← België

Arrest 265490 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 20/01/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.490 Rolnummer: A. 246986/IX-10868 Zaak: Arrest 265490 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 20/01/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-01-22 Raadplegingen: 190 - laatst gezien 2026-06-18 06:12 Fiche Arrest nr 265.490 van 20 januari 2026 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.490 no lien 287230 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 265.490 van 20 januari 2026 in de zaak A. 246.986/IX-10.868 In zake: M.H. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabo Heirbaut kantoor houdend te 9051 Gent Drie Koningenstraat 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: HR RAIL, nv van publiek recht bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Chris Van Olmen en Vincent Vuylsteke kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 221 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 12 januari 2026, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “[d]e beslissing van HR-Rail houdende de professionele ongeschiktheid van [verzoekster] in haar functie en graad van treinbegeleider en haar navolgende buiten kader plaatsing/terbeschikkingstelling aan HR-Rail dd 13 november 2025” en van “[d]e beroepsbeslissing houdende de bevestiging van de professionele ongeschiktheid van [verzoekster] in haar functie en graad van treinbegeleider dd 30 december 2025”. IX-10.868-1/17 II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij beschikking van 13 januari 2026 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 januari 2026, om 14.00 uur. Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. Advocaat Isabo Heirbaut, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Laurent Generet, die loco advocaten Chris Van Olmen en Vincent Vuylsteke verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoekster is op 17 januari 2000 in dienst getreden bij de Belgische Spoorwegen. Zij is – tot aan de eerste bestreden beslissing – werkzaam als treinbegeleider in statutair verband bij de NMBS. 3.
  5. Naar aanleiding van een “veiligheidsfout” die verzoekster op 14 september 2025 zou hebben begaan tijdens de vertrekprocedure van trein E3219 IX-10.868-2/17 in het station Brussel-Zuid, wordt verzoekster onderworpen aan een medisch en psychologisch onderzoek en een bekwaamheidstest. 3.
  6. Het medisch en psychologisch onderzoek van 7 oktober 2025 levert als resultaat op dat verzoekster “voldoende geschikt [is] voor de werkpost of activiteit”. Voor de bekwaamheidstest van 20 oktober 2025 behaalt verzoekster een score van 50 punten op
  7. Ook bij de herkansing op 3 november 2025 scoort zij onvoldoende (40 punten op 88). 3.
  8. Nadat verzoekster reeds met een e-mailbericht van 12 november 2025 van de dienst ‘Beheer Tijdelijke Aangepaste Tewerkstelling – Treinbegeleiding’ ervan op de hoogte is gebracht dat zij “[w]egens [haar] definitieve ongeschiktheidsverklaring […] vanaf 12/11/2025 [zal] overgaan van Train Manager naar Support Collaborator”, verneemt zij met een brief van de verwerende partij van 13 november 2025 wat volgt: “Hierbij melden wij je dat je niet meer beschikt over de officiële erkenning van de professionele bekwaamheid (certificaat, brevet, identificatiekaart, …) die vereist is voor het uitoefenen van de werkzaamheden verbonden aan je graad (treinbegeleider). Aangezien je niet langer de regularisatievoorwaarden vervult die verbonden zijn aan de graad ben je professioneel ongeschikt voor de normale functies vanaf 03.11.2025.” Dat is de eerste bestreden beslissing. 3.
  9. Op 24 november 2025 dient verzoekster een administratief beroep in tegen deze beslissing. IX-10.868-3/17 3.
  10. In een e-mailbericht van 3 december 2025 gericht aan de verwerende partij betoogt de raadsvrouw van verzoekster dat zij “[o]p basis [van] de geldende procedures – zoals blijkt uit het […] document 26 H-HR 2018 […] op dit moment nog niet definitief professioneel ongeschikt [is]” en vraagt zij onder meer om verzoekster “retroactief sinds 13 november 2025 terug in haar functie als treinbegeleider te zetten (desnoods met vrijstelling van prestaties) tijdens het doorlopen van de beroepsprocedure, zoals ook voorzien is in 26 H-HR 2018”. De verwerende partij gaat in een e-mailbericht van 5 december 2025 niet in op dat verzoek. Ook de door verzoekster daartegen ingestelde administratieve beroepsprocedure levert niet het door haar gewenste resultaat op. Verzoekster onderkent in de e-mailberichten die de verwerende partij daarover verstuurt, twee administratieve rechtshandelingen die zij met een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en een annulatieberoep bestrijdt (rolnummer A. 246.850/IX-10.862). 3.
  11. Op 30 december 2025 beslist eerste adviseur – afdelingschef HC dat “de professionele ongeschiktheid van [verzoekster] behouden [blijft]”. Dit is de tweede bestreden beslissing. 3.
  12. Bij arrest nr. 265.343 van 8 januari 2026 verwerpt de Raad van State de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de sub 3.6 door verzoekster onderkende beslissingen. IV. Ontvankelijkheid van de vordering
  13. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.490 IX-10.868-4/17 de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  14. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. VI. Spoedeisendheid en uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting in het verzoekschrift
  15. In het verzoekschrift zet verzoekster over de spoedeisendheid en de uiterst dringende noodzakelijkheid uiteen wat volgt: “
  16. Eerst [en] vooral is er sprake van een noodzaak tot een uitspraak op korte termijn, aangezien verzoekster op heden ontzegd wordt om haar kennis als treinbegeleider te blijven actualiseren en niet langer toegang heeft tot/in kennis wordt gesteld van de noodzakelijke veiligheidsprocedures en manuals, zoals reeds uiteengezet. Hetzelfde geldt voor het feit dat zij deze kennis ook niet kan uitoefenen in afwachting van de lopende vernietigingsprocedure, waarbij elke dag dat verzoekster geen taken als treinbegeleider – minstens assist uitvoert – ook die kennis niet verder in praktijk kan toepassen en/of niet mee is met de nieuwe gebruiken m.b.t. de gebruikte informaticatools. Gelet op de totale informatieasymmetrie is er evident ook – terecht – de vrees dat de noodzakelijke tussentijdse updates en aanpassingen in de reglementen/procedures niet correct en volledig gecommuniceerd zullen ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.490 IX-10.868-5/17 worden naar verzoekster bij een eventuele vernietiging en dit gevolgen zal hebben voor haar verdere carrière, zowel bij de toekomstige testing(en) als bij de evaluatie van de uitoefening van haar functie, en niet in het minst bij het eventueel afnemen van nieuwe proeven na de eventuele vernietiging van de bestreden beslissingen door uw Raad. Bij een eventuele vernietiging zal verwerende partij verzoekster meer dan waarschijnlijk willen onderwerpen aan nieuwe jurygesprekken. Conform titel 3.3.
  17. van procedure PRO-S80.8 beschikt verzoekster dan slechts over 45 kalenderdagen om haar kennisachterstand in te halen vooraleer deel te nemen aan de jurygesprekken […]. Verzoekster zou dus verwacht worden om op zeer korte termijn nieuwe/gewijzigde regelgeving (zonder dat zij zelfs weet wat er gewijzigd werd) te verwerken. Verzoekster maakt zich gelet op de houding van verwerende partij, waarbij deze reeds jarenlang weigert om relevante stukken over te maken wanneer hiernaar gevraagd wordt, ook terecht zorgen dat de noodzakelijk en juiste informatie niet zou worden overgemaakt en zij geen reële kans op slagen zou hebben. Deze bovenstaande elementen zorgen ervoor dat met elke dag die verstrijkt de kans dat verzoekster op een dergelijk herkansingsexamen slaagt steeds kleiner wordt.
  18. Daar komt ook nog bij dat de stringente procedures die worden gevoerd in het kader van het reglement VKT (Procedure PRO-S80.8) bij afwezigheid van het personeelslid voorzien in een groot aantal testen om het brevet te kunnen bijhouden. Deze testen worden enkel maar stringenter en talrijker naarmate de duurtijd van de schorsing VKT langer aanhoudt. Uit de tabel op pagina 16 van de Procedure PRO-S80.8 ‘Beheer van de attesten van het personeel dat de VKT van de treinbegeleiding uitvoert’ […] blijkt bovendien dat vanaf een afwezigheid van meer dan 6 maanden er sprake is van bijkomende verplichte testen, zijnde: - Een zwaardere PC-test ter evaluatie van de theoretische vakbekwaamheid die verschilt van de test die onder de drie maanden verschuldigd is, die dezelfde is als de driejaarlijkse hercertificeringstest. - Een monitoringtraject VKT, waarbij verzoekster door een instructor op het terrein wordt ‘gemonitored’ en die bij het vaststellen van aandachtspunten leidt tot VKT-coaching. - Een evaluatie van de prestaties als boordchef tijdens de werkelijke uitoefening. Daar komt nog bij dat onder het desbetreffende overzicht ook nog het volgende vermeld staat: ‘Opmerking: in deze tabel staan de minimale verplichte maatregelen die genomen moeten worden om de situatie in orde te brengen. Het district kan echter beslissen of aanvullende maatregelen nodig zijn’. Dit wil zeggen dat verwerende partij een ongebreidelde discretionaire bevoegdheid heeft om verzoekster nog aan bijkomende testen te onderwerpen. Verzoekster heeft – gelet op het verleden – daarbij opnieuw terecht de angst dat men bij haar terugkeer niet zal nalaten om haar eventuele niet-voorziene testen en evaluaties op te leggen om haar alsnog via die weg buitenspel te zetten en richting uitgang te duwen. IX-10.868-6/17 Verzoekster wordt door het intern reglement geacht sinds 14 september 2025 buiten dienst te zijn, waarbij op dit moment er dus sprake is van een termijn van bijna 4 maanden en een gewone schorsingsprocedure en/of vernietigingsprocedure dus onherroepelijk te laat zouden komen. Elke bijkomende dag buiten dienst vergroot de kennisachterstand en verzwaart de voorwaarden voor een terugkeer in functie. Gelet op de hierboven geschetste gevolgen is het evident dat een gewone schorsingsprocedure of een vernietigingsprocedure onherroepelijk te laat zou komen om de verdere, moeilijk herstelbare schade te voorkomen, wat de uiterst dringende noodzakelijkheid van het huidige verzoek bevestigt.
  19. Eveneens een element van hoogdringendheid is het feit dat verzoekende partij door de definitieve professionele ongeschiktheid ter beschikking werd gesteld en dat HR-Rail bijgevolg [verzoekster] in de uiterst ontransparante redeploymentprocedure heeft geduwd en verzoekster op korte termijn zal moeten ‘herklasseerd’ worden en een nieuwe functie zal dienen opnemen. Voor de procedure professionele ongeschiktheid is echter enkel voorzien dat HR-Rail verzoekster mag ‘benuttigen’, maar is geen rechtsgrond terug te vinden om over te gaan tot de herklassering, waarbij verzoekende partij vreest dat zij in afwachting van de vernietigingsprocedure mogelijks […] ambtshalve zal geherklasseerd worden zonder dat zij dit zelf weet in [een] functie die geenszins passend is. Zoals reeds gesteld is er wat betreft de professionele ongeschiktheid geen procedure uitgewerkt om over te gaan tot de wederbenuttiging/herklassering, wat bij de medische ongeschiktheid wel het geval is […]. In dat reglement is duidelijk uitgewerkt hoe de wederbenuttiging en navolgende herklassering verlopen en wat de gevolgen zijn van een eventuele weigering van een voorgestelde functie. Zoals reeds aangegeven weet verzoekster in het kader van de huidige ‘redeploymentprocedure’ werkelijk niets. Ze weet bijgevolg niet welke stappen nefast zijn en een aanvaarding of aanstelling (de zogenaamde herklassering) in een nieuwe functie betekenen, waarbij zij naar grote waarschijnlijkheid haar belang bij haar beroep tot nietigverklaring voor uw Raad verliest wanneer zij actief een andere functie aanvaardt. Wat dat laatste betreft wenst verzoekende partij ook nog te benadrukken dat de constante druk die zij ervaart in het kader van de onwettige redeploymentprocedure ontzettend veel onzekerheid met zich meebrengt met betrekking tot een eventuele onrechtmatige en totaal eenzijdige ‘herklassering’, wat leidt tot een enorm gevoel van onwelzijn en onbehagen. Werkt verzoekster niet voldoende mee aan deze redeploymentprocedure in afwachting van het vernietigingsberoep, heeft dit eveneens potentieel nefaste gevolgen. Hoewel verzoekster de krijtlijnen/regels van de redeploymentprocedure in het kader van de professionele ongeschiktheid niet kent – of beter niet mag kennen – voorziet de procedure bij de wedertewerkstelling van medische ongeschiktheid dat de weigering van wederopleiding en/of van herklassering tot gevolg heeft dat het IX-10.868-7/17 personeelslid vroegtijdig gepensioneerd wordt wegens invaliditeit, maar het lot dat een professioneel ongeschikt personeelslid beschoren is, is nergens terug te vinden en zij vreest bijgevolg voor afzetting, wat haar ook al mondeling werd aangegeven. Op 8 januari 2025 ontving verzoekster een e-mail waaruit blijkt dat zij uit de tijdelijk aangepaste tewerkstelling (afgekort TAT) Treinbegeleider werd gehaald. In deze e-mail wordt expliciet meegedeeld dat zij formeel een nieuwe leidinggevende (N+1) krijgt en dat de TAT niet langer als haar hiërarchische meerdere fungeert. De e-mail vermeldt onder meer het volgende […]: ‘ (…) Daarnaast voeg ik ook [LB] toe, de nieuwe N+1 van [verzoekster]. (…) Wat de gepresteerde uren en eventuele overuren betreft: aangezien TAT niet langer de N+1 is, hebben wij geen enkel zicht meer op deze informatie.’ Deze mededeling bevestigt dat verzoekster effectief en definitief uit de TAT werd gehaald en dat zij organisatorisch werd losgekoppeld van deze dienst. De vraag werd dan ook gesteld of dit in de praktijk impliceert dat er sprake is van een definitieve herklassering als steward, zonder dat hierover een formele, gemotiveerde beslissing werd genomen of dit aan verzoekster werd meegedeeld. Alleszins moet worden vastgesteld dat verwerende partij tot op heden verzoekster in het kader van de ‘benuttiging’ inzet in functies die geenszins gelijkwaardig zijn in niveau, noch als passend kunnen worden gezien. Verzoekster glijdt daarbij ook steeds verder weg, waarbij eenzijdig door verwerende partij wordt vastgesteld dat zij bepaalde functies niet meer kan uitoefenen, zonder dat enige moeite werd genomen om te voorzien in opleiding of bijsturing. Verwerende partij opereert buiten alle wettelijke kaders en weigert op transparante, correcte en eerlijke wijze met verzoekster te communiceren, wat een bijzonder grote mentale last met zich meebrengt.
  20. Alleszins loopt verzoekster ook ernstige reputatieschade op en wordt de kans op een negatieve evaluatie/aanschrijving door bovenvermelde acties van verwerende partij enkel groter. Zo werd verzoekster totaal eenzijdig geschrapt voor het volgen van de opleidingen om de tijdelijke functies in het kader van de redeploymentprocedure waar te nemen door haar begeleidster […], waarbij aan haar leidinggevende […] expliciet werd gecommuniceerd dat verzoekster de opleidingen weigerde te gevolgen. Dit zorgt ervoor dat zij ondertussen hierop werd aangesproken door [haar leidinggevende]. Daaropvolgend heeft men verzoekster vervolgens ook effectief uit alle voorziene opleidingen in het kader van de redeployment (waaronder cursussen Excel e.d.) uitgeschreven zonder enig overleg. Dit heeft verwerende partij op haar beurt dan aangegrepen om verzoekster sinds 5 januari 2026 een nieuwe functie te laten opnemen als steward IX-10.868-8/17 ‘omdat zij IT-matig het moeilijk zou hebben’ […]. Men schrapt dus eenzijdig de noodzakelijke IT-opleidingen, geeft verzoekster geen enkele reële kans om de toegewezen functie onder de knie te krijgen en herplaatst haar naar een functie die geenszins nog passend kan worden geacht bij het profiel van verzoekster en een verdere pestmaatregel lijkt te zijn. Er is dus ook sprake van een steeds verregaandere feitelijke degradatie en functionele verarming van verzoekster, waarbij zij eerst nog als opsteller aan de slag mocht in het kader van haar tijdelijke functie en zij vanaf 5 januari een functie als steward in stations opneemt. Hieruit blijkt genoegzaam dat verwerende partij verzoekster op basis van haar ‘functioneren’ zomaar verplaatst naar andere tijdelijke (?) functies omdat zij zogezegd niet over de nodige competenties beschikt om de initieel toegewezen functie uit te oefenen, waarbij men zelf niet voorziet in enige deugdelijke opleiding. Maar het stopt niet bij het verplaatsen naar andere ‘tijdelijke’ en/of definitieve functies op basis van het functioneren van verzoekster, men heeft haar ondertussen ook al negatief geëvalueerd. Verzoekster kreeg op woensdag 24 december 2025, totaal onverwacht en na de eenzijdige beëindiging van haar eerste tijdelijke functie, van haar vorige leidinggevende […] een evaluatie met een zeer summier verslag, waarin zij nipt slaagt voor alle criteria […]. Wanneer vervolgens [verzoekster] op 29 december 2025 telefonisch contact opneemt met haar personeelsbeheerder […], kan geen duidelijkheid worden verschaft over de vraag of deze evaluatie invloed heeft op haar CA. Opnieuw blijkt er sprake van aanzienlijke onduidelijkheid en een gebrek aan transparantie. Ondertussen is [verzoekster] ook aan haar derde leidinggevende toe op minder dan twee maanden tijd, wat het risico op negatieve evaluaties eveneens niet ten goede komt.
  21. Tot slot, indien verzoekster de uitkomst van de vernietigingsprocedure dient af te wachten, is het risico reëel dat zij – gelet op de hierboven geschetste omstandigheden en de daaruit voortvloeiende hoogstwaarschijnlijke negatieve evaluaties – reeds ontslagen zal zijn vóórdat de vernietigingsprocedure voor uw Raad is afgerond. In dat geval belandt verzoekster in een juridisch vacuüm: zij wordt bij een vernietiging dan geacht retroactief professioneel geschikt te zijn, met als gevolg dat zij volgens die redenering nooit in de betrokken redeployementprocedure had kunnen worden geplaatst. Indien uw Raad vervolgens tot vernietiging van de bestreden beslissing zou overgaan, zou die vernietiging haar in concreto geen effectief rechtsherstel bieden, aangezien zij intussen mogelijks reeds uit dienst is. Verzoekster zou zich dan genoodzaakt zien een afzonderlijke procedure tot vernietiging van de ontslagbeslissing op te starten, hetgeen niet alleen leidt tot een opeenstapeling van procedures (en de bijhorende kosten), maar ook tot verdere rechtsonzekerheid en een onevenredige aantasting van haar recht op een effectief rechtsmiddel.” IX-10.868-9/17 Beoordeling
  22. Luidens artikel 17, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bevat de vordering tot schorsing “een uiteenzetting van de feiten die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van deze vordering wordt ingeroepen”. In de gevallen waarin blijkens het opschrift van de vordering de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd en de vordering bijgevolg moet worden behandeld binnen een termijn van vijftien dagen of minder, bevat de vordering luidens artikel 8, § 1, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, moet een verzoekende partij in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet afgewacht kan worden. 8.
  23. Verzoekster voert vooreerst aan dat zij vreest in de loop van de annulatieprocedure van voor een treinbegeleider belangrijke informatie – “noodzakelijke veiligheidsprocedures en manuals”, “nieuwe gebruiken m.b.t. de gebruikte informaticatools”, “noodzakelijke tussentijdse updates en aanpassingen in de reglementen/procedures” – verstoken te zullen blijven. Wanneer de bestreden beslissingen zouden worden vernietigd, moet verzoekster – zo betoogt zij – deze “kennisachterstand” binnen een termijn van vijfenveertig kalenderdagen bijwerken, om vervolgens die kennis voor een jury te bewijzen. Verzoekster besluit ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.490 IX-10.868-10/17 in dat verband dat “met elke dag die verstrijkt de kans dat [zij] op een dergelijk herkansingsexamen slaagt steeds kleiner wordt”. 8.
  24. Verzoekster mag, als gevolg van de bestreden beslissingen, niet langer de veiligheidskritieke taken van de treinbegeleiding uitoefenen. Dat zij bepaalde informatie die belangrijk is voor een treinbegeleider, maar niet relevant voor een personeelslid van de verwerende partij dat niet met dergelijke taken is belast, thans niet (langer) ontvangt, lijkt in de rede te liggen. Verzoekster beweert alvast niet, laat staan dat zij aantoont, dat de verwerende partij haar in het verleden al dergelijke informatie heeft onthouden, bijvoorbeeld naar aanleiding van de bekwaamheidstesten die zij in de periode oktober-november 2025 moest afleggen. Aldus maakt haar betoog niet meer dan een boute bewering uit. 8.
  25. Verzoekster mag voorts wel vrezen dat zij zich, na de inwilliging van haar beroep en om dan opnieuw de functie van treinbegeleider uit te oefenen, een eventuele nieuwe handleiding, nieuwe procedures en/of nieuwe informaticatools eigen zal moeten maken. Zoals verzoekster zelf aangeeft, heeft zij daarvoor een termijn van om en bij de vijfenveertig kalenderdagen. Zij maakt evenwel op geen enkele manier inzichtelijk waarom dat voor haar zodanige nadelige gevolgen heeft – bijvoorbeeld omdat dit voor haar een (haast) onmogelijke opdracht is – die zij in afwachting van de uitkomst van het beroep tot nietigverklaring niet kan dragen. Verzoekster laat na, bijvoorbeeld, om aan de hand van wat zij in het verleden aan wijzigingen in procedures of informaticatoepassingen heeft ervaren, duidelijk te maken wat dit voor haar zou kunnen betekenen: over welke handleidingen, procedures of informaticatools gaat het concreet?, hoe frequent werden die in het verleden gewijzigd?, in voorkomend geval, hoe ingrijpend waren ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.490 IX-10.868-11/17 die wijzigingen voor het dagdagelijks functioneren van verzoekster als treinbegeleider? Verzoekster laat de Raad van State daarover volkomen in het ongewisse. Dit alles klemt des te meer, aangezien verzoekster – zoals zij in haar verzoekschrift aangeeft – “[g]edurende bijna 26 jaar” de functie van treinbegeleider heeft uitgeoefend. Met deze ervaring moet zij worden geacht de hiervóór vermelde informatie vlot te kunnen aanleveren. Diezelfde ervaring maakt des te minder aannemelijk dat verzoekster niet in staat zou zijn om op relatief korte termijn aanpassingen aan de manier waarop de opdracht moet worden uitgeoefend, te verwerken. Verzoekster verhindert aldus dat de Raad van State een concrete inschatting kan maken of het nadeel dat verzoekster beweert te lijden, voldoende zwaar weegt om de toepassing van de uitzonderlijke procedure van de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid – of zelfs maar de gewone schorsing – te verantwoorden. 8.
  26. Bovendien, zo bedenkt de Raad van State, zou verzoekster die wijzigingen óók moeten verwerken wanneer zij de functie van treinbegeleider voort zou hebben uitgeoefend. Verzoekster preciseert niet waarin het verschil dan precies is gelegen met de situatie waarvoor zij thans vreest. Ook in die mate kan zij niet van de spoedeisendheid van haar zaak overtuigen. 9.
  27. Verzoekster doet voorts gelden dat zij bij afwezigheid van méér dan zes maanden, aan “bijkomende verplichte testen” wordt onderworpen. Zij maakt melding van een “zwaardere PC-test ter evaluatie van de theoretische vakbekwaamheid die verschilt van de test die onder de drie maanden verschuldigd is”, een “monitoringtraject VKT, waarbij verzoekster door een instructor op het IX-10.868-12/17 terrein wordt ‘[gemonitord]’” en een “evaluatie van de prestaties als boordchef tijdens de werkelijke uitoefening”. Omdat de ter zake toepasselijke procedure bovendien voorziet dat ook “aanvullende maatregelen” mogen worden opgelegd, leeft bij verzoekster de angst dat de verwerende partij haar aan bijkomende testen zal onderwerpen “om haar alsnog via die weg buitenspel te zetten en richting uitgang te duwen”. 9.
  28. Vooreerst moet worden opgemerkt dat uit de tabel waaraan verzoekster refereert, blijkt dat, ter evaluatie van de theoretische vakbekwaamheid, ook een onderbreking in de uitvoering van de veiligheidskritieke taken voor een periode van mínder dan zes maanden, aanleiding kan geven tot een PC-test “als de situatie het vereist”. Hetzelfde geldt voor de “Monitoring VKT”. Overigens geldt ook bij een afwezigheid van minder dan zes maanden dat “[h]et district kan […] beslissen of aanvullende maatregelen nodig zijn”. Voorts verduidelijkt verzoekster niet waaruit zij afleidt dat de PC-test bij een werkonderbreking van méér dan zes maanden “zwaarder” zou zijn dan bij een kortere afwezigheid. Evenmin preciseert zij hoe dat zich precies veruitwendigt en welke gevolgen dat voor haar concreet heeft. Wat voorafgaat, doet aannemen dat de termijn van onderbreking van de uitvoering van de veiligheidskritieke taken – méér of minder dan zes maanden – bijgevolg bezwaarlijk als argument kan gelden om de toepassing van de schorsingsprocedure te verantwoorden. 9.
  29. Verzoekster licht ook niet toe – en er valt evenmin spontaan in te zien – dat de deelname aan deze (extra) beoordelingen op zichzelf te beschouwen is als een onherroepelijk schadelijk gevolg van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen. Verzoekster mag dan wel de wens hebben om zo weinig ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.490 IX-10.868-13/17 mogelijk testen te moeten ondergaan, zij toont niet aan welke wezenlijke schade zij zou lijden door wél aan die testen te worden onderworpen. 9.
  30. Voor zover verzoekster nog voorhoudt dat de verwerende partij haar “buitenspel” wil zetten of “richting uitgang […] duwen”, dient erop gewezen dat daartoe nieuwe beslissingen van het bestuur nodig zijn, die op hun beurt kunnen worden bestreden met een annulatieberoep bij de Raad van State, eventueel gepaard gaande met een vordering tot schorsing. Aldus is een beroep op deze voorliggende schorsingsprocedure voorbarig. 10.
  31. Met betrekking tot de zogenaamde redeploymentprocedure luidt de vrees van verzoekster dat zij “mogelijks […] ambtshalve zal geherklasseerd worden zonder dat zij dit zelf weet in [een] functie die geenszins passend is”. Zij betoogt niet te weten “welke stappen nefast zijn” of wat “een aanvaarding of aanstelling […] in een nieuwe functie [betekent]” voor haar belang bij het annulatieberoep dat zij eveneens tegen de bestreden beslissingen heeft ingesteld. Zij schat immers in dat wanneer zij “niet voldoende [meewerkt]” aan de redeploymentprocedure, een afzetting mogelijk is. Verzoekster maakt voorts gewag van een “constante druk” van de zijde van de verwerende partij, waardoor zij “een enorm gevoel van onwelzijn en onbehagen” ervaart. Tot slot wijst verzoekster erop dat zij wordt ingezet in functies “die geenszins gelijkwaardig zijn in niveau, noch als passend kunnen worden gezien”. Er wordt haar evenmin enige opleiding of bijsturing aangeboden. 10.
  32. Zoals de raadsvrouw van verzoekster ter terechtzitting heeft toegelicht, weet verzoekster zich vooral getroffen door de onwetendheid over wat de gevolgen van haar handelen zijn in de redeploymentprocedure: moet zij iedere wijziging van functie aanvaarden of mag zij weigeren?, hoeveel keer mag zij, desgevallend, een functiewijziging afwijzen? IX-10.868-14/17 Nog daargelaten dat verzoekster op geen enkele wijze aannemelijk maakt dat de mate waarin zij meewerkt of niet meewerkt in de redeploymentprocedure tot de ‘afzetting’ kan leiden, verantwoordt zulks niet dat in de voorliggende zaak een beroep wordt gedaan op de schorsingsprocedure. Immers, welk gevolg het bestuur aan het handelen van verzoekster ook hecht, steeds is daarvoor een (nieuwe) beslissing nodig, die op haar beurt bij de Raad van State kan worden bestreden. Ook in die zin is de huidige vordering voorbarig. 10.
  33. Welke “constante druk” verzoekster ervaart en hoe het door haar beweerd ervaren “enorm gevoel van onwelzijn en onbehagen” zich aandient, maakt verzoekster niet concreet inzichtelijk. Zij beperkt zich tot het formuleren van algemeenheden die de Raad van State niet toelaten te onderzoeken of verzoekster de gevolgen van de bestreden beslissingen wel of niet moet kunnen verdragen in afwachting van de uitkomst van de annulatieprocedure. 10.
  34. Verzoekster mag, tot slot, wel vinden dat de functies die zij intussen moet vervullen “geenszins gelijkwaardig zijn in niveau, noch als passend kunnen worden gezien” en zich erover beklagen dat van enige opleiding of bijsturing geen sprake is. Zij laat evenwel andermaal na om concreet te maken waarom deze door haar als nadelig ervaren gevolgen niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure. 11.
  35. Verzoekster voert aan “ernstige reputatieschade” op te lopen als gevolg van de bestreden beslissingen, waardoor “de kans op een negatieve evaluatie/aanschrijving […] enkel groter [wordt]”. Verzoekster werd, zo betoogt zij, “totaal eenzijdig geschrapt voor het volgen van de opleidingen om de tijdelijke functies in het kader van de redeploymentprocedure waar te nemen”. Intussen heeft zij een nieuwe functie moeten opnemen, die zij niet als passend ervaart. Het gaat volgens haar om een “steeds verregaandere feitelijke degradatie en functionele verarming van verzoekster”. Recent ontving verzoekster nog een evaluatie waarbij zij “nipt slaagt voor alle criteria”. Dat zij meermaals wordt herplaatst, houdt volgens verzoekster een “risico op negatieve evaluaties” in. IX-10.868-15/17 11.
  36. Zelfs indien verzoekster thans enige reputatieschade zou ondervinden, toont zij niet aan dat die onherroepelijk is. Zo is het vaste rechtspraak dat het morele leed van een onwettige beslissing wordt hersteld door de genoegdoening dat een vernietigingsarrest oplevert. Waarom in verzoeksters zaak anders zou moeten worden geoordeeld, verklaart zij niet nader. 11.
  37. In de mate dat verzoekster aanstoot neemt aan de functies die zij thans opneemt, is hiervóór reeds erop gewezen dat zij nalaat om concreet te maken waarom deze door haar als nadelig ervaren gevolgen niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure. 11.
  38. Wat het “risico op negatieve evaluaties” betreft, is de vordering opnieuw als voorbarig te beschouwen. Ook evaluatiebeslissingen kunnen bij de Raad van State worden bestreden. 12.
  39. Verzoekster stelt, tot slot, dat er een reëel risico bestaat dat zij vooraleer de vernietigingsprocedure is afgerond, reeds ontslagen zal zijn. Dan komt zij, zo betoogt zij, in een “juridisch vacuüm” terecht. Een vernietiging van de thans bestreden beslissingen zou haar geen effectief rechtsherstel bieden omdat zij dan uit dienst is. Verzoekster zou dan genoodzaakt zijn om ook tegen de ontslagbeslissing een beroep in te stellen, wat leidt tot een opeenstapeling van procedures en kosten en “verdere rechtsonzekerheid en een onevenredige aantasting van haar recht op een effectief rechtsmiddel”. 12.
  40. Verzoekster ziet het goed dat tegen een (eventuele) ontslagbeslissing óók een rechtsmiddel openstaat. Daargelaten dat een dergelijke beslissing op dit moment al te hypothetisch is om een beroep op de schorsingsprocedure te verantwoorden, toont verzoekster niet aan welke zodanige schadelijke gevolgen zij moet dragen door tegen zo een ontslagbeslissing een afzonderlijk beroep in te stellen. IX-10.868-16/17 Als verzoekster meent de kosten van meerdere procedures bij de Raad van State niet te kunnen dragen, mag erop worden gewezen dat zij, indien zij in de voorwaarden daartoe verkeert, om de kosteloze rechtspleging mag verzoeken. 12.
  41. Haar argument van de “verdere rechtsonzekerheid en een onevenredige aantasting van haar recht op een effectief rechtsmiddel” maakt verzoekster niet concreet inzichtelijk. De Raad van State ziet evenmin spontaan in welke rechtsonzekerheid verzoekster bedoelt of welk rechtsmiddel aan effectiviteit zou inboeten als de annulatieprocedure haar beloop kent zonder dat tot schorsing van de bestreden beslissingen is overgegaan. VII. Besluit
  42. Verzoekster toont niet de spoedeisendheid van haar zaak aan, wat volstaat om de vordering te verwerpen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twintig januari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jurgen Neuts, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Jurgen Neuts ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.490 IX-10.868-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.490 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.