id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.556 Rolnummer: A. 244912/VII-42904 Zaak: Arrest 265556 - Niet begeleide minderjarigen - 23/01/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-01-27 Raadplegingen: 182 - laatst gezien 2026-06-18 06:24 Fiche Arrest nr 265.556 van 23 januari 2026 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.556 no lien 287282 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 265.556 van 23 januari 2026 in de zaak A. 244.912/VII-42.904 In zake : A.S. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Romy Jessen kantoor houdend te 4000 Luik Rue Paul Devaux 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Vaalbeek (Oud-Heverlee) Onze-Lieve-Vrouwstraat 6 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 23 mei 2025, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 27 maart 2025 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van VII-42.904-1/13 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de VIIe kamer bij beschikking van 13 oktober 2025 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 27 november
- Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker komt België binnen en hij wordt op 31 december 2024 als niet-begeleide minderjarige vreemdeling aangemeld door de dienst Vreemdelingenzaken bij de dienst Voogdij. Hij heeft verklaard van Jemenitische nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 25 december
- De dienst Vreemdelingenzaken uit twijfel over verzoekers voorgehouden leeftijd. In het Universitair Ziekenhuis Pellenberg te Leuven ondergaat verzoeker op 9 januari 2025 een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker “op datum van 09-01-2025 een leeftijd heeft van zeker ouder dan 18 jaar, waarbij 23,0 jaar een minimum leeftijd is. Waarschijnlijk ligt deze nog hoger”. VII-42.904-2/13 De dienst Voogdij beslist op 10 januari 2025 op grond van het voormelde medisch onderzoek verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat hij geen voogd zal krijgen. 3.
- Op 18 februari 2025 stelt verzoekers raadsman de dienst Voogdij ervan op de hoogte dat verzoeker in het bezit is van een Jemenitisch paspoort waaruit zijn leeftijd blijkt en verzoekt hij de dienst Voogdij om zijn beslissing te heroverwegen. Verzoeker legt zijn Jemenitisch paspoort en zijn geboorteakte op 4 maart 2025 over aan de dienst Voogdij. De dienst Voogdij beslist op 27 maart 2025 verzoekers documenten niet te aanvaarden en verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar. Verzoeker zal geen voogd krijgen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker werpt in een eerste middel de schending op van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991) en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet). Hij licht dit toe als volgt: “De verwerende partij dient zijn beslissing op gemotiveerde wijze te nemen. De uitdrukkelijke motiveringsplicht vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen heeft tot doel de belanghebbende in kennis te stellen van de redenen waarom de desbetreffende administratieve overheid tot de bestreden beslissing is gekomen zodat de betrokkene in staat is te weten of het wenselijk is zich tegen die handeling te verweren met de middelen die het recht hem verschaft. VII-42.904-3/13 In de akte moeten de juridische en feitelijke overwegingen worden vermeld die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen en deze moeten afdoende zijn, wat betekent dat de motivering pertinent en draagkrachtig moet zijn. Het eerste houdt in dat de redengeving duidelijk in verband moet staan met de bestreden beslissing, het tweede dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. […] Dat dit niet geschied is, minstens op zeer gebrekkige wijze, blijkt uit het feit dat de bestreden beslissing geen exacte informatie meedeelt over welke medische onderzoeken nu werden uitgevoerd om de leeftijd van verzoekende partij vast te stellen. De bestreden beslissing stelt het volgende: ‘We hebben een medische test georganiseerd om te controleren of u jonger of ouder dan 18 jaar bent. Deze test vond plaats in het Universitair Ziekenhuis Pellenberg (KU Leuven). Het besluit van de test : ‘Op basis van het voorgaande kunnen we besluiten met een redelijke wetenschappelijke zekerheid dat [verzoeker] op datum van 09-01-2025 een leeftijd heeft van zeker ouder dan18 jaar, waarbij 23,0 jaar een minimum leeftijd is. Waarschijnlijk ligt deze nog hoger. Immers eens de wijsheidstanden volgroeid zijn zal ook met toenemende leeftijd deze methode de werkelijke leeftijd onderschatten aangezien geen verdere veranderingen radiologische optreden. Vandaar het belang van de radiografie van het sleutelbeen’. De medische test toont aan dat u ouder dan 18 jaar bent.’ Volgens het internationaal recht (met name artikel 25 van de Richtlijn 2013/32/EU en artikel 8 EVRM), moet in geval van twijfel het voordeel aan de minderjarige worden gegeven. De medische test biedt slechts een schatting, geen exacte bepaling. Het hanteren van een ‘minimumleeftijd’ van 23 jaar als absolute zekerheid is wetenschappelijk betwistbaar. Men erkent dat het paspoort authentiek is, maar weigert het toch als bewijs van leeftijd zonder afdoende motivering. De geboorteakte wordt afgewezen wegens het ontbreken van legalisatie, terwijl de legalisatievereiste in veel gevallen niet strikt wordt toegepast, zeker niet wanneer de authenticiteit op een andere wijze kan worden vastgesteld. De beslissing bevat geen gemotiveerde analyse waarom de documenten, afzonderlijk of in samenhang, geen geloofwaardige weergave van de leeftijd zouden bieden. Het enkel verwijzen naar een leeftijdsverschil zonder evaluatie van het documentair geheel schendt de motiveringsplicht. De uitsluiting van de hoedanigheid van minderjarige heeft verstrekkende gevolgen voor de bescherming van verzoekende partij. Een marginaal verschil mag in dat opzicht niet volstaan om die bescherming te weigeren, zeker wanneer er ernstige twijfel blijft bestaan over de betrouwbaarheid van de gebruikte medische methode. Er is bijgevolg zeker een gebrekkige motivering van de bestreden beslissing minstens een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. […] Bovendien dient de beslissing ook te motiveren in welke mate de resultaten van het desbetreffend onderzoek kan worden aanvaard rekening houdende VII-42.904-4/13 met hun beperkte betrouwbaarheid, zeker voor wat betreft de verschillende resultaten voor personen met een andere afkomst. De motivering van de bestreden beslissing schiet hierin tekort. […] Verzoekende partij benadrukt opnieuw dat hij een authentiek paspoort en geboorteakte heeft bijgebracht die zijn leeftijd bevestigen. In de beslissing werd hiermee onvoldoende rekening gehouden. Verzoekende partij verwijst eveneens nog naar volgende passage: ‘Het resultaat van het medisch onderzoek heeft een subsidiair karakter. Als de NBMV een identiteitsdocument uit zijn land van herkomst bij heeft, waarvan de authenticiteit niet ernstig in twijfel werd gebracht, moet de dienst Voogdij in principe met de gegevens van dat document rekening houden boven het resultaat van een medisch onderzoek.’ (http://www.caritas-int.be/sites/www.caritas- int.be/files/uploads/PDF/VluchtschriftNL/vluchtschrift_juni_2009.pdf, p. 9, geraadpleegd op 13.07.2015, met verwijzing naar). Het is onduidelijk waarom zijn paspoort niet als identiteitsdocument aanvaard kan worden. […] In het licht van bovenstaande argumenten zijn de redenen die worden aangegeven noch voldoende noch afdoende gemotiveerd zodat men kan besluiten dat de beslissing de motiveringsplicht heeft geschonden.” Beoordeling
- De schending van artikel 62 van de vreemdelingenwet kan niet dienstig worden aangevoerd tegen de bestreden beslissing, die met toepassing van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: voogdijwet) is genomen en dus niet met toepassing van de vreemdelingenwet.
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.556 VII-42.904-5/13 kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoeker op 4 maart 2025, nadat de dienst Voogdij op 10 januari 2025 reeds had beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat hij geen voogd zal krijgen, een Jemenitisch paspoort heeft overgemaakt aan de dienst Voogdij. Omtrent dit document motiveert de dienst Voogdij in de bestreden beslissing, na het advies van de Centrale Dienst voor de Bestrijding van de Valsheden van de Federale Politie te hebben ingewonnen, dat het wel degelijk om een waarachtig document gaat, doch dat hij het document niet aanvaardt en zich baseert op het resultaat van het medisch onderzoek. Wat verzoekers geboorteakte betreft, stelt de dienst Voogdij in de bestreden beslissing vast dat deze niet is gelegaliseerd. In de leeftijdsbeslissing van 10 januari 2025, die overigens niet werd aangevochten met een vernietigingsberoep, werd reeds beslist dat de geboorteakte niet kon worden aanvaard, vermits het geen eensluidend verklaarde kopie betreft. In de bestreden beslissing motiveert de dienst Voogdij tevens dat hij documenten aanvaardt wanneer het verschil tussen de resultaten van het medisch onderzoek en de leeftijd zoals die blijkt uit de documenten redelijk en dus niet te groot is. Hij oordeelt te dezen dat een verschil van 6 jaar tussen verzoekers jongste leeftijd die blijkt uit het medisch onderzoek en zijn verklaarde leeftijd die blijkt uit de overgelegde documenten te groot is, waardoor verzoekers documenten niet worden aanvaard. Bovendien verwijst de dienst Voogdij in de bestreden beslissing naar artikel 28 van de wet van 16 juli 2004 ‘houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht’ (hierna: WIPR) dat handelt over de bewijskracht van buitenlandse authentieke akten en meer specifiek naar artikel 28, § 2, van het WIPR, naar luid waarvan het tegenbewijs van de door de buitenlandse overheid vastgestelde feiten mag worden aangebracht met alle middelen. Het resultaat van een medische leeftijdsschatting vormt dergelijk (tegen)bewijsmiddel. Wat de beoordeling van de bewijswaarde van de hem voorgelegde stukken betreft, beschikt de dienst Voogdij namelijk over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid en is hij er niet toe gehouden VII-42.904-6/13 verzoekers verklaringen en documenten te laten primeren op de resultaten van het medisch onderzoek. De dienst Voogdij heeft bij het nemen van de bestreden beslissing wel degelijk rekening gehouden met verzoekers documenten en gemotiveerd waarom hij deze niet aanvaardt. Verzoeker verduidelijkt niet waarom deze motivering hem niet in staat zou stellen te begrijpen waarom de dienst Voogdij het resultaat van het medisch onderzoek laat primeren op zijn Jemenitisch paspoort en zijn geboorteakte. Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in de beslissing wordt vermeld. Te dezen vermeldt de bestreden beslissing dat de dienst Vreemdelingenzaken twijfel heeft geuit over verzoekers voorgehouden leeftijd en geeft ze de conclusie van het medisch onderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker “op datum van 09-01-2025 een leeftijd heeft van zeker ouder dan 18 jaar, waarbij 23,0 jaar een minimum leeftijd is. Waarschijnlijk ligt deze nog hoger”. Het is niet vereist dat de bestreden beslissing aangeeft waarom verzoekers voorgehouden leeftijd in twijfel werd getrokken, welke medische onderzoeken werden uitgevoerd of “in welke mate de resultaten van het desbetreffend onderzoek kan worden aanvaard rekening houdende met hun beperkte betrouwbaarheid”. Evenmin is het vereist dat het verslag van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing aan verzoeker wordt betekend. Bovendien maakt het verslag van het medisch onderzoek deel uit van het administratief dossier en vermeldt de bestreden beslissing uitdrukkelijk de mogelijkheid om dat verslag te raadplegen. Verzoeker voert niet aan en toont a fortiori niet aan dat hij er geen kennis van kon nemen. Ten slotte vermeldt de bestreden beslissing dat de dienst Vreemdelingenzaken de dienst Voogdij op 27 maart 2025 informeerde dat verzoeker een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in Griekenland met vermelding van een andere identiteit. Dit wordt overigens niet betwist door verzoeker. VII-42.904-7/13
- Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In een tweede middel werpt verzoeker de schending op van het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij licht dit toe als volgt: “[…] Verzoekende partij bekritiseert de gehanteerde methode. Op medisch vlak bestaan er (in theorie) diverse methodes om de leeftijd van een bepaalde persoon te onderzoeken. Een van de oudste methodes betreft het leeftijdsonderzoek via een röntgenfoto van de linkerhand en de pols, op basis waarvan, aan de hand van de atlas van Greulich en Pyl, iemands zogenaamde skeletleeftijd wordt vastgesteld (de rijping of volgroeiing van het skelet), waaruit men vervolgens de reële (of zogeheten chronologische) leeftijd van de betrokkene inschat. Nauw hiermee verwant zijn de medische testen waarmee iemands (skelet) leeftijd wordt nagetrokken via een onderzoek van de gebitsontwikkeling (volgroeiing van de wijsheidstanden). Andere leeftijdsonderzoeken zijn veeleer gericht op de externe kenmerken van de lichaamsbouw in het algemeen of op de ontwikkeling van de secundaire geslachtskenmerken. Er zijn ook testen, de zogenaamde sociaalpedagogische leeftijdsonderzoeken, waarbij hoofdzakelijk via vraaggesprekken, gepeild wordt naar het intellectuele ontwikkelingsniveau, evenals de psychologische en emotionele maturiteit van een persoon. Omtrent het inzetten van deze methodes om de leeftijd van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen vast te stellen, bestaat er nogal wat verzet in de medische wereld zelf. De aangevoerde bezwaren zijn zowel medisch- wetenschappelijk als medisch-ethisch van aard. Een eerste bezwaar, van wetenschappelijk-methodologische aard, luidt dat de medische leeftijdsonderzoeken, an sich niet ontwikkeld werden met de bedoeling om de reële leeftijd van een bepaald persoon zo precies mogelijk te kunnen vaststellen. Een tweede wetenschappelijk bezwaar houdt verband met het risico van een te grote foutenmarge. Nogal wat van de leeftijdsonderzoeken zijn geschraagd op onderzoeksgegevens vaak tientallen jaren geleden. Sindsdien verloopt de lichaamsontwikkeling van jongeren in het algemeen echter in een verhoogd tempo. Specifiek naar niet-begeleide minderjarige vreemdelingen toe stelt zich bovendien het probleem dat de ontwikkeling van de botstructuur mede afhangt van factoren die verband houden met de levenswijze, de voedingsgewoonten en vooral de etnische afkomst. Hetzelfde geldt voor de ontwikkeling van het gebit. Aangezien omzeggens alle medische leeftijdsonderzoeken (op basis van fysieke lichaamskenmerken) stoelen op onderzoeksgegevens omtrent de lichaamsontwikkeling van blanke ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.556 VII-42.904-8/13 Amerikaanse of Engelse jongeren uit de middenklasse en de biologische ontwikkeling van met name negroïde jongeren gemiddeld een sneller verloop kent, is het risico reëel dat men de leeftijd op basis van de thans gehanteerde onderzoeksgegevens onnauwkeurig vaststelt. Bijkomen zouden de (fysieke ) leeftijdsonderzoeken in onvoldoende mate rekening houden met groeistoringen op grond van ondervoeding, of ziekte, of nog met het verrichten van zware (fysieke) arbeid en de invloed daarvan op de lichaamsontwikkeling. Er is ook een gelijkaardig bezwaar: de onderzoeksmethode houdt onvoldoende rekening met de specifieke achtergrond van niet-begeleide buitenlandse minderjarigen, wordt ook geuit ten overstaan van het zogenaamd sociaalpedagogische leeftijdsonderzoek. Dergelijk onderzoek vereist allereerst en in nog sterkere mate dan bij lichamelijke leeftijdstesten, een kwaliteitsvolle communicatie tussen de onderzoeker en de betrokken minderjarige, hetgeen bij niet-begeleide buitenlandse minderjarige er helaas niet is. […] De kritiek op de uitgevoerde methode/test was jaren geleden reeds een punt van grote discussie maar de dag van vandaag is dit ook nog steeds het geval. Verzoekende partij verwijst hiervoor naar volgende passage (De waarde van medische beeldvorming bij de bepaling van de skeletleeftijd – 2009-2010; http://lib.ugent.be/fulltxt/RUG01/001/458/904/RUG01- 01458904_2011_0001_AC.pdf, geraadpleegd op 13.07.2015): ‘
- Conclusies
- Er bestaan veel leeftijdsschattende methoden, met elk hun specifieke voor- en nadelen. De kwaliteit van de manuele methoden zijn meestal zeer vergelijkbaar. De grootste verschillen tussen de methoden zijn vaak te wijten aan de verschillen tussen de referentiepopulaties waarop ze gebaseerd zijn.
- Vooral de nutritionele toestand en de socio-economische status beïnvloeden de skeletale maturatiesnelheid. Een etnische invloed is nog niet volledig uitgesloten.
- De ontwikkelingsfasen van de mediale epifyse van de clavicula zijn zeer gespreid over verschillende jaren. Dit zorgt ervoor dat de meerwaarde van de techniek beperkt is. Preciezere resultaten kunnen verkregen worden door resultaten van soortgelijke maturiteitsindicatoren te combineren of verdere stratificatie van de ontwikkelingsfasen.’ En volgende passage in Niet-Begeleide minderjarige in België, Onthaal, terugkeer en Integratie (https://dofi.ibz.be/sites/dvzoe/NL/Documents/Brochure_mineur_NL.pdf, p. 28, geraadpleegd op 13.07.2015): ‘Er moet ook opgemerkt worden dat de test voor leeftijdsbepaling controversieel is. Sommige ngo’s zijn er tegen omdat er wetenschappelijk bewijs bestaat dat de medische tests niet betrouwbaar zijn omdat er vaak een foutenmarge van twee jaar is en omdat factoren zoals de socio-economische situatie, etnische of geografische afstamming, ziekte e.d. de ontwikkeling van een kind kunnen beïnvloeden. Er wordt gezegd dat de dienst Voogdij met deze medische test doorgaat omdat er geen alternatieven zijn. Momenteel zijn wetenschappers en medische onderzoekers met aanvullend onderzoek bezig.’ ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.556 VII-42.904-9/13 De vraag rijst in welke mate dergelijke leeftijdsonderzoeken als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt, nu er binnen de medische wereld zelf aanzienlijke kritiek en twijfel over bestaat.” Beoordeling
- Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. Naar luid van artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar. Nu de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel heeft ingesteld wanneer twijfel over de leeftijd van de betrokkene bestaat, blijkt geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel uit het feit dat de dienst Voogdij de bestreden beslissing heeft genomen op grond van dergelijk leeftijdsonderzoek. Verzoeker weidt uit over de voorgehouden onnauwkeurigheid van medische onderzoeken voor leeftijdsbepaling, doch beperkt zich tot algemene kritiek, zonder in te gaan op de concrete vaststellingen en gevolgtrekkingen in de huidige zaak. Hij onderbouwt niet concreet dat het te dezen uitgevoerde medisch onderzoek op ondeskundige wijze is verlopen en dat het resultaat van de leeftijdsanalyse onbetrouwbaar of niet correct is. Zo blijkt dat de arts eventuele afwijkingen ten gevolge van genetische, etnische of andere factoren heeft opgevangen door, waar nodig, een standaarddeviatie te hanteren. De wetgever heeft met de medische leeftijdstest overigens niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of VII-42.904-10/13 de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Meer concreet blijkt dat de arts zich steunt op een meervoudig onderzoek, waarvan elk deelonderzoek individueel wordt geïnterpreteerd en waarna een algemene conclusie wordt getrokken met de eigenlijke leeftijdsschatting. Bij het bepalen in de bestreden beslissing of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, is de eindconclusie van de arts op basis van die deelonderzoeken relevant en niet het resultaat van een afzonderlijk deelonderzoek. Die eindconclusie, en niet de conclusie van ieder deelonderzoek afzonderlijk, is derhalve ook bepalend voor de in artikel 7, § 3, van de voogdijwet bedoelde “jongste leeftijd”. Indien de arts voor zijn eindconclusie een deviatiefactor vermeldt, wordt de ondergrens daarvan in aanmerking genomen voor het bepalen van de leeftijd. Concreet wordt in het medisch verslag met betrekking tot de handpolsradiografie toegelicht “dat er een volledige fusie is van de distale diaphyse en epiphyse van de radius, wat overeenkomt met een biologisch matuur skelet, onafhankelijk van de gebruikte methode, en wat neer komt op een leeftijd van minstens 18 jaar”. Eerder in het medisch verslag staat wat dit betreft te lezen dat indien de skeletale groei beëindigd is, de betrokkene biologisch gezien matuur is, wat voor jongens impliceert dat zij ouder zijn dan 18 jaar en voor meisjes dat zij ouder zijn dan 16 jaar, zonder dat op basis van de handpolsradiografie kan worden bepaald hoeveel ouder zij zouden zijn. Aangezien niet kan worden bepaald hoeveel tijd er verstreek sinds de volledige beëindiging van de skeletale groei, telt het resultaat van de handpolsradiografie in dergelijke gevallen niet mee voor de eigenlijke leeftijdsschatting, zodat de resultaten van de andere twee radiologische onderzoeken determinerend zijn. Uit het medisch verslag blijkt verder dat op basis van de radiografie van de tanden wordt vastgesteld dat “alle tanden volledig afgevormd zijn”, dat de vier wijsheidstanden aanwezig zijn en dat elk van die vier wijsheidstanden zich in ontwikkelingsstadium 10 bevindt. De arts besluit dat “[g]ezien dit gegeven bekomt men volgens onze eigen ontwikkelde techniek een leeftijd van 23,0 jaar. Het 95 % predictie-interval is 18,8 – 25,0 jaar met een kans van 99 % dat deze persoon ouder is dan 18 jaar”. Ten slotte toont het radiologisch onderzoek van het sternoclaviculaire gewricht volgens het medisch verslag dat “de mesiale epiphyse van beide sleutelbeenderen reeds verbeend is, wat volgens het ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.556 VII-42.904-11/13 onderzoek van Schmeling et al. […] overeenkomt met stadium type
- Volgens dit onderzoek stemt stadium 4 overeen met een gemiddelde leeftijd van 26,7 jaar met een standaarddeviatie van 2,3 jaar”. Dat er verschillen bestaan tussen de resultaten van de deelonderzoeken, doet geen afbreuk aan het feit dat daaruit een eindconclusie kan worden afgeleid. Te dezen is de eindconclusie dat verzoeker “op datum van 09-01-2025 een leeftijd heeft van zeker ouder dan 18 jaar, waarbij 23,0 jaar een minimum leeftijd is. Waarschijnlijk ligt deze nog hoger”. Met zijn algemene kritiek doet verzoeker wel blijken van een eigen standpunt of visie omtrent de opportuniteit van de keuze van de tripletest als wijze waarop het wettelijk vereiste medisch onderzoek gebeurt, maar hij doet evenwel niet blijken dat de in concreto gehanteerde onderzoeksmethode niet objectief is of niet is gericht op het op wetenschappelijk verantwoorde wijze verkrijgen van de relevante en juiste gegevens nodig voor het bepalen van de vraag of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Verzoeker ontkracht aldus niet dat het medisch onderzoek met de vereiste deskundigheid is gebeurd noch dat de arts bij de beoordeling van de objectieve gegevens die hem voorlagen, rekening heeft gehouden met alle gegevens die in de huidige stand van de wetenschap gemeenzaam worden aanvaard. Verzoeker bekritiseert overigens niet in het minst de conclusie die de arts trekt uit de concrete testresultaten. Gezien de duidelijke conclusie van het leeftijdsonderzoek, diende verzoeker niet “het voordeel van de twijfel” te worden gegeven, waarop hij zich beroept.
- Het tweede middel is ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring. VII-42.904-12/13
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drieëntwintig januari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.904-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.556 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div