← België

Arrest 265568 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/01/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.568 Rolnummer: A. 242965/VII-42643 Zaak: Arrest 265568 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/01/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-01-29 Raadplegingen: 170 - laatst gezien 2026-06-18 06:27 Fiche Arrest nr 265.568 van 26 januari 2026 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 265.568 van 26 januari 2026 in de zaak A. 242.965/VII-42.643 In zake : de BV DE VOGELENZANG bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Flamey en Glenn Declercq kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : R.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris Claes kantoor houdend te 2000 Antwerpen Graaf van Hoornestraat 51 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Verbist kantoor houdend te 2560 Kessel Torenvenstraat 16 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 16 september 2024, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2324-0976 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 8 augustus 2024 in de zaak 2324-RvVb-0292-A. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 22 oktober
  3. VII-42.643-1/15 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft op 13 februari 2025 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 december
  4. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Matthias Ballieu, die loco advocaten Peter Flamey en Glenn Declercq verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Joris Claes, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten 3.
  5. Het college van burgemeester en schepenen van Schilde verleent aan A.W. een omgevingsvergunning voor, onder meer, het uitbreiden van een horecazaak. De verwerende partij stelt hiertegen bestuurlijk beroep in. VII-42.643-2/15 3.
  6. Met een beslissing van 19 oktober 2023 verklaart de deputatie van de provincieraad van Antwerpen het beroep ongegrond en verleent zij de omgevingsvergunning. 3.
  7. De verwerende partij stelt bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) een beroep in tot vernietiging van de deputatiebeslissing van 19 oktober
  8. 3.
  9. Met een beschikking van 5 maart 2024 stelt de voorzitter van de RvVb vast dat het beroep op het eerste gezicht alleen een kort debat vereist. Hij duidt in deze beschikking A.W. aan als tussenkomende partij, bepaalt dat het beroep behandeld wordt door de voorzitter van de 11e kamer, en verleent de partijen een termijn van dertig dagen om een nota in te dienen. 3.
  10. De verzoekende partij dient op 12 april 2024 een verzoekschrift in tot tussenkomst in de procedure voor de RvVb. Zij zet hierin uiteen dat zij beschouwd moet worden als de vergunningsaanvrager en -houder, die van rechtswege een tussenkomende partij is, en op basis daarvan de gelegenheid moet krijgen een nota in te dienen. Met een beschikking van 19 april 2024 verleent de voorzitter van de 11e kamer aan de verzoekende partij toelating om een nota in te dienen. De verzoekende partij dient op 24 mei 2024 een “nota in het kader van de korte debatten” in. Op de zitting van 13 juni 2024 worden zowel A.W. als de advocaat van de verzoekende partij gehoord. 3.
  11. In het bestreden arrest kwalificeert de RvVb de verzoekende partij als de tussenkomende partij in de procedure. Vervolgens weert hij de nota van de verzoekende partij als laattijdig uit het debat. Verder verwerpt de RvVb de exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep die de verzoekende partij (als tussenkomende partij in de procedure voor de RvVb) ter zitting heeft opgeworpen, verklaart hij het eerste middel tot nietigverklaring in de aangegeven mate gegrond VII-42.643-3/15 en vernietigt hij de bestreden deputatiebeslissing. Ook stelt de RvVb zijn arrest in de plaats van de te nemen beslissing en weigert hij de omgevingsvergunning. IV. Onderzoek van de middelen tot nietigverklaring A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  12. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), het algemeen beginsel van de wapengelijkheid en de rechten van verdediging, artikel 20, eerste en derde lid, van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC), en de artikelen 59/2, § 1, tweede lid, en 59/3, derde lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 ‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: procedurebesluit).
  13. Zij komt op tegen de beslissing van het bestreden arrest om haar “nota in het kader van de korte debatten” als laattijdig uit het debat te weren. De RvVb neemt die beslissing op grond van volgende motieven: “
  14. Op grond van artikel 20, derde lid[, DBRC] is de vergunninghouder, die wordt vermeld in de bestreden beslissing, van rechtswege tussenkomende partij in een hangende procedure, op voorwaarde dat hijzelf niet de beroepsindiener is. Daarnaast kan in principe elke belanghebbende tussenkomen in een hangende procedure (artikel 20, eerste lid[, DBRC]). Een belanghebbende die niet door de griffie is aangeschreven met de vermelding van de mogelijkheid om een verzoek tot tussenkomst in te dienen, kan enkel een ontvankelijk verzoek tot tussenkomst indienen, als die tussenkomst de procedure niet vertraagt (artikel 59/3, tweede lid[, van het procedurebesluit]). Het betreft in casu evenwel een procedure van korte debatten. In dergelijke verkorte procedure kunnen enkel de partijen en de belanghebbenden die daartoe zijn aangewezen door de voorzitter, een nota met opmerkingen indienen en worden gehoord (artikel 59/2 [van het procedurebesluit]).
  15. VII-42.643-4/15 De bestreden beslissing stelt dat de omgevingsvergunningsaanvraag werd ingediend door [A.W.]. Verder wordt ook het volgende vermeld: ‘De ingedeelde inrichting is gekend onder inrichtingsnummer […] en wordt geëxploiteerd door de aanvrager.’ [De verzoekende partij in cassatie] dient op 12 april 2024 een verzoek tot tussenkomst in en betoogt dat zij de vergunningsaanvrager is. Met een beschikking van 19 april 2024 wordt ze voorlopig toegelaten tot de debatten en de mogelijkheid geboden om hierover via een nota ‘nadere toelichting’ te verschaffen. In haar nota van 25 mei 2024 herhaalt ze haar standpunt ter zake en verwijst ze daarvoor naar de gegevens in het Omgevingsloket waaruit blijkt dat [A.W.], als vaste vertegenwoordiger van [de verzoekende partij in cassatie], de aanvraag namens haar heeft ingediend. De [RvVb] stelt vast dat uit de gegevens in het Omgevingsloket inderdaad kan worden afgeleid dat [de verzoekende partij in cassatie] de werkelijke vergunningsaanvrager is. De betrokken rechtspersoon wordt niet enkel vermeld als aanvrager en exploitant in de betrokken rubriek in het Omgevingsloket, maar wordt in de opgeladen documenten ook steevast vermeld als opdrachtgever. Bovendien blijkt uit de historiek van het dossier dat deze rechtspersoon als vergunningsaanvrager werd aangeduid in de (vernietigde) vergunningsbeslissingen van de [deputatie] van 22 maart 2018 en 24 februari 2022, niettegenstaande [A.W.] ook toen als aanvrager werd vermeld in het Omgevingsloket en in de beslissingen van het college van burgemeester en schepenen in eerste aanleg als zodanig werd aangeduid. De [RvVb] kwalificeert [de verzoekende partij in cassatie] daarom als de tussenkomende partij.
  16. Anders dan de [verzoekende partij in cassatie] wil doen aannemen, doen deze vaststellingen echter niets af aan het feit dat zij via haar vaste vertegenwoordiger in casu wel degelijk de mogelijkheid heeft gekregen om als vergunningsaanvrager een nota met opmerkingen in te dienen in het kader van de huidige procedure in korte debatten. De gegevens in het Omgevingsloket wijzen immers uit dat [A.W.], die de [verzoekende partij in cassatie] in haar verzoek tot tussenkomst en navolgende nota zelf aanduidt als haar vaste vertegenwoordiger, als contactpersoon/exploitant/aanvrager wordt opgegeven met telkens vermelding van het adres […]. Nazicht van het dossier leert dat de griffie van de [RvVb] [A.W.] met een aangetekende brief van 6 maart 2024 op voormeld adres in kennis heeft gesteld van het vernietigingsberoep van de [verwerende partij in cassatie] en de beschikking van de voorzitter van de [RvVb] van 5 maart
  17. Uit de gegevens die de [RvVb] in navolging hiervan van Bpost mocht ontvangen blijkt dat deze brief op 8 maart 2024 zonder succes op voormeld adres werd aangeboden, vervolgens niet op het postkantoor werd afgehaald en derhalve op 26 maart 2024 werd teruggestuurd naar de [RvVb]. De conclusie luidt dan ook dat de [verzoekende partij in cassatie] - als vergunningsaanvrager en -houder - via haar vaste vertegenwoordiger in de mogelijkheid is gesteld om een nota met opmerkingen over de korte debatten in te dienen binnen de termijn zoals vermeld in de beschikking van de voorzitter van de [RvVb] van 5 maart 2023 en het klaarblijkelijk enkel aan VII-42.643-5/15 zichzelf te verwijten heeft dat hiervan geen gebruik werd gemaakt. Met haar ‘vrijwillig’ verzoek tot tussenkomst kan zij hieraan niet meer remediëren. De nota die de [verzoekende partij in cassatie] op 24 mei 2024 heeft ingediend is in het licht van het voorgaande als laattijdig te beschouwen en wordt uit de debatten geweerd. Het voorgaande doet geen afbreuk aan het feit dat [de verzoekende partij in cassatie] als van rechtswege tussenkomende partij wordt beschouwd en in die hoedanigheid de mogelijkheid heeft om ter zitting haar standpunt aan de [RvVb] te verduidelijken, hetgeen ze effectief heeft gedaan.”
  18. De verzoekende partij formuleert hiertegen volgende grieven: “Eerste middelonderdeel: onrechtmatige betekening aan vaste vertegenwoordiger […] [Het] bestreden arrest gaat er ten onrechte en op onwetmatige wijze van uit dat een betekening van het vernietigingsberoep van verwerende partij en de beschikking van 5 maart 2024 aan de vaste vertegenwoordiger van verzoekende partij geldt als een geldige betekening in de zin van artikel 20, derde lid[, DBRC]. Het bestreden arrest faalt naar recht door de vaste vertegenwoordiger van verzoekende partij ten onrechte gelijk te stellen aan verzoekende partij zelf. Bijgevolg kon de vaste vertegenwoordiger van verzoekende partij niet gelijkgesteld worden als belanghebbende in de zin van artikel 20, eerste en derde lid[, DBRC], zodat de kennisgeving niet op goede gronden berust. De nota met opmerkingen namens verzoekende partij werd dan ook ten onrechte uit de debatten geweerd. […] […] Tweede middelonderdeel: bij vereenzelviging vaste vertegenwoordiger en rechtspersoon kan betekening enkel rechtsgeldig plaatsvinden op adres maatschappelijke zetel […] Voor zover [de Raad van State] zou oordelen dat de kennisgeving van het vernietigingsberoep van de verwerende partij en de beschikking van de voorzitter van de [RvVb] van 5 maart 2024 persoonlijk kan gebeuren aan de vaste vertegenwoordiger van de vergunningsaanvrager, dient opgemerkt dat er in voorkomend geval enkel sprake kan zijn van een rechtmatige betekening wanneer de betekening aan de vaste vertegenwoordiger gebeurt op de maatschappelijke zetel van de vergunningsaanvrager. […] [De Raad van State] zal vaststellen dat het in aanmerking genomen adres, nl. […], verschillend is van het adres van de maatschappelijke zetel van de verzoekende partij. […] Uit de stukken waarop de [Raad van State] vermag acht te zien, blijkt dat er is betekend op het adres […] terwijl uit het regelmatig neergelegd verzoekschrift tot tussenkomst […] en de regelmatig neergelegde nota met opmerkingen […] blijkt dat de maatschappelijke zetel van [de verzoekende partij elders] gevestigd is […]. […] Door evenwel te oordelen dat er sprake zou zijn van een rechtsgeldige kennisgeving in de zin van [artikel 59/2, § 1, tweede lid, van het VII-42.643-6/15 procedurebesluit, gelezen in samenhang met artikel 20, eerste en derde lid, DBRC], omdat het vernietigingsberoep en de beschikking van 5 maart 2024 werd betekend aan de vaste vertegenwoordiger van de vergunninghouder/ -aanvrager, beperkt het bestreden arrest op onevenredige wijze de rechten van verdediging en het beginsel van de wapengelijkheid en bijgevolg het recht op toegang tot de rechter. […] Wanneer verzoekende partij wordt aangesproken via haar vaste vertegenwoordiger van de aanvrager/vergunninghouder, is er slechts sprake van een rechtsgeldige betekening aan verzoekende partij in zoverre de betekening geschiedt op de maatschappelijke zetel/vestigingseenheid van verzoekende partij. Zo niet, zou elke betekening aan een vaste vertegenwoordiger op eender welk adres beschouwd moeten worden als een rechtsgeldige betekening die rechtsgevolgen doet ontstaan voor verzoekende partij, hetwelk strijdig is met de [in de aanhef van het middel] opgenomen bepalingen en beginselen.” Beoordeling
  19. De verzoekende partij heeft belang bij elk cassatiemiddel waarvan de gegrondheid tot de vernietiging van het bestreden arrest leidt. De wering uit het debat van een schriftelijke uiteenzetting van een partij tast op aanzienlijke wijze de mogelijkheden aan van die partij om haar standpunt voor de rechter te verdedigen, en ontneemt haar met name de waarborg dat de rechter verplicht wordt om te antwoorden op de middelen die erin worden uiteengezet. De omstandigheid dat die partij de gelegenheid heeft gekregen om haar standpunt mondeling uiteen te zetten, kan hieraan niet verhelpen. De partij wier schriftelijke uiteenzetting uit het debat wordt geweerd, en die vervolgens met betrekking tot de grond van de zaak in het ongelijk wordt gesteld, heeft dan ook belang bij het cassatiemiddel waarin wordt aangevoerd dat de beslissing om haar schriftelijke uiteenzetting uit het debat te weren, niet naar recht is verantwoord. De gegrondheid van dergelijk middel leidt tot de vernietiging van het bestreden arrest. De door de verwerende partij opgeworpen exceptie van niet- ontvankelijkheid van het middel wegens gebrek aan belang, is ongegrond. VII-42.643-7/15
  20. Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten”. Onder “cassatiemiddel” moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder “uiteenzetting” van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend. In het middel wordt niet uiteengezet op welke wijze het bestreden arrest een schending zou inhouden van artikel 59/3, derde lid, van het procedurebesluit. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.
  21. Artikel 20, eerste en derde lid, DBRC bepaalt: “Elke belanghebbende kan tussenkomen in een hangende procedure. […] De vergunninghouder of de persoon die de melding heeft verricht, die wordt vermeld in de bestreden beslissing of in de bestreden aktename of niet- aktename, is van rechtswege tussenkomende partij in een hangende procedure, op voorwaarde dat hijzelf niet de beroepsindiener is. In geval van overdracht van de bestreden beslissing kan het geding worden hervat door de nieuwe vergunninghouder.” Artikel 59/2, § 1, eerste en tweede lid, van het procedurebesluit luidt: “De voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter stelt bij beschikking vast: 1° dat het beroep op het eerste gezicht alleen korte debatten vereist; 2° de plaats, de dag en het tijdstip van de zitting waarop de korte debatten zullen plaatsvinden; 3° de termijn waarbinnen ter griffie inzage kan worden genomen van het administratief dossier en de overtuigingsstukken; 4° de namen van een of meer van de belanghebbenden, vermeld in artikel 20, eerste en tweede lid, van het decreet, als de voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter heeft beslist een of meer belanghebbenden op te roepen; 5° de termijn waarbinnen de partijen en de belanghebbenden, vermeld in punt 4°, een nota kunnen indienen. De griffier betekent de beschikking en een afschrift van het verzoekschrift aan de partijen en de belanghebbenden, vermeld in het eerste lid, 4°.” VII-42.643-8/15
  22. Uit de stukken van de rechtspleging voor de RvVb blijkt dat de voorzitter van de RvVb bij beschikking van 5 maart 2024 heeft vastgesteld dat het beroep op het eerste gezicht alleen korte debatten vereist, A.W. heeft aangeduid als “tussenkomende partij”, en heeft bepaald dat de partijen een nota kunnen indienen binnen een vervaltermijn van dertig dagen. Het bestreden arrest stelt vast dat: - de bestreden vergunningsbeslissing stelt dat de vergunningsaanvraag werd ingediend door A.W. en dat de inrichting wordt geëxploiteerd door A.W.; - de verzoekende partij wordt vermeld als aanvrager en exploitant bij de betrokken rubriek in het Omgevingsloket, en in de opgeladen documenten wordt vermeld als opdrachtgever; - de verzoekende partij de heer A.W. heeft aangeduid als haar “vaste vertegenwoordiger” in haar verzoek tot tussenkomst; - de gegevens van het Omgevingsloket uitwijzen dat A.W. wordt opgegeven als “contactpersoon/exploitant/aanvrager” met vermelding van zijn adres. De RvVb miskent noch artikel 6 EVRM en de hierin begrepen beginselen van de wapengelijkheid en de rechten van verdediging, noch artikel 20, eerste en derde lid, DBRC, noch artikel 59/2, § 1, van het procedurebesluit, wanneer hij uit deze feitelijke omstandigheden afleidt dat de verzoekende partij beschouwd wordt als tussenkomende partij in het geding voor de RvVb, die over een termijn beschikte van dertig dagen om een nota in te dienen, ingaande met de betekening aan A.W. op zijn adres, van de beschikking van de voorzitter en een afschrift van het verzoekschrift.
  23. Beide onderdelen van het middel zijn, in zoverre ontvankelijk, ongegrond. VII-42.643-9/15 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  24. De verzoekende partij voert de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, het beginsel van de scheiding der machten, de wettelijke draagwijdte van het begrip “onoverkomelijke legaliteitsbelemmering”, en artikel 37, § 1 en § 2, DBRC.
  25. Zij komt op tegen de beslissing van de RvVb om zijn arrest in de plaats te stellen van de nieuw te nemen beslissing en de omgevingsvergunning te weigeren. De RvVb neemt die beslissing op grond van volgende motieven: “
  26. De [RvVb] beschikt in functie van een efficiënte geschillenbeslechting en met respect voor de scheiding der machten over een beperkte substitutiebevoegdheid (artikel 37, § 2[, DBRC]). Hij kan zijn arrest in de plaats stellen van de bestreden beslissing, en desgevallend zelf de gevraagde omgevingsvergunning weigeren, als de […] vergunningverlenende overheid beschikt over een gebonden bevoegdheid. De [RvVb] kan zijn bevoegdheid tot indeplaatsstelling ook ambtshalve uitoefenen. […].
  27. Zoals blijkt uit de beoordeling van het eerste middel heeft de [deputatie] in de bestreden beslissing enkel op grond van het toen nog niet vernietigde RUP ‘Vogelenzang’ tot de bestemmingsconformiteit van de aanvraag besloten, terwijl de vernietiging van dit RUP door de Raad van State tot gevolg heeft dat dit onderzoek moest worden gevoerd aan de hand van de bepalingen van het terug toepasselijke BPA ‘Victor Frislei’. Op basis van de historiek van het dossier kan echter op ontegensprekelijke wijze worden vastgesteld dat de gevraagde handelingen niet in overeenstemming zijn met de stedenbouwkundige voorschriften van het BPA ‘Victor Frislei’, noch met deze van het onderliggende gewestplan indien op het BPA een afwijking zou worden toegestaan. Bij een herbeoordeling van de aanvraag zal de [deputatie] dan ook onvermijdelijk tot de conclusie moeten komen dat deze in strijd is met de geldende stedenbouwkundige voorschriften, dat hierop geen geldige afwijking kan worden toegestaan en dus overeenkomstig artikel 4.3.1, § 1, eerste lid, 1°, a) VCRO moet worden geweigerd. De [RvVb] stelt dan ook een onoverkomelijke legaliteitsbelemmering vast, wat neerkomt op een gebonden bevoegdheid in hoofde van de [deputatie] om de aanvraag te weigeren. VII-42.643-10/15 Het betoog ter zitting van [de verzoekende partij in cassatie] kan de [RvVb] niet van het tegendeel overtuigen. Maakt de [verwerende partij in cassatie] met de bijgebrachte brief van de gemeente Schilde aannemelijk dat het college van burgemeester en schepenen nog steeds de idee van een ruimtelijk uitvoeringsplan voorstaat en in die zin klaarblijkelijk tegemoet wenst te komen aan de motieven die aan het vernietigingsarrest van de Raad van State ten grondslag liggen, dan slaagt ze er niet in om aannemelijk te maken dat de uitkomst van de inspanningen zich reeds binnen afzienbare tijd en dus in het kader van een te nemen herstelbeslissing zal aandienen. Het tijdsverloop tot de definitieve vaststelling van een ruimtelijk uitvoeringsplan waaraan de voorliggende aanvraag zou kunnen worden afgetoetst, is op heden te onzeker en de spoedige aanname daarvan al te hypothetisch opdat ze de [RvVb] ertoe zou kunnen brengen op dit moment af te zien van een indeplaatsstelling gelet op de ontegensprekelijk gebonden bevoegdheid voor de [deputatie]. Terzijde wordt nog opgemerkt dat het overigens niet aan de [RvVb], noch aan [de verzoekende partij in cassatie], toekomt om vooruit te lopen op een herbeoordeling van de gemeenteraad over de definitieve vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan en de uitkomst daarvan als ware het een vaststaand gegeven te beschouwen.”
  28. De verzoekende partij brengt hiertegen volgende grieven in: “Eerste middelonderdeel: onoverkomelijke legaliteitsbelemmering moet beoordeeld worden op ogenblik van effectieve herbeoordeling door bevoegde overheid […] [Het] bestreden arrest [faalt] in rechte, in zoverre de onoverkomelijke legaliteitsbelemmering wordt beoordeeld op het ogenblik van beoordeling door de RvVb en niet op het ogenblik van herbeoordeling door de bevoegde overheid binnen de door de RvVb te bepalen ordetermijn om een nieuwe beslissing te nemen. Deze termijn van orde kan variëren van drie maanden […] tot meer […]. Doordat het bestreden arrest oordeelt dat het tijdsverloop tot de definitieve vaststelling van een ruimtelijk uitvoeringsplan waaraan de voorliggende aanvraag zou kunnen worden afgetoetst onzeker zou zijn, erkent de bestreden beslissing net dat het niet uit te sluiten is dat er op het ogenblik van heroverweging door de bevoegde overheid een aftoetsing kan gebeuren aan een eventueel nieuw definitief vastgesteld RUP, wat geenszins kan beschouwd worden als een onoverkomelijke legaliteitsbelemmering. […] Het arrest dat van oordeel is dat er sprake is van onoverkomelijke legaliteitsbelemmering op het enkele motief dat het ‘op heden’ te onzeker en te ‘hypothetisch’ zou zijn dat er een herstelbeslissing van de gemeenteraad na vernietiging van het RUP door [de Raad van State] zou komen ‘binnen afzienbare tijd’, plaatst zich op het ogenblik van het arrest als ijkpunt voor al dan niet belemmering voor het nemen van een herstelbeslissing na vernietiging van de omgevingsvergunning en laat tegelijk blijken dat er geen zekerheid bestaat over de mogelijkheid van rechtsherstel na vernietiging van het RUP. VII-42.643-11/15 Het bestreden arrest schendt daarmee de wettelijke draagwijdte van het begrip ‘onoverkomelijke legaliteitsbelemmering’ dat enerzijds dient beoordeeld te worden op het ogenblik van rechtsherstel en niet, zoals het bestreden arrest, op het ogenblik van het arrest van de RvVb en anderzijds door in het midden te laten of de belemmering effectief onoverkomelijk is. Door bovendien te overwegen dat de aanvrager niet aannemelijk maakt [dat] de herstelbeslissing zich binnen afzienbare tijd aandient, legt het arrest een bewijslast op de aanvrager die niet volgt uit het begrip ‘onoverkomelijke legaliteitsbelemmering’. Ook al is dit begrip een ‘evolutief gegeven’, de belemmering en de aard van de belemmering moet worden bepaald door de RvVb […]. […] […] Tweede middelonderdeel: substitutieregeling is discriminerend - noodzaak tot bevraging [Grondwettelijk Hof] […] [De] bepaling van artikel 37, § 2 DBRC [doet] op discriminerende wijze afbreuk […] aan het beginsel van de schending der machten, hetwelk een fundamenteel kenmerk van de Belgische rechtstaat uitmaakt. […] In de gegeven omstandigheden verzoekt [de verzoekende partij de Raad van State], op grond van artikel 26, § 2, derde lid[, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 ‘op het Grondwettelijk Hof’], de volgende prejudiciële vraag te willen voorstellen aan het Grondwettelijk Hof: ‘Schendt artikel 37, § 2[, DBRC] de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de bepalingen en beginselen die door de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid en verhoudingen tussen het bestuur en de rechtscolleges, door aan een administratief rechtscollege, de [RvVb], de bevoegdheid te verlenen om een omgevingsvergunning rechtstreeks te weigeren, die naar het oordeel van de [RvVb] geenszins kan worden vergund wegens een onoverkomelijke legaliteitsbelemmering, zonder dat de vergunningverlenende overheid derhalve (als eerste) de gelegenheid heeft gehad om de gevolgen van het vernietigingsarrest naar bevoegdheid, gebondenheid of remediëring uiteen te zetten, te beoordelen en, in voorkomend geval, te herstellen, en waarbij de rechter op zodanige wijze een onregelmatigheid herstelt, hetwelk in de eerste plaats aan het bestuur toekomt zodra deze onregelmatigheid een weerslag heeft op de inhoud of omvang van de beslissing?’” Beoordeling
  29. Artikel 37 DBRC bepaalt: “§
  30. Als de verwerende partij na een gehele of gedeeltelijke vernietiging gehouden is een nieuwe beslissing te nemen of een andere handeling te stellen, beveelt een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), de verwerende partij om met inachtneming van de overwegingen VII-42.643-12/15 die in zijn uitspraak zijn opgenomen, een nieuwe beslissing te nemen of een andere handeling te stellen. Het kan daarbij de volgende voorwaarden opleggen: […] Een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), verbindt aan het bevel, opgelegd in het eerste lid, een ordetermijn voor de uitvoering ervan. […] §
  31. Het Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, b), kan, als de nieuw te nemen beslissing, bevolen conform paragraaf 1, eerste lid, het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van de verwerende partij, het arrest in de plaats stellen van die beslissing. Onder het geval, vermeld in het eerste lid, worden ook de gevallen van feitelijk of naderhand gebonden bevoegdheid verstaan die volgen uit de toepassing van de regelgeving in het licht van de concrete gegevens en omstandigheden van het dossier.” De “onoverkomelijke legaliteitsbelemmering” is geen begrip waarvan de schending op ontvankelijke wijze kan worden aangevoerd zonder de wettelijke bepaling aan te duiden die dat begrip inhoudt. De “onoverkomelijke legaliteitsbelemmering” is een geval dat kan leiden tot een “gebonden bevoegdheid” in de zin van artikel 37, § 2, DBRC, bepaling waarvan de schending wordt aangevoerd. De Raad van State beoordeelt dan ook de aangevoerde schending van het begrip “onoverkomelijke legaliteitsbelemmering” in het kader van de aangevoerde schending van artikel 37, § 2, DBRC.
  32. In het middel wordt niet uiteengezet hoe het bestreden arrest een schending zou inhouden van artikel 37, § 1, DBRC. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.
  33. Wanneer de nieuw te nemen beslissing na een vernietigingsarrest het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van het vergunningverlenend bestuur, is de RvVb niet verplicht om zijn arrest in de plaats te stellen van die beslissing. Wanneer de RvVb tot indeplaatsstelling beslist, kan de Raad van State als cassatierechter wel controleren of hij daarbij niet het wettelijk begrip “gebonden VII-42.643-13/15 bevoegdheid” (artikel 37, § 2, eerste lid, DBRC) of “feitelijke of naderhand gebonden bevoegdheid” (artikel 37, § 2, tweede lid, DBRC) heeft miskend.
  34. De vraag of de nieuw te nemen beslissing het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van het bestuur, moet door de RvVb beoordeeld worden aan de hand van de feitelijke en juridische gegevens die bestaan op de dag van zijn uitspraak. De RvVb miskent dan ook niet artikel 37, §2, DBRC wanneer hij uit de onoverkomelijke legaliteitsbelemmering die op de datum van het arrest bestaat, afleidt dat de nieuw te nemen beslissing het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van het vergunningverlenend bestuur, zodat hij zijn arrest in de plaats kan stellen van die beslissing. In zoverre de verzoekende partij uitgaat van een andere rechtsopvatting, is zijn kritiek ongegrond. De omstandigheid dat er aanwijzingen zijn dat de feitelijke of juridische situatie binnen een afzienbare tijd zou kunnen wijzigen, kan voor de RvVb een reden zijn om af te zien van de indeplaatsstelling. De RvVb oordeelt evenwel onaantastbaar of er, niettegenstaande de gebonden bevoegdheid van het bestuur op de datum van het arrest, voldoende redenen voorhanden zijn om af te zien van de indeplaatsstelling. In zoverre de verzoekende partij kritiek uitbrengt op deze beoordeling van het bestreden arrest, is die kritiek niet ontvankelijk.
  35. In zoverre het ontvankelijk is, is het eerste onderdeel van het middel ongegrond.
  36. De verzoekende partij heeft de grondwettigheidskritiek die zij in het tweede onderdeel van het middel ontwikkelt, niet aangevoerd voor de RvVb. De verwerende partij heeft nochtans in haar verzoekschrift voor de RvVb uitdrukkelijk gevraagd om toepassing te maken van de mogelijkheid tot indeplaatsstelling, zodat de verzoekende partij de gelegenheid had om deze kritiek voor de RvVb aan te voeren. Zij kan deze kritiek niet voor het eerst in graad van cassatie laten gelden, zodat het middelonderdeel niet ontvankelijk is. VII-42.643-14/15 Het antwoord van het Grondwettelijk Hof op de door de verzoekende partij voorgestelde prejudiciële vraag kan bijgevolg de uitkomst van het geschil niet beïnvloeden, zodat de vraag niet moet gesteld worden. BESLISSING
  37. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  38. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zesentwintig januari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.643-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.568 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.