id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.486 Rolnummer: A. 246324/XII-9948 Zaak: Arrest 265486 - Dierenwelzijn - 20/01/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-01-26 Raadplegingen: 188 - laatst gezien 2026-06-18 06:23 Fiche Arrest nr 265.486 van 20 januari 2026 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.486 no lien 287226 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 265.486 van 20 januari 2026 in de zaak A. 246.324/XII-9948 In zake: R.B. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Olivier Ide kantoor houdend te 8000 Brugge Oosterlingenplein 4a bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Deborah Smets kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 5 november 2025, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestemmingsbeslissing van het departement Omgeving van de Vlaamse overheid, afdeling Dierenwelzijn van 1 oktober 2025 waarbij twee katten in volle eigendom worden gegeven aan een erkend dierenasiel. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij beschikking van 19 november 2025 werd de procedurekalender vastgesteld en werden de partijen opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 januari 2026. XII-9948-1/16 De nota met opmerkingen en het administratief dossier werden ingediend overeenkomstig de procedurekalender. Eerste auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Nadia De Cock, die loco advocaat Olivier Ide verschijnt voor verzoekster, en advocaat Guillaume Vyncke, die loco advocaten Steve Ronse en Deborah Smets verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 30 juni 2025 doen een inspecteur-dierenarts en een controleur van de afdeling Dierenwelzijn samen met de lokale politie – naar aanleiding van een melding – vaststellingen inzake overtredingen op het dierenwelzijn met betrekking tot twaalf katten van verzoekster, zowel op het adres van haar woonst als op het adres van haar praktijk. 3.2. Op 30 juni 2025 worden de twaalf katten van verzoekster bestuurlijk in beslag genomen, acht in de woonst van verzoekster en vier in de praktijk van verzoekster. Na het administratief beslag is een kat bevallen van zeven kittens en een andere kat van vier kittens waarvan één doodgeboren. XII-9948-2/16 3.3. Op 20 augustus 2025 wordt verzoekster strafrechtelijk verhoord. Zij verklaart afstand te doen van de vier katten die werden aangetroffen in haar praktijk. De acht katten aangetroffen in haar woonst wenst zij te houden. 3.4. Op 20 augustus 2025 wordt, in het kader van hercontrole in navolging van de feiten hiervoor weergegeven, nog een kat administratief in beslag genomen in de woonst van verzoekster. Dit is de eerste van de twee katten, voorwerp van de bestreden beslissing. 3.5. Op 25 augustus 2025 beslist het afdelingshoofd Dierenwelzijn van het departement Omgeving van de Vlaamse overheid om in toepassing van artikel 72, § 3, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn de twaalf katten en tien kittens vermeld sub 3.2 in volle eigendom te geven aan het erkend asiel waar de dieren op dat ogenblik verblijven. Deze beslissing vormt het voorwerp van een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing gekend onder zaaknr. A. 245.977/XII-9926. De vordering tot schorsing in die zaak werd verworpen bij arrest nr. 265.027 van 1 december 2025 (ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.027). 3.6. Op 27 augustus 2025 wordt nog een kat administratief in beslag genomen in de praktijk van verzoekster. Dit is de tweede kat, voorwerp van de bestreden beslissing. 3.7. Op 1 oktober 2025 beslist het afdelingshoofd Dierenwelzijn van het departement Omgeving van de Vlaamse overheid om in toepassing van artikel 72, § 3, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn de twee katten hiervoor vermeld onder nrs. 3.4 en 3.6 in volle eigendom te geven aan het erkend asiel waar de dieren op dat ogenblik verblijven. Dit is de bestreden beslissing. XII-9948-3/16 IV. Nadere omschrijving van het voorwerp van het beroep 4. Onder de rubriek “grondvoorwaarden voor de schorsing” preciseert verzoekster dat de vordering tot schorsing enkel betrekking heeft op de “katten” die in beslag zijn genomen in de woonst van verzoekster, zonder de kittens die inmiddels zijn geboren. Het voorwerp van het beroep is aldus beperkt tot de kat vermeld sub 3.4, in tegenstelling tot wat de omschrijving van het voorwerp van het beroep doet uitschijnen. V. Schorsingsvoorwaarden 5. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van deze beslissing prima facie kan worden verantwoord. VI. Ernst van het enig middel Uiteenzetting van het middel 6. Verzoekster voert in een enig middel de schending aan van de artikelen 66 en 72, §§ 1 tot 6, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn, de artikelen 1 en 2 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991), artikel 16 van de Grondwet samengelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Parijs op 20 maart 1952 (hierna: Eerste Aanvullend Protocol), het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. XII-9948-4/16 7. Artikel 2, § 1, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: algemene procedureregeling) is op grond van artikel 4, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ van toepassing op een vordering tot schorsing waarin, zoals te dezen, het verzoekschrift tot nietigverklaring nog niet eerder is ingediend. De vordering moet bijgevolg een samenvatting van het middel bevatten als voor het middel een verdere uiteenzetting nodig is. Luidens het voornoemde artikel 2, § 1, derde lid, van de algemene procedureregeling kan de ontstentenis van de samenvatting van de grief niet leiden tot de niet- ontvankelijkheid van het middel, maar luidens het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 21 juli 2023 ‘tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ dat deze verplichting invoerde, heeft “die ontstentenis […] als enig mogelijk gevolg voor de verzoeker dat de draagwijdte van zijn grief niet correct samengevat en dus begrepen wordt in het verslag van de auditeur en in het arrest” (BS 26 juli 2023, Ed. 2, 62.630). Te dezen bevat het verzoekschrift weliswaar een uiteenzetting van het middel, maar geen samenvatting van de grieven in de zin van de voornoemde bepalingen, terwijl verzoekster wel aan de hand van omstandige toelichtingen concreter ingaat op de argumenten die volgens haar het middel ondersteunen. Uit wat voorafgaat, volgt dat, zeker in een kortgedingprocedure, de verzoekende partij moet verdragen dat de Raad van State de grieven samenvat en begrijpt zoals hierna wordt gedaan. 8. In essentie voert verzoekster aan dat de grondvoorwaarde opdat kan worden overgegaan tot de bestuurlijke maatregel tot overdracht van de volle ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.486 XII-9948-5/16 eigendom van de dieren op basis van artikel 72, § 3, 3°, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn, niet is voldaan, daar er geen bewijs voorligt dat verzoekster zich schuldig heeft gemaakt aan dierenmishandeling. Volgens verzoekster kan een dergelijke bestuurlijke maatregel slechts worden getroffen wanneer er een strafrechtelijk gesanctioneerd misdrijf voorligt, zoals bedoeld in artikel 66 van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn. Een misdrijf veronderstelt een materieel, een moreel en een wederrechtelijk element en volgens verzoekster is er te dezen geen sprake van een moreel element. Zij verwijst daartoe naar vijf “dossierelementen”. Voorts voert verzoekster aan dat de bestreden beslissing niet afdoende is gemotiveerd, minstens het resultaat is van een onzorgvuldig onderzoek, alsook kennelijk onredelijk is, daar niet wordt stilgestaan bij de omstandigheden die hebben geleid tot de gedane vaststellingen noch bij de inspanningen van verzoekster om de vastgestelde toestand van haar woning en praktijk te verhelpen, en omdat niet wordt gemotiveerd waarom een minder verregaande bestuurlijke maatregel niet zou volstaan. Het kennelijk onredelijk karakter van de bestreden beslissing blijkt volgens verzoekster ook uit het gegeven dat geen voldoende rekening werd gehouden met de vaststellingen gedaan door de gerechtsdeurwaarder op 19 september 2025, alsook uit het gegeven dat wordt uitgegaan van een “toekomstige situatie”, met name de assumptie dat verzoekster ook in de toekomst onvoldoende zal zorgen voor haar dieren, terwijl uit de formele motivering van de bestreden beslissing daarvoor geen actuele verantwoording blijkt die de vaststellingen gedaan door de gerechtsdeurwaarder weerleggen. Artikel 16 van de Grondwet samengelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol zijn volgens verzoekster geschonden “[g]elet op het feit dat de bestreden beslissing onwettig is”, zodat zij ten onrechte uit haar eigendomsrecht werd ontzet. Beoordeling Eerste grief: schending van de artikelen 66 en 72, §§ 1 tot 6, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn 9. Verzoekster voert vooreerst aan dat een bestuurlijke maatregel in de zin van artikel 72, § 3, 3°, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn slechts kan XII-9948-6/16 worden getroffen wanneer er een strafrechtelijk gesanctioneerd misdrijf voorligt, zoals bedoeld in artikel 66 van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn. 10. De door verzoekster geschonden geachte bepalingen van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn behoren tot het hoofdstuk “Controle, handhaving en bestraffing”. Artikel 66 van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn luidt: “De persoon die handelt in strijd met de bepalingen van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan of de Europese verordeningen, beschikkingen en besluiten ter zake wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot vijf jaar en met een geldboete van 52 euro tot 100.000 euro, of met een van die straffen alleen.” Artikel 72, §§ 1 tot 6, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn luidt: “§ 1. Als de personen, vermeld in artikel 64, § 1, eerste lid, 1° en 2°, een overtreding van dit decreet, de uitvoeringsbesluiten ervan of de Europese verordeningen, beschikkingen en besluiten ter zake vaststellen en die overtreding over levende dieren gaat, kunnen ze die dieren administratief in beslag nemen en als dat nodig is onderbrengen in een geschikte opvangplaats. De personen, vermeld in artikel 64, § 1, eerste lid, 1° en 2°, kunnen ook dieren in beslag nemen als die gehouden worden terwijl er een verbod of een beperking van toepassing is die is opgelegd met toepassing van artikel 68, 2° en 3°. Als de dieren die in beslag worden genomen met toepassing van deze paragraaf, worden opgevangen in een erkend dierenasiel, bezorgt het erkende dierenasiel aan het departement een overzicht van de dieren die zijn opgevangen en de tijdsduur waarin ze zijn opgevangen. Er wordt een vergoeding betaald aan het erkende dierenasiel voor de opvang en voor de kosten die verbonden zijn aan de opvang. Als de dieren niet worden opgevangen in een erkend dierenasiel, wordt die vergoeding betaald aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon in kwestie die instond voor de opvang. De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag van de vergoeding, vermeld in het vierde lid, en de nadere regels van de procedure, vermeld in het derde en vierde lid. § 2. In de gevallen, vermeld in paragraaf 1, wordt een kopie van het proces-verbaal bezorgd aan het departement. § 3. Het departement bepaalt de bestemming van het levende dier dat conform paragraaf 1 in beslag is genomen. De volgende bestemmingen kunnen conform het eerste lid worden bepaald: 1° het dier al dan niet onder voorwaarden teruggeven aan de verantwoordelijke van het in beslag genomen dier; 2° het dier verkopen; 3° het dier in volle eigendom geven aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon; 4° het dier slachten of het doden. XII-9948-7/16 § 4. Het beslag, vermeld in paragraaf 1, wordt van rechtswege opgeheven door de beslissing, vermeld in paragraaf 3, of, bij het uitblijven van de voormelde beslissing, na zestig dagen vanaf de datum van de inbeslagname. § 5. De personen, vermeld in artikel 64, § 1, eerste lid, 1° en 2°, kunnen de kadavers, het vlees of de voorwerpen die het voorwerp vormen van de overtreding of die gediend hebben om een overtreding te plegen of die bestemd waren om een overtreding te begaan, administratief in beslag nemen en eventueel vernietigen of laten vernietigen. § 6. De verantwoordelijke van het dier is een vergoeding verschuldigd voor de kosten die verbonden zijn aan de maatregelen die worden genomen met toepassing van paragraaf 1, 3 en 5. De Vlaamse Regering stelt de tarieven van de vergoedingen, vermeld in het eerste lid, vast. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels van de procedure, vermeld in het eerste en tweede lid, vast.” 11. Uit deze bepalingen blijkt prima facie dat de strafrechtelijke veroordeling bedoeld in artikel 66 en de bestuurlijke maatregelen bedoeld in artikel 72 van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn onafhankelijk van elkaar bestaan en kunnen worden opgelegd. In tegenstelling tot wat verzoekster aanneemt, blijkt uit deze bepalingen prima facie niet dat het opleggen van een bestuurlijke maatregel op grond van artikel 72, § 3, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn ondergeschikt zou zijn aan een strafrechtelijke vervolging en veroordeling noch dat een dergelijke maatregel slechts kan worden opgelegd, nadat een strafrechtelijk gesanctioneerd misdrijf werd vastgesteld. In de mate dat het middel uitgaat van het tegendeel, is het derhalve niet ernstig. Bijgevolg dienen de “dossierelementen” waaruit verzoekster de afwezigheid van een moreel element afleidt, niet te worden onderzocht. Tweede grief: schending van de formelemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel 12. In wat als een tweede grief kan worden beschouwd, voert verzoekster vooreerst aan dat de bestreden beslissing niet afdoende is gemotiveerd, minstens het resultaat is van een onzorgvuldig onderzoek, alsook kennelijk onredelijk is, daar niet wordt stilgestaan bij de omstandigheden die hebben geleid tot de gedane vaststellingen noch bij de inspanningen van verzoekster om de vastgestelde toestand van haar woning en praktijk te verhelpen, en omdat niet XII-9948-8/16 wordt gemotiveerd waarom een minder verregaande bestuurlijke maatregel niet zou volstaan. 13. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten het bestuur in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Bij het onderzoek naar het afdoende karakter van de formelemotiveringsplicht moet voorts worden rekening gehouden met het geheel van de formele motivering en niet met een of meerdere onderdelen van de motivering op zich. De motivering in haar geheel moet immers afdoende zijn. 14. Krachtens het zorgvuldigheidsbeginsel moet elk bestuur zich gedragen zoals een voorzichtig en redelijk handelend bestuur, geplaatst in dezelfde omstandigheden. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Het bestuur is onder meer verplicht om zorgvuldig tewerk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat het met kennis van zaken kan beslissen. XII-9948-9/16 Het komt aan verzoekster toe om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van het bestuur niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoekster van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaat niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. 15. Een schending van het redelijkheidsbeginsel (of van het evenredigheidsbeginsel dat er een bijzondere toepassing van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.