← België

Arrest 265566 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/01/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.566 Rolnummer: A. 243082/VII-42655 Zaak: Arrest 265566 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/01/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-02-05 Raadplegingen: 176 - laatst gezien 2026-06-18 06:11 Fiche Arrest nr 265.566 van 26 januari 2026 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 265.566 van 26 januari 2026 in de zaak A. 243.082/VII-42.655 In zake : J.V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jurgen Vervaeck kantoor houdend te 3191 Hever Karabiniersstraat 15 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE VLAAMS-BRABANT -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 25 september 2024, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2324-0997 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 22 augustus 2024 in de zaak 2324-RvVb-0429-A. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 22 november
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft op 4 maart 2025 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. VII-42.655-1/11 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 december
  4. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jurgen Vervaeck, die verschijnt voor verzoeker, is gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten 3.
  5. Verzoeker vraagt een omgevingsvergunning voor de regularisatie van een externe trap en een balustrade aan een woning. Het college van burgemeester en schepenen van Boortmeerbeek weigert de vergunning. 3.
  6. Verzoeker tekent bestuurlijk beroep aan tegen de weigeringsbeslissing. Bij beslissing van 23 november 2023 verklaart de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant het beroep gegrond, en verleent zij de vergunning onder voorwaarden. 3.
  7. Het bestreden arrest verwerpt het beroep van verzoeker tot vernietiging van de beslissing van 23 november
  8. VII-42.655-2/11 IV. Onderzoek van de middelen tot nietigverklaring A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  9. Verzoeker voert de schending aan van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), artikel 149 van de Grondwet, en de artikelen 59 en 59/2 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 ‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: procedurebesluit). Hij komt op tegen de beslissing van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) om de zaak te behandelen met een kort debat, en stelt vast dat het bestreden arrest hierover louter stelt: “Met een beschikking van 25 april 2024 heeft de voorzitter van de [RvVb] vastgesteld dat een behandeling in korte debatten van het in het verzoekschrift aangevoerde enig middel kan volstaan. De verwerende partij dient een nota met opmerkingen in. [Verzoeker] dient geen nota met opmerkingen in. De kamervoorzitter behandelt het dossier met korte debatten op de openbare zitting van 25 juni
  10. Advocaat […] voert het woord voor [verzoeker]. De verwerende partij verschijnt schriftelijk.” en verder: “De voorzitter van de [RvVb] of de door hem aangewezen bestuursrechter kan ambtshalve onderzoeken of de behandeling van een beroep alleen korte debatten vereist (artikel 59, § 1 Procedurebesluit). Een zaak kan met korte debatten worden behandeld wanneer de afhandeling ervan zodanig duidelijk is dat een doorgedreven onderzoek niet noodzakelijk is. De voorzitter van de [RvVb] stelt in de beschikking van 25 april 2024 vast dat een behandeling in korte debatten van het verzoekschrift kan volstaan. De partijen verzetten zich niet tegen de behandeling van de zaak in korte debatten.” Hij formuleert hiertegen volgende grieven: VII-42.655-3/11 “Echter wordt nergens in het bestreden arrest aangegeven waarom de voorzitter van oordeel zou geweest zijn dat de zaak zodanig duidelijk was dat een doorgedreven onderzoek niet noodzakelijk zou zijn. [Verzoeker] moet vaststellen dat het oorspronkelijke besluit om toepassing te maken van een behandeling bij korte debatten wellicht werd ingegeven vanuit de (foute) veronderstelling dat verzoeker slechts de partiële nietigverklaring van het besluit van de deputatie zou gevorderd hebben. Deze indruk wordt nog versterkt door het verloop van de zitting waarop dit nagenoeg het enige thema was, en de inhoud van de nota die door de verwerende partij werd ingediend. Wanneer het bestreden arrest vervolgens terecht vaststelt dat verzoeker wel degelijk de nietigverklaring van het volledige besluit van de deputatie vorderde, stond het aan de [RvVb] om aan te geven op welke andere basis de rest van de zaak kon behandeld worden volgens de procedure korte debatten. Hieraan werd echter geen woord vuilgemaakt in het bestreden arrest zodat dit arrest alleszins onvoldoende gemotiveerd is en derhalve artikel 149 Grondwet schendt. Ook blijft verzoeker op deze wijze verstoken van recht op een eerlijk proces, nu het door hem aangevoerde middel niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een normaal vooronderzoek en tegensprekelijk debat. Op die wijze worden zowel [artikel] 6 EVRM, [artikel] 149 Grondwet als [de artikelen] 59 en 59/2 van het procedurebesluit door het bestreden arrest geschonden.” Beoordeling
  11. Artikel 59, § 1, van het procedurebesluit bepaalt: “De voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter kan ambtshalve onderzoeken of het beroep volgens de vereenvoudigde procedure kan worden behandeld of alleen korte debatten vereist.” Artikel 59/2 van dit besluit bepaalt vervolgens: “§
  12. De voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter stelt bij beschikking vast: 1° dat het beroep op het eerste gezicht alleen korte debatten vereist; 2° de plaats, de dag en het tijdstip van de zitting waarop de korte debatten zullen plaatsvinden; 3° de termijn waarbinnen ter griffie inzage kan worden genomen van het administratief dossier en de overtuigingsstukken; 4° de namen van een of meer van de belanghebbenden, vermeld in artikel 20, eerste en tweede lid, van het decreet, als de voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter heeft beslist een of meer belanghebbenden op te roepen; VII-42.655-4/11 5° de termijn waarbinnen de partijen en de belanghebbenden, vermeld in punt 4°, een nota kunnen indienen. De griffier betekent de beschikking en een afschrift van het verzoekschrift aan de partijen en de belanghebbenden, vermeld in het eerste lid, 4°. Gelijktijdig met het indienen van de nota, vermeld in het eerste lid, 5°, bezorgt elke partij en belanghebbende, vermeld in het eerste lid, 4°, een afschrift van die nota aan de overige partijen en de belanghebbenden, vermeld in het eerste lid, 4°. §
  13. Na het horen van de partijen en de belanghebbenden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 4°, neemt de voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter de zaak in beraad. Als de voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter niet besluit dat korte debatten volstaan, dan wordt de procedure voortgezet volgens de gewone rechtspleging, vermeld in dit besluit.”
  14. De voorzitter van de RvVb is niet verplicht om in de beschikking bedoeld in artikel 59/2 van het procedurebesluit de redenen uiteen te zetten waarom het beroep volgens hem op het eerste gezicht alleen een kort debat vereist. Bij gebreke aan dergelijke uiteenzetting dienen de partijen ervan uit te gaan dat het voorwerp van het kort debat slaat op de volledige zaak, en niet beperkt wordt tot een bepaald middel van niet-ontvankelijkheid, ongegrondheid of gegrondheid van het beroep. Zij mogen zich eraan verwachten dat het beroep na het kort debat definitief kan worden beslecht, zowel wat de ontvankelijkheid als de gegrondheid ervan betreft. Uit de omstandigheden dat verzoeker meent dat de beoordeling van de voorzitter van de RvVb dat zijn beroep op het eerste gezicht slechts een kort debat vereist, “wellicht” werd ingegeven vanuit een bepaalde grond van niet- ontvankelijkheid, dat die grond werd aangevoerd in de nota van de verwerende partij, en dat die grond volgens verzoeker “nagenoeg het enige thema” was van de zitting waarop het kort debat werd gehouden, kan niet worden afgeleid dat het voorwerp van het kort debat tot die grond van niet-ontvankelijkheid werd beperkt. In zoverre verzoeker aanvoert dat het kort debat beperkt was tot een bepaalde grond van niet-ontvankelijkheid, zodat na het kort debat enkel hierover uitspraak kon worden gedaan, mist zijn kritiek feitelijke grondslag. VII-42.655-5/11
  15. Wanneer de RvVb, na de zitting waarop het kort debat heeft plaatsgevonden, oordeelt dat het beroep definitief kan worden beslecht en niet naar de gewone rechtspleging wordt verzonden, dient hij in het arrest waarin het beroep definitief wordt beslecht niet te motiveren waarom het kort debat volstond, tenzij een partij hierover betwisting heeft gevoerd. De partijen beschikken over de gelegenheid om zowel op de zitting waarop het kort debat plaatsvindt, als in de nota, bedoeld in artikel 59/2, § 1, 5°, van het procedurebesluit, te betwisten dat het beroep slechts een kort debat vereist, en te vragen dat het beroep zou worden behandeld volgens de gewone rechtspleging. Het is maar wanneer de RvVb na dergelijke betwisting oordeelt dat het kort debat volstond, dat de in artikel 149 van de Grondwet uitgedrukte rechterlijke motiveringsplicht hem ertoe verplicht de redenen van die beslissing uiteen te zetten. Het recht op een eerlijk proces, dat wordt verkondigd door artikel 6 EVRM, vereist geen strengere invulling van de aldus opgevatte rechterlijke motiveringsplicht. De omstandigheid dat de partijen de gelegenheid hebben om in de nota en ter zitting te betwisten dat de zaak slechts een kort debat vereist, waarborgt op afdoende wijze het eerlijk verloop van het proces.
  16. Het bestreden arrest stelt vast dat verzoeker geen nota heeft ingediend, dat de advocaat van verzoeker op de zitting van het kort debat het woord heeft gevoerd, en dat de partijen zich niet verzetten tegen de behandeling van de zaak met een kort debat. De RvVb diende dan ook in het bestreden arrest niet de redenen uiteen te zetten waarom het kort debat in deze zaak volgens hem volstond om het beroep definitief te beslechten.
  17. Het middel is ongegrond. VII-42.655-6/11 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  18. Verzoeker voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, de artikelen 74, 1°, en 99, § 3, van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: omgevingsvergunningsdecreet), de verworven rechten die voortvloeien uit de vergunning van 27 juli 2020, artikel 4.3.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) en de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel. Hij zet uiteen dat de deputatiebeslissing die door hem werd bestreden voor de RvVb betrekking heeft op een vraag tot regularisatie van een buitentrap waarvoor hij op 27 juli 2020 een vergunning heeft verkregen onder de voorwaarde dat geen afzonderlijke woongelegenheid wordt gecreëerd, en die anders werd uitgevoerd dan was voorzien in het vergunde plan. Met de bestreden deputatiebeslissing wordt de vergunning verleend voor de gewijzigde uitvoering van de trap, onder de voorwaarde dat de trap wordt afgebroken bij het beëindigen van het zorgwonen. Volgens verzoeker staat dergelijke voorwaarde niet in verhouding tot het voorwerp van de vergunning, is ze kennelijk onredelijk en strijdig met artikel 74, 1°, van het omgevingsvergunningsdecreet en het rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur. Bovendien doet ze afbreuk aan de rechten verworven met de vergunningsbeslissing van 27 juli 2020, en staat dergelijke beoordeling volkomen haaks op elke redelijke beoordeling van de overeenstemming van het aangevraagde met de goede ruimtelijke ordening en is ze derhalve strijdig met artikel 4.3.1 VCRO. Verzoeker voert aan dat hij dit gegeven heeft opgeworpen in zijn enige middel voor de RvVb, doch hieromtrent geen enkele overweging terugvindt in het bestreden arrest. De RvVb motiveert zijn beslissing om het beroep te VII-42.655-7/11 verwerpen in hoofdzaak door te stellen dat verzoeker geen enkel recht meer zou kunnen puren uit de vergunningsbeslissing van 27 juli 2020 aangezien de werken niet conform die vergunning werden uitgevoerd. Hierbij miskent het bestreden arrest volgens verzoeker de ruimere draagwijdte van het enige middel van verzoeker, zodat het arrest de door artikel 149 van de Grondwet opgelegde rechterlijke motiveringsplicht schendt. Verzoeker wijst vervolgens erop dat artikel 99, § 3, van het omgevingsvergunningsdecreet stelt dat een omgevingsvergunning slechts vervalt voor de niet-afgewerkte gedeelten van de omgevingsvergunning, en dat het vaststaat dat de vergunde werken volledig werden uitgevoerd, weze het dat er een afwijking was bij de uitvoering van de trap, die echter minder belastend was. Door te stellen dat verzoeker geen recht meer kan puren uit de vergunning van 27 juli 2020, stelt het bestreden arrest dat deze vergunning is vervallen. Er kan van enig verval echter geen sprake zijn aangezien er geen niet-afgewerkt gedeelte is, zodat het arrest ook artikel 99, § 3, van het omgevingsvergunningsdecreet schendt. Beoordeling
  19. Naar luid van artikel 14, § 2, RvS-wet neemt de Raad van State kennis van de cassatieberoepen tegen beslissingen van administratieve rechtscolleges wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen. Met de aangevoerde schending van “de verworven rechten die voortvloeien uit de vergunning dd. 27 juli 2020” duidt verzoeker geen wettelijke bepaling, algemeen rechtsbeginsel of vormvoorschrift aan dat door het bestreden arrest zou zijn miskend. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.
  20. In zoverre de schending wordt aangevoerd van artikel 74, 1°, van het omgevingsvergunningsdecreet, artikel 4.3.1 VCRO en de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het rechtszekerheids- en VII-42.655-8/11 zorgvuldigheidsbeginsel, heeft de kritiek van verzoeker betrekking op de vergunningsbeslissing die voor de RvVb werd bestreden, en wordt zij niet gericht tegen het bestreden arrest. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.
  21. De in artikel 149 van de Grondwet ingeschreven rechterlijke motiveringsverplichting heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak voldoet aan deze motiveringsplicht wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de rechterlijke motiveringsverplichting werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd. Uit het geheel van de motieven moet blijken waarom het middel wordt aangenomen of verworpen. Argumenten van een partij kunnen op die wijze ook impliciet worden verworpen, met name wanneer die argumenten strijden met de motieven van het arrest. Het bestuursrechtscollege voldoet aan de motiveringsplicht wanneer de motieven de partijen en de Raad van State toelaten te begrijpen waarom de ermee strijdige argumenten niet worden aangenomen.
  22. Verzoeker heeft voor de RvVb niet aangevoerd dat de vergunningsvoorwaarde strijdig is met artikel 74, 1°, van het omgevingsvergunningsdecreet, zodat het bestreden arrest hieromtrent geen motieven diende te bevatten. In zoverre de schending van artikel 149 van de VII-42.655-9/11 Grondwet wordt afgeleid uit de afwezigheid van motieven in dat verband, is de kritiek ongegrond. In zoverre verzoeker aanvoert dat het bestreden arrest de overige in het cassatiemiddel hernomen kritiek op de vergunningsbeslissing niet beantwoordt, mist zijn kritiek feitelijke grondslag. Het bestreden arrest overweegt immers: “Het middelonderdeel van [verzoeker] steunt […] op de stelling dat de beoordeling over de voorwaarde kennelijk onredelijk is in het licht van de vergunningsbeslissing van 27 juli
  23. [Verzoeker] gaat er klaarblijkelijk vanuit dat [hij] zich kan beroepen op ‘verworven rechten’ door deze vergunningsbeslissing. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de vergunningsbeslissing van 27 juli 2020, waar [verzoeker] naar verwijst, de initiële vergunning is voor de betrokken woning, die door [verzoeker] echter op een aantal punten anders is uitgevoerd. Indien vergunde werken niet conform de vergunning zijn uitgevoerd, kunnen uit die vergunning geen rechten meer geput worden. Daar wordt overigens ook al op gewezen in de bestreden beslissing zelf. [Verzoeker] maakt daar abstractie van in [zijn] betoog. De verwijzing naar de vergunningsbeslissing van 27 juli 2020 kan evenmin overtuigen dat de bestreden beslissing kennelijk onredelijk of onzorgvuldig is.” In zoverre verzoeker de schending van artikel 149 van de Grondwet afleidt uit de omstandigheid dat de RvVb “de ruimere draagwijdte” van het door hem opgeworpen annulatiemiddel miskent, gaat hij uit van een verkeerd begrip van de rechterlijke motiveringsplicht, en is zijn kritiek ongegrond.
  24. Met het motief “Indien vergunde werken niet conform de vergunning zijn uitgevoerd, kunnen uit die vergunning geen rechten meer geput worden.” oordeelt het bestreden arrest niet dat de omgevingsvergunning van 27 juli 2020 is vervallen. De aangevoerde schending van artikel 99, § 3, van het omgevingsvergunningsdecreet berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest, en is derhalve ongegrond. VII-42.655-10/11
  25. In zoverre het middel ontvankelijk is, is het ongegrond. BESLISSING
  26. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  27. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zesentwintig januari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.655-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.566 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.