id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.573 Rolnummer: A. 246527/XII-9966 Zaak: Arrest 265573 - Rusthuizen - 26/01/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-01-27 Raadplegingen: 175 - laatst gezien 2026-06-18 06:25 Fiche Arrest nr 265.573 van 26 januari 2026 Sociale zaken en volksgezondheid - Rusthuizen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.573 no lien 287339 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 265.573 van 26 januari 2026 in de zaak A. 246.527/XII-9966 In zake: de NV EMEIS VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Benjamin Herman kantoor houdend te 8300 Knokke-Heist Natiënlaan 237 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Evelyne Lozie Maes, Brecht Vroonen en Jan De- vriendt kantoor houdend te 3000 LEUVEN Arnould Nobelstraat 34/0101 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 27 november 2025, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 21 november 2025 van de secretaris-generaal van het Departement Zorg tot intrekking van de erkenning en sluiting van woonzorgcentrum en centrum voor kortverblijf type 1 Vordenstein. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij beschikking van 1 december 2025 werd de procedurekalen- der vastgesteld. XII-9966-1/35 De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een ad- ministratief dossier ingediend. Eerste auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026. Kamervoorzitter Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Benjamin Herman, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaten Evelyne Lozie Maes en Brecht Vroonen, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Samuel Mens heeft een met dit arrest eensluidend ad- vies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Artikel 38 van het decreet van 15 februari 2019 ‘betreffende de woonzorg’ (hierna: Woonzorgdecreet) en artikel 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 28 juni 2019 ‘betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaar- den en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen voor mantelzorgers en gebruikers’ (hierna: besluit van de Vlaamse regering van 28 juni 2019) bepaalden dat een woonzorgvoorziening blijvend aan de erkenningsvoor- waarden moet voldoen om erkend te blijven. Artikel 38 van het Woonzorgdecreet luidt: XII-9966-2/35 “De Vlaamse Regering erkent woonzorgvoorzieningen en verenigingen. De woonzorgvoorzieningen en verenigingen moeten voldoen aan artikel 4, 7, 8 en 59 en hoofdstuk 2 om erkend te kunnen worden en erkend te blijven. De Vlaamse Regering kan aanvullende erkenningsvoorwaarden vastleggen met behoud van de toepassing van de bepalingen van artikel 4, 7, 8 en 59 en hoofdstuk 2. Die voorwaarden hebben onder meer betrekking op: 1° de zorg en ondersteuning; 2° de personeelsleden; 3° de bestuurders; 4° de werking; 5° de infrastructuur; 6° de wederzijdse rechten en plichten van woonzorgvoorziening en gebrui- kers; 7° het behandelen van de klachten van de gebruikers; 8° de initiatiefnemer of zijn vertegenwoordiger, die geen strafrechtelijke ver- oordeling mag hebben opgelopen voor feiten die verband houden met het aanbieden oforganiseren van woonzorg; 9° de specifieke brandveiligheidsaspecten voor woonzorgvoorzieningen, met behoud van de toepassing van de federale basisnormen voor de brandveilig- heid van gebouwen.” Artikel 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 28 juni 2019 luidt: “Om erkend te worden moet een woonzorgvoorziening passen in de program- matie die op die woonzorgvoorziening van toepassing is, overeenkomstig ar- tikel 38, zesde lid, van het Woonzorgdecreet, en voldoen aan al de volgende voorwaarden: 1° op het ogenblik dat de erkenningsaanvraag wordt ingediend voldoen aan de specifieke erkenningsvoorwaarden voor de infrastructuur, vermeld in bij- lage 1, 5, en 7 tot en met 11, die bij dit besluit zijn gevoegd; 2° op het ogenblik dat de erkenningsaanvraag wordt ingediend of binnen maximaal één jaar vanaf de datum van de erkenningsbeslissing voldoen aan al de volgende voorwaarden:
- a)de voorwaarden, vermeld in artikel 8 tot en met 14;
- b)de erkenningsvoorwaarden, vermeld in bijlage 1 tot en met 11 bij dit be- sluit. Om erkend te blijven voldoet een woonzorgvoorziening na een jaar vanaf de datum van de erkenningsbeslissing, blijvend aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 2°.” De erkenningsvoorwaarden voor een woonzorgcentrum zijn be- paald in de artikelen 4, 7, 8 en 59 en hoofdstuk 2 van het Woonzorgdecreet en in de artikelen 8 tot en met 14 van het besluit van de Vlaamse regering van 28 juni 2019, alsook specifiek in de bijlage 11 van datzelfde besluit. XII-9966-3/35 3.2. Krachtens artikel 64 van het Woonzorgdecreet kan de Vlaamse regering de regels uitwerken voor de intrekking van de erkenning van een woon- zorgcentrum. In artikel 66 bepaalt dat de Vlaamse regering de regels voor de ef- fectieve sluiting van een woonzorgcentrum verder uitwerkt. De artikelen 64 en 66 van het Woonzorgdecreet luiden: “Artikel 64 De Vlaamse Regering kan, volgens de regels die ze bepaalt, de erkenning wijzigen, alsook de erkenning schorsen of intrekken als de woonzorgvoorzie- ning of vereniging de erkenningsvoorwaarden niet naleeft. Die regels bevat- ten de mogelijkheid om een bezwaar in te dienen.” “Artikel 66 De intrekking van de erkenning van een woonzorgcentrum, van een centrum voor dagverzorging, van een centrum voor kortverblijf, van een groep van assistentiewoningen of van een centrum voor herstelverblijf heeft van rechts- wege de sluiting van die woonzorgvoorziening tot gevolg. De Vlaamse Regering beveelt de sluiting van een niet-erkende voorziening, die de opdrachten van een centrum voor dagverzorging, van een centrum voor kortverblijf, van een centrum voor herstelverblijf, van een groep van assis- tentiewoningen of van een woonzorgcentrum uitoefent. De Vlaamse Rege- ring bepaalt daarvoor de procedure die de mogelijkheid bevat om een bezwaar in te dienen. De sluiting houdt in dat de voorziening niet langer mag worden uitgebaat. De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels voor de uitvoering van de effectieve sluiting. Aan de effectieve sluiting gaat een overleg vooraf met het gemeen- tebestuur en het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van de gemeente waarin het centrum gevestigd is.” 3.3. In het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2024 ‘over de procedures voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen voor mantelzorgers en gebruikers’ (hierna: Procedurebesluit) worden de nadere regels voor de intrekking van de erkenning bepaald. Krachtens artikel 44 en 45 van het Procedurebesluit kan de secretaris-generaal van het Departement Zorg een voornemen tot intrekking ne- men indien de erkenningsvoorwaarden niet worden nageleefd. Hiervoor dient een aanmaning te worden verstuurd naar de voorziening. Indien de voorziening zich niet heeft geschikt naar de termijnen en voorwaarden uit de aanmaning, kan de secretaris-generaal een voornemen tot intrekking nemen. De voorziening kan tegen dit voornemen tot intrekking bezwaar indienen. Het bezwaar wordt behandeld door XII-9966-4/35 de Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin (hierna: Adviescommissie). De artikelen 44 en 45 van het Procedurebesluit luiden: “Artikel 44 § 1 De secretaris-generaal kan de erkenning wijzigen, schorsen of intrekken als de erkende woonzorgvoorzieningen of verenigingen de erkenningsvoor- waarden niet naleven. § 2 De secretaris-generaal kan een voornemen tot wijziging, schorsing of in- trekking van de erkenning alleen nemen als al de volgende voorwaarden zijn vervuld: 1° de initiatiefnemer heeft aangetekend met kennisgeving van ontvangst een aanmaning van de administratie ontvangen om zich te schikken naar de er- kenningsvoorwaarden; 2° de initiatiefnemer heeft zich niet geschikt naar de termijnen en voorwaar- den die zijn opgenomen in de aanmaning, vermeld in punt 1°. In de aanmaning, vermeld in het eerste lid, 1°, kan de termijn bepaald worden waarin de initiatiefnemer een remediëringsplan voor de tekorten op de erken- ningsvoorwaarden die in die aanmaning zijn vermeld, aan de administratie moet bezorgen. Het voormelde remediëringsplan omvat al de volgende ele- menten: 1° de maatregelen die al genomen zijn of die nog moeten worden genomen; 2° de uitvoeringstermijn voor de maatregelen, vermeld in punt 1°; 3° de persoon die verantwoordelijk is om de maatregelen, vermeld in punt 1°, uit te voeren en op te volgen. In de aanmaning, vermeld in het eerste lid, 1°, kunnen de termijnen bepaald worden waarin de initiatiefnemer zich moet schikken naar de erkennings- voorwaarden. § 3 Als ernstige of aanhoudende tekorten op de erkenningsvoorwaarden wor- den vastgesteld die een impact hebben op de kwaliteit van de aangeboden zorg en ondersteuning, kan de secretaris-generaal beslissen de woonzorg- voorziening in kwestie onder verhoogd toezicht te plaatsen. Het verhoogde toezicht begint op de datum waarop de aanmaning, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 1°, wordt verstuurd, en duurt tot het ogenblik waarop de admi- nistratie conform paragraaf 4 vaststelt dat de initiatiefnemer in kwestie zich op structurele en blijvende wijze naar de erkenningsvoorwaarden, vermeld in die aanmaning, heeft geschikt. In het kader van het verhoogde toezicht kan de administratie verschillende onderzoeken uitvoeren om te oordelen of de erkenningsvoorwaarden op structurele en blijvende wijze worden nageleefd. In het kader van de voor- melde onderzoeken kan de administratie de initiatiefnemer verzoeken om aanvullende documenten of inlichtingen te bezorgen en kan de administratie een nader onderzoek ter plaatse laten instellen door de inspecteurs, vermeld in artikel 2, 7°, van het decreet van 19 januari 2018 houdende het overheids- toezicht in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid. § 4 Als de administratie vaststelt dat de initiatiefnemer in kwestie zich op structurele en blijvende wijze naar de erkenningsvoorwaarden die zijn opge- nomen in de aanmaning, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 1°, heeft geschikt, eindigt de periode van verhoogd toezicht, vermeld in paragraaf 3. De XII-9966-5/35 administratie brengt de initiatiefnemer van de woonzorgvoorziening schrifte- lijk op de hoogte van de beëindiging van de periode van verhoogd toezicht. § 5 Een aanvraag tot erkenning van bijkomende opnamemogelijkheden van een centrum voor kortverblijf type 1, een groep van assistentiewoningen, een centrum voor herstelverblijf of een woonzorgcentrum is niet ontvankelijk als de initiatiefnemer van de woonzorgvoorziening in kwestie van de administra- tie een aanmaning heeft ontvangen conform paragraaf 2, eerste lid, en met toepassing van paragraaf 4 nog niet is vastgesteld dat de initiatiefnemer in kwestie zich op structurele en blijvende wijze naar de erkenningsvoorwaar- den die zijn opgenomen in die aanmaning, heeft geschikt binnen de termijn die de administratie in die aanmaning heeft bepaald. Een aanvraag tot bijkomende erkenning van een centrum voor dagverzorging, een woonzorgcentrum of een centrum voor kortverblijf type 1 is niet ontvan- kelijk als de initiatiefnemer van de woonzorgvoorziening in kwestie van de administratie een aanmaning heeft ontvangen conform paragraaf 2, eerste lid, en met toepassing van paragraaf 4 nog niet is vastgesteld dat de initiatiefne- mer in kwestie zich op structurele en blijvende wijze naar de erkenningsvoor- waarden die zijn opgenomen in die aanmaning, heeft geschikt binnen de ter- mijn die de administratie in die aanmaning heeft bepaald. In afwijking van artikel 38 van het besluit van 19 oktober 2018 en artikel 32 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 mei 2020 tot aanpassing van administratieve procedures en termijnen in de regelgeving van het beleidsdo- mein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin door de uitbraak van COVID-19 en tot wijziging van diverse besluiten van de Vlaamse Regering van dat be- leidsdomein wordt de termijn van uitstel, vermeld in die artikelen, van rechts- wege verlengd met de periode van verhoogd toezicht die begint conform pa- ragraaf 3 van dit artikel, en eindigt conform paragraaf 4 van dit artikel.” “Artikel 45 De administratie brengt de initiatiefnemer aangetekend met kennisgeving van ontvangst op de hoogte van het voornemen van de secretaris-generaal tot wij- ziging, schorsing of intrekking van een erkenning. Het voornemen, vermeld in het eerste lid, bevat de mogelijkheid, de voor- waarden en de procedure om bij de administratie een gemotiveerd bezwaar- schrift in te dienen conform artikel 71.” 3.4. De procedure bij de Adviescommissie wordt verder uitgewerkt in het besluit van de Vlaamse regering van 12 juli 2013 ‘betreffende de Advies- commissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kan- didaat-)pleegzorgers’ (hierna: besluit van de Vlaamse regering van 12 juli 2013). 3.5. De verzoekende partij is de initiatiefnemer van WZC Vorden- stein, een woonzorgcentrum gelegen te 2900 Schoten, Ridder Walter Van Ha- vrelaan 16. Zij beschikt over een erkenning van onbepaalde duur onder het nummer PE 2985 voor maximaal 129 woongelegenheden en maximaal 10 woongelegenhe- den kortverblijf type 1 onder nummer KPE 2985. XII-9966-6/35 3.6. Op 6 december 2022 wordt de erkenning van het woonzorgcen- trum reeds voor zes maanden geschorst. In het schorsingsbesluit van de secretaris- generaal wordt verwezen naar verscheidene inspectieverslagen, waaruit steeds te- kortkomingen op de erkenningsvoorwaarden blijken. Verder wordt in dit schor- singsbesluit het actie-en remediëringsplan overwogen en als onvoldoende beoor- deeld. Hierdoor wordt een voornemen tot schorsing genomen. Tegen dit voornemen wordt een bezwaar ingediend. Op 22 no- vember 2022 verklaart de Adviescommissie het bezwaar ongegrond. De Advies- commissie oordeelt dat de administratie het dossier correct heeft beoordeeld en binnen het geldende reglementaire kader heeft gehandeld. Op 23 mei 2023 wordt de schorsing van de erkenning op verzoek van de beheersinstantie voor drie maan- den verlengd, met ingang van 16 juni 2023. 3.7. Op het einde van datzelfde jaar worden in het inspectieverslag van 1 december 2023 met kenmerk ZI-2023-01302 opnieuw meerdere tekorten vastgesteld op de erkenningsvoorwaarden voor woonzorgcentra, vervat in bijlage 11 bij het besluit van de Vlaamse regering van 28 juni 2019. Deze tekorten hebben betrekking op de erkenningsvoorwaarden inzake: ● Infrastructuur (een tekort m.b.t. het oproepsysteem); ● Personeel (een tekort van 0,5 vte hoofdverpleegkundige); ● Medicatieveiligheid (tekort m.b.t. de richtlijnen voor de grenswaarden en opvol- ging van de temperatuur van de koelkast waarin de medicatie wordt bewaard); ● hulp- en dienstverlening (de waarden van de parameters, worden niet volgens de instructies van de arts geregistreerd); ● continuïteit zorgverlening (tekort m.b.t. de betrokkenheid van de familie voor fixatiemaatregelen); ● organisatie en werking n.a.v. de observaties gemaakt tijdens de rondgang (tekort m.b.t. de privacy van de bewoners). XII-9966-7/35 3.8. In het inspectieverslag van 21 augustus 2024 met kenmerk ZI- 2024-02849 worden opnieuw meerdere tekorten vastgesteld op de erkenningsvoor- waarden voor woonzorgcentra. Deze tekorten hebben betrekking op de erkenningsvoorwaarden inzake: ● Personeel (een tekort van 2,46 vte aan verpleegkundigen; een tekort van 1 vte hoofdverpleegkundige); ● Medicatieveiligheid (tekort m.b.t. de registratie van het toedienen van de medi- catie); ● Woonzorgleefplan (tekort m.b.t. de registratie van de uitvoering van de instruc- ties op het zorg- en ondersteuningsplan); ● hulp- en dienstverlening (tekort m.b.t. de reactietijden van de beloproepen); ● continuïteit zorgverlening (geen 24u/24u verpleegkundige permanentie); ● het voorleggen van documenten (de langere reactietijden voor beloproepen wa- ren uit een document verwijderd). 3.9. In het inspectieverslag van 9 oktober 2024 met kenmerk ZI- 2024-03404 worden andermaal meerdere tekorten vastgesteld op de erkennings- voorwaarden voor woonzorgcentra. Deze tekorten hebben betrekking op de erkenningsvoorwaarden inzake: ● Infrastructuur (tekort m.b.t. het oproepsysteem); ● Personeel (tekort van 1,96 vte verpleegkundigen; tekort van 0.5 vte hoofdver- pleegkundige); ● Medicatieveiligheid (tekort m.b.t. de instructies in het woonzorgleefplan, de op- volging van de vervaldata en het systeem om de openingsdata van geneesmiddelen op te volgen); ● hulp- en dienstverlening (tekort m.b.t. actuele toe te passen vrijheidsbeperkende maatregelen, specifieke zorgen en registratie van de waarden van de parameters); ● continuïteit zorgverlening (tekort m.b.t. de reactietijden bij beloproepen en geen 24u/24u verpleegkundige permanentie); ● organisatie en werking n.a.v. de observaties gemaakt tijdens de rondgang (incon- tinentiemateriaal niet discreet opgeborgen); ● inspraak (de gebruikersraad vergadert niet één keer per trimester). 3.10. Op 3 december 2024 wordt aan de verzoekende partij, als beheer- der van woonzorgcentrum Vordenstein, een aanmaning toegestuurd. Deze XII-9966-8/35 aanmaning steunt op de tekorten die in de bovenstaande drie inspectieverslagen werden vastgesteld. Er wordt verzocht om binnen 15 dagen na ontvangst van de aanmaning een remediëringsplan in te dienen, waarin alle genomen maatregelen en een timing van uitvoering worden beschreven. In de brief van de aanmaning wordt eveneens meegedeeld dat woonzorgcentrum Vordenstein onder verhoogd toezicht wordt geplaatst. 3.11. Op 19 december 2024 bezorgt de verzoekende partij een actie- en remediëringsplan via e-mail en aangetekende brief. 3.12. Op 27 februari 2025 wordt het woonzorgcentrum Vordenstein opnieuw geïnspecteerd. In het inspectieverslag van 27 februari 2025 met kenmerk ZI-2025-00666 worden andermaal meerdere tekorten vastgesteld op de erken- ningsvoorwaarden voor woonzorgcentra. Deze tekorten hebben betrekking op: ● Medicatieveiligheid: Het toedienen van de medicatie wordt niet consequent geregistreerd. De medicatiepletter(s)/pillensnijder(
- s)bevat(ten) medicatieresten. ● Hulp- en dienstverlening: Het zorg- en ondersteuningsplan bevat geen actuele instructies m.b.t. de toe te pas- sen vrijheidsbeperkende maatregelen. Het zorg- en ondersteuningsplan bevat geen actuele instructies m.b.t. de specifieke zorgen. Het zorg- en ondersteuningsplan bevat geen actuele instructies m.b.t. wassen, kle- den, verplaatsen, toiletbezoek, continentie en eten voor alle zorgmomenten. De zorg- en ondersteuningsplannen kunnen niet geconsulteerd worden tijdens de zorg. Er zijn Zapps waarmee de zorg- en ondersteuningsplannen geconsulteerd kunnen worden. Een interimmedewerker gaf aan geen Zapp te kunnen gebruiken omdat er tijdens de ochtend geen tijd werd gemaakt door vaste medewerkers om het gebruik toe te lichten. Zij beschikte enkel over een briefingblad waar niet het hele zorg- en ondersteuningsplan op vermeld stond. Enkel het gebruik van het briefingblad is onvoldoende. De waarden van de parameters, worden niet volgens de instructies van de arts ge- registreerd. Het uitvoeren van de instructies op het zorg- en ondersteuningsplan wordt niet con- sequent geregistreerd. Men kan niet aantonen dat de bewoner en/of familie betrokken werd(
- en)bij de beslissing m.b.t. de fysieke vrijheidsbeperkende maatregel(en). XII-9966-9/35 Men kan niet aantonen dat in geval van wondzorg voor elke wonde een wondzorg- fiche wordt opgemaakt. De wondzorgfiche vermeldt geen behandelingswijze. De evolutie van de wonde kan onvoldoende afgeleid worden uit de observaties in het woonzorgleefplan. ● Organisatie en werking n.a.v. de observaties gemaakt tijdens de rondgang: Men kan niet aantonen dat de zorgtaken uitgevoerd worden door gekwalificeerd personeel. De privacy van de bewoners wordt onvoldoende gerespecteerd. 3.13. Op 28 april 2025 bezorgt de verzoekende partij naar aanleiding van het inspectieverslag van 27 februari 2025 met kenmerk ZI-2025-00666 een actie-en remediëringsplan. 3.14. Op 16 juli 2025 neemt de secretaris-generaal van het Departe- ment Zorg het voornemen tot intrekking van de erkenning van woonzorgcentrum Vordenstein. Dit voornemen tot intrekking steunt op de tekortkomingen die zijn vastgesteld in de inspectieverslagen met kenmerken ZI-2023-01302, ZI-2024- 02849 en ZI-2024-03404. Uit het latere inspectieverslag van 27 februari 2025 met kenmerk ZI-2025-00666 blijkt dat vele van deze tekorten blijven bestaan. Daar- naast wordt in het voornemen tot intrekking gemotiveerd dat er nieuwe inbreuken bijkomen en niet is aangetoond dat de beheersinstantie in staat is om de tekorten op een duurzame en structurele manier aan te pakken. Het voornemen tot intrekking luidt: “Geachte gedelegeerd bestuurder, Ik deel u hierbij formeel mijn voornemen mee om de erkenning van het woon- zorgcentrum Vordenstein, Ridder Walter Van Havrelaan 16 in 2900 Schoten, in te trekken. In artikel 66, §1 van het decreet van 15 februari 2019 betref- fende de woonzorg wordt bepaald dat de intrekking van de erkenning van rechtswege de sluiting van het woonzorgcentrum tot gevolg heeft. Het woonzorgcentrum Vordenstein, Ridder Walter Van Havrelaan 16 in 2900 Schoten, beheerd door NV emeis Vlaanderen, Alsembergsesteenweg 1037 in 1180 Ukkel, werd bij het wijzigend besluit van de secretaris-generaal van 20 december 2024 erkend voor onbepaalde duur onder nummer PE2985 voor maximaal 129 woongelegenheden. In het inspectieverslag van 1 december 2023 met kenmerk ZI-2023-01302 werden meerdere ernstige tekorten vastgesteld op de erkenningsvoorwaarden voor woonzorgcentra, vervat in de bijlage 11 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2019 betreffende de programmatie, de XII-9966-10/35 erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen voor mantelzorgers en gebruikers. De volgende tekorten werden vastgesteld in het inspectieverslag met kenmerk ZI-2023-01302: Infrastructuur Niet in elke individuele sanitaire cel is bij het toilet een permanent oproep- systeem voorzien dat gemakkelijk bereikbaar is voor de bewoner - BVR 28/06/2019, bijlage 11, art. 51,20°. Vaststellingen 01/12/2023: Het oproepsysteem in de individuele sanitaire cel- len is niet overal gemakkelijk bereikbaar voor de bewoners. In de sanitaire cellen op het gelijkvloers (beveiligde afdeling) is het oproeppunt geplaatst tegen de muur achter het toilet. Het oproeppunt werd hier (in tegenstelling tot in de sanitaire cellen op de andere afdelingen) niet voorzien van een oproep- koord dat in het bereik van de bewoner kan gebracht worden. Personeel De functie van hoofdverpleegkundige/teamverantwoordelijke wordt onvol- doende ingevuld. – BVR 28/06/2019, bijlage 11, art. 45, 62, 7°. Vaststellingen 01/12/2023: er is een tekort van 0,5 vte hoofdverpleegkundige. Medicatieveiligheid Er zijn geen richtlijnen i.v.m. de grenswaarden voor de temperatuur van de koelkast waarin medicatie wordt bewaard - BVR 28/06/2019, bijlage 11, art. 23. Vaststellingen 01/12/2023: Volgens de gesprekspartners zijn er schriftelijke afspraken m.b.t. de grenswaarden. De grenswaarden staan vermeld op het re- gistratieblad dat op de koelkast wordt gehangen. Op het moment van het in- spectiebezoek hing er echter geen registratieblad op de ijskast. Volgens de gesprekspartners was het registratieblad voor november 2023 net verwijderd en was er nog geen nieuw registratieblad voor december 2023 aangebracht. Het registratieblad voor november kon niet worden voorgelegd. De temperatuur van de koelkast waarin medicatie bewaard wordt, wordt on- voldoende opgevolgd BVR 28/06/2019, bijlage 11, art. 23. Vaststellingen 01/12/2023: Het registratieblad met de temperatuurmeting kon niet worden voorgelegd. Op het moment van het inspectiebezoek was de tem- peratuur van de ijskast slecht 1°C. De temperatuur was lager dan de afgespro- ken grenswaarde. Hulp- en dienstverlening De waarden van de parameters, worden niet volgens de instructies van de arts geregistreerd – BVR 28/06/2019, bijlage 11, art. 30 en art. 29, 2°. Vaststellingen 28/08/2023: in 2 van de 3 dossiers werden er hiaten vastgesteld in de registratie van de parameters. Vaststellingen 01/12/2023: de inbreuk werd niet geremedieerd, in 3 van de 3 dossiers werden er hiaten vastgesteld in de registratie van de parameters. Men kan niet aantonen dat de bewoner en/of familie betrokken werd(
- en)bij de beslissing m.b.t. de fysieke vrijheidsbeperkende maatregel(
- en)- BVR 28/06/2019, bijlage 11, art. 31. Vaststellingen 01/12/2023: voor 1 van de 3 bewoners bij wie dit item werd nagekeken, kon de betrokkenheid van de familie niet aangetoond worden voor alle fixatiemaatregelen. Observaties tijdens rondgang De privacy van de bewoners wordt onvoldoende gerespecteerd – BVR 28/06/2019, bijlage 11, art. 23, art. 31, 2de lid, 2°, art. 51, 1°, 2° en 4°, art. 54, 4de lid (WZC na 2017). XII-9966-11/35 Vaststellingen 01/12/2023: in de gang stond een zorgkar met daarop een lijst met een overzicht van het incontinentiemateriaal per bewoner. Deze lijst was zichtbaar voor iedereen die door de gang liep. Op 21 maart 2024 heeft u een remediëringsplan bezorgd als antwoord op het inspectieverslag met kenmerk ZI-2023-01302. In het inspectieverslag van 21 augustus 2024 met kenmerk ZI-2024-02849 werden meerdere ernstige tekorten vastgesteld op de erkenningsvoorwaarden voor woonzorgcentra, vervat in bijlage 11 bij het besluit van de Vlaamse Re- gering van 28 juni 2019 betreffende de programmatie, de erkenningsvoor- waarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigin- gen voor mantelzorgers en gebruikers. Personeel Er zijn onvoldoende verpleegkundigen - BVR 28/06/2019, bijlage 11, art. 45, §2. Vaststellingen 21/08/2024: er was een tekort van 2,46 vte aan verpleegkun- digen. De functie van hoofdverpleegkundige/teamverantwoordelijke wordt onvol- doende ingevuld. – BVR 28/06/2019, bijlage 11, art. 45, 62, 7°. Vaststellingen 01/12/2023: er was een tekort van 0,5 vte hoofdverpleegkun- dige. Vaststellingen 21/08/2024: er was een tekort van 1 vte hoofdverpleegkun- dige. Medicatieveiligheid Het toedienen van de medicatie wordt niet consequent geregistreerd - BVR 28/06/2019, bijlage 11, art. 23, art. 29, 2°, e en art. 30, 2°, h. Vaststellingen 21/08/2024: uit een steekproef van vijf dossiers waren er op drie van de drie gecontroleerde dagen hiaten in de registratie omtrent het toe- dienen van medicatie. Woonzorgleefplan Het uitvoeren van de instructies op het zorg- en ondersteuningsplan wordt niet consequent geregistreerd - BVR 28/06/2019, bijlage 11, art. 30 en art 29, 2°. Vaststellingen 21/08/2024: er waren hiaten in het aftekenen van de uitge- voerde zorgen op het zorg- en ondersteuningsplan. Hulp- en dienstverlening Men kan niet aantonen dat de bewoners altijd de nodige hulp krijgen bij de dagelijkse verzorging - BVR 28/06/2019, bijlage 11, art. 29, 2°. Vaststellingen 21/08/2024: de reactietijden van de beloproepen zijn lang. Hierdoor kan niet gegarandeerd worden of de bewoners altijd de nodige hulp krijgen. Continuïteit zorgverlening Er is geen 24u/24u verpleegkundige permanentie. Dit betekent dat technisch verpleegkundige verstrekkingen (bijlage 1 van KB 18/06/1990) niet kunnen uitgevoerd worden. Ook verpleegkundige activitei- ten die zorgkundigen mogen uitvoeren in aanwezigheid van een verpleegkun- dige mogen dan niet uitgevoerd worden. - BVR 28/06/2019, bijlage 11, art. 48. Vaststellingen 21/08/2024: gedurende de referentieperiode was er geen 24u/24u verpleegkundige permanentie. Documenten inspectie Niet alle gevraagde documenten werden ter inzage voorgelegd – toezichtsde- creet 19/01/2018, art. 7, 10 en 11. XII-9966-12/35 Vaststellingen 21/08/2024: tijdens een vorige inspectie werden de reactietij- den van de beloproepen opgevraagd. Tijdens de huidige inspectie werden de- zelfde reactietijden opgevraagd en werd er vastgesteld dat de langere reactie- tijden eruit waren gehaald. Op 18 oktober 2024 heeft u een remediëringsplan bezorgd als antwoord op het inspectieverslag met kenmerk ZI-2024-02849. In het inspectieverslag van 9 oktober 2024 met kenmerk ZI-2024-03404 wer- den meerdere ernstige tekorten vastgesteld op de erkenningsvoorwaarden voor woonzorgcentra, vervat in bijlage 11 bij het besluit van de Vlaamse Re- gering van 28 juni 2019 betreffende de programmatie, de erkenningsvoor- waarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigin- gen voor mantelzorgers en gebruikers. Infrastructuur Niet overal in de gemeenschappelijke ruimtes is er een oproepsysteem be- schikbaar - BVR 28/06/2019, bijlage 11, art. 51,20°. Vaststellingen 09/10/2024: er is geen oproepsysteem in de kineruimte. Personeel Er zijn onvoldoende verpleegkundigen. - BVR 28/06/2019, bijlage 11, art. 45, §2. o Vaststellingen 21/08/2024: er was een tekort van 2,46 vte aan verpleegkun- digen. o Vaststellingen 09/10/2024: er was een tekort van 1,96 vte verpleegkundi- gen. De functie van hoofdverpleegkundige/teamverantwoordelijke wordt onvol- doende ingevuld. – BVR 28/06/2019, bijlage 11, art. 45, 62, 7°. o Vaststellingen 01/12/2023: er is een tekort van 0,5 vte hoofdverpleegkun- dige. o Vaststellingen 21/08/2024: er is een tekort van 1 vte hoofdverpleegkundige. o Vaststellingen 09/10/2024: er is een tekort van 0.5 vte hoofdverpleegkun- dige Medicatieveiligheid In het woonzorgleefplan ontbreken de bijzonderheden m.b.t. het toedienen van de medicatie - BVR 28/06/2019, bijlage 11, art. 23, art. 29, 2°, e en art. 30, 2° en 3°. Vaststellingen 09/10/2024: Voor een bewoner waarvan de medicatie moet geplet worden, wordt dit aangeduid op het medicatiebakje. Hierover werd niets genoteerd in het woonzorgleefplan. De vervaldata van geneesmiddelen worden onvoldoende opgevolgd - BVR 28/06/2019, bijlage 11, art. 23. Vaststellingen 09/10/2024: in de koelkast waar de medicatie bewaard wordt werd een glucagonpen teruggevonden die vervallen was in september. Vol- gens de gegevens op het 'controle blad' werd de medicatie op 4/10/2024 nog op vervaldata gecontroleerd. Men heeft geen systeem om de openingsdatum van geneesmiddelen met be- perkte houdbaarheid na opening op te volgen - BVR 28/06/2019, bijlage 11, art. 23. Vaststellingen 09/10/2024: In de medicatiekar lag een geopende fles Dipipe- ron en een flacon oogdruppels zonder aanduiding van opening- en/of verval- datum. De zorgmedewerker was niet op de hoogte van de vervaldatum van de geopende producten en gaf ook niet aan over een lijst te beschikken met de houdbaarheid na opening. Hulp- en dienstverlening XII-9966-13/35 Het zorg- en ondersteuningsplan bevat geen actuele instructies m.b.t. de toe te passen vrijheidsbeperkende maatregelen - BVR 28/06/2019, bijlage 11, art. 30, 2°. Vaststellingen 09/10/2024: in één van de drie gecontroleerde zorg- en onder- steuningsplannen ontbrak de toe te passen fixatiemaatregel (bedsponden). Het zorg- en ondersteuningsplan bevat geen actuele instructies m.b.t. de spe- cifieke zorgen - BVR 28/06/2019, bijlage 11, art. 30, 2°. Vaststellingen 09/10/2024: in twee van de vier gecontroleerde zorg- en ondersteuningsplannen ontbrak een instructie m.b.t. de toe te passen speci- fieke zorg (Dauerbinde, bril opzetten). De waarden van de parameters, worden niet volgens de instructies van de arts geregistreerd - BVR 28/06/2019, bijlage 11, art. 30 en art. 29, 2°. o Vaststellingen 28/08/2023: in 2 van de 3 dossiers werden er hiaten vastge- steld in de registratie van de parameters. o Vaststellingen 01/12/2023: de inbreuk werd niet geremedieerd, in 3 van de 3 dossiers werden er hiaten vastgesteld in de registratie van de parameters. o Vaststellingen 09/10/2024: er werden hiaten vastgesteld in de drie gecon- troleerde dossiers. De waarden van de parameters (tweemaal glycemiebepa- ling en een bloeddrukmeting) werden niet geregistreerd zoals door de arts gevraagd. Bovendien waren er verschillen tussen de instructies in het woon- zorgleefplan op pc en de papieren documenten op de zorgkar. Continuïteit zorgverlening Men kan niet aantonen dat de bewoners altijd de nodige hulp krijgen bij de dagelijkse verzorging - BVR 28/06/2019, bijlage 11, art. 29, 2°. o Vaststellingen 21/08/2024: de reactietijden van de beloproepen zijn lang. Hierdoor kan niet gegarandeerd worden of de bewoners altijd de nodige hulp krijgen. o Vaststellingen 09/10/2024: de reactietijden op de beloproepen van zondag 06/10 en van 7/10 en 8/10/2024 (van 14u tot 14u ) werden opgevraagd. Op zondag 6/10 waren er 58 beloproepen, 11 ervan werden pas na 10 minuten beantwoord. Tussen 14u op 7/10 en 14u op 8/10 werden er 74 beloproepen geplaatst, 12 ervan werden pas na 10 minuten beantwoord. Bij 2 van deze 12 beloproepen was de reactietijd meer dan 5u (oproep ge- plaatst in het gemeenschappelijk toilet bij het restaurant). De gesprekspartner gaf aan dat men nog naar de reden van het laattijdig beantwoorden zocht, de medewerkers zouden geen oproepen hebben ontvangen noch de oproepen hebben afgezet, en dit terwijl het systeem aangaf dat de beloproepen op het zelfde tijdstip afgezet werden. De beloproepen komen , volgens de gespreks- partners, in principe toe op alle dects, eerst bij de personeelsleden van de be- trokken afdeling, daarna bij iedereen. Er werd een testoproep geplaatst, deze oproep kwam pas na meer dan een kwartier toe op de dects van het personeel. De gesprekspartners gaven aan dat wanneer er telefoongesprekken worden gevoerd, de beloproepen op dat moment niet doorkomen. In het verslag van de gebruikersraad van 03/09/2024 staat vermeld dat de wachttijd na een be- loproep soms lang is of dat medewerkers komen zeggen dat ze later komen maar dit dan niet doen. Er is geen 24u/24u verpleegkundige permanentie. Dit betekent dat technisch verpleegkundige verstrekkingen (bijlage 1 van KB 18/06/1990) niet kunnen uitgevoerd worden. Ook verpleegkundige activitei- ten die zorgkundigen mogen uitvoeren in aanwezigheid van een verpleegkun- dige mogen dan niet uitgevoerd worden. - BVR 28/06/2019, bijlage 11, art. 48. XII-9966-14/35 o Vaststellingen 21/08/2024: gedurende de referentieperiode was er geen 24u/24u verpleegkundige permanentie. o Vaststellingen 09/10/2024: gedurende de referentieperiode was er geen verpleegkundige permanentie. Observaties rondgang Het incontinentiemateriaal wordt onvoldoende discreet opgeborgen – Woon- zorgdecreet 15/02/2019, art. 4, §1, 2°. Vaststellingen 09/10/2024: in de sanitaire cellen van enkele bewonerskamers werd het incontinentiemateriaal niet discreet opgeborgen. Inspraak De gebruikersraad vergadert niet minstens één keer per trimester - BVR 28/06/2019, bijlage 11, art. 41, §1. Vaststellingen 09/10/2024: er werd in het tweede trimester van 2024 geen gebruikersraad georganiseerd. Op 18 december2024 heeft u een remediëringsplan bezorgd als antwoord op het inspectieverslag met kenmerk ZI-2024-03404. Op 3 december 2024 werd u een aanmaning toegestuurd voor het woonzorg- centrum Vordenstein, Ridder Walter Van Havrelaan 16 in 2900 Schoten. Deze aanmaning was gebaseerd op de inspectieverslagen van 1 december 2023 met kenmerk ZI-2023-01302, 21 augustus 2024 met kenmerk ZI-2024- 02849 en 9 oktober 2024 met kenmerk ZI- 2024-03404. U werd aangemaand om het agentschap binnen 15 dagen na ontvangst van deze brief, rekening houdend met de vastgestelde niet-conformiteiten, schriftelijk te melden welke concrete maatregelen de voorziening had genomen om opnieuw aan alle er- kenningsvoorwaarden voor woonzorgcentra te voldoen. U moest dit doen via een gemotiveerd actieplan met een beschrijving van alle genomen maatrege- len en een timing van uitvoering. Het actieplan moest vergezeld worden van de nodige bewijsstukken. Op 8 januari 2025 heeft u een actie- en remediëringsplan bezorgd als ant- woord op de aanmaningsbrief. In het inspectieverslag van 27 februari 2025 met kenmerk ZI-2025-00666 werden opnieuw meerdere ernstige tekorten vastgesteld op de erkennings- voorwaarden voor woonzorgcentra, vervat in de bijlage 11 bij het stambesluit. Medicatieveiligheid Het toedienen van de medicatie wordt niet consequent geregistreerd - BVR 28/06/2019, bijlage 11, art. 23, art. 29, 2°, e en art. 30, 2°, h. Vaststellingen 27/02/2025: bij twee van de drie gecontroleerde dossiers was er geen consequente registratie van de toegediende medicatie. De medicatiepletter(s)/pillensnijder(
- s)bevat(ten) medicatieresten - BVR 28/06/2019, bijlage 11, art. 23. Vaststellingen 27/02/2025: op de beveiligde afdeling lag een pillensnijder met medicatieresten in de medicatiekar. De medicatiepletter bevatte geen me- dicatieresten. Hulp- en dienstverlening Het zorg- en ondersteuningsplan bevat geen actuele instructies m.b.t. de toe te passen vrijheidsbeperkende maatregelen - BVR 28/06/2019, bijlage 11, art. 30, 2°. Vaststellingen 09/10/2024: in één van de drie gecontroleerde zorg- en ondersteuningsplannen ontbrak de toe te passen fixatiemaatregel (bedspon- den). Vaststellingen 27/02/2025: bij één van de drie gecontroleerde zorg- en ondersteuningsplannen waren de vrijheidsbeperkende maatregel die vermeld stonden op het zorg- en ondersteuningsplan niet meer actueel. Het zetten van XII-9966-15/35 de rolstoel in remstand ontbrak op het zorg- en ondersteuningsplan. Het ge- bruik van een verpleegdeken stond nog vermeld op het zorg- en ondersteu- ningsplan terwijl dit volgens de gesprekspartners niet meer gebruikt werd. Het zorg- en ondersteuningsplan bevat geen actuele instructies m.b.t. de spe- cifieke zorgen - BVR 28/06/2019, bijlage 11, art. 30, 2°. Vaststellingen 09/10/2024: in twee van de vier gecontroleerde zorg- en ondersteuningsplannen ontbrak een instructie m.b.t. de toe te passen speci- fieke zorg (Dauerbinde, bril opzetten). Vaststellingen 27/02/2025: bij één van de vier gecontroleerde zorg- en ondersteuningsplannen ontbrak de specifieke zorg hoorapparaat. Het zorg- en ondersteuningsplan bevat geen actuele instructies m.b.t. wassen, kleden, verplaatsen, toiletbezoek, continentie en eten voor alle zorgmomen- ten – BVR 28/06/2019, bijlage 11, art. 30, 2°. Vaststellingen 27/02/2025: bij één van de drie gecontroleerde zorg- en ondersteuningsplannen ontbrak de actuele instructie m.b.t. hulp bij het eten. Het zorg- en ondersteuningsplan bevat geen actuele instructies m.b.t. de uit te voeren wondzorg - BVR 28/06/2019, bijlage 11, art. 30, 2°. Vaststellingen 27/02/2025: bij twee van de drie gecontroleerde zorg- en ondersteuningsplannen ontbrak de actuele instructie m.b.t. de uit te voeren wondzorg. De zorg- en ondersteuningsplannen kunnen niet geconsulteerd worden tijdens de zorg - BVR 28/06/2019, bijlage 11, art. 30. Vaststellingen 27/02/2025: er zijn Zapps waarmee de zorg- en ondersteu- ningsplannen geconsulteerd kunnen worden. Een interimmedewerker gaf aan geen Zapp te kunnen gebruiken omdat er tijdens de ochtend geen tijd werd gemaakt door vaste medewerkers om het gebruik toe te lichten. Zij beschikte enkel over een briefingblad waar niet het hele zorg- en ondersteuningsplan op vermeld stond. Enkel het gebruik van het briefingblad is onvoldoende. De waarden van de parameters, worden niet volgens de instructies van de arts geregistreerd - BVR 28/06/2019, bijlage 11, art. 30 en art. 29, 2°. Vaststellingen 28/08/2023: in twee van de drie dossiers werden er hiaten vast- gesteld in de registratie van de parameters. Vaststellingen 01/12/2023: de inbreuk werd niet geremedieerd, in drie van de drie dossiers werden er hiaten vastgesteld in de registratie van de parameters. Vaststellingen 09/10/2024: er werden hiaten vastgesteld in de drie gecon- troleerde dossiers. De waarden van de parameters (tweemaal glycemiebepa- ling en een bloeddrukmeting) werden niet geregistreerd zoals door de arts gevraagd. Bovendien waren er verschillen tussen de instructies in het woon- zorgleefplan op pc en de papieren documenten op de zorgkar. Vaststellingen 27/02/2025: in drie van de drie dossiers werden de waarden van de parameters niet volgens instructies van de arts geregistreerd. Het uitvoeren van de instructies op het zorg- en ondersteuningsplan wordt niet consequent geregistreerd - BVR 28/06/2019, bijlage 11, art. 30 en art 29, 2°. Vaststellingen 27/02/2025: in drie van de drie dossiers waren de uitgevoerde instructies van het zorg- en ondersteuningsplan niet consequent geregistreerd. Men kan niet aantonen dat de bewoner en/of familie betrokken werd(
- en)bij de beslissing m.b.t. de fysieke vrijheidsbeperkende maatregel(
- en)- BVR 28/06/2019, bijlage 11, art. 31. Vaststellingen 27/02/2025: bij één van de drie dossiers kon de betrokkenheid van de bewoner en/of familie bij de beslissing m.b.t. de fysieke vrijheidsbe- perkende maatregelen niet worden aangetoond. XII-9966-16/35 Men kan niet aantonen dat in geval van wondzorg voor elke wonde een wond- zorgfiche wordt opgemaakt - BVR 28/06/2019, bijlage 11, art. 30, 2°. Vaststellingen 27/02/2025: tijdens rondgang werd vastgesteld dat een bewo- ner een wonde had op zijn hoofd, hiervan was geen wondzorgfiche. Een an- dere bewoner had een wonde op zijn linker hand, ook hier was geen wond- zorgfiche van. De wondzorgfiche vermeldt geen behandelingswijze - BVR 28/06/2019, bij- lage 11, art. 30, 2°. Vaststellingen 27/02/2025: op één van de drie gecontroleerde wondzorgfi- ches ontbrak de behandelingswijze. De evolutie van de wonde kan onvoldoende afgeleid worden uit de observa- ties in het woonzorgleefplan - BVR 28/06/2019, bijlage 11, art. 30, 2°, h. Vaststellingen 27/02/2025: in drie van de drie gecontroleerde dossiers was de evolutie van de wonde niet af te leiden uit de observaties in het woonzorg- leefplan. Observaties rondgang Men kan niet aantonen dat de zorgtaken uitgevoerd worden door gekwalifi- ceerd personeel - BVR 28/06/2019, bijlage 11, art. 45, §4, 3°. Vaststellingen 27/02/2025: in een woonzorgleefplan van een bewoner stond het uitvoeren van een wondzorg (decubituswonde) ingepland als een taak voor een zorgkundige op het zorg- en ondersteuningsplan. De privacy van de bewoners wordt onvoldoende gerespecteerd – BVR 28/06/2019, bijlage 11, art. 23, art. 31, 2de lid, 2°, art. 51, 1°, 2° en 4°, art. 54, 4de lid (WZC na 2017). Vaststellingen 27/02/2025: een medewerker had het briefingpapier waar per- soonlijke informatie van bewoners opstaat, achtergelaten op een bewoners- kamer waar de bewoner en een familielid aanwezig waren. Deze nieuw vastgestelde, herhaalde en bijkomende tekorten tonen aan dat de beheersinstantie niet langer kan instaan voor de continue en duurzame zorg en ondersteuning in een thuisvervangend milieu aan ouderen met een com- plexe zorg- en ondersteuningsvraag, die er permanent verblijven, in een aan- gepaste infrastructuur en binnen een organisatorisch geheel (art. 33 Woon- zorgdecreet). Woonzorgcentrum Vordenstein in Schoten was in het verleden al het voor- werp van verscheidene handhavingsprocedures, die slechts uitzonderlijk en enkel bij ernstige tekorten worden opgestart. Slechts 3% van de woonzorg- centra wordt onderworpen aan een handhavingsprocedure. De hierboven vermelde inspectieverslagen tonen aan dat de beheersinstantie van het woonzorgcentrum Vordenstein in Schoten momenteel niet in staat is om de ernstige tekorten op de erkenningsvoorwaarden op een structurele en duurzame manier aan te pakken en te remediëren. Bovendien situeren deze tekorten op de erkenningsvoorwaarden zich op ver- schillende domeinen in de voornoemde inspectieverslagen. Deze inspectie- verslagen tonen aan dat, ondanks de vele kansen die de beheersinstantie van het woonzorgcentrum Vordenstein heeft gekregen om te remediëren, er nog steeds vele, verschillende en ernstige tekorten op de erkenningsvoorwaarden blijven bestaan en nieuwe inbreuken bijkomen. Om al deze redenen deel ik u, in overeenstemming met artikel 44 en artikel 45 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2024 betreffende de procedures voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers, formeel mijn voornemen mee om de erkenning van het woon- zorgcentrum Vordenstein, Ridder Walter Van Havrelaan 16 in 2900 Schoten, XII-9966-17/35 beheerd door NV emeis Vlaanderen, Alsembergsesteenweg 1037, 1180 Uk- kel, in te trekken. U beschikt vanaf de dag na de ontvangst van deze brief over een termijn van 30 dagen om per aangetekend schrijven aan het Departement Zorg, Koning Albert II-laan 15 bus 497 in 1210 Brussel een gemotiveerd bezwaarschrift in te dienen, waarbij u kan vragen mijn voornemen opnieuw in overweging te willen nemen. Indien u gehoord wenst te worden, dan moet u dit in het be- zwaarschrift vermelden. Het Departement Zorg zal het bezwaarschrift behandelen in overeenstem- ming met artikelen 71 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2024 betreffende de procedures voor woonzorgvoorzieningen en verenigin- gen van gebruikers en mantelzorgers en in overeenstemming met de artikelen 6 tot en met 21 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juli 2013 betreffende de Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksge- zondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers. Als u binnen de gestelde ter- mijn geen bezwaarschrift indient, zal mijn definitieve beslissing tot intrek- king van de erkenning van de voorziening, met vermelding van de datum van uitwerking, u na het verstrijken van die termijn aangetekend met kennisge- ving van ontvangst worden opgestuurd.” 3.15. Het voornemen tot intrekking van de erkenning wordt op 22 juli 2025 per e-mail en aangetekend met ontvangstbewijs via de elektronische proce- dure van het Orka-systeem van het Departement Zorg naar de verzoekende partij verstuurd. Er is bij het Orka-systeem iets technisch misgelopen waardoor de aan- getekende verzending niet effectief werd uitgevoerd in de elektronische doorstro- ming naar Bpost. 3.16. Na deze kennisgeving (enkel per e-mail gelukt) dient de verzoe- kende partij op 19 augustus 2025 een bezwaarschrift tegen het voornemen tot in- trekking in. 3.17. Op 28 augustus 2025 bezorgt het Departement Zorg dit bezwaar- schrift met bijhorend administratief dossier aan het secretariaat van de kamer Wel- zijnsvoorzieningen van de Adviescommissie. 3.18. Op 17 september 2025 voert Zorginspectie een nieuwe inspectie uit ter voorbereiding van de zitting bij de Adviescommissie. In het inspectieverslag van 17 september 2025 met kenmerk ZI-2025-03301 worden bestaande en bijko- mende tekorten vastgesteld op de erkenningsvoorwaarden voor woonzorgcentra. XII-9966-18/35 Deze tekorten hebben betrekking op de erkenningsvoorwaarden inzake: ● De medicatieveiligheid: Het toedienen van de medicatie wordt niet consequent geregistreerd. Het totaal aantal toegediende eenheden insuline bij een variabel schema wordt niet consequent geregistreerd. De klaargezette medicatie stemt niet overeen met de medicatiefiche. ● Het woonzorgleefplan: Het uitvoeren van de instructies op het zorg- en ondersteuningsplan wordt niet con- sequent geregistreerd. De waarden van de parameters, worden niet volgens de instructies van de arts ge- registreerd. Men kan niet aantonen dat de bewoner en/of familie betrokken werd(
- en)bij de beslissing m.b.t. de fysieke vrijheidsbeperkende maatregel(en). Het woonzorgleefplan bevat onvoldoende informatie m.b.t. de kinesitherapeuti- sche behandeling. ● De zorgpraktijk: Men kan niet aantonen dat de zorginstructies m.b.t. het toedienen van insuline altijd in de praktijk worden uitgevoerd. Men kan niet aantonen dat de zorginstructies m.b.t. de medicatie altijd in de prak- tijk worden uitgevoerd. ● De organisatie en werking n.a.v. de observaties gemaakt tijdens de rond- gang: Het dagelijkse onderhoud is onvoldoende. 3.19. Op 3 oktober 2025 geeft de verwerende partij opnieuw de op- dracht voor een aangetekende zending van het voornemen tot intrekking. Deze aan- getekende zending wordt door de verzoekende partij ontvangen op 6 oktober 2025. 3.20. Op 6 oktober 2025 vindt de zitting van de Adviescommissie plaats. Op 11 november 2025 brengt de Adviescommissie haar advies uit, dat luidt: “De commissie gaat niet over tot een nieuwe, eigen beoordeling van de situ- atie, maar spreekt zich uit over de genomen beslissing. Daarbij kan zij reke- ning houden met de feitelijke evoluties in het dossier tot de dag van de zitting, voor zover die voldoende betrouwbaar zijn aangetoond. Zij gaat na of die beslissing in overeenstemming is met de wettelijke regeling, met de algemene rechtsbeginselen en met de beginselen van behoorlijk bestuur, of zij procedu- reel correct tot stand gekomen is en of zij redelijk verantwoord en opportuun is. De commissie stelt vast dat de afdeling woonzorg de geldende regelgeving correct heeft toegepast. De commissie stelt vast dat het woonzorgcentrum een langere geschiedenis kent van tekorten. Voor zover deze geremedieerd wor- den, gebeurt dat vaak niet structureel. De commissie merkt ook de lage XII-9966-19/35 bezettingsgraad op. In dergelijke omstandigheden meent de commissie dat de door het agentschap woonzorg genomen maatregel verantwoord is. Om die reden beoordeelt de commissie het bezwaar als ongegrond.” 3.21. Op 7 november 2025 bezorgt de verzoekende partij een actie- en remediëringsplan naar aanleiding van het verslag van de inspectie van 17 septem- ber 2025 met kenmerk ZI-2025-03301. 3.22. Op 21 november 2025 neemt de secretaris-generaal het besluit tot intrekking van de erkenning en sluiting van woonzorgcentrum en centrum voor kortverblijf type 1 Vordenstein, op grond van de volgende overwegingen: “Motivering Dit besluit is gebaseerd op de volgende motieven: - het woonzorgcentrum Vordenstein, Ridder Walter Van Havrelaan 16 in 2900 Schoten, uitgebaat door NV emeis Vlaanderen, Alsembergsesteenweg 1037 in 1180 Ukkel, is erkend onder nummer PE2985 voor onbepaalde duur voor maximaal 129 woongelegenheden; - het centrum voor kortverblijf type 1 Vordenstein, Ridder Walter Van Ha- vrelaan 16 in 2900 Schoten, uitgebaat door NV emeis Vlaanderen, Alsem- bergsesteenweg 1037 in 1180 Ukkel, is erkend onder nummer KPE2985 voor onbepaalde duur voor maximaal 10 verblijfseenheden; - in het inspectieverslag van 1 december 2023 met kenmerk ZI-2023-01302 werden meerdere ernstige tekorten vastgesteld op de erkenningsvoorwaarden voor woonzorgcentra, vervat in de bijlage 11 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2019 betreffende de programmatie, de erkenningsvoor- waarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigin- gen voor mantelzorgers en gebruikers; - op 21 maart 2024 heeft de verantwoordelijke beheersinstantie een actie- en remediëringsplan bezorgd als antwoord op de tekorten op de erkenningsvoor- waarden die staan vermeld in het inspectieverslag met kenmerk ZI-2023- 01302; - in het inspectieverslag van 21 augustus 2024 met kenmerk ZI-2024-02849 werden meerdere ernstige tekorten vastgesteld op de toepasselijke erken- ningsvoorwaarden voor woonzorgcentra; - op 18 oktober 2024 heeft de beheersinstantie een actie- en remediëringsplan bezorgd als antwoord op het inspectieverslag met kenmerk ZI-2024-02849; - in het inspectieverslag van 9 oktober 2024 met kenmerk ZI-2024-03404 werden opnieuw meerdere ernstige tekorten vastgesteld op de erkennings- voorwaarden voor woonzorgcentra; - op 18 december 2024 heeft de beheersinstantie een actie- en remediërings- plan bezorgd als antwoord op het inspectieverslag met kenmerk ZI-2024- 03404; - op 3 december 2024 werd een aanmaning verstuurd naar de uitbater van woonzorgcentrum Vordenstein, Ridder Walter Van Havrelaan 16 in 2900 Schoten. Deze aanmaning was gebaseerd op de inspectieverslagen van 1 XII-9966-20/35 december 2023 met kenmerk ZI-2023-01302, 21 augustus 2024 met kenmerk ZI-2024-02849 en 9 oktober 2024 met kenmerk ZI-2024-03404; - op 8 januari 2025 heeft de beheersinstantie een actie- en remediëringsplan bezorgd als antwoord op deze aanmaningsbrief; - in het inspectieverslag van 27 februari 2025 met kenmerk ZI-2025-00666 werden opnieuw meerdere ernstige tekorten vastgesteld op de erkennings- voorwaarden voor woonzorgcentra, vervat in de bijlage 11 bij het voor- noemde besluit; - op 28 april 2025 bezorgde de voorziening een actie- en remediëringsplan als antwoord op het inspectieverslag met kenmerk ZI-2025-00666; - de secretaris-generaal van het Departement Zorg heeft op 16 juli 2025 aan- getekend met kennisgeving van ontvangst een gemotiveerd voornemen tot intrekking van de erkenning met de sluiting tot gevolg betekend aan de uit- bater NV emeis Vlaanderen, Alsembergsesteenweg 1037 in 1180 Ukkel; - NV emeis Vlaanderen heeft op 19 augustus 2025 bij het Departement Zorg een ontvankelijk bezwaarschrift ingediend tegen het voornoemde voornemen van 16 juli 2025 tot intrekking van de erkenning met de sluiting tot gevolg; - het Departement Zorg heeft dit bezwaarschrift met bijhorend administratief dossier op 28 augustus 2025 bezorgd aan het secretariaat van de kamer Wel- zijnsvoorzieningen van de Adviescommissie voor Voorzieningen van Wel- zijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers; - in het inspectieverslag van 17 september 2025 met kenmerk ZI-2025-03301 staan nog steeds meerdere tekorten op de erkenningsvoorwaarden voor woon- zorgcentra vermeld voor het woonzorgcentrum Vordenstein in Schoten; - in zitting van 6 oktober 2025 heeft de kamer Welzijnsvoorzieningen van de Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Ge- zin en (Kandidaat-)pleegzorgers dit bezwaarschrift behandeld; - op 7 november 2025 heeft de NV emeis Vlaanderen een actie- en remedi- eringsplan bezorgd als antwoord op het inspectieverslag met kenmerk ZI- 2025- 03301; - de kamer Welzijnsvoorzieningen van de Adviescommissie voor Voorzie- ningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers heeft het advies 2025_24_ACW op 10 november 2025 naar het Departement Zorg verstuurd; - de kamer Welzijnsvoorzieningen van de Adviescommissie voor Voorzie- ningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers concludeert in haar advies 2025_24_ACW het volgende: ‘De commissie gaat niet over tot een nieuwe, eigen beoordeling van de situatie, maar spreekt zich uit over de genomen beslissing. Daarbij kan zij rekening houden met de fei- telijke evoluties in het dossier tot de dag van de zitting, voor zover die vol- doende betrouwbaar zijn aangetoond. Zij gaat na of die beslissing in overeen- stemming is met de wettelijke regeling, met de algemene rechtsbeginselen en met de beginselen van behoorlijk bestuur, of zij procedureel correct tot stand gekomen is en of zij redelijk verantwoord en opportuun is. De commissie stelt vast dat de afdeling woonzorg de geldende regelgeving correct heeft toege- past. De commissie stelt vast dat het woonzorgcentrum een langere geschie- denis kent van tekorten. Voor zover deze geremedieerd worden, gebeurt dat vaak niet structureel. De commissie merkt ook de lage bezettingsgraad op. In dergelijke omstandigheden meent de commissie dat de door de afdeling Woonzorg van het Departement Zorg genomen maatregel verantwoord is. Om die reden beoordeelt de commissie het bezwaar als ongegrond.; - de intrekking van de erkenning van het woonzorgcentrum en centrum voor kortverblijf type 1 Vordenstein, Ridder Walter Van Havrelaan 16 in 2900 XII-9966-21/35 Schoten, heeft van rechtswege de sluiting van die woonzorgvoorziening tot gevolg; - de gedwongen verhuizing heeft een ernstige impact op de levenskwaliteit van de betrokken ouderen, aangezien zij hun vertrouwde woonomgeving moeten verlaten; - er moeten maatregelen worden genomen om het verdere verblijf van de aan- wezige oudere bewoners die in de voorziening verblijven, te realiseren en de uitvoering van deze maatregelen moeten het voorwerp uitmaken van een voorafgaand overleg tussen de burgemeester en de voorzitter van het bijzon- der comité van de sociale dienst van de gemeente Schoten en het Departement Zorg; - het is billijk voor de betrokken bewoners dat de sluiting van het woonzorg- centrum en centrum voor kortverblijf type 1 voldoende in de tijd wordt ge- spreid, zodat zij de kans krijgen om een volwaardig alternatief te vinden. Juridisch kader Dit besluit sluit aan bij de volgende regelgevingen: - het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juli 2013 betreffende de Ad- viescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat)pleegzorgers; - het woonzorgdecreet van 15 februari 2019; - het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2019 betreffende de pro- grammatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woon- zorgvoorzieningen en verenigingen voor mantelzorgers en gebruikers; - het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2024 over de procedures voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen voor mantelzorgers en gebrui- kers. DE SECRETARIS-GENERAAL VAN HET DEPARTEMENT ZORG BE- SLUIT: Artikel 1. De erkenning van het woonzorgcentrum en centrum voor kortver- blijf type 1 Vordenstein, Ridder Walter Van Havrelaan 16 in 2900 Schoten, uitgebaat door NV emeis Vlaanderen, Alsembergsesteenweg 1037 in 1180 Ukkel wordt ingetrokken. De intrekking van de erkenning houdt in dat de voorziening niet langer als woonzorgcentrum en centrum voor kortverblijf type 1 mag worden uitgebaat en heeft de sluiting van de voorziening tot ge- volg. Art. 2. Deze beslissing tot sluiting heeft uitwerking uiterlijk op 31 maart 2026. Deze beperkte periode is uitsluitend bedoeld om voor de huidige bewoners een door het Departement Zorg aanvaarde oplossing te realiseren. Art. 3. In de periode tussen de kennisgeving van dit besluit en de uitwerking van dit besluit kunnen onder geen enkele voorwaarde nieuwe bewoners in het woonzorgcentrum en centrum voor kortverblijf type 1 worden opgenomen. Art. 4. Er kunnen enkel maatregelen genomen worden die betrekking hebben op de bewoners, na voorafgaand overleg hierover met het Departement Zorg. Art. 5. Overeenkomstig artikel 68 van voornoemd besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2024 verdwijnt in toepassing van artikel 48 de voorzie- ning vanaf de inwerkingtreding van deze beslissing tot intrekking van de er- kenning uit de programmatie van de woonzorgcentra en centra voor kortver- blijf type 1.” Dit is de bestreden beslissing. XII-9966-22/35 IV. Schorsingsvoorwaarden 4. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wet- ten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een be- handeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima fa- cie kan worden verantwoord. V. Spoedeisendheid Standpunt van de verzoekende partij 5. De verzoekende partij laat ter verantwoording van de spoedei- sendheid gelden: “2. SPOEDEISENDHEID WAARBIJ DE AFWIKKELING VAN DE PRO- CEDURE TEN GRONDE NIET KAN WORDEN AFGEWACHT 10. Uiterlijk op 31 maart 2026 moet WZC Vordenstein haar deuren sluiten. Doch nu reeds moeten er maatregelen worden genomen. De periode is vol- gens het besluit ‘uitsluitend bedoeld om voor de huidige bewoners een door het departement aanvaarde oplossing te realiseren’ (artikel 2 van de bestreden beslissing). Tevens kunnen er onder geen enkele voorwaarde nieuwe bewo- ners worden opgenomen (artikel 3 van de bestreden beslissing). De definitieve sluiting realiseert zich dus reeds dadelijk, met 31 maart 2026 als uiterlijke datum. De gevolgen van de beslissing hebben een dadelijke wer- king, namelijk de voorbereiding van de sluiting. 11. De definitieve sluiting van een woonzorgcentrum ingevolge de intrekking van een erkenning is voor Uw Raad reeds voldoende voor het bewijs van de uiterst dringende noodzakelijkheid en dus in elk geval de hoogdringendheid bij een gewone schorsingsprocedure. De sluiting van de voorziening betekent immers noodzakelijkerwijs het einde van de activiteit van WZC Vordenstein. In dit verband heeft Uw Raad uit- spraak gedaan in het arrest nr. 172.931 van 28 juni 2007 betreffende een soortgelijke maatregel als de bestreden beslissing. 12. De sluiting van het woonzorgcentrum betekent eveneens dat er ongetwij- feld uitzonderlijke en onherstelbare schade wordt berokkend. Momenteel werken er 66 personen in Vordenstein. Verzoekende Partij zou noodgedwongen het personeel moeten ontslaan. Het totale bedrag wordt ge- raamd op 2.904.675 euro. In de door de revisor geattesteerde verklaring wordt dit als volgt verder omschreven: XII-9966-23/35 ‘De huidige werknemers zullen [zouden] moeten worden ontslagen. Aan- gezien Vordenstein vanaf 1 december 2025 als in herstructurering zijnde wordt beschouwd, worden ook de loonkosten vanaf die datum in aanmer- king genomen. Het totale bedrag wordt geraamd op 2.904.675 euro en wordt hieronder gedetailleerd weergegeven. Op basis van de veronderstellingen die in de berekeningen van het bestand zijn opgenomen werden de herstructureringskosten geraamd op 1.743.011 euro (zie Excel-bijlage “Vordenstein calcul 25.11.2025”). De loonkosten van december 2025 tot maart 2026 bedragen 1.161.668 euro.’ De sluiting van Vordenstein heeft ook tot gevolg dat Verzoekende partij in principe en zolang de erfpachtovereenkomst van 17 november 2020 (zie hierna) loopt de huurgelden ten belope van € 1.118.081,00 per jaar moet be- talen zonder dat er inkomsten worden gerealiseerd. In de door de revisor ge- attesteerde verklaring wordt dit als volgt verder omschreven: ‘De huidige erfpachtovereenkomst met Cofinimmo , ondertekend op 17 november 2020, loopt af op 16 november 2047: rekening houdend met een indexering van 3% blijft er 37.327.000 euro over tussen 15 december 2025, de startdatum van de herstructurering, en de einddatum van het con- tract (bijlage pdf-document “2020 11 17 Erfpacht Atlantis-Vordenstein”). De berekeningen worden gedetailleerd weergegeven in de bijlage Excel- sheet “loyer Vordenstein extrait Kshuttle”) . Vanaf het moment dat het rusthuis niet meer kan functioneren, zijn deze huurkosten een verlies.’ De financiële impact op korte termijn is in de door de revisor geattesteerde verklaring als volgt berekend: ‘De balans van emeis Flanders [Vlaanderen sic] eind oktober laat een ne- gatief bedrijfsvermogen zien van meer dan 10 miljoen euro niet-geaudi- teerd. Als gevolg van het besluit tot sluiting zal emeis Vlaanderen ener- zijds de volledige huurschuld van 37,3 miljoen euro en anderzijds het be- drag van de verschuldigde salarissen en vergoedingen ten bedrage van 2,9 miljoen euro in de boekhouding moeten opnemen. De negatieve impact op het eigen vermogen zal dus 40,2 miljoen bedragen. Dit toont aan dat de sluiting van Vordenstein een rampzalige impact heeft op de financiële si- tuatie van emeis, met als gevolg dat de toekomst van emeis Vlaanderen en bij uitbreiding van de hele emeis-groep in België in het gedrang kom.’ 13. De intrekking van de erkenning heeft ook invloed op de erfpachtovereen- komst. De erfpachtovereenkomst werd afgesloten tussen Atlantis NV en de NV Vordenstein Vastgoed (dochtervennootschap van Cofinimmo NV). De bedrijfstak Vordenstein werd echter overgedragen naar Verzoekende partij middels beslissing van de enige bestuurder van 29 november 2024 zodat de Verzoekende Partij als erfpachthouder moet worden beschouwd. Verzoekende partij zal echter niet meer in staat zijn om in het gebouw een woonzorgcentrum uit te baten. Dit is echter een voorwaarde ingevolge bepa- ling B.1 van de erfpachtakte: ‘Het goed is uitsluitend bestemd voor de uitbating van een rustoord voor bejaarden (ROB). De Erfpachthouder zal deze bestemming strikt respec- teren. Het is hem verboden de bestemming te wijzigen zonder een uitdruk- kelijk, voorafgaand en schriftelijk akkoord van de Erfpachtgever. De Erf- pachthouder verklaart en garandeert dat hij beschikt over alle erkenningen, machtigingen, vergunningen vereist voor de uitbating van het goed. Enkel de Erfpachthouder is verantwoordelijk voor het behoud, de wijziging en/of hernieuwing van deze vergunningen en machtigingen, of voor het verkrij- gen van nieuwe vergunningen en/of machtigingen. De Erfpachthouder zal XII-9966-24/35 zich eveneens op strikte wijze houden de regelgeving die op dit gebied van toepassing is.’ Het gevolg van de intrekking van de erkenning is het verlies (van de functie) van het gebouw. 14. Er is ook ernstige reputatieschade en in het bijzonder zijn er zeer nadelige gevolgen voor de uitstraling en de reputatie van Verzoekende partij, bij de bewoners in andere residenties en alle burgers. Er is sprake van een schand- vlek, blaam en publieke oneer. Dit wordt mede versterkt door de tendentieuze communicatie van het Departement Zorg en de Minister met als gevolg dat de beslissing bijzonder grote media-aandacht krijgt. Er wordt als bijlage 18 een persoverzicht toegevoegd. Alle kranten over het ganse land (zelfs het Franstalig landsgedeelte) berichten over de zaak. In dit kader wordt gewezen op het feit dat de beslissing politiek wordt gerecupereerd. Zo stelt mevrouw Stephanie Vanden Eede, Vlaams Parlementslid voor Vooruit, het volgende: Vlaams Parlementslid Stephanie Vanden Eede (Vooruit) over sluiting Vordenstein: ‘Schrijnend voorbeeld van wat winstbejag kan aanrichten’ Er is geen enkel verband tussen het winstoogmerk van een vennootschap en de intrekking van de erkenning. Een dergelijke uitspraak is ongefundeerd en wordt enkel gedaan om de reputatie van Verzoekende partij in diskrediet te brengen. De sluiting van Vordenstein komt ook aan bod in de plenaire vergadering van 26 november 2025 het Vlaamse Parlement waarbij de Minister en een parle- mentslid van dezelfde regeringspartij de volgende krasse uitspraken doet die niet alleen afstralen op Vordenstein, maar op de volledige werking van Ver- zoekende Partij: ‘Het minste dat je dan als bewoner, als familie of als mantelzorger kunt verwachten, is dat je de juiste geneesmiddelen krijgt, dat er zorgvuldig wordt omgegaan met geneesmiddelen zoals insuline – degenen die het kennen, weten dat dit tot drama's kan leiden als het verkeerd gebruikt wordt –, dat een wonde verzorgd wordt en dat, wanneer ze de noodknop induwen, er ook een snelle reactie komt. Dat lijkt me maar het minste. Maar wat blijkt? In een woonzorgcentrum in Schoten kunnen ze zelfs die basis niet garanderen.’ ‘De directie gedraagt zich misschien als een calimero, maar laat dit duide- lijk zijn: hoe hoog de ligdagprijs ook is, of hoe laag die ook is, dezelfde kwaliteitsvereisten worden van hen verwacht. Vooruit geeft daar niet op toe.’ ‘Het zat hier structureel fout. Nee, collega's, dan ga ik geen rekening hou- den met een post-factumverslag.’ De negatieve weerklank is van een dergelijke aard en omvang dat een even- tueel later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zou kunnen verschaffen. Uiteraard heeft de schade zich reeds gerealiseerd, maar dit betekent nog niet dat zij nog kan worden beperkt door een juridische beoordeling op heel korte termijn. Er is dringend een juridische beoordeling nodig zodat Verzoekende Partij niet louter wordt overgeleverd aan de medi- atieke en politieke hetze. 15. Een snelle beoordeling is ook van groot belang voor de bewoners die hun paniek via meerdere kanalen hebben geuit. Het gaat niet op om bewoners te verhuizen om vervolgens alsnog de annulatie te bekomen, zeker gelet op de leeftijd van de bewoners. Hoewel deze impact en schade in eerste instantie de bewoners aanbelangt, is het wel de verantwoordelijkheid van de Verzoekende partij om zorg te verlenen en de bewoners te ondersteunen zodat dit ook een belangrijk element is. XII-9966-25/35 16. Deze ernstige nadelen kunnen niet worden opgevangen door een proce- dure ten gronde die een doorlooptijd van minimum 1 jaar heeft. Op het mo- ment van een uitspraak ten gronde zal het personeel al zijn ontslaan, (finan- ciële) schade van zeer grote omvang zijn opgetreden, zullen de nodige stap- pen reeds zijn gezet aangaande de erfpacht. Zelfs indien er een annulatie zou tussenkomen, zullen deze stappen reeds onomkeerbaar zijn. Dit betekent dat de Verzoekende partij misschien wel terug over een erkenning kan beschik- ken, maar deze onuitvoerbaar is. Immers zal Verzoekende partij niet meer over een gebouw beschikken om een woonzorgcentrum te kunnen uitbaten en zal zij over geen personeel beschikken. Ook wordt nogmaals gewezen op de oplopende reputatieschade. 17. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beslissing voor Verzoekende partij zulke ernstige nadelen meebrengt, er sprake is van hoogdringendheid en de schorsing van de tenuitvoerlegging ervan gerechtvaardigd is.” Beoordeling 6. Naar eis van artikel 17, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet de vordering tot schorsing “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verant- woorden die ter ondersteuning van deze vordering wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 4, § 1, eerste lid, 5°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, spe- cifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een – voortdurende – tenuitvoerlegging van de bestre- den beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördi- neerde wetten op de Raad van State de schorsing op elk moment worden bevolen indien de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nie- tigverklaring en minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onder- zoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden akte of het bestreden reglement prima facie kan worden verant- woord. Met deze wijzigingen aan artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State beoogt de wetgever de schorsingsprocedure te optimaliseren en maatwerk mogelijk te maken op basis van de spoedeisendheid die in de vordering ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.573 XII-9966-26/35 tot schorsing wordt aangevoerd. (Wetsontwerp tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, KAMER, 2022-2023, 14 maart 2023, nr. 55-3220/1, 9). Het is evenwel niet de bedoeling met deze hervorming de strekking te wijzigen van het begrip spoedeisendheid zoals dat thans gedefinieerd is door de rechtspraak van de Raad van State. (Wetsontwerp tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, KAMER, 2022- 2023, 14 maart 2023, nr. 55-3220/1, 11). Bijgevolg zal de spoedeisendheid worden vastgesteld wanneer de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen. Wanneer de afde- ling bestuursrechtspraak een vordering tot schorsing verwerpt wegens het gebrek aan spoedeisendheid, kan een nieuwe vordering slechts worden ingediend indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering recht- vaardigen. De afdeling bestuursrechtspraak kan bovendien een termijn bepalen waarin geen enkele nieuwe vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlo- pige maatregelen kan worden ingediend indien het enige nieuw ingeroepen element bestaat uit het verloop van de tijd (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. 7. In zoverre de verzoekende partij zich ter staving van de spoedei- sendheid beroept op een financieel nadeel, laat zij in essentie gelden dat de sluiting van de voorziening
- i)noodzakelijkerwijs het einde van de activiteit van WZC Vor- denstein betekent;
- ii)ongetwijfeld uitzonderlijke en onherstelbare schade zal be- rokkenen, nu de 66 werknemers in WZC Vordenstein noodgedwongen zullen ont- slagen moeten worden, wat wordt geraamd op 2.904.675 euro en iii) ook tot gevolg heeft dat de verzoekende partij in principe en zolang de erfpachtovereenkomst van 17 november 2020 loopt, de huurgelden ten belope van € 1.118.081,00 per jaar moet betalen zonder dat er inkomsten worden gerealiseerd. XII-9966-27/35 In de mate dat een verzoekende partij een financieel nadeel aan- voert, dient te worden opgemerkt dat het op zich niet volstaat een dergelijk nadeel in te roepen, om de behandeling bij spoedeisendheid te verantwoorden. Dit is uit- zonderlijk anders, indien bijzondere redenen worden aangevoerd waaruit blijkt dat de omvang van dit financiële nadeel op de situatie van de verzoekende partij een zodanige impact heeft dat zij dit niet kan lijden tot de uitspraak ten gronde. Om de spoedeisendheid aan te tonen, moeten de financiële ge- volgen, zo zij concreet zijn aangetoond, in beginsel onomkeerbaar zijn en moet de omvang cq impact van een financieel en economisch nadeel bijgevolg, om een ge- beurlijke schorsing te verantwoorden, dermate zijn dat een verzoekende partij de duur die een annulatieprocedure in beslag neemt, niet zal kunnen overbruggen. Het financieel nadeel kan derhalve de spoedeisendheid verantwoorden wanneer het be- staan of voortbestaan zelf of, nog, het financieel evenwicht van een rechtspersoon ernstig in gevaar wordt gebracht en een vernietigingsarrest te laat zou komen. Als de activiteiten van de rechtspersoon zelf op een definitieve of op een moeilijk om- keerbare wijze in gevaar worden gebracht, dan geldt dit als een bijzondere reden. Wat dat betreft kan een verzoekende partij er zich niet toe beper- ken te stellen dat zij dit nadeel lijdt, zonder enig gegeven te verstrekken omtrent het bestaan en de omvang ervan. De verzoekende partij dient bijgevolg het bewijs aan te brengen, minstens door het voorleggen van concrete argumenten en gege- vens en door het toelichten van de te verwachten gevolgen van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing en dit alles gestaafd met verifieer- bare overtuigingsstukken. De gegevens en stukken moeten de rechter wel toelaten de spoedeisendheid te verifiëren, wat inhoudt dat de verzoekende partij redelijker- wijze aannemelijk dient te maken dat, gelet op de omvang en impact van de te verwachten financiële gevolgen, de vernietigingsprocedure niet kan worden afge- wacht. Daarbij mag de Raad van State in beginsel alleen rekening houden met het- geen in het verzoekschrift tot schorsing of de daarbij gevoegde stukken wordt uit- eengezet en gestaafd. XII-9966-28/35 De verzoekende partij toont met de aangeleverde stukken niet aan dat het door haar aangevoerde financieel nadeel van bijzondere aard is waar- door zij de duur van de annulatieprocedure niet zal kunnen overbruggen. Evenmin blijkt uit de stukken dat de activiteiten van de vennootschap zelf op een ernstige wijze in gevaar worden gebracht. Het betoog van de verzoekende partij, dat het bestreden besluit noodzakelijkerwijs het einde van de activiteit van WZC Vordenstein betekent; het ongetwijfeld uitzonderlijke en onherstelbare schade zal berokkenen, nu de zesen- zestig werknemers in WZC Vordenstein noodgedwongen zullen ontslagen moeten worden, wat wordt geraamd op 2.904.675 euro en het ook tot gevolg heeft dat de verzoekende partij in principe en zolang de erfpachtovereenkomst van 17 novem- ber 2020 loopt, de huurgelden ten belope van € 1.118.081,00 per jaar moet betalen zonder dat er inkomsten worden gerealiseerd,volstaat op zich niet om aan te tonen dat hierdoor haar activiteiten op een ernstige wijze in gevaar worden gebracht. De verzoekende partij laat na om aan de hand van concrete en becijferde gegevens en met overtuigende stavingsstukken aannemelijk te maken dat ze door het stopzetten van de activiteiten op een faillissement afstevent, of dat het voortbestaan zelf of het financieel evenwicht van de ondernemingsactiviteit ernstig in gedrang wordt gebracht. Niet blijkt uit door de verzoekende partij bijgebrachte door de revisor geattesteerde verklaringen of zij de periode tot de uitspraak over het beroep tot nietigverklaring niet kan overbruggen. Temeer nu de verzoekende partij de be- heersinstantie is van tweeëntwintig woonzorgcentra en twaalf eenheden van assis- tentiewoningen en het thans door het bestreden besluit gesloten woonzorgcentrum, één van deze woonzorgcentra betreft, zodat het zich laat aanzien dat de verzoe- kende partij ook inkomsten genereert uit de uitbating van de andere woonzorgcen- tra en assistentiewoningen. Ter zake geeft de verzoekende partij geen verdere toe- lichting over deze andere activiteiten, noch over de inkomsten die hieruit, of uit de uitbating van de voorziening tot het ogenblik dat de bestreden beslissing uitwer- king heeft, worden gegenereerd. De verzoekende partij maakt met de aangeleverde cijfers die enkel betrekking hebben op de sluiting van WZC Vordenstein, bijgevolg XII-9966-29/35 geenszins aannemelijk dat haar activiteiten op een ernstige wijze in gevaar worden gebracht door de bestreden beslissing en dat zij niet in de mogelijkheid is om de duur van de annulatieprocedure te overbruggen. Uit het betoog van de verzoekende partij blijkt evenmin dat haar financiële toestand zich überhaupt zo manifesteert dat zij het mogelijk verlies van inkomsten niet tijdelijk kan overbruggen. Het loutere feit dat zij door de sluiting van de voorziening ontslagen werknemers en huurgelden zal dienen te betalen, geeft daartoe onvoldoende inzicht. Zij geeft immers enkel inzicht in haar ver- meende verplichtte uitgaven, maar geeft geen verdere uiteenzetting over onder meer haar inkomsten uit andere woonzorgcentra en assistentiewoningen, vaste kos- ten, afschrijvingen, schulden, noch over haar reserves en liquide middelen. Het komt niet toe aan de Raad van State om de jaarrekening van de verzoekende partij uit te pluizen en zelf op zoek te gaan naar de elementen die erop wijzen dat het betalen van de ontslagen werknemers en de huurgelden zonder dat er inkomsten worden gerealiseerd voor wat betreft het kwestieuze woonzorgcentrum op korte termijn in ernstige mate nefast is voor de financiële toestand van de verzoekende partij. De cijfers die de verzoekende partij aanlevert in het verzoek- schrift, doen bijgevolg niet blijken dat zij zich thans in een toestand zou bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen ten gevolge van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. 8. In zoverre de verzoekende partij ter verantwoording van de spoedeisendheid vervolgens laat gelden dat de intrekking van de erkenning invloed heeft op de erfpachtovereenkomst en dienaangaande benadrukt dat
- i)de erfpacht- overeenkomst die oorspronkelijk werd afgesloten tussen Atlantis NV en de NV Vordenstein Vastgoed (dochtervennootschap van Cofinimmo NV), middels beslis- sing van de enige bestuurder van 29 november 2024 waarbij de bedrijfstak Vor- denstein aan haar werd overgedragen, tot gevolg heeft dat zij als erfpachthouder moet worden beschouwd;
- ii)zij niet meer in staat zal zijn om in het gebouw een XII-9966-30/35 woonzorgcentrum uit te baten, wat een voorwaarde luidens bepaling B.1 van de erfpachtakte betreft; iii) de intrekking van de erkenning het verlies (van de functie) van het gebouw tot gevolg zal hebben en
- iv)zij de vergoedingen voor deze erf- pachtovereenkomst is verschuldigd, kan haar betoog evenmin worden bijgevallen. Vooreerst stelt de Raad van State vast dat de verzoekende partij verzuimt een erfpactovereenkomst bij te brengen waaruit blijkt dat zij erfpachthou- der zou zijn en de daaruit voortvloeiende vergoedingen zou verschuldigd zijn. Het gegeven dat een bedrijfstak zou zijn overgedragen van NV Atlantis naar de ver- zoekende partij, doet hieraan geen afbreuk, nu uit het door de verzoekende partij bijgebrachte stuk 21 “Proces-verbaal van de besluiten van de enige bestuurder van de overdragende vennootschap [NV Atlantis]- Proces-verbaal van de besluiten van de enige bestuurder van de verkrijgende vennootschap [NV Emeis Vlaanderen]- Vaststelling van overdracht onder bezwarende titel van bedrijfstak” van 29 novem- ber 2024 blijkt dat:
- i)de overdracht van een bedrijfstak in de zin van artikel 12:11 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en een geheel betreft “dat op technisch en organisatorisch gebied een autonome activiteit uitoefent en op ei- gen kracht kan werken”;
- ii)de overdracht van de bedrijfstak tot voorwerp heeft “de bedrijfstak bestaande uit het actief en passief met betrekking tot de uitbating van het rusthuis [… ] Vordenstein”, gelegen te 2900 Schoten, Ridder Walter Van Ha- vrelaan 16, met uitzondering van de rechten en vorderingen die betrekking hebben op de onroerende goederen waarvan de Overdragende Vennootschap eigenaar zou zijn en de onroerende zakelijke rechten waarvan zij titularis zou zijn” en iii) “de Overdragende Vennootschap heeft verklaard dat er geen onroerende goederen of onroerende zakelijke rechten deel uitmaken van de Bedrijfstak en dat alle eventuele goederen of onroerende zakelijke rechten waarvan de Overdragende Vennootschap eigenaar of titularis zou zijn, niet worden overgedragen aan de Verkrijgende Ven- nootschap.” en de erfpacht(overeenkomst) aldus geen deel uitmaakt van de over- dracht, waardoor enkel NV Atlantis is gehouden tot het betalen van de vergoedin- gen. Daarnaast spreekt de verzoekende partij, zoals terecht wordt aangevoerd door de verwerende partij, zichzelf tegen door enerzijds te wijzen op de vergoedingen die voor de erfpacht zijn verschuldigd tot november 2047 om haar financiële lasten XII-9966-31/35 aan te tonen en anderzijds te suggereren dat de erfpachtovereenkomst dreigt op te houden te bestaan door het verlies van het voorwerp. Tot slot dient te worden vast- gesteld dat in zoverre de verzoekende partij stelt dat in afwachting van een uit- spraak ten gronde “de nodige stappen reeds zijn gezet aangaande de erfpacht” zij met dit argument op generlei wijze nog aannemelijk maakt dat zij de periode in afwachting van een uitspraak in een beroep tot nietigverklaring niet zou kunnen overbruggen. 9. De verzoekende partij beroept zich voorts ter verantwoording van de vermeende spoedeisendheid op ernstige reputatieschade en in het bijzonder op de zeer nadelige gevolgen voor haar uitstraling en reputatie, bij de bewoners in andere residenties en alle burgers. Dienaangaande laat zij in essentie gelden dat
- i)er sprake is van een schandvlek, blaam en publieke oneer, wat mede wordt versterkt door de tendentieuze communicatie van het Departement Zorg en de minister met als gevolg dat de beslissing bijzonder grote media-aandacht krijgt;
- ii)de sluiting van Vordenstein ook aan bod kwam in de plenaire vergadering van 26 november 2025 van het Vlaamse Parlement waarbij de minister en een parlementslid krasse uitspraken deden; iii) de negatieve weerklank van een dergelijke aard en omvang is dat een eventueel later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende ge- noegdoening zou kunnen verschaffen en
- iv)niettegenstaande de schade zich reeds heeft gerealiseerd, dit niet betekent dat deze nog kan worden beperkt door een ju- ridische beoordeling op heel korte termijn, zodat zij niet louter wordt overgeleverd aan de mediatieke en politieke hetze. In zoverre de verzoekende partij in het bijzonder wijst op de zeer nadelige gevolgen voor haar uitstraling en reputatie, bij de bewoners in andere re- sidenties en alle burgers, laat het zich verstaan dat de bestreden maatregel van de sluiting van het woonzorgcentrum en centrum voor kortverblijf type 1 de verzoe- kende partij onmiskenbaar moreel schaadt. De verzoekende partij maakt evenwel niet aannemelijk dat die morele schade van die aard is dat de bestreden beslissing, in afwachting van een uitspraak ten gronde, haar in een schadelijke toestand brengt die niet te verdragen valt. Het volstaat immers niet te wijzen op de nadelige XII-9966-32/35 gevolgen van de bestreden beslissing en te stellen dat enkel een schorsing van de tenuitvoerlegging dit moreel nadeel ongedaan kan maken en haar naam opnieuw kan zuiveren. Tevens moet worden aangetoond dat de nadelen van die aard en om- vang zijn dat de verzoekende partij ze niet kan lijden totdat over nietigverklaring van de zaak uitspraak wordt gedaan. De verzoekende partij tracht zulks aan te tonen door met een al- gemene opmerking te stellen dat zij aanzienlijke reputatieschade zal lijden al is het maar omdat er sprake is van een schandvlek, blaam en publieke oneer. Daarnaast beklemtoont zij dat dit alles mede werd versterkt door de tendentieuze communi- catie van het Departement Zorg en de minister met als gevolg dat de beslissing bijzonder grote media-aandacht krijgt, temeer nu de sluiting van Vordenstein ook aan bod kwam in de plenaire vergadering van het Vlaamse Parlement, waarbij de minister en een parlementslid krasse uitspraken deden. Daargelaten de vaststelling dat het nadeel, veroorzaakt door de ruchtbaarheid in de pers, de communicatie van het Departement Zorg en de uitspraken tijdens de plenaire vergadering van het Vlaams Parlement, zich reeds heeft voltrokken en een gebeurlijke schorsing dit nadeel bijgevolg niet meer kan voorkomen, maakt het door haar aangevoerde be- toog, niettegenstaande zulks doet blijken van de ongemakken en gevolgen die ver- bonden zijn aan het uitvoerbaar karakter van de bestreden beslissing, niet aanne- melijk dat het aangevoerde moreel nadeel en in het bijzonder de reputatieschade van dien aard en omvang zijn dat de verzoekende partij ze niet kan lijden totdat over de nietigverklaring van de zaak uitspraak wordt gedaan en zulks los van de vraag of de ingeroepen reputatieschade van dien aard is dat een eventueel later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zou kunnen verschaffen. Evenmin wordt door de verzoekende partij aannemelijk gemaakt welke “verdere” reputatieschade een schorsing in voorkomend geval nog kan ver- mijden. 10. De verzoekende partij laat tot slot gelden dat de negatieve weer- klank van een dergelijke aard en omvang is dat een eventueel later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zou kunnen verschaffen en XII-9966-33/35 niettegenstaande de schade zich reeds heeft gerealiseerd, dit niet betekent dat deze nog kan worden beperkt door een juridische beoordeling op heel korte termijn, zo- dat zij niet louter wordt overgeleverd aan de mediatieke en politieke hetze. In zoverre zij dienaangaande argumenteert dat
- i)het niet opgaat om bewoners te verhuizen om vervolgens alsnog de annulatie te bekomen, zeker gelet op de leeftijd van de bewoners en
- ii)hoewel deze impact en schade in eerste instantie de bewoners aanbelangt, het wel haar verantwoordelijkheid is om zorg te verlenen en de bewoners te ondersteunen, volstaat de vaststelling dat deze nadelen evenmin ter adstructie van de spoedeisendheid kunnen worden aangevoerd, nu de spoedeisendheid in hoofde van de verzoekende partij moet bestaan. Gevolgen voor derden, zoals te dezen in hoofde van bewoners van het woonzorgcentrum en cen- trum voor kortverblijf, kunnen de spoedeisendheid bijgevolg niet aantonen, nu zulks immers niet aantoont dat de verzoekende partij door deze vermeende nade- len, zich persoonlijk in een toestand bevindt “met onherroepelijke schadelijke ge- volgen”. In zoverre de verzoekende partij tot slot argumenteert dat deze ernstige nadelen niet kunnen worden opgevangen door een procedure ten gronde nu op het moment van een uitspraak ten gronde het personeel al zal zijn ontslaan, (financiële) schade van zeer grote omvang zal zijn opgetreden en de nodige stappen reeds zul- len zijn gezet aangaande de erfpacht, betreft het wezenlijk een financieel nadeel en de vermeende invloed op de erfpachtovereenkomst, waarvoor geldt wat hiervoor onder randnummers 7 en 8 is onderzocht. 11. Wat voorafgaat leidt tot het besluit dat de verzoekende partij niet aantoont dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring. Conclusie 12. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die XII-9966-34/35 cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewe- zen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zesentwintig januari tweeduizend zesen- twintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Chantal Bamps XII-9966-35/35 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.573 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div