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem en archeologische opgravingen voor opdrachten in Vlaanderen’, gekend als OPDRACHT TR 895316, wordt gegund aan [de nv M.]” evenals van de (impliciete) beslissing om deze opdracht niet te gunnen aan de verzoekende partij. XIV-40.015-1/15 II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij beschikking van 30 december 2025 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 januari 2026 om 10:00 uur. Staatsraad Inge Vos heeft verslag uitgebracht. Advocaat Rika Heijse, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Hannah Mignolet, die verschijnt voor de verwerende partij zijn gehoord. Auditeur Frederick Ongena heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht voor diensten in de speciale sectoren uit met als voorwerp “Raamovereenkomst voor het uitvoeren van archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem en archeologische opgravingen voor opdrachten in Vlaanderen”. Als plaatsingsprocedure wordt gekozen voor een onderhandelingsprocedure met voorafgaande oproep tot mededinging. De opdracht wordt nationaal en Europees bekendgemaakt. XIV-40.015-2/15 In de aankondiging wordt het voorwerp van de opdracht nader omschreven als volgt: “Voor verschillende projecten van Infrabel verspreid over heel Vlaanderen die door TUC RAIL dienen te worden gerealiseerd dient er archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. Deze projecten betreffen o.m. lijntracés voor nieuwe spoorlijnen, of naast bestaande spoorlijnen, bouw tunnel of brug voor het afschaffen van een overweg, aanleg of aanpassingen aan een (bestaande) spoorbundel, aanleg hydraulica, bouw bufferbekkens, bouw van een gebouw, enz… De raamovereenkomst omvat het uitvoeren van verschillende soorten archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem vertrekkend van een archeologienota met een programma van maatregelen en indien van toepassing het uitvoeren van opgravingen en de opmaak van de verschillende rapporteringen. Voor bepaalde projecten omvat de opdracht alleen de archeologische begeleiding conform het programma van maatregelen. De werken met betrekking tot het volledig toegankelijk maken van het terrein, het uitgraven van de proefsleuven, profielputten en kijkvensters, het terug dichten van de sleuven en het herstel van het terrein gebeurt door een aannemer van een andere opdracht. Het archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd volgens de richtlijnen uit de ‘Code van goede praktijk voor de uitvoering van en rapportering over archeologisch vooronderzoek en archeologische opgravingen en het gebruik van metaaldetectoren’” 3.
  5. Aan de hand van de selectieleidraad dienen acht kandidaten een aanvraag tot deelneming in, onder wie de verzoekende partij en de nv M. Op 9 juli 2025 worden zij allen geselecteerd. 3.
  6. Luidens het bestek dat op de opdracht van toepassing is, wordt de opdracht, na eventuele onderhandelingen, toegewezen aan de inschrijver die de economisch voordeligste regelmatige offerte heeft ingediend vanuit het standpunt van de aanbesteder op grond van de gunningscriteria ‘Financieel criterium’ (50 punten) en ‘Kwaliteit’ (50 punten). Het gunningscriterium ‘kwaliteit’ wordt in het bestek als volgt omschreven: XIV-40.015-3/15 “ Kwaliteit plan van aanpak (maximum te behalen punten CK,max = 50 punten) Het plan van aanpak dient dezelfde structuur te hebben als opgegeven in de “Inhoud plan van aanpak” als bijlage aan het bestek en mag maximaal 15 pagina’s omvatten, exclusief de CV’s. De antwoorden zullen als volgt worden beoordeeld: ▪ Het antwoord voldoet niet aan de eisen van het bestek of geeft de indruk dat de eisen van het bestek niet zullen worden nageleefd of het antwoord is vaag en geeft geen goede indicatie van de manier waarop de prestaties zullen worden uitgevoerd of waarop de eisen van het bestek zullen worden nageleefd: 0 punten; ▪ Het antwoord voldoet niet volledig aan de eisen van het bestek en zou zeker moeten worden verbeterd ten opzichte van de eisen van het bestek: 0,25 punten; ▪ Het antwoord voldoet aan de eisen van het bestek: 0,50 punten; ▪ Het antwoord houdt een verbetering in ten opzichte van de eisen van het bestek: 1 punt Aan elke vraag van de “evaluatiematrix” wordt een gewicht toegekend teneinde rekening te houden met het belang ervan. Het totale aantal punten (C2,i) dat wordt toegekend aan een offerte wordt verkregen door eerst de aan elk van de vragen toegekende punten te vermenigvuldigen met het gewicht van de vraag en door er vervolgens deze punten bij op te tellen voor het geheel van de plan van aanpak.” […] Voorbehoud Na de eventuele onderhandelingen worden de offertes die op een of meerdere criteria vermeld in punt 2 hierboven (kwaliteit) minder dan de helft van de punten behaalden onregelmatig verklaard” De bijlage ‘inhoud plan van aanpak’ waarnaar in de omschrijving van het gunningscriterium ‘kwaliteit’ verwezen wordt, luidt als volgt: XIV-40.015-4/15 3.
  7. Vijf inschrijvers, onder wie de verzoekende partij, dienen een initiële offerte in. Alle offertes worden regelmatig bevonden en getoetst aan de gunningscriteria, hetgeen leidt tot volgende rangschikking: “ Inschrijvers Quotering 1 [nv M.] 75,00 punten 2 [verzoekende partij] 70,91 punten 3 [derde inschrijver] 58,99 punten 4 [vierde inschrijver] 55,58 punten 5 [vijfde inschrijver] 52,97 punten ” Gelet op het grote puntenverschil voor de inschrijvers gerangschikt vanaf plaats drie, beslist de verwerende partij om enkel de twee best gerangschikte inschrijvers uit te nodigen voor onderhandelingen. 3.
  8. Na het voeren van onderhandelingen worden de beide inschrijvers uitgenodigd een nieuwe offerte in te dienen en vervolgens nog een laatste offerte (Best and Final offer of BAFO). 3.
  9. Op 11 december 2025 beslist de verwerende partij om de opdracht te gunnen aan de nv M. Dit is de eerste bestreden beslissing, die ook de tweede bestreden beslissing omvat. Deze beslissing bevat de volgende beoordeling van de gunningscriteria wat de ingediende laatste offertes betreft: “
  10. Financieel criterium (50 punten) Inschrijvers Quotering 1 [nv M.] 50,00 punten 2 [verzoekende partij] 46,66 punten
  11. Kwaliteit (50 punten) Inschrijvers Quotering 1 [nv M.] 25,00 punten 2 [verzoekende partij] 25,00 punten XIV-40.015-5/15 *De motivering voor deze quotering wordt uiteengezet in bijlage 1, dewelke integraal deel uitmaakt van de gemotiveerde gunningsbeslissing. Totaal (100 punten) Inschrijvers Quotering 1 [nv M.] 75,00 punten 2 [verzoekende partij] 71,66 punten ” Bijlage 1 waarnaar in de voormelde beoordeling verwezen wordt, bevat een evaluatiematrix die in de eerste drie kolommen de voormelde bijlage ‘inhoud plan van aanpak’ herneemt. De beoordeling van de vijf offertes overeenkomstig de in die bijlage opgenomen subgunningscriteria en beoordelingselementen is telkens identiek en luidt als volgt: “ ” 3.
  12. Met een e-mailbericht en aangetekend schrijven van 12 december 2025 wordt de verzoekende partij van de bestreden gunningsbeslissing in kennis gesteld. IV. Verzoek tot vertrouwelijke behandeling van bepaalde stukken
  13. Beide partijen vragen om de vertrouwelijke behandeling van een aantal door hen neergelegde stukken die zij in de inventaris als vertrouwelijk aanduiden en waarbij zij de redenen opgeven waarom zij om die vertrouwelijke behandeling vragen. XIV-40.015-6/15 Er zijn geen gronden aangevoerd door de partijen om het aangevoerde vertrouwelijk karakter ervan, althans in deze fase van het geding, te lichten. De Raad van State mag deze stukken overigens in zijn beoordeling betrekken. V. Ontvankelijkheid van de vordering
  14. De verzoekende partij streeft met haar verzoekschrift zowel de schorsing van de tenuitvoerlegging van de gunningsbeslissing als van de impliciete weigeringsbeslissing na. Een verzoekende partij die de nietigverklaring vraagt of de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van een impliciete weigeringsbeslissing, moet aantonen dat er uitzonderlijke omstandigheden zijn die wijzen op een rechtsplicht om de opdracht aan haar te gunnen. De verzoekende partij maakt te dezen geenszins aannemelijk – en al zeker niet met de in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid vereiste mate van prima facie ernst – dat zulke uitzonderlijke omstandigheden voorhanden zijn. Zij zet op geen enkele wijze uiteen waarom de middelen die zij aanvoert, inhouden dat de verwerende partij na de schorsing geen andere rechtsgeldige keuze meer heeft dan de opdracht aan de verzoekende partij te gunnen.
  15. De vordering is niet-ontvankelijk in zoverre zij gericht is tegen de tweede bestreden beslissing. De eerste bestreden beslissing wordt derhalve hierna aangeduid als de bestreden beslissing. VI. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  16. Krachtens artikel 17, §§ 1, 5 en 6, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet XIV-40.015-7/15 van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ (hierna: wet van 17 juni 2013), moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. VII. Onderzoek van het derde middel Standpunt van de partijen
  17. De verzoekende partij voert in het derde middel de schending aan van de artikelen 4, 5 en 153, samen gelezen met artikel 81 van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’, van de artikelen 4 en 5 van de wet van 17 juni 2013, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991) en van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder van de materiëlemotiveringsplicht en de zorgvuldigheidsplicht.
  18. Artikel 2, § 1, tweede tot vierde lid, van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling) is op grond van artikel 8, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: het koninklijk besluit van 19 november 2024) – dat immers verwijst naar artikel 4, § 1, tweede lid, van dat besluit – eveneens van toepassing op een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. De vordering moet bijgevolg een samenvatting van het middel bevatten als voor het middel een verdere uiteenzetting nodig is. Luidens voornoemd artikel 2, § 1, derde lid, van de algemene procedureregeling kan de XIV-40.015-8/15 ontstentenis van de samenvatting van de grief niet leiden tot de niet- ontvankelijkheid van het middel, maar luidens het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 21 juli 2023 dat deze verplichting invoerde, heeft “die ontstentenis […] als enig mogelijk gevolg voor de verzoeker dat de draagwijdte van zijn grief niet correct samengevat en dus begrepen wordt in het verslag van de auditeur en in het arrest” (BS 26 juli 2023, 62630). Te dezen bevat het verzoekschrift weliswaar een uiteenzetting van het derde middel, maar geen samenvatting van de grieven in de zin van de voornoemde bepalingen, terwijl de verzoekende partij wel aan de hand van omstandige toelichtingen concreter ingaat op de argumenten die volgens haar het middel ondersteunen. Uit wat voorafgaat volgt dat, zeker in een kortgedingprocedure ingeleid bij uiterst dringende noodzakelijkheid waarin ook het recht van verdediging van de overige partijen is beperkt, de verzoekende partij moet verdragen dat de Raad van State de grieven samenvat en begrijpt zoals hierna wordt gedaan.
  19. In het derde middel betoogt de verzoekende partij in essentie dat de beoordeling van de offertes niet afdoende gemotiveerd is en onzorgvuldig omdat in de bijlage bij de gunningsbeslissing met de scores voor het gunningscriterium kwaliteit er geen vermelding is van de plus- en minpunten die de verwerende partij heeft vastgesteld om tot de score van 0,5 punten per subgunningscriterium te komen en de pluspunten van de offerte van de verzoekende partij niet in aanmerking zijn genomen zodat de verzoekende partij een te lage score heeft gekregen voor elk van de subgunningscriteria. In de toelichting bij haar middel zet de verzoekende partij uiteen dat de bijlage die aan de gunningsbeslissing is toegevoegd de motivering voor de toegekende scores voor het gunningscriterium kwaliteit bevat. In deze tabel staat echter enkel de score vermeld, verwoord in woorden en in cijfers. Er is voor geen enkele inschrijver enige toelichting over de plus- en minpunten opgenomen. Daarenboven hebben alle inschrijvers dezelfde score gekregen zonder dat enige toelichting is opgenomen van de plus-en minpunten die tot deze gelijke scores ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.470 XIV-40.015-9/15 leidden. Zij doet gelden dat zij aldus niet bij machte is om te controleren

(1)of de beoordelingen juist zijn, minstens de beoordeling van haar eigen offerte juist is, en
(2)of – bij kruisvergelijking van alle beoordelingen van de plus-en minpunten van elke offerte – alle inschrijvers op gelijke wijze zijn behandeld, of de benoemde plus- en minpunten op gelijke wijze tot een zelfde score leidden. De verzoekende partij doet voorts gelden dat zij op meerdere aspecten een meerwaarde heeft geboden in vergelijking met technische specificaties voor de te verlenen archeologische studiediensten in de opdrachtdocumenten en de procesbeschrijving die in de ‘Code van goede praktijk voor de uitvoering van en rapportering over archeologisch vooronderzoek en archeologische opgravingen en het gebruik van metaaldetectoren’ (hierna: Code van Goede Praktijk) is opgenomen en waarnaar in de opdrachtdocumenten wordt verwezen. Zij licht in haar verzoekschrift een aantal specifieke punten toe die volgens haar duidelijk als een verbetering ten opzichte van de procesbeschrijving van de Code van Goede Praktijk te identificeren zijn op het vlak van het concreet beschrijven van de organisatie en de aanpak die noodzakelijk is, het concreet beschrijven van de organisatie en de aanpak met gedetailleerde uitvoeringsplanning zodat de uitvoeringstermijnen per type van onderliggende opdracht kan worden gerespecteerd en het concreet beschrijven en aangeven wie de rol van opdrachtcoördinator op zich zal nemen. In het licht daarvan betoogt zij dat zij aldus een score van 50 punten, of minstens een score hoger dan 25 verdiende op het gunningscriterium ‘kwaliteit’.
  1. De verwerende partij vat haar verweer inzake het derde middel als volgt samen in de nota met opmerkingen: “De verwerende partij heeft wel degelijk de voornoemde bepalingen inzake motivering nageleefd. De specifieke beoordelingsmethodiek en de vaststelling dat alle inschrijvers louter voldoen aan de eisen van het bestek (en geen plus-of minpunten aanbieden) maken immers geen verdere motivering mogelijk dan het louter vermelden van de behaalde waardering en de daarmee overeenkomende score. Verder is de kritiek van verzoekende partij op de score van haar eigen offerte niet ernstig. Verzoekende partij vermeldt enkele zogenaamde meerwaarden ten aanzien van de Code van Goede Praktijk, welke niet kunnen worden weerhouden tegen het ruimere XIV-40.015-10/15 bestekskader en de daarin vooropgestelde verwachtingen. Verwerende partij weerlegt ook punctueel elke kritiek van verzoekende partij.” Beoordeling
  2. In zoverre de verwerende partij in de nota met opmerkingen betoogt dat de verzoekende partij “voornamelijk argumenten aan[draagt] met betrekking tot de formele motiveringsplicht” wordt zij op het eerste gezicht niet bijgevallen. Zowel uit de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen waarvan de schending wordt aangevoerd als uit de toelichting ervan blijkt dat de grieven van de verzoekende partij niet alleen verband houden met de formelemotiveringsplicht, maar dat zij onder meer ook doet gelden dat de motivering niet draagkrachtig en onzorgvuldig is.
  3. Overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de wet van 17 juni 2016 behandelen de aanbesteders de ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze en handelen zij op een transparante en proportionele wijze. Krachtens het geschonden geachte artikel 81, § 1, van de wet van 17 juni 2016 gunt de aanbestedende overheid de opdracht aan de economisch meest voordelige offerte. De formelemotiveringsplicht, die de verzoekende partij afleidt uit de artikelen 4 en 5 van de wet van 17 juni 2013, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, vereist dat de niet-gekozen inschrijver op grond van de motivering in het gunningsverslag waarop de gunningsbeslissing steunt, afdoende te weten komt waarom de aanbestedende overheid, in het licht van de gunningscriteria, de voorkeur geeft aan deze of gene offerte. De aanbestedende overheid beschikt bij de inhoudelijke beoordeling van de offertes en hun toetsing aan de gunningscriteria over een beoordelingsruimte. Het is in de eerste plaats de aanbestedende overheid die bepaalt wat zij als sterke en zwakke punten in de offertes beschouwt en om er dienovereenkomstig punten aan toe te kennen. De Raad van State is niet bevoegd om de beoordeling van de offertes over te doen en zijn eigen beoordeling in de XIV-40.015-11/15 plaats te stellen van deze van de overheid. In de uitoefening van het hem opgedragen rechtmatigheidstoezicht vermag hij desgevraagd wel na te gaan of deze beoordeling berust op voldoende veruitwendigde en draagkrachtige motieven en of het bestuur daarbij niet onzorgvuldig heeft gehandeld. Bij het beoordelen van een offerte dient de aanbestedende overheid immers op een zorgvuldige wijze te peilen naar de intrinsieke waarde van een offerte in de onderlinge vergelijking met de andere offertes waarbij het verschil zich op een evenredige wijze moet vertalen in een onderscheiden quotering of waardering. Een toetsing van de offertes aan de gunningscriteria veronderstelt dat een afdoende vergelijking van de offertes plaatsvindt, waarbij het aangebodene wordt getoetst aan de verwachtingen van de overheid, met vermelding en vergelijking van de respectieve sterke en zwakke punten van elk van de ingediende offertes.
  4. Te deze voorziet het bestek niet alleen in een prijscriterium, maar ook in een gunningscriterium ‘kwaliteit’, waarbij aan beide gunningscriteria een gelijke weging van 50 punten wordt toegekend. Wat het gunningscriterium ‘kwaliteit’ betreft bepaalt het bestek dat dit criterium wordt beoordeeld aan de hand van een plan van aanpak dat maximaal 15 pagina’s mag omvatten en dat is opgebouwd volgens een structuur die als bijlage bij het bestek is gevoegd. Deze bijlage ‘inhoud plan van aanpak’ vermeldt wat de inschrijver in het plan van aanpak moet opnemen en lijkt het gunningscriterium verder op te delen in drie subgunningscriteria met een gewicht van, respectievelijk, 20, 15 en 15 punten. Het bestek beschrijft dat dit plan van aanpak wordt getoetst aan de eisen van het bestek en een score krijgt die in verhouding staat tot de mate waarin het plan van aanpak voldoet aan de eisen van het bestek. Wanneer het plan van aanpak voldoet aan de eisen van het bestek wordt een score van 0,5 punten toegekend. Wanneer dit plan een verbetering inhoudt ten opzichte van de eisen van het bestek, wordt een score van 1 punt toegekend. Wanneer het antwoord in het plan van aanpak niet volledig voldoet aan de eisen van het bestek wordt een score XIV-40.015-12/15 van 0,25 punten toegekend. Een antwoord dat niet voldoet, resulteert, ten slotte in een score van 0 punten. Het bestek bevat tevens een “voorbehoud” in de zin dat offertes die na eventuele onderhandelingen op een of meerdere van deze criteria minder dan de helft van de punten behalen, onregelmatig worden verklaard.
  5. Wat de beoordeling van het gunningscriterium “kwaliteit” betreft, vermeldt de bestreden beslissing een score van 25 punten (op 50 punten) voor elk van de vijf ingediende initiële offertes, evenals voor de BAFO ingediend door de verzoekende partij en de gekozen inschrijver. De bestreden beslissing verwijst voor de motivering naar een bijlage 1, dewelke integraal deel uitmaakt van de gemotiveerde gunningsbeslissing. Deze bijlage 1 blijkt een tabel te zijn van één pagina. Deze tabel herneemt in de eerste drie kolommen de bijlage ‘inhoud plan van aanpak’ bij het bestek met vermelding van de subgunningscriteria voor het gunningscriterium “kwaliteit”. Voorts vermeldt deze tabel voor de offertes van de vijf inschrijvers voor elk van de drie subgunningscriteria, evenals voor de beoordelingselementen bij het eerste subgunningscriterium, telkens dat “het antwoord voldoet aan de eisen van het bestek”. Dit resulteert in eenzelfde score voor elke inschrijver, zowel wat de subgunningscriteria als de totaalscore betreft.
  6. De verwerende partij heeft er zelf voor gekozen om niet alleen de prijs, maar ook de kwaliteit van de offertes te beoordelen, onder de vorm van een door de inschrijvers op te stellen plan van aanpak waarbij de inschrijvers op het eerste gezicht over een zekere vrijheid beschikken om hun specifieke organisatie en aanpak, met gedetailleerde uitvoeringsplanning toe te lichten, evenals uiteen te zetten hoe en door wie de rol van opdrachtcoördinator zal worden ingevuld, dit alles in het licht van de in het bestek gestelde eisen. Het bestek lijkt aldus uitdrukkelijk een kwalitatief differentiërende toetsing van de offertes in het vooruitzicht te stellen, te meer daar het bestek uitdrukkelijk voorschrijft dat offertes die na eventuele onderhandelingen op een of meerdere van de voormelde criteria minder dan de helft van de punten behalen, onregelmatig worden verklaard. XIV-40.015-13/15 Hoewel de toekenning van een globale gelijke score voor een (sub)gunningscriterium niet uit te sluiten valt, is dit slechts toelaatbaar na concrete afweging van de onderscheiden plus- en minpunten van de diverse offertes.
  7. Door te dezen zonder meer, met betrekking tot de offerte van elk van de vijf inschrijvers, en telkens voor alle subgunningscriteria en gehanteerde beoordelingselementen, te oordelen dat “het antwoord voldoet aan de eisen van het bestek” doet de bestreden beslissing en de bijlage waarop zij steunt, er op het eerste gezicht niet van blijken dat een concrete afweging van de sterke en zwakke punten in de offertes werd gemaakt en dat de verwerende partij op zorgvuldige wijze heeft gepeild naar de intrinsieke waarde van een offerte in onderlinge vergelijking met de andere offertes. Dit blijkt op het eerste gezicht evenmin uit de overige stukken van het administratief dossier. In zoverre de verwerende partij in de nota met opmerkingen, weliswaar in repliek op de concrete grieven van de verzoekende partij, voor bepaalde elementen een inhoudelijke beoordeling en vergelijking maakt, lijkt het te gaan om motivering post factum die niet kan worden aanvaard.
  8. Mede in het licht van een aantal concreet door de verzoekende partij aangevoerde elementen inzake de organisatie en aanpak en de gedetailleerde uitvoeringsplanning komt het de Raad van State op het eerste gezicht als onwaarschijnlijk voor dat alle vijf door de verwerende partij beoordeelde offertes een volledig identiek kwaliteitsniveau zouden aanbieden en dit niet alleen wat de globale score voor het gunningscriterium “kwaliteit” betreft, maar ook wat alle subgunningscriteria en de in het kader van het eerste subgunningscriterium gehanteerde beoordelingselementen betreft. Minstens blijkt noch uit de bestreden beslissing, noch uit de overige stukken van het administratief dossier, op welke concrete motieven de verwerende partij haar conclusie steunt dat alle offertes voor al deze elementen een gelijkwaardige kwaliteit aanbieden die bovendien louter voldoet aan de eisen van het bestek.
  9. Met haar handelwijze lijkt de verwerende partij het tweede gunningscriterium ‘kwaliteit’ dan ook de facto te hebben geneutraliseerd door aan alle offertes zonder meer eenzelfde score toe te kennen, gesteund op de te dezen ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.470 XIV-40.015-14/15 niet afdoende motivering dat in de offerte van elk van de vijf inschrijvers, voor alle subgunningscriteria en gehanteerde beoordelingselementen, “het antwoord voldoet aan de eisen van het bestek”.
  10. Het derde middel is in de aangegeven mate ernstig. VIII. Besluit
  11. Het derde middel is in de aangegeven mate ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt dan ook ingewilligd. BESLISSING
  12. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de verwerende partij van 11 december 2025 om de opdracht voor diensten met als voorwerp ‘Raamovereenkomst voor het uitvoeren van archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem en archeologische opgravingen voor opdrachten in Vlaanderen’, te gunnen aan de nv M.
  13. De Raad van State verwerpt de vordering voor het overige. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negentien januari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Inge Vos, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Inge Vos ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.470 XIV-40.015-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.470 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.