← België

Arrest 265520 - Overheidsopdrachten - 22/01/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.520 Rolnummer: A. 242288/XIV-39606 Zaak: Arrest 265520 - Overheidsopdrachten - 22/01/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-01-26 Raadplegingen: 188 - laatst gezien 2026-06-18 06:24 Fiche Arrest nr 265.520 van 22 januari 2026 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour RVSCE ecli_cour_old RVSCE ecli_annee 2026 ecli_ordre ARR ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR invalide Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 265.520 van 22 januari 2026 in de zaak A. 242.288/XIV-39.606 In zake : de NV U. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Teerlinck en Louise Galot kantoor houdend te 1040 Brussel Ijzerlaan 19 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE OPVANG VAN ASIELZOEKERS (FEDASIL) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jens Mosselmans, Stef Feyen, Mathijs Van Haver en Thomas Dirven kantoor houdend te 1000 Brussel Terhulpsesteenweg 120 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de NV S. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Barteld Schutyser, Hans Plancke en Gauthier Vlassenbroeck kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 9 augustus 2024, strekt tot de nietigverklaring van “de niet gedateerde gemotiveerde gunningsbeslissing inzake de overheidsopdracht met referentie Fedasil […] betreffende de levering van cateringdiensten ter attentie van de verzoekers om internationale bescherming die ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR. 265.520 XIV-39.606-1/20 in de opvangcentra van Fedasil verblijven, de personeelsleden van Fedasil en externen die deelnemen aan activiteiten in de opvangcentra van Fedasil, voor zover de percelen 2, 6, 8, 14, 16, 18, 19, 22, 24, 25, 34 en 35 aan [de tussenkomende partij] zijn gegund, perceel 3 aan [een derde] is gegund en de percelen 20, 21, 23, 26, 29, 36 en 37 aan [een andere derde] zijn gegund”. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 260.434 van 15 juli 2024 (ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.434) werd het verzoek tot tussenkomst van de NV S. ingewilligd en is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een memorie tot tussenkomst ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden 8 oktober 2025. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Louise Galot, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Mathijs Van Haver, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Gauthier Vlassenbroeck, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR. 265.520 XIV-39.606-2/20 Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. De feiten zijn uiteengezet in arrest nr. 260.434 van 15 juli 2024 (ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.434). Er wordt naar verwezen. IV. Verzoek tot vertrouwelijke behandeling van bepaalde stukken 4. Zowel de verzoekende als de verwerende partij vragen om de vertrouwelijke behandeling van bepaalde door hen neergelegde stukken die zij in de inventaris als vertrouwelijk aanduiden en waarbij zij de redenen opgeven waarom zij om die vertrouwelijke behandeling vragen. 5. Geen van de partijen heeft het lichten van de vertrouwelijkheid van deze stukken gevraagd. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 6. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift, waarnaar zij verwijst in de memorie van wederantwoord, in een eerste middel de schending aan van artikel 10 van het koninklijk besluit van 3 april 2013 ‘betreffende de tussenkomst van de ministerraad, de overdracht van bevoegdheid en de machtigingen inzake de plaatsing en de uitvoering van overheidsopdrachten, ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR. 265.520 XIV-39.606-3/20 prijsvragen en concessies op federaal niveau’, de artikelen 33 en 108 van de Grondwet alsook van het legaliteitsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, “omdat de bevoegdheid voor de gunning en de sluiting van overheidsopdrachten door de federale aanbestedende overheid, waaronder het federaal agentschap voor de opvang van asielzoekers slechts kan worden overgedragen voor zover het bedrag van de opdracht niet hoger ligt dan 2.000.000,00 EUR Terwijl de waarde van de opdracht in het bestek FEDASIL […] op basis van de vermoedelijke hoeveelheden in haar geheel werd geraamd op 90.490.465,73 EUR (exclusief BTW); Waardoor de bestreden gunningsbeslissing werd genomen door een onbevoegd orgaan wegens de ontstentenis van een rechtsgeldige delegatie met als gevolg dat er sprake is van een manifeste bevoegdheidsoverschrijding en er aldus een onwettigheid dient te worden vastgesteld.” De verzoekende partij meent dat het aan de ministerraad toekomt om de opdracht te gunnen. Gelet op de omvang van de opdracht (90.490.456,73 EUR (exclusief btw)) kan die bevoegdheid niet rechtsgeldig worden overgedragen aan de staatssecretaris. Beoordeling 7. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van het eerste middel op grond van de volgende overwegingen: “9. Het uitgangspunt van het eerste middel faalt naar recht. Anders dan verzoekende partij het ziet, is het optreden van de staatssecretaris niet de resultante van een bevoegdheidsdelegatie door de Ministerraad. Fedasil is een instelling van openbaar nut van categorie A in de zin van de wet van 16 maart 1954 ‘betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut’. Artikel 8 van dezelfde wet van 16 maart 1954 bepaalt dat de organismen van categorie A onderworpen zijn aan het gezag van de minister van wie ze afhangen; aan deze minister wordt de beheersbevoegdheid verleend. Het Agentschap werd opgericht door de programmawet van 19 juli 2001 en stond ten tijde van de besluitvorming onder het toezicht van de Staatssecretaris voor Asiel en Migratie, toegevoegd aan de Minister van Maatschappelijke Integratie. Artikel 169, eerste lid, van de wet overheidsopdrachten 2016 bepaalt dat elke minister, binnen de grenzen van zijn bevoegdheden, de beslissingen kan nemen inzake de plaatsing en uitvoering van opdrachten voor rekening van de federale overheid en van de instellingen die onder zijn hiërarchisch gezag staan. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 24 maart 1972 ‘betreffende de Staatssecretarissen’ bepaalt dat in de hem toegewezen aangelegenheden een staatssecretaris in beginsel alle bevoegdheden van een minister heeft. In acht genomen voorts dat in het door de verzoekende partij ingeroepen koninklijk besluit van 3 april 2013 ‘betreffende de tussenkomst van de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR. 265.520 XIV-39.606-4/20 Ministerraad, de overdracht van bevoegdheid en de machtigingen inzake de plaatsing en de uitvoering van overheidsopdrachten, prijsvragen en concessies op federaal niveau’ slechts sprake is van een ‘tussenkomst’ van de Ministerraad in bepaalde gevallen en in elk geval ‘vóór het opstarten van de gunningsprocedure’, volgt uit de samenlezing van de artikelen 169, eerste lid, van de wet overheidsopdrachten 2016 en artikel 1 van het koninklijk besluit van 24 maart 1972 ‘betreffende de Staatssecretarissen’ dat de Staatssecretaris voor Asiel en Migratie bevoegd was om de beslissingen te nemen inzake de plaatsing van opdrachten voor rekening van Fedasil, wat de selectie van deelnemers en de gunning van de opdrachten insluit. Verwerende partij wordt voorts bijgevallen in haar verweer dat de door verzoekende partij ingeroepen bepalingen van het koninklijk besluit van 3 april 2013 inzake de begrenzing van de mogelijkheid tot overdracht van bevoegdheid inzake de plaatsing en de uitvoering van overheidsopdrachten louter toepasselijk zijn bij delegatie van bevoegdheden aan titularissen van ambten.” Na kennisneming van het verslag van het auditoraat beperkt de verzoekende partij zich ertoe te verwijzen naar haar verzoekschrift en de memorie van wederantwoord. Zij heeft aldus niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, na eigen onderzoek, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het middel ongegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen 8. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift, waarnaar zij verwijst in de memorie van wederantwoord, in een tweede middel de schending aan van artikel 5, 1° van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ (hierna: de wet van 17 juni 2013), van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het transparantiebeginsel, doordat de verwerende partij “haar wettelijke plicht om de gunningsbeslissing niet te dateren niet [heeft] nageleefd.” ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR. 265.520 XIV-39.606-5/20 Het middel wordt als volgt samengevat door de verwerende partij in de memorie van antwoord: “De verzoekende partij houdt voor dat de bestreden gunningsbeslissing niet gedateerd is, aangezien de beslissing (c.q. de ondertekening door de Staatssecretaris) niet gedagtekend zou zijn. Verzoekende partij haalt aan dat het ontbreken van een datum op de gunningsbeslissing een substantiële vormvereiste uitmaakt die de openbare orde raakt en dat hieruit zou blijken dat Fedasil zowel manifest onzorgvuldig als niet transparant gehandeld zou hebben door een gemotiveerde gunningsbeslissing mee te delen die niet gedateerd was.” 9. De verwerende partij betwist in de memorie van antwoord als volgt de ontvankelijkheid van het middel: “Indien al zou kunnen worden aangenomen dat in casu de betrokken gunningsbeslissing effectief niet gedateerd was, of op zijn minst niet dateerbaar (quod non), kan niet worden ontkend dat [de verzoekende partij] kennis had van het feit dat de betrokken beslissing genomen werd in de periode tussen 26 februari 2024 en 10 juni 2024 (waarbinnen steeds de staatssecretaris bevoegd was om de opdracht in kwestie te gunnen). Dat zij effectief in staat werd gesteld om de bevoegdheid van de betrokken staatssecretaris te betwisten blijkt ten andere ook uit haar eerste middel waarin zij exact dat doet. Uit het eerste middel van haar eigen verzoekschrift tot nietigverklaring blijkt dan ook onomstotelijk dat deze normdoel bereikt werd en dat haar geenszins enige waarborg, bij gebreke aan datumvermelding, ontnomen werd. In zoverre artikel 5, 1° van de Rechtsbeschermingswet alsdan zou vallen onder de ‘waarborgen’ (vermeld in artikel 14, §1, 2°, tweede lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State), blijkt aan het beoogde normdoel te zijn voldaan. Ten overvloede overweegt Fedasil dat – in zoverre artikel 5, 1° van de Rechtsbeschermingswet geen dergelijke waarborg zou omvatten – het evident is dat de verzoekende partij belang ontbeert bij haar middel. Het kan immers niet worden ingezien hoe het vermeende ontbreken van een datumvermelding op de bestreden beslissing de verzoekende partij tot nadeel zou kunnen strekken (laat staan hoe een vernietiging van de bestreden beslissing om die reden de verzoekende partij welkdanig voordeel dan ook zou kunnen opleveren). De tussenkomende partij sluit zich hierbij aan. Beoordeling 10. Luidens het te dezen toepasselijke artikel 14 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR. 265.520 XIV-39.606-6/20 diensten en concessies’ (hierna: de wet van 17 juni 2013), moeten de beweerde schendingen de verzoekende partij benadelen of dreigen te benadelen. Het staat aan de Raad van State te oordelen of een verzoekende partij die een zaak voor hem brengt, doet blijken van een belang bij het aangevoerde middel. De Raad van State dient er evenwel over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast. 11. De kern van het middel is dat in strijd met artikel 5, 1°, van de wet van 17 juni 2013, de gemotiveerde gunningsbeslissing niet is gedateerd. De vereiste van vermelding van de datum van de gunningsbeslissing werd ingevoegd in artikel 5, 1°, van de wet van 17 juni 2013 bij artikel 11, b), van de wet van 16 februari 2017 ‘tot wijziging van de wet van 17 juni 2013 betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten’. In de memorie van toelichting bij deze wet wordt gewezen op het normdoel van deze vereiste vermelding. Het was de bedoeling om het voor de belanghebbende mogelijk te maken om na te gaan of de persoon die de beslissing heeft genomen, bevoegd was op de datum dat de beslissing werd genomen (Parl. St. Kamer, 2016-2017, nr. 54-2168/001, 13). Het is derhalve weliswaar een substantiële vormvereiste, maar die raakt de openbare orde niet. In de mate dat de verzoekende partij het tegendeel beweert, faalt zij in rechte. Aan dit normdoel is alleszins voldaan. Ondanks het ontbreken van een datum is de bestreden gunningsbeslissing in elk geval dateerbaar in de periode tussen 26 februari 2024, datum vermeld op het gunningsverslag, en 18 juni 2024, datum waarop de verzoekende partij kennis heeft genomen van de gemotiveerde gunningsbeslissing inclusief de handtekening van de Staatssecretaris. Zij is aldus in staat geweest de bevoegdheid te betwisten van de steller van de bestreden gunningsbeslissing in de voormelde periode, wat zij te dezen overigens heeft gedaan in het eerste middel. Dat de exacte datum van de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR. 265.520 XIV-39.606-7/20 beslissing niet wordt vermeld of bewezen is, doet daaraan niets af, noch het feit dat, althans toch volgens de verzoekende partij, de verwerende partij zich ter zake niet “transparant” opstelde. Uit het voorgaande volgt dat de door de verzoekende partij bekritiseerde onregelmatigheid haar niet benadeelt of dreigt te benadelen. De aangevoerde onregelmatigheid kan aldus niet tot nietigverklaring aanleiding geven met toepassing van artikel 14 van de wet van 17 juni 2013. 12. Het tweede middel is niet-ontvankelijk. C. Derde middel Standpunt van de partijen 13. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift, waarnaar zij verwijst in de memorie van wederantwoord, in een derde middel de schending aan van artikel 4, eerste lid, van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: de wet van 17 juni 2016) en meer bepaald van het transparantiebeginsel, van artikel 81 van de wet van 17 juni 2016, van het zorgvuldigheidsbeginsel, van de materiëlemotiveringsplicht, van artikel 5, 9° van de wet van 17 juni 2013, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 19 juli 1991) en van artikel 7:121 van het wetboek van 23 maart 2019 van vennootschappen en verenigingen (hierna: het WVV), “omdat belangrijke informatie en motieven in de gemotiveerde gunningsbeslissing ontbreken terwijl de gemotiveerde gunningsbeslissing alle nodige informatie en motieven moet bevatten opdat de inschrijvers zouden weten of het zin heeft zich tegen de gunningsbeslissing te verzetten”. Vervolgens werkt de verzoekende partij het middel omstandig uit, hierbij verschillende grieven onderscheidend. Het lid van het auditoraat vat deze als volgt samen in haar verslag: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR. 265.520 XIV-39.606-8/20 “In een eerste grief voert de verzoekende partij aan dat het gunningsverslag dat haar op 18 juni 2024 is bezorgd als zijnde het finale en ondertekende gunningsverslag op de eerste bladzijde rechts bovenaan is gedateerd op 26 februari 2024. Dit blijkt echter niet de werkelijke datum te zijn van dat finale gunningsverslag, maar wel van het daaraan voorafgaande ontwerp van gunningsverslag. Dat voorlopige verslag is echter nog gewijzigd, ten vroegste in april 2024 en ten minste voor wat de beslissing met betrekking tot perceel 9 betreft. Verwerende partij geeft toe dat de datum van 26 februari 2024 verkeerd is, maar denkt dit eenvoudig te kunnen wegzetten als een louter materiële vergissing zonder enig belang. Wat dan wel de echte datum van het eindverslag is, wordt bovendien niet opgehelderd. De werkelijke datum van het eindverslag, waarop de gunningsbeslissing is gesteund, is dus nog altijd onbekend. Ten tweede is de verklaring van verwerende partij van 19 juni 2024 dat het ontwerp van gunningsverslag van 26 februari 2024 later niet meer zou zijn bijgesteld, onjuist. Het verslag is wel degelijk nog bijgesteld, minstens voor wat betreft de beslissing met betrekking tot perceel 9 betrof. Ten derde stelt de verzoekende partij dat de bestreden beslissing onvolledig en onjuist is wat de verbintenistermijn betreft. Het gunningsverslag van 26 februari 2024, waarop de gunningsbeslissing steunt, vermeldt niets over de essentiële kwestie van de eventuele verlenging van de verbintenistermijn door de inschrijvers na 28 april 2024. De niet-gekozen inschrijvers moeten aan de hand van de gunningsbeslissing kunnen vaststellen dat de prijs van de gekozen inschrijver nog altijd geldig was op het ogenblik dat de gunningsbeslissing is genomen. Aangezien in het gunningsverslag niet is vastgesteld dat de prijzen van de gekozen inschrijvers nog altijd geldig waren, kon de staatssecretaris op het ogenblik van de ondertekening van de gunningsbeslissing niet met zekerheid tot de vaststelling komen dat de gekozen inschrijvers nog steeds de beste prijs boden in toepassing van artikel 81 van de wet overheidsopdrachten 2016. A posteriori bevestigingen in de brief van 19 juni 2024 kunnen het gebrek aan formele motivering niet ongedaan maken. De vermelding inzake de verlenging van de verbintenistermijn betreft de essentiële verbintenis van de inschrijvers om de opdracht nog altijd uit te voeren aan de in offerte opgegeven voorwaarden. Verwerende partij heeft trouwens de eerste verlenging van de verbintenistermijn effectief opgenomen in het aan de gunningsbeslissing onderliggende gunningsverslag, wat bevestigt dat zij zelf van oordeel was dat dit tot de formele motiveringsplicht behoort. Bovendien gaat het hier niet over het ontbreken van vermeldingen omtrent de verlenging van de verbintenistermijn, maar om het onvolledig en foutief vermelden van de verlenging van de verbintenistermijn. In een vierde grief stelt de verzoekende partij dat er een tegenstrijdigheid bestaat tussen de mededeling van de verwerende partij in de brief van 19 juni 2024 dat het ‘ontwerp van gemotiveerde gunningsbeslissing […] naderhand niet meer [werd] bijgesteld’, en de mededeling in de brief van 18 april 2024, waarbij om een tweede verlenging van de verbintenistermijn werd gevraagd, dat nog ‘aanpassingen aan het ontwerp nodig zijn’ op basis van de opmerkingen van de bevoegde instanties. Er wordt in de gunningsbeslissing van 3 juni 2024 niet gemotiveerd wat die onverwachte opmerkingen waren noch waarom er dan toch geen aanpassingen nodig geweest zouden zijn. Ook in de brief van 19 juni 2024 spreekt de verwerende partij over een eerste voorstel tot gunningsverslag, waaruit logischerwijze kan worden afgeleid dat er daarna nog andere voorstellen zouden zijn gevolgd. Ook de staatssecretaris van begroting verwijst in haar brief van 22 mei 2024 naar een gewijzigde gunningsbeslissing. ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR. 265.520 XIV-39.606-9/20 Een gunningsbeslissing door verwijzing naar een gunningsverslag kan slechts aanvaard worden, voor zover er geen tegenstrijdigheden bestaan tussen het gunningsverslag en andere, latere stukken uit het administratief dossier, en voor zover dat gunningsverslag het laatste en definitieve verslag is, dat bovendien volledig is. De motieven van het gunningsverslag, en bijgevolg ook de daarop gesteunde gunningsbeslissing, zijn echter manifest onvolledig en tegenstrijdig met andere latere stukken van het administratief dossier. De gewijzigde beslissing met betrekking tot perceel 9 betreft geen louter formele, maar een -belangrijke- inhoudelijke wijziging. In het kader van de formele motiveringsplicht kan bovendien niet van de verzoekende partij worden verwacht dat zij bij voorbaat reeds in concreto zou aantonen hoe zij door de gebrekkige motiveringen is benadeeld. Eerst dienen immers de ontbrekende formele motiveringen te worden rechtgezet in een nieuwe formele gunningsbeslissing, en pas dan kunnen de inschrijvers naar behoren beoordelen of het zin heeft om tegen de gunningsbeslissing op te komen. Ten vijfde stelt verzoekende partij niet in te zien hoe de datum van 17 april 2024 inzake de ‘berekening winnaars per perceel’ in overeenstemming te brengen is met een gunningsverslag van 26 februari 2024, dat volgens de verklaring van verwerende partij inhoudelijk niet meer zou zijn gewijzigd na 26 februari 2024. Ten zesde geeft verwerende partij tot op heden nog altijd geen overtuigende verklaring over de vraag hoe het mogelijk is dat vier elektronische handtekeningen van eigen diensten, en die dateren van respectievelijk 26,27,28 en 29 februari 2024, zich kunnen bevinden onderaan een later nog gewijzigd verslag, en met name juist onder een in het geel markeerde passage in verband met perceel 9, waarvan de verwerende partij erkent dat die passage slechts ten vroegste in april 2024 aan het ontwerpverslag is toegevoegd. In een zevende onderdeel voert de verzoekende partij aan dat de gunningsbeslissing niet de nodige motieven bevat inzake de beoordeling van de handtekeningsbevoegdheid. Artikel 24.2. van het bestek gaat volgens de verzoekende partij uit van de achterhaalde regels en rechtspraak van de Raad van State omtrent de handtekeningsbevoegdheid. De problematiek van de bevoegde bestuurder(

  1. s)en bijgevolg ook de rechtspraak van de Raad van State zijn immers grondig gewijzigd ingevolge de inwerkingtreding van het wetboek van vennootschappen en verenigingen in 2019. Met name blijkt uit artikel 7:121 WVV onder meer dat de handtekening wel degelijk als daad van dagelijks bestuur kan worden beschouwd. De bovenvermelde bestekbepaling is op dat punt aldus onwettig en artikel 7:121 WVV is aldus geschonden. In die omstandigheden had de beslissing inzake de handtekeningsbevoegdheid formeel moeten worden gemotiveerd in het gunningsverslag, terwijl slechts het volgende wordt vermeld: ‘OK’. Het antwoord in de brief van 19 juni 2024 kan volgens de verzoekende partij niet overtuigen. Het bestek verwijst foutief naar verouderde rechtspraak. Daarom had de verwerende partij haar oordeel over de handtekeningen formeel moeten motiveren in de gunningsbeslissing en kon zij niet volstaan met de loutere bevestiging dat de handtekeningen conform waren. De verzoekende partij kon aan de hand van de vermeldingen in de gunningsbeslissing niet naar behoren nagaan of de handtekeningen van de partijen aan wie de betrokken percelen gegund zijn, beantwoorden aan de thans geldende regels inzake de handtekeningsbevoegdheid. Verzoekende partij heeft belang bij dit middel voor zover de handtekeningen op de offertes van de andere inschrijvers regelmatig werden geacht. Mogelijk zijn die handtekeningen immers ten onrechte geldig verklaard op basis van verouderde rechtsregels en rechtspraak. Verzoekende partij besluit dat gelet op de cumul van tekortkomingen de waarachtigheid van het gehele aan de gunningsbeslissing ten grondslag liggende ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR. 265.520 XIV-39.606-10/20 gunningsverslag in het gedrang is, en bijgevolg ook de gunningsbeslissing zelf. Verzoekende partij vraagt uw Raad bovendien om zijn rechtspraak dat aan het normdoel van de formele motiveringsplicht is voldaan indien de verzoekende partij via briefwisseling daterend van na de gunningsbeslissing maar voorafgaand aan het indienen van het verzoekschrift de nodige bijkomende motieven heeft kunnen vernemen, die niet in de gunningsbeslissing zelf waren opgenomen, te herzien. Indien zou worden toegestaan dat achteraf aan één of meerdere inschrijvers meer informatie wordt bezorgd dan aan andere inschrijvers, dan ontstaat een ongelijkheid tussen de inschrijvers op het essentiële punt van de kennis van de motieven van de gunningsbeslissing. Bovendien creëert deze rechtspraak een fundamentele ongelijkheid op het vlak van de rechtsbescherming, met name voor wat de mogelijkheid betreft om de schending van de formele motiveringsplicht in te roepen en is het pervers effect ervan dat de inschrijver die zich gegriefd voelt door een gebrekkige formele motivering van de gunningsbeslissing, ertoe wordt bewogen om vooral geen vragen te stellen, maar zonder meer een verzoekschrift tot schorsing in te dienen. Desgevallend dient de vraag te worden gesteld aan het Hof van Justitie of deze rechtspraak wel in overeenstemming is met het gelijkheids- en transparantiebeginsel uit het overheidsopdrachtenrecht, en met het beginsel dat de lidstaten moeten voorzien in een daadwerkelijke en efficiënte rechtsbescherming.” 14. De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord een exceptie obscuri libelli op. Ook betwist zij het belang van de verzoekende partij bij haar wettigheidsbezwaren inzake het bestek. De tussenkomende partij sluit zich aan bij dit verweer. Beoordeling 15. Als de verwerende en de tussenkomende partij in het auditoraatsverslag kunnen lezen dat de beide door hen opgeworpen excepties moeten worden verworpen en zij daarin geen reden ziet om vervolgens in hun laatste memorie hierop te antwoorden, begrijpt de Raad van State uit die proceshouding dat zij zich niet langer tegen de ontvankelijkheid van het middel verzet wat die excepties betreft. Beide excepties worden verworpen. 16. Het auditoraat besluit op grond van de volgende overwegingen dat het middel ongegrond is in de mate dat het ontvankelijk is: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR. 265.520 XIV-39.606-11/20 “23. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ verplichten de overheid ertoe in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dit op een ‘afdoende’ wijze. Ook uit artikel 4, eerste lid, 8°, samengenomen met artikel 5, 9°, van de Rechtsbeschermingswet blijkt dat de gunningsbeslissing de juridische en feitelijke motieven, waaronder de kenmerken en relatieve voordelen van de gekozen offerte, dient te bevatten. De formelemotiveringsplicht strekt er toe de belanghebbende toe te laten om met kennis van zaken zijn kansen af te wegen en zijn rechtsmiddelen voor te bereiden. Daaruit volgt dat, wanneer de belanghebbende op een andere wijze dan door de formele motivering en langs andere wegen de motieven van de bestuurshandeling heeft leren kennen en die kennisneming zich heeft voorgedaan in omstandigheden die zijn recht om zich in rechte te verweren tegen die handeling niet in het gedrang brengen, te zijnen opzichte het doel van de formele motivering is bereikt. Een schending van de formele motiveringswet kan dan bij gebrek aan belangenschade niet tot nietigverklaring leiden. Op de suggestie van verzoekende partij om het Europese Hof van Justitie te bevragen in verband met deze rechtspraak, wordt niet ingegaan. Het komt het Hof van Justitie niet toe zich bij wijze van prejudiciële beslissing uit te spreken over de verenigbaarheid van deze rechtspraak met het Europese recht. Het Hof van Justitie is krachtens artikel 267 van het EU-verdrag immers enkel bevoegd om bij wijze van prejudiciële beslissing een uitspraak te doen over de uitlegging van de verdragen en over de geldigheid en de uitlegging van de handelingen van de instellingen, de organen of de instanties van de Unie.[…] 24. Te dezen werd de verzoekende partij met de kennisgevingsbrief van 10 juni 2024, waarbij het (niet-ondertekend) gunningsverslag (met als datum 26 februari 2024) werd meegedeeld, alsook de overige mededelingen als bedoeld in de artikelen 8, § 1, en 9/1, § 2, van de rechtsbeschermingswet, op de hoogte gebracht van het bestaan van de bestreden beslissing tot gunning van de opdracht aan de andere inschrijvers en van de motieven daarvoor. Voorts heeft de verwerende partij in haar brief van 19 juni 2024 over de punten waaromtrent de verzoekende partij in haar brieven van 14 en 17 juni 2024 bezwaren had geformuleerd, nadere verduidelijkingen verstrekt en heeft zij verzoekende partij een ondertekende versie van de gemotiveerde gunningsbeslissing bezorgd. Voor zover toepasselijk (zie randnummer 26), is aldus voldaan aan de formelemotiveringsplicht. Aan de hand van de voornoemde kennisgeving van 10 juni 2024 en de brief van 19 juni 2024, en dus vóór het instellen van haar beroep tot nietigverklaring, heeft de verzoekende partij immers met kennis van zaken kunnen uitmaken of het opportuun is om de beslissing waarbij bepaalde percelen van de opdracht aan andere inschrijvers en niet aan haar werden gegund, te bestrijden, getuige daarvan overigens de aangevoerde kritieken. De verzoekende partij heeft bijgevolg geen belang bij dit middel inzoverre afgeleid uit een schending van de formelemotiveringsplicht en de daarmee overeenstemmende bepaling van de Rechtsbeschermingswet en verband houdende zorgvuldigheids- en transparantiebeginselen. 25. De puntsgewijze kritieken van verzoekende partij worden hierna gebundeld in drie onderdelen. - de verlenging van de verbintenistermijn na 28 april 2024 26. Verzoekende partij heeft geen belang bij deze kritiek. Het desgevallend verstrijken van de verbintenistermijn creëert geen onmogelijkheid voor de aanbestedende overheid om alsnog een gunningsbeslissing te nemen. Alleen de inschrijver aan wie de opdracht gegund wordt, kan zich daardoor gegriefd weten. Het louter verstrijken van de verbintenistermijn heeft immers eventueel gevolgen ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR. 265.520 XIV-39.606-12/20 voor het sluiten van de opdracht, aangezien de betrokken inschrijver niet meer ‘gebonden’ is door zijn offerte, maar niet voor de gunning. De offerte zelf en de aanvaarding ervan door de aanbesteder worden niet ongeldig door het verstrijken van de verbintenistermijn.[…] Verzoekende partij kan zich dan ook niet dienstig beroepen op een mogelijke aantasting van de wettigheid van de gunningsbeslissing. Overigens blijkt uit het administratief dossier dat de verwerende partij op 18 april 2024, dus alvorens de opdracht te gunnen, aan de inschrijvers in kwestie wel degelijk schriftelijk heeft gevraagd of zij kunnen instemmen met een verlenging van de verbintenistermijn en dat deze daarmee schriftelijk en zonder voorbehoud hebben ingestemd. De bevestiging daarvan door verwerende partij in haar schrijven van 19 juni 2024 is bijgevolg correct. In aanvulling op randnummer 24 wordt tot slot opgemerkt dat de formelemotiveringsplicht niet zo ver reikt dat de verwerende partij in de gunningsbeslissing zelf dient te vermelden dat zij heeft voldaan aan de verplichting om aan de inschrijvers in kwestie schriftelijk te verzoeken dat zij instemmen met het behoud van hun offerte. Zoals te dezen is gebeurd, volstaat het dat uit het dossier blijkt dat is voldaan aan deze verplichting. Het feit dat verwerende partij in de gunningsbeslissing wel uitdrukkelijk vermeldt dat de inschrijvers de eerste verlenging van de verbintenistermijn hebben aanvaard, maakt van de weeromstuit de formelemotiveringsverplichting niet alsnog toepasselijk. In ieder geval zou verzoekende partij in dat laatste geval het rechtens vereiste belang bij de grief ontberen (zie randnummer 23). Voor zover al ontvankelijk, is de grief van verzoekende partij niet gegrond. - discrepantie tussen het administratief dossier en de gunningsbeslissing 27. Het schorsingsarrest overweegt als volgt: ‘Anders dan hoe de verzoekende partij het ziet, is er te dezen geen sprake van een gunningsbeslissing door verwijzing naar een (eerste versie van een) gunningsverslag van 26 februari 2024 dat nadien nog zou zijn gewijzigd. In haar brief van 19 juni 2024 stelt de verwerende partij dat ‘de datum van 26 februari 2024 op de gemotiveerde gunningsbeslissing (rechtsbovenaan op de eerste pagina) […] het gevolg [is] van het feit dat deze datum niet verwijderd werd nadat het eerste voorstel van gunningsverslag op die datum werd opgesteld’ en dat dit een materiële vergissing betreft. Uit het administratief dossier (en de navolgende ondertekeningen van het gunningsverslag op 27, 28 en 29 februari 2024) blijkt dat de eerste versie van het gunningsverslag dat op 26 februari 2024 was opgesteld, nog een administratieve goedkeuringsprocedure heeft doorlopen, waaronder het advies van de inspectie van financiën. Het behoud van de datum van 26 februari 2024 op de finale versie van het gunningsverslag, ondertekend door de staatssecretaris op 3 juni 2024, lijkt bijgevolg op het eerste gezicht inderdaad een materiële vergissing te zijn. Zelfs daargelaten of in de periode tussen 26 februari 2024 en 3 juni 2024 al dan niet nog formele aanpassingen aan het gunningsverslag werden aangebracht, toont de verzoekende partij in ieder geval niet aan dat zij door deze materiële vergissing in haar belangen zou zijn geschaad. Het is immers enkel de finale versie van het gunningsverslag, ondertekend door de staatssecretaris, die geldt als gemotiveerde gunningsbeslissing.’ Ten gronde wordt deze beoordeling onderschreven. Verzoekende partij slaagt er niet in alsnog aannemelijk te maken dat de vergissingen van die aard zouden zijn dat de gunningsbeslissing niet langer kan steunen op het gunningsverslag. Het administratief dossier maakt het intern totstandkomingsproces van de besluitvorming inzichtelijk en weerspreekt elke aangevoerde tegenstrijdigheid. ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR. 265.520 XIV-39.606-13/20 Het onderdeel is niet gegrond. - Handtekeningsbevoegdheid 28. Het schorsingsarrest overweegt het volgende: ‘In artikel 24.2 van het bestek wordt onder meer gesteld dat Fedasil van mening is dat ‘tenzij uitdrukkelijk anders bepaald werd in de statuten of in een specifiek mandaat, een gedelegeerd bestuurder voor het dagelijkse beheer niet rechtsgeldig een inschrijver kan aanstellen’. Voor zover de verzoekende partij in dit onderdeel uiteenzet dat er ingevolge het (nieuwe) artikel 7:121 WVV sprake zou zijn van een versoepeling inzake de handtekeningsbevoegdheid voor het indienen van een offerte, lijkt zij hierbij enkel een belang te kunnen laten gelden indien zou blijken dat haar offerte werd ingediend door een gedelegeerd bestuurder, bevoegd voor het dagelijks bestuur, en haar offerte om die reden onregelmatig werd verklaard. Uit de gunningsbeslissing blijkt evenwel dat alle offertes, zowel de initiële offertes als de BAFO’s, werden ondertekend door een ‘bevoegde of gemandateerde persoon’. De verbintenis van alle inschrijvers, ook die van de verzoekende partij, wordt rechtsgeldig bevonden. Dit blijkt uit de vermelding ‘OK’, wat op het eerste gezicht in het licht van de formele motiveringsplicht volstaat wanneer geen bijzondere problemen inzake de regelmatigheid rijzen, zoals te dezen. In die omstandigheden lijkt het middel niet dienend.’ Ook deze beoordeling wordt ten gronde bijgevallen. Het betoog van verzoekende partij dat zij belang heeft bij dit middel voor zover de handtekeningen op de offertes van de andere inschrijvers regelmatig werden geacht omdat die handtekeningen mogelijks ‘ten onrechte geldig (zijn) verklaard op basis van verouderde rechtsregels en rechtspraak’ kan niet worden begrepen. Terecht merkt tussenkomende partij in dat verband op dat een offerte die voorafgaand aan die versoepeling, onder ‘strengere’ regels, rechtsgeldig werd ingediend, ook onder ‘soepelere’ regels rechtsgeldig zal zijn ingediend. Verzoekende partij heeft bijgevolg geen belang bij dit laatste onderdeel.” Na kennisneming van het verslag van het auditoraat beperkt de verzoekende partij zich ertoe te verwijzen naar haar verzoekschrift en de memorie van wederantwoord. Zij heeft aldus niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, na eigen onderzoek, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het middel ongegrond, in de mate dat het ontvankelijk is. ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR. 265.520 XIV-39.606-14/20 D. Vierde middel Standpunt van de partijen 17. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift, waarnaar zij verwijst in de memorie van wederantwoord, in een vierde middel de schending aan van de artikelen 4, 5 en 6 van de wet van 17 juni 2016, van het gelijkheids-, transparantie-, mededingings- en zorgvuldigheidsbeginsel, van het patere legem quam ipse fecisti-beginsel, van de artikelen 4, eerste lid, 8° en 5, 9° van de wet van 17 juni 2013, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 en van de materiëlemotiveringsplicht, “doordat de verwerende partij niet bewijst dat zij (de schijn van) het belangenconflict t.a.v. twee van haar personeelsleden die bij de opdracht betrokken waren, heeft voorkomen, onderkend en opgelost op basis van de op dergelijke problematiek toepasselijke principes en regels, waaronder haar eigen deontologische code”. Vervolgens werkt de verzoekende partij het middel omstandig uit, waarbij dit overeenstemt met hetgeen als een tweede middel werd uiteengezet in de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Voor de samenvatting ervan volstaat het derhalve te verwijzen naar arrest nr. 260.434 van 15 juli 2024, ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.434, punten 24-28. In het verzoekschrift tot nietigverklaring voegt zij eraan toe dat O.L. voor deze opdracht is aangesteld als leidend ambtenaar zodat zij dus hoe dan ook een zeer belangrijke rol speelt in dit gunningsdossier. Voorts benadrukt de verzoekende partij de betekenis van de deontologische code en het advies nr. 2023/3112. De verklaringen van de betrokkenen hadden moeten worden gehecht aan het gunningsverslag en de problematiek had moeten worden beschreven in het gunningsverslag. Voorts benadrukt de verzoekende partij dat zij belang heeft bij het middel in zoverre het de tussenkomst van S.N. viseert. 18. De verwerende partij werpt vooreerst de exceptie obsucuri libelli op wat de aangevoerde schendingen betreft van artikel 5 van de wet van 17 juni 2016, van het gelijkheids-, transparantie- en mededingingsbeginsel en van de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR. 265.520 XIV-39.606-15/20 materiëlemotiveringsplicht, omdat deze bepaling en beginselen niet worden toegelicht, c.q. verduidelijkt en ontwikkeld. De verwerende partij betwist voorts het belang van de verzoekende partij in zoverre het middel de tussenkomst viseert van S.N. Indien immers het daadwerkelijke risico daarin zou bestaan dat niet uitgesloten zou kunnen worden dat S.N. prijzen zou hebben kunnen delen met haar vorige werkgever, dan moet worden vastgesteld dat zelfs de materialisering van dit risico geen enkele impact heeft gehad op de gunningsbeslissing, die immers [nv C.] weert op grond van een substantiële onregelmatigheid. Door te stellen dat zij alsnog belang heeft gelet op de selectie van [nv C.] als deelnemer tot de raamovereenkomst, wat haar toegang geeft om deel te nemen aan de gunningsprocedure bij minicompetitie voor eventuele bijkomende navolgende opdrachten, gaat de verzoekende partij voorbij aan het feit dat haar vordering enkel en alleen is ingesteld tegen de gunning van een deel van de initiële navolgende opdrachten en dat zij geen tijdige vordering instelde tegen de beslissingen inzake de raamovereenkomst, waardoor deze definitief geworden zijn. Beoordeling 19. De exceptie obscuri libelli van de verwerende partij wordt bijgevallen. De aangevoerde schending van artikel 5 van de wet 17 juni 2016, het mededingings- en transparantiebeginsel, van het gelijkheidsbeginsel noch van de materiëlemotiveringsplicht, worden toegelicht door de verzoekende partij. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk. 20. In het arrest over de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing heeft de Raad van State over de ontvankelijkheid en de grond van het middel voorlopig als volgt geoordeeld: “29. Artikel 6, § 1, eerste lid, van de wet [van 17 juni] 2016 heeft betrekking op de verplichting voor de aanbestedende overheid om belangenconflicten te voorkomen, te onderkennen en op te lossen. ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR. 265.520 XIV-39.606-16/20 Artikel 6, § 1, tweede en derde lid, van de wet bepaalt welke situaties onder het begrip belangenconflict vallen, als volgt: ‘Het begrip belangenconflict beoogt ten minste iedere situatie waarin een bij de plaatsing of de uitvoering betrokken ambtenaar, openbare gezagsdrager of andere persoon die op welke wijze ook aan de aanbesteder verbonden is, met inbegrip van de namens de aanbesteder optredende aanbieder van aanvullende aankoopactiviteiten, alsook elke persoon die bij de plaatsing of op het resultaat ervan invloed kan hebben, direct of indirect, financiële, economische of andere persoonlijke belangen heeft die geacht kunnen worden hun onpartijdigheid en onafhankelijkheid bij de plaatsing of de uitvoering in het gedrang te brengen. De Koning kan ook andere situaties benoemen als belangenconflicten.’ 30. De verzoekende partij voert in essentie aan dat twee medewerkers van Fedasil betrokken waren bij de behandeling van het dossier, terwijl zij voorheen werkzaam waren bij een inschrijver, wat volgens haar een objectief gegeven is om te concluderen tot de aanwezigheid van een (schijn van) belangenconflict. De definitie van het begrip belangenconflict in artikel 6, § 1, tweede lid, van de wet [van 17 juni] 2016 veronderstelt enerzijds de aanwezigheid van een met de aanbestedende overheid verbonden persoon, die geacht wordt een invloed op de plaatsing of de uitvoering van een overheidsopdracht te kunnen uitoefenen, en, anderzijds, het bestaan van een direct of indirect, financieel, economisch of ander persoonlijk belang dat geacht kan worden de onpartijdigheid en onafhankelijkheid bij de plaatsing of de uitvoering in het gedrang te brengen. Opdat er sprake is van een belangenconflict moet bijgevolg, als eerste voorwaarde, de met de aanbestedende overheid verbonden persoon geacht worden een invloed op de plaatsing of de uitvoering van de opdracht te kunnen uitoefenen. 31. Wat S.N. betreft, wordt vastgesteld dat zij nauw betrokken was bij het dossier en documentatie in dat verband heeft opgesteld. De verzoekende partij stelt zelf dat aangezien het enig gunningscriterium de prijs was, een eindbeslissing ‘sowieso niet onderhevig [was] aan enige discretionaire beoordeling’. Zij betoogt evenwel dat de verwerende partij minstens maatregelen had moeten nemen om te verhinderen dat de betrokken personen gedurende de gunningsprocedure toegang zouden hebben tot de prijzen van de inschrijvers, teneinde elk risico te vermijden dat zij die prijzen, lopende de onderhandelingsprocedure, zouden doorgeven aan hun vroegere werkgever. Te dezen stelt de Raad vast dat geen enkel perceel aan de vroegere werkgever van S.N., de [nv C.] werd gegund, aangezien diens offertes voor alle percelen waaraan werd deelgenomen onregelmatig zijn verklaard, omdat hierin ‘andere BTW-tarieven dan die opgelegd in de uitnodiging voor het indienen van de BAFO werden aangewend’. ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR. 265.520 XIV-39.606-17/20 Deze vaststelling volstaat op het eerste gezicht om aan de verzoekende partij haar belang bij het tweede [thans: vierde] middel, wat S.N. betreft, te ontzeggen. Zelfs indien het risico zou hebben bestaan van het doorgeven van prijzen, heeft deze mogelijkheid de verzoekende partij alvast niet geschaad. Voor zover de verzoekende partij ter terechtzitting stelt dat met de [nv C.] wel de raamovereenkomst werd gesloten, lijkt dit gegeven haar evenmin rechtstreeks te kunnen schaden. Bij een eventuele navolgende opdracht zullen de inschrijvers immers eerst prijsoffertes moeten indienen en een nieuwe gunningsprocedure moeten doorlopen. 32. Wat O.L. betreft, maakt de verwerende partij op het eerste gezicht aannemelijk dat deze medewerker op geen enkel ogenblik toegang had tot de offertes. Zij zet uiteen dat de interventie van O.L. was beperkt tot administratieve hulp bij de plaatsbezoeken en tot het beantwoorden van een beperkt aantal technische vragen over technische specificaties. Haar rol lijkt aldus op het eerste gezicht reeds uitgespeeld te zijn geweest op het ogenblik van de indiening van de eerste offertes. De verzoekende partij toont bijgevolg op het eerste gezicht niet aan dat er in hoofde van O.L. sprake is van een (schijn van) belangenconflict in de zin van artikel 6, §1, tweede lid, van de wet [van 17 juni] 2016, noch van de daarmee verband houdende motiveringsverplichting. In dezelfde zin kan het middel voor zover daarin de schending van het beginsel patere legem quam ipse fecisti wordt aangevoerd, doordat de verwerende partij de in het bestek opgenomen deontologische code voor openbare aankoop zou hebben miskend, evenmin worden bijgevallen. Voor zover de verzoekende partij nog verwijst naar het advies nr. 2023/3 van 15 mei 2023 van de Federale Deontologische Commissie, lijkt te kunnen worden volstaan met de vaststelling dat het bestek er niet naar verwijst en dat dit advies evenmin in de aanhef van het middel wordt ingeroepen als zijnde geschonden. Ten overvloede wordt op het eerste gezicht vastgesteld dat dit advies van toepassing is op ‘openbare mandatarissen’ zoals gedefinieerd in artikel 2, § 1, van de wet van 6 januari 2014 ‘houdende oprichting van een Federale Deontologische Commissie en houdende de Deontologische Code voor de openbare mandatarissen’, en bijgevolg niet op de betrokken medewerkers van Fedasil. 33. De verzoekende partij maakt, gelet op het voorgaande, op het eerste gezicht niet aannemelijk dat de aanbestedende overheid de aangevoerde bepalingen en beginselen zou hebben geschonden.” 21. Zoals reeds is aangegeven, herneemt de verzoekende partij in het verzoekschrift tot nietigverklaring van de bestreden beslissing haar argumentatie uiteengezet in de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing. De verzoekende partij brengt geen argumenten aan die van die aard zijn om deze voorlopige beoordeling niet te handhaven. Zij is evenmin ingegaan op het auditoraatsverslag opgesteld in het raam van het annulatieberoep ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR. 265.520 XIV-39.606-18/20 en waarin werd geoordeeld dat de verzoekende partij geen argumenten heeft bijgebracht die van die aard zouden zijn om terug te komen op deze voorlopige beoordeling. Aldus heeft de verzoekende partij evenmin de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Wat het belang van de verzoekende partij bij het middel wat S.N. betreft wordt, aanvullend op wat in het voornoemde arrest is gesteld, aangesloten bij de terechte vaststelling van de verwerende partij dat het middel noodzakelijk is beperkt tot de voorliggende percelen en deze die in het kader daarvan gegund werden, zodat het gegeven dat met de [nv C.] wel de raamovereenkomst werd gesloten, haar niet rechtstreeks kan schaden. Wat de nieuwe taaktoewijzing aan O. L. binnen Fedasil betreft, valt de Raad van State de vaststelling van het auditoraat in haar verslag bij dat die dateert van na de sluiting van de opdracht en dus niet kan worden aangevoerd om een schijn van belangenconflict in het kader van de gunningsprocedure aan te tonen. Ook valt hij de conclusie van het auditoraatsverslag bij dat ook in de procedure ten gronde een belangenconflict in de zin van artikel 6, §1, tweede lid van de wet van 17 juni 2016 niet is aangetoond en “daaruit volgt dat de in het bestek opgenomen deontologische code voor openbare aankoop niet van toepassing is. De verzoekende partij kan zich niet dienstig beroepen op de regels die diezelfde code bevat met betrekking tot de opname van de motieven van de problematiek in het gunningsverslag en het bijvoegen van de verklaringen van de betrokken personeelsleden”. In die omstandigheden mag het voor de Raad van State volstaan, na herbeoordeling, het standpunt van het auditoraat bij te vallen, zijn voorlopige beoordeling ook ten gronde te handhaven en het middel thans ongegrond te bevinden. ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR. 265.520 XIV-39.606-19/20 22. Het vierde middel is, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tweeëntwintig januari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Patricia De Somere, staatsraad, Inge Vos, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR. 265.520 XIV-39.606-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.520 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.434 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.