id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.526 Rolnummer: A. 242788/IX-10524 Zaak: Arrest 265526 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 22/01/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-01-26 Raadplegingen: 181 - laatst gezien 2026-06-18 06:24 Fiche Arrest nr 265.526 van 22 januari 2026 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 265.526 van 22 januari 2026 in de zaak A. 242.788/IX-10.524 In zake : S.M. tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door:
- de minister belast met Ambtenarenzaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te 2800 Mechelen Leopoldstraat 64 bij wie woonplaats wordt gekozen
- de minister van Financiën die woonplaats kiest bij de Centrale Rechtskundige Dienst van de FOD Financiën gevestigd te 1030 Brussel North Galaxy – Toren B Koning Albert II-laan 33 bus 15
- de leidend ambtenaar van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de FOD Beleid en Ondersteuning -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 7 augustus 2024, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de voorzitter van het directiecomité van de federale overheidsdienst Beleid en Ondersteuning van 28 mei 2024 waarbij eerder door verzoeker verrichte diensten in de privésector of als zelfstandige niet worden erkend voor de berekening van zijn geldelijke anciënniteit. IX-10.524-1/8 II. Verloop van de rechtspleging
- De eerste en de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij hebben elk een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend ten aanzien van deze vertegenwoordigers van de verwerende partij en een toelichtende memorie ten aanzien van de derde vertegenwoordiger van de verwerende partij. Adjunct-auditeur Christiaan Lesaffer heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 december
- Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partij, advocaat Veerle Longrée, die loco advocaat Pascal Lahousse verschijnt voor de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij en adviseur Ann Lauwens, die verschijnt voor de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Christiaan Lesaffer, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- IX-10.524-2/8 III. Feiten
- Verzoeker is sinds 1 oktober 2023 in vast verband tewerkgesteld als administratief assistent bij de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen. Met een beslissing van 23 april 2024 stelt de voorzitter van het directiecomité van de FOD Financiën de wedde van verzoeker vast. Daarbij worden, ondanks verzoekers vraag daartoe, geen jaren ‘nuttige anciënniteit’ meegerekend. Overwogen wordt dat verzoeker “heeft bewezen dat er een beroepservaring werd verworven in andere overheidsdiensten, in de privésector of als zelfstandige maar dat deze beroepservaring door de FOD Financiën niet in aanmerking kan genomen worden voor valorisatie en toekenning van een geldelijke anciënniteit”. Verzoekers bezwaar daartegen leidt tot een beslissing van de voorzitter van het directiecomité van de FOD Beleid en Ondersteuning van 28 mei 2024 waarbij de eerdere beroepservaring niet wordt erkend “als zijnde bijzonder nuttig voor [verzoekers] huidige functie” en de beroepen beslissing wordt bevestigd. Dat is de bestreden beslissing. Ze is met een e-mailbericht van 29 mei 2024 aan verzoeker ter kennis gebracht. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
- De verwerende partij werpt in haar memories van antwoord op dat het beroep laattijdig werd ingesteld, aangezien verzoeker bij e-mailbericht van 29 mei 2024 in kennis werd gesteld van de bestreden beslissing, terwijl het verzoekschrift van 7 augustus 2024 dateert. IX-10.524-3/8 Beoordeling
- Artikel 4, § 1, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (“algemeen procedurereglement”) luidt als volgt: “De beroepen bedoeld in artikel 14, §§ 1 en 3 van de gecoördineerde wetten verjaren zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen werden bekendgemaakt of betekend. Indien ze noch bekendgemaakt noch betekend dienen te worden, gaat de termijn in met de dag waarop de verzoeker er kennis heeft van gehad.” De beroepstermijn bij de Raad van State raakt de openbare orde. Zulks verhindert dat de rechter ervan mag afwijken, bijvoorbeeld om redenen van billijkheid of het behartenswaardig karakter van een zaak.
- Met de bestreden beslissing wordt in laatste aanleg uitspraak gedaan over de in aanmerking te nemen diensten bij het vaststellen van de geldelijke anciënniteit van verzoeker. Deze beslissing betreft de individuele rechtspositie van verzoeker en moest hem bijgevolg worden betekend. De betekening is de individuele schriftelijke kennisgeving van de beslissing aan de betrokkene. Deze kennisgeving is niet aan vormvereisten onderworpen. Opdat ze vaste datum zou verkrijgen voor het ingaan van de beroepstermijn bij de Raad van State gebeurt ze in de regel met een ter post aangetekend verzonden schrijven, al dan niet met ontvangstmelding. Artikel 4, § 2, van het algemeen procedurereglement bepaalt wanneer de beroepstermijn bij de Raad van State dan ingaat: in geval van een aangetekende brief mét ontvangstmelding gaat de termijn in de eerste dag na de ontvangst of de weigering van die brief; in geval van een gewone aangetekende brief gaat de termijn in de derde werkdag na de verzending van die brief, “behoudens bewijs van het tegendeel door de geadresseerde”. IX-10.524-4/8
- In de voorliggende zaak beroept de verwerende partij zich op haar e-mailbericht van 29 mei 2024 gericht aan verzoeker om vervolgens te argumenteren dat “[h]et voorschrift van artikel 19 tweede lid van de gecoördineerde Wetten op de Raad van State geldt” – de verplichting om de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State te vermelden bij de betekening van individuele beslissingen – en dat het verzoekschrift van 7 augustus 2024 laattijdig is.
- De beroepstermijn bij de Raad van State in geval van een individuele beslissing neemt een aanvang bij de ontvangst – of de wettelijk vermoede ontvangst – van de kennisgeving ervan. In geval van betwisting van de ontvangst of de precieze datum van ontvangst, rust de bewijslast op de partij die de laattijdigheid van het beroep aanvoert. Zoals de kennisgeving door middel van een aangetekende brief niet is voltooid op het ogenblik van de aanbieding van die brief door de verzender bij de postdiensten, is de kennisgeving door middel van een e-mailbericht niet voltooid door de loutere verzending ervan op de computer van de verzender. Van de enkele verzending van een e-mailbericht kan bovendien niet worden aangenomen dat het vaste datum geeft aan de kennisgeving van de mededeling die in dat bericht is opgenomen. 9.
- Daartegenover staat dat verzoeker in de memorie van wederantwoord met betrekking tot de voormelde exceptie van de verwerende partij het volgende verklaart: “Aangezien ik in de periode van eind mei volop in een verbouwing zat thuis, en koortsachtig op zoek was naar een advocaat om mij in deze zaak te ondersteunen en niemand die ik contacteerde tijd had voor mijn zaak wegens het nakende gerechtelijk verlof was ik genoodzaakt zelf, als complete leek in deze materie een verzoek tot nietigverklaring in te dienen. Gezien het gerechtelijke verlof las ik dat ik recht had op een uitstel van 15 dagen. Het was dan ook geen sinecure voor mij om deze zaak op de rol te krijgen. […] Ik heb dan ook mijn uiterste best gedaan om deze zaak zo snel mogelijk op de rol te krijgen met mijn beperkte kennis van zaken.” IX-10.524-5/8 9.
- Geconfronteerd met het auditoraatsverslag waarin de onderhavige exceptie is bijgevallen, doet verzoeker in zijn laatste memorie gelden wat volgt: “Ik vind het zeer jammer dat men in deze zaak meer tijd steekt in het uitleggen en aantonen dat mijn zaak te laat is ingediend, dan in de essentie van de zaak namelijk de relevantie van mijn beroepservaring naar mijn huidige job toe. Ik heb effectief 3 verschillende advocaten proberen inschakelen waarvan er een mijn zaak wou verdedigen, maar op het laatste nippertje afzegde omwille van het nakende verlof. Dit tijdens mijn toenmalige verbouwing die ik volledig zelf het uitgevoerd. Het is triest te ondervinden dat […] men meer belang hecht aan termijnen en procedures dan de essentie van de zaak te bekijken. […] Mijn verzoek tot nietigverklaring als ongegrond bestempelen omwille van een laattijdige indiening en mij dan de kosten hiervoor laten betalen zonder maar een woord uit te spreken over de essentie van de zaak, zou mij als gewone werkman/ambtenaar zeer hard treffen. Zowel mentaal als financieel zou dit een mokerslag voor mij betekenen en mijn job bij de Douane (die ik met fierheid en overtuiging uitvoer) op de helling plaatsen.”
- Eerder dan een poging te ondernemen om de exceptie van de verwerende partij te ontkrachten, bevestigt verzoeker in zijn procedurestukken precies dat hij het e-mailbericht van 29 mei 2024 heeft ontvangen en situeert hij die ontvangst “in de periode van eind mei” – een periode die hij in verband brengt met verbouwingswerken aan zijn woning. 11.
- Voortgaande op wat verzoeker zelf verklaart omtrent de ontvangst van de bestreden beslissing, moet de termijn worden geacht uiterlijk op vrijdag 31 mei 2024 een aanvang te hebben genomen, om te zijn geëindigd op dinsdag 30 juli
- In de kennisgevingsbrief worden de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State en de termijn die verzoeker heeft om dat beroep in te stellen, uitdrukkelijk vermeld. IX-10.524-6/8 11.
- Op grond van welke bepaling verzoeker meent een “recht […] op een uitstel van 15 dagen” te kunnen doen gelden omwille van het “gerechtelijke verlof”, verduidelijkt hij niet. Aan de Raad van State is zo een bepaling evenmin bekend. 11.
- Het beroep, ingesteld op 7 augustus 2024, is bijgevolg laattijdig. 12.
- Deze laattijdigheid kan alleen worden gepardonneerd wanneer verzoeker zich op een geval van overmacht of dwaling kan beroepen. 12.
- De verklaringen die verzoeker biedt voor het laattijdig indienen van zijn beroep, overtuigen de Raad van State niet dat er te dezen van een dergelijk geval sprake is. Dat geldt vooreerst niet voor de verbouwingswerken, waarvoor verzoeker overigens geen bewijzen bijbrengt. Over het onvoorzienbare en onvermijdbare karakter van deze werken en waarom ze hem zouden hebben verhinderd het beroep tijdig in te stellen – de beroepstermijn bedraagt, het weze herhaald, zestig dagen – argumenteert verzoeker niets. Dat geldt evenmin voor zijn beweerde moeilijke zoektocht naar een raadsman. Verzoeker wordt in dat verband eraan herinnerd dat voor een annulatieberoep bij de Raad van State geenszins de verplichting geldt om zich door een advocaat te laten bijstaan.
- De Raad van State wil best aannemen dat verzoeker zijn “uiterste best” heeft gedaan “om deze zaak zo snel mogelijk op de rol te krijgen”, maar moet vaststellen dat het beroep van verzoeker buiten de termijn van zestig dagen vanaf de betekening van de bestreden beslissing werd ingesteld en dat verzoeker voor die laattijdigheid wel een verklaring, maar geen rechtvaardiging geeft. De exceptie is gegrond. Het beroep is onontvankelijk. IX-10.524-7/8 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tweeëntwintig januari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.524-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.526 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div