← België

Arrest 265577 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/01/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.577 Rolnummer: A. 241993/X-18682 Zaak: Arrest 265577 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/01/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-01-28 Raadplegingen: 222 - laatst gezien 2026-06-18 06:19 Fiche Arrest nr 265.577 van 26 januari 2026 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 265.577 van 26 januari 2026 in de zaak A. 241.993/X-18.682 In zake : 1. XXXX 2. XXXX 3. XXXX 4. XXXX 5. XXXX 6. XXXX 7. XXXX 8. XXXX 9. XXXX 10. XXXX 11. XXXX 12. XXXX 13. XXXX 14. XXXX 15. XXXX 16. XXXX 17. XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Astrid Lippens kantoor houdend te 9000 Gent Nieuwebosstraat 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD BRUGGE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Filip De Preter en Bert Van Herreweghe kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen X-18.682-1/32 Tussenkomende partijen: 1. de NV CLUB BRUGGE DEVELOPMENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Pieter-Jan Defoort en Matthias Strubbe kantoor houdend te 8020 Oostkamp Hertsbergsestraat 4 bij wie woonplaats wordt gekozen 2. P.V. 3. C.D. 4. S.D. 5. N.D. 6. E.L. 7. P.N. 8. M.D. 9. N.D. 10. J.V. 11. S.D. 12. K.G. 13. M.V. 14. J.P. 15. K.V. 16. T.V. 17. M.N. 18. S.V. 19. P.S. 20. L.V. 21. W.V. 22. F.V. 23. F.D. 24. K.T. 25. B.E. 26. R.B. 27. R.K. 28. E.V. 29. J.B. 30. V.V. 31. I.D. 32. E.D. 33. J.N. 34. A.V. 35. D.V. 36. A.M. 37. J.K. 38. D.L. 39. C.V. 40. R.V. 41. E.D. 42. M.W. X-18.682-2/32 43. Y.A. 44. M.D. 45. B.M. 46. I.A. 47. P.V. 48. M.H. 49. C.S. 50. J.C. 51. K.V. 52. M.D. 53. J.N. 54. S.V. 55. E.B. 56. G.V. 57. N.J. 58. R.L. 59. G.C. 60. P.R. 61. A.V. 62. C.D. 63. K.L. 64. H.M. 65. M.B. 66. T.M. 67. de BV T.D. 68. N.V. 69. K.S. 70. P.C. 71. F.B. 72. A.D. 73. D.D. 74. A.P. 75. O.W. 76. R.D. 77. F.C. 78. D.M. 79. S.L. 80. T.D. 81. L.G. 82. W.G. 83. C.P. 84. K.I. 85. P.D. 86. J.D. 87. L.V. 88. D.V. 89. H.V. 90. H.D. 91. W.V. X-18.682-3/32 92. W.V. 93. E.L. 94. H.T. 95. P.H. 96. P.L. 97. N.H. 98. P.D. 99. J.V. 100. E.L. 101. S.K. 102. L.H. 103. A.D. 104. M.V. 105. D.A. 106. P.L. 107. M.D. 108. J.V. 109. P.D. 110. J.S. 111. M.D. 112. T.V. 113. C.V. 114. N.B. 115. K.J. 116. M.D. 117. C.C. 118. W.P. 119. T.H. 120. C.W. 121. C.B. 122. C.L. 123. G.P. 124. W.M. 125. J.D. 126. J.L. 127. H.H. 128. A.E. 129. A.L. 130. F.M. 131. F.P. 132. I.V. 133. M.S. 134. M.M. 135. N.B. 136. M.D. 137. D.M. 138. T.D. 139. L.V. 140. P.V. X-18.682-4/32 141. E.D. 142. T.B. 143. E.H. 144. P.B. 145. M.F. 146. S.C. 147. D.D. 148. F.V. 149. L.B. 150. T.D. 151. B.B. 152. K.D. 153. P.L. 154. K.S. 155. N.V. 156. D.V. 157. K.S. 158. M.R. 159. S.H. 160. B.K. 161. C.S. 162. B.B. 163. G.D. 164. K.B. 165. F.B. 166. L.P. 167. E.S. 168. D.V. 169. W.C. 170. R.M. 171. L.M. 172. T.M. 173. E.V. 174. L.P. 175. R.P. 176. C.M. 177. D.S. 178. M.D. 179. G.D. 180. N.M. 181. J.V. 182. D.V. 183. F.V. 184. H.V. 185. N.V. 186. K.V. 187. K.D. 188. A.T. 189. J.W. X-18.682-5/32 190. B.T. 191. F.H. 192. B.C. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Gregory Verhelst en Matthias Ballieu kantoor houdend te 2000 Antwerpen Bouwmeestersstraat 11 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 24 mei 2024, strekt tot de nietigverklaring van “[h]et besluit van de gemeenteraad van de stad Brugge d.d. 25 maart 2024 tot hernieuwde goedkeuring van het rooilijnenplan en tot instemming met de zaak der wegen geïntegreerd in de omgevingsvergunningsaanvraag voor de realisatie van een voetbalstadion voor 40.116 toeschouwers in een groene parkomgeving (het ‘Olympiapark’) op de Olympiasite, gelegen te 8200 Brugge (Sint-Andries), Koning Leopold III-laan 50 (OMV_2023082489)”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De nv Club Brugge Development, P.V., C.D., S.D., N.D., E.L., P.N., M.D., N.D., J.V., S.D., K.G., M.V., J.P., K.V., T.V., M.N., S.V., P.S., L.V., W.V., F.V., F.D., K.T., B.E., R.B., R.K., E.V., J.B., V.V., I.D., E.D., J.N., A.V., D.V., A.M., J.K., D.L., C.V., R.V., E.D., M.W., Y.A., M.D., B.M., I.A., P.V., M.H., C.S., J.C., K.V., M.D., J.N., S.V., E.B., G.V., N.J., R.L., G.C., P.R., A.V., C.D., K.L., H.M., M.B., T.M., de BV T.D., N.V., K.S., P.C., F.B., A.D., D.D., A.P., O.W., R.D., F.C., D.M., S.L., T.D., L.G., W.G., C.P., K.I., P.D., J.D., L.V., D.V., H.V., H.D., W.V., W.V., E.L., H.T., P.H., P.L., N.H., P.D., J.V., E.L., S.K., L.H., A.D., M.V., D.A., P.L., M.D., J.V., P.D., J.S., M.D., T.V., C.V., N.B., K.J., M.D., C.C., W.P., T.H., C.W., C.B., C.L., G.P., W.M., J.D., J.L., H.H., A.E., A.L., X-18.682-6/32 F.M., F.P., I.V., M.S., M.M., N.B., M.D., D.M., T.D., L.V., P.V., E.D., T.B., E.H., P.B., M.F., S.C., D.D., F.V., L.B., T.D., B.B., K.D., P.L., K.S., N.V., D.V., K.S., M.R., S.H., B.K., C.S., B.B., G.D., K.B., F.B., L.P., E.S., D.V., W.C., R.M., L.M., T.M., E.V., L.P., R.P., C.M., D.S., M.D., G.D., N.M., J.V., D.V., F.V., H.V., N.V., K.V., K.D., A.T., J.W., B.T., F.H. en B.C. hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Tom De Waele heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 januari 2026. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaten Astrid Lippens en Milo Vandekerckhove, die verschijnen voor de verzoekende partijen, advocaat Filip De Preter, die verschijnt voor de verwerende partij, advocaat Pieter-Jan Defoort, die verschijnt voor de eerste tussenkomende partij, en advocaten Gregory Verhelst en Matthias Ballieu, die verschijnen voor de tweede tot de honderdeenennegentigste tussenkomende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. X-18.682-7/32 III. Feiten 3.1. Reeds geruime tijd zijn er plannen om in het Brugse een nieuw voetbalstadion te bouwen. Aanvankelijk werd dit stadion voorzien op een locatie aan de zuidrand van Brugge, in het gebied “Chartreuse”. De daarop betrekking hebbende deelgebieden 16 en 24 van het bij besluit van de Vlaamse regering van 4 februari 2011 definitief vastgestelde gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘afbakening regionaalstedelijk gebied Brugge’, werden met ’s Raads arresten nrs. 215.768 van 14 oktober 2011 en 224.750 van 20 september 2013 respectievelijk geschorst en vernietigd. 3.2. De daaropvolgende initiatieven om een voetbalstadion in te plannen ten noorden van Brugge, langs de Blankenbergse Steenweg, leidden tot de vernietiging, bij ’s Raads arrest nr. 248.469 van 6 oktober 2020, van het besluit van de Vlaamse regering van 27 oktober 2017 houdende de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Afbakening regionaalstedelijk gebied Brugge-herneming’ en houdende verlening aan de West-Vlaamse Intercommunale (hierna: WVI) van de machtiging tot onteigening, in zoverre dit besluit betrekking heeft op meerdere onderdelen van het deelgebied 7 ‘Sint-Pietersplas – Blankenbergse Steenweg’, en tot de vernietiging, bij ’s Raads arrest nr. 254.844 van 21 oktober 2022, van het besluit van de Vlaamse regering van 22 januari 2021 houdende de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Afbakening regionaalstedelijk gebied Brugge-herneming-deelplan Blankenbergse Steenweg’ en houdende verlening aan de WVI van de machtiging tot onteigening van de in het bijhorend onteigeningsplan aangeduide percelen. 3.3. Op 8 maart 2021 dient de nv Club Brugge Development bij het Vlaamse Gewest een omgevingsvergunningsaanvraag in voor de bouw en exploitatie van een voetbalstadion op de Olympiasite te Brugge (deelgemeente Sint-Andries), waar zich sinds 1974 het Jan Breydelstadion (voorheen Olympiastadion) bevindt. X-18.682-8/32 Overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Brugge-Oostkust is de Olympiasite grotendeels gelegen in een gebied voor dagrecreatie en voor een beperkt gedeelte in woongebied. De vergunningsaanvraag behelst de afbraak van het Jan- Breydelstadion, de bouw en exploitatie van een voetbalstadion voor 40.116 toeschouwers, en omvat tevens de aanleg van een parkzone die voor het publiek toegankelijk is, behalve op de wedstrijddagen waarop het park gedeeltelijk dient als parking. 3.4. Op 6 oktober 2021 verleent het Vlaamse Gewest de gevraagde omgevingsvergunning onder voorwaarden. 3.5. Met zijn arrest nr. RvVb-A-2223-0506 van 2 februari 2023 vernietigt de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) de voormelde omgevingsvergunning. De vergunning wordt strijdig geacht met de in de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening ‘op het bouwen, verkavelen en op de beplantingen’ opgenomen rechtsregel die bepaalt dat de parkeergelegenheid op het bouwperceel zelf gerealiseerd moet worden. 3.6. Tegen de achtergrond van het voormelde arrest van de RvVb beslist het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge op 13 maart 2023 om de procedure tot wijziging van de verordening op te starten en om een ontwerp tot wijziging van de voormelde verordening goed te keuren. 3.7. Met een besluit van 28 augustus 2023 stelt de gemeenteraad van de stad Brugge de wijziging van de verordening definitief vast. In dit besluit wordt de volgende motivering verstrekt: “In de praktijk werd deze verordening toegepast en geïnterpreteerd in de zin dat in de gevallen waar een mobiliteitsstudie of schoolvervoerplan moest worden opgesteld de vergunningverlenende vrij was om de parkeerproblematiek ad hoc te beoordelen aan de hand van de mobiliteitsstudie of het schoolvervoerplan, waarbij er geen regels waren die verhinderden dat rekening zou worden gehouden met het parkeeraanbod X-18.682-9/32 buiten het perceel van de aanvraag. Bij grotere (gemengde) projecten werd steeds aan de aanvrager meegegeven dat een mobiliteitsstudie noodzakelijk werd geacht, waardoor de andere artikels (en vooral het inleidende principe) niet meer werden toegepast. Er wordt een nieuwe tekst ter goedkeuring voorgelegd. Het is namelijk wenselijk om bij grotere projecten uitdrukkelijk te voorzien in de mogelijkheid om de beoordeling van het parkeeraanbod in concreto te maken, en de vergunningverlenende overheid de mogelijkheid te geven om rekening te houden met elke voorgestelde oplossing.” 3.8. Op 8 november 2023 dient de nv Club Brugge Development een nieuwe omgevingsvergunningsaanvraag (OMV_2023082489) voor de bouw en exploitatie van een voetbalstadion voor 40.116 toeschouwers op de Olympiasite in. Bij de aanvraag horen onder meer een project-milieueffectrapport (hierna: project- MER) en een ontwerp van rooilijnenplan. Dat laatste heeft betrekking op een aantal af te schaffen, te verleggen en aan te leggen gemeente- en trage wegen op de projectsite, met inbegrip van de noodzakelijke toegangsinfrastructuur tot het stadion. 3.9. Van 5 januari 2024 tot 3 februari 2024 wordt over de omgevingsvergunningsaanvraag een openbaar onderzoek georganiseerd, tijdens hetwelk 38 inspraakreacties worden ontvangen. Meerdere verzoekende partijen dienen een bezwaar in. 3.10. Op 26 februari 2024 keurt de gemeenteraad van de stad Brugge het rooilijnenplan en de zaak der wegen voorwaardelijk goed. 3.11. Op vraag van de nv Club Brugge Development beslist de gemeenteraad van de stad Brugge op 25 maart 2024 om de voormelde beslissing van 26 februari 2024 in te trekken. Nog op 25 maart 2024 neemt de gemeenteraad van de stad Brugge een beslissing tot “hernieuwde” goedkeuring van het rooilijnenplan en instemming met de zaak der wegen, waarbij de opgelegde voorwaarden worden aangepast. X-18.682-10/32 Dit is het bestreden besluit. 3.12. Het cassatieberoep dat het Vlaamse Gewest bij de Raad van State tegen arrest nr. RvVb-A-2223-0506 van 2 februari 2023 van de RvVb (zie randnummer 3.5) heeft ingediend, wordt met ’s Raads arrest nr. 259.636 van 25 april 2024 verworpen. 3.13. Met zijn arrest nr. 259.855 van 24 mei 2024 schorst de Raad van State de tenuitvoerlegging van het onder randnummer 3.7 vermelde besluit. 3.14. Met een besluit van 3 juni 2024 willigt de bevoegde Vlaamse minister de onder randnummer 3.8 vermelde omgevingsvergunningsaanvraag in. Meerdere van de huidige verzoekende partijen dienen tegen deze vergunning een beroep in bij de RvVb (zaak 2324-RvVb-0898-SA). Dit beroep is nog hangende. 3.15. Bij ’s Raads arrest nr 265.576 van 26 januari 2026 wordt het onder randnummer 3.7 vermelde besluit vernietigd. IV. Verzoek tot tussenkomst van de nv Club Brugge Development 4. De nv Club Brugge Development blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat het beroep wordt afgewezen. Bijgevolg moet haar verzoek tot tussenkomst worden ingewilligd. De nv Club Brugge Development wordt hierna als “de eerste tussenkomende partij” aangeduid. V. Ontvankelijkheid van de overige verzoeken tot tussenkomst De aangevoerde exceptie 5. De verzoekende partijen betwisten in hun memorie van wederantwoord de ontvankelijkheid van de overige verzoeken tot tussenkomst X-18.682-11/32 wegens gemis aan belang. Zij zien het beroep van deze verzoekende partijen tot tussenkomst, andere dan de eerste tussenkomende partij, als een ontoelaatbare actio popularis, die enkel wordt ingesteld “uit symbolische overwegingen ter ondersteuning van het Brugse stadiondossier”. De overige tot tussenkomst verzoekende partijen zijn het kwestieuze project weliswaar genegen, maar die omstandigheid heeft op zich “geen enkele juridische finaliteit”. Betoogd wordt dat de bestaande parkeer- en mobiliteitsproblematiek om en rond het voetbalstadion een probleem van handhaving is, en dat de procedure voor de Raad van State niet het gepaste “medium” is om deze problematiek aan te pakken. De verzoekende partijen menen dat het kwestieuze project een vermeerdering van de overlast tot gevolg zal hebben. In dit verband wijzen zij erop dat er vandaag slechts 563 parkeerplaatsen op de site voorzien zijn en dat ingevolge de bestreden beslissing meer wagens op de site zullen aanwezig zijn. Ook is het beoogde park met een groen karakter als doelstelling niet haalbaar, onder meer gezien de weinig geloofwaardige combinatie ervan met een parkeerfunctie op wedstrijddagen. Ten slotte tonen deze verzoekende partijen tot tussenkomst niet concreet aan welk belang de voorziene sport- en recreatieve functies van het park voor hen zou hebben. Beoordeling 6.1. Niet betwist wordt dat de overige verzoekende partijen tot tussenkomst allen wonen in de zogenaamde “blauwe zone”, die zich situeert binnen een straal van 1,5 km rond de projectsite en waarbinnen op wedstrijddagen een parkeerbeperking van maximum één uur zal gelden. Zij overtuigen ervan dat de wegaanleg en de inrichting van het openbaar domein op de Olympiasite een betekenisvolle impact hebben op hun leefomgeving. De door de verzoekende partijen aangevoerde argumenten doen niet anders besluiten. De overige verzoekende partijen tot tussenkomst doen dan ook van een persoonlijk belang bij hun tussenkomst blijken. Van een ontoelaatbare actio popularis is geen sprake. X-18.682-12/32 6.2. De exceptie wordt verworpen. De tussenkomende partijen, andere dan de eerste tussenkomende partij, worden hierna samen als “de tweede tussenkomende partij” aangeduid. VI. Ontvankelijkheid van het beroep De aangevoerde exceptie 7.1. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het belang van de verzoekende partijen bij huidig beroep. Minstens voor de eerste, de derde, de tiende, de elfde, de twaalfde, de dertiende en de vijftiende verzoekende partij geldt dat zij niet in de onmiddellijke nabijheid van de site wonen. De ruime afstand van het stadion tot hun woonplaats sluit uit dat zij enige relevante hinder kunnen ondervinden. Voorts stelt de verwerende partij zich vragen bij het belang van de verzoekende partijen, doordat er hoogstens op matchdagen mobiliteitshinder kan optreden en onvoldoende het verband wordt gelegd met de (tenuitvoerlegging van) de bestreden beslissing. Een beweerde gebrekkige inrichting van de voorziene parkzone kan de verzoekende partijen niet persoonlijk schaden, minstens tonen zij dit niet aan. 7.2. De tweede tussenkomende partij betwist in haar verzoekschrift tot tussenkomst evenzeer het belang van de verzoekende partijen. Ingevolge het bestreden besluit zullen volgens haar meer wagens naar de afstandsparkings worden afgeleid, zodat de doorstroming van het verkeer zal verbeteren. De verzoekende partijen houden geen rekening met het milderend effect van het mobiliteitsplan en met de voorwaarden die de omgevingsvergunning voor het stadion oplegt. De tweede tussenkomende partij ziet voorts niet in hoe de verzoekende partijen enig nadeel zouden kunnen ondervinden van de trage wegen voor fietsers en voetgangers in het park. De aspecten van verkeershinder die de verzoekende partijen aanhalen zijn vreemd aan de beoordeling van de zaak der wegen door de gemeenteraad. Het belang van de verzoekende partijen is ook “intern tegenstrijdig”. Enerzijds, verzetten zij zich tegen de voorziene parkeercapaciteit van 3.000 voertuigen voor de bezoekers van het stadion, anderzijds, uiten zij twijfels bij de praktische haalbaarheid daarvan. Ten X-18.682-13/32 slotte geven de verzoekende partijen in hun procedure voor de RvVb tegen de omgevingsvergunning voor het voetbalstadion geen enkele kritiek op de beweerde onwettigheid van de bestreden beslissing. Beoordeling 8.1. De verzoekende partijen, die net als de tweede tussenkomende partij in de “blauwe zone” en derhalve binnen een straal van 1,5 km rond de projectsite, wonen, waar op wedstrijddagen, zoals gezien, een parkeerbeperking van maximum één uur zal gelden, maken evenzeer aannemelijk dat de wegaanleg en de inrichting van het openbaar domein op de Olympiasite een betekenisvolle impact hebben op hun leefomgeving. Om die reden alleen al hebben zij het vereiste belang bij hun beroep. Dat de verzoekende partijen de onwettigheid van de bestreden beslissing niet aanvoeren in het beroep dat zij tegen de omgevingsvergunning bij de RvVb hebben ingesteld (randnummer 3.14), doet niet anders besluiten. 8.2. De excepties worden verworpen. VII. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel 9.1.1. De verzoekende partijen voeren in een enig middel de schending aan van: “- De artikelen 3, tweede lid, 1° en 4, eerste lid, 1°, 3° en 5° en 10 van het Gemeentewegendecreet juncto artikel 135, § 2 van de Nieuwe Gemeentewet; - Het zorgvuldigheids-, het redelijkheids- en het onpartijdigheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht […] als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.” X-18.682-14/32 9.1.2. Zij betogen dat de gemeenteraad de door hen aangevoerde bezwaren omtrent “ontsluiting, (verkeers)veiligheid (stuk 2, randnummers 75- 24), verlichting (stuk 2, randnummers 201 en 257-258), beplanting en materiaalgebruik (stuk 2, randnummers 152 en 192-195), water (stuk 2, randnummers 194 en 248 e.v.) en habitat (stuk 2, randnummer 229 e.v.)” niet bij zijn beoordeling heeft betrokken. De gemeenteraad heeft hun bezwaren inzake de verlichting verworpen omdat dit aspect niet de zaak van de wegen zou betreffen. De opmerkingen van de stedelijke dienst Openbaar Domein inzake groenaanplanting en afwatering schuift de gemeenteraad naar respectievelijk de vergunningverlenende overheid en de uitvoeringsfase door. De gemeenteraad legt “dusdoende” de door deze dienst geuite kritiek inzake (

  1. i)beplanting, (
  2. ii)materiaalgebruik en (iii) de weguitrusting in de “park(eer)zones” naast zich neer. De gemeenteraad diende zich evenwel onder meer uit te spreken over het effect van het voorgestelde wegtracé op de mobiliteit, de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid, alsook over “de weerslag op de afwatering, waterzuivering, afvalophaling en de noodzakelijke uitbreiding van de maatschappelijke infrastructuur”. Volgens de rechtspraak van de Raad van State behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de gemeenteraad inzake gemeentewegen zelfs “de verplichting om een planologische en habitattoets uit te voeren” en “de verplichting om een watertoets uit te voeren”. 9.1.3. Wat de “aspecten inzake ontsluiting en (verkeers)veiligheid” betreft, verwijzen de verzoekende partijen naar “de uitgebreide kritiek die zij hieromtrent in hun bezwaarschrift d.d. 2 februari 2024 geuit hebben (stuk 2, p. 55- 83)”, en inzonderheid naar “de uiteenzettingen in het bezwaarschrift omtrent (
  3. i)het gebrek aan geslotenheid (stuk 2, voetnoten 75-77) en afdwingbaarheid (stuk 2, voetnoten 78-83) van het combiticketsysteem, (
  4. ii)de uitbesteding van de ‘blauwe zone’ aan de stad Brugge als een verkapte disproportionele bijzondere voorwaarde, strijdig met artikel 74 [omgevingsvergunningsdecreet (hierna: OVD)], en als een onzekere verschuiving van de mobiliteitsoplossing naar de toekomst (stuk 2, voetnoten 87-94), de minimalisering van de verkeersstromen en de verbloeming van de ontvlechting (stuk 2, voetnoten 95-113), de onzekerheid en ongeschiktheid van de afstandsparkings ter voldoening van de parkeerbehoefte (stuk 2, voetnoten 114-121) en de veiligheidshinder (zowel op vlak van mobiliteit X-18.682-15/32 als op vlak van geweld; stuk 2, voetnoten 122-124)”. Ofschoon het effect van de zaak der wegen op de mobiliteit, de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid door de gemeenteraad onderzocht moet worden, blijkt uit de opsomming van de bezwaren in de bestreden beslissing dat de gemeenteraad zijn bevoegdheid ter zake ontkent. Minstens blijkt uit de motivering van de bestreden beslissing dat de problematiek inzake ontsluiting en verkeersveiligheid niet degelijk werd onderzocht. Het advies van de dienst Mobiliteit van de stad Brugge, dat overigens louter punctuele aandachtspunten inzake mobiliteit en veiligheid bevat, wordt eerst gedeeltelijk door de omgevingsambtenaar gevolgd, om vervolgens amper door de gemeenteraad in rekening te worden gebracht. 9.1.4. Met betrekking tot het verlichtingsaspect meent de gemeenteraad ten onrechte dat dit niet tot de zaak der wegen behoort. Wat de opmerkingen inzake de groenaanplanting en afwatering betreft, stellen de verzoekende partijen dat “het parkeffect de spreekwoordelijke kapstok is die de beoogde wijzigingen van het gemeentelijk wegennet in het licht van het algemeen belang dient te verantwoorden”. Inzake die “hoeksteen” van het project formuleerde de dienst Openbaar Domein van de stad Brugge behoorlijk wat kritiek, die de haalbaarheid van een groene en duurzame parkomgeving in vraag stelt, hetgeen meteen ook de goedkeuring van het wegenisdossier op losse schroeven zet. De gemeenteraad schuift de beoordeling van deze elementen evenwel naar de vergunningverlenende overheid en de uitvoeringsfase door, waardoor er geen voldoende garantie bestaat dat de groene parkomgeving gerealiseerd kan worden. Daardoor kan niet met zekerheid gesteld worden dat de wijziging van het gemeentelijk wegennet ten dienste van het algemeen belang zou staan en dat er met de behoeften van de toekomstige generaties rekening is gehouden. 9.1.5. Volgens de verzoekende partijen ligt ook een schending voor van artikel 135, § 2, van de nieuwe gemeentewet omdat de openbare veiligheid op het openbaar domein onvoldoende is gewaarborgd. X-18.682-16/32 9.1.6. Daar de bestreden beslissing op één specifiek project is afgestemd, namelijk de aanleg van het nieuwe stadion van Club Brugge, staat zij niet of onvoldoende ten dienste van het algemeen belang. Het is misleidend om te stellen dat het park ten behoeve van de omwonenden wordt voorzien. In werkelijkheid kadert deze ruimte in de zoektocht naar voldoende parkeerruimte voor de bezoekers van het stadion. 9.1.7. Ten slotte noemen de verzoekende partijen het onpartijdigheidsbeginsel geschonden. De stad Brugge heeft volgens hen belang bij de spoedige realisatie van een nieuw stadion, daar zij anders “gehouden [blijft] tot de naleving van haar gebruiksovereenkomst van onbepaalde duur met Club Brugge en Cercle Brugge over het gebruik van het huidige Jan Breydelstadion, waardoor de stad genoodzaakt is om jaarlijks investeringen te voorzien in onderhoudswerken”. 9.2. De verzoekende partijen betogen in hun memorie van wederantwoord dat het middel wel degelijk ontvankelijk is voor wat hun kritiek inzake de beschermde habitat betreft. Zij stellen dat die kritiek duidelijk in hun verzoekschrift werd aangevoerd, en dat zij in hun bezwaarschrift hebben gewezen op het verdwijnen van een eutrofe plas naast het bestaande stadion en op de gevolgen van het project voor de aanwezige vleermuissoorten. Ten gronde merken de verzoekende partijen op dat de aspecten van ontsluiting en inpasbaarheid van de nieuwe wegenis in het globale gemeentelijke wegennet wel degelijk de zaak der wegen betreffen. In hun bezwaarschrift hebben zij diverse aspecten qua verkeersafwikkeling aan de kaak gesteld en de gemeenteraad heeft zijn beoordelingsbevoegdheid op die punten minstens te restrictief geïnterpreteerd. De bestreden beslissing kon niet volstaan met een algemene verwijzing naar het aanvraagdossier. Wat in het aanvraagdossier staat is niet per definitie waar. Voorts moet ook een facultatief verleend advies in de beoordeling van de gemeenteraad worden betrokken. De verzoekende partijen menen verder dat de groenvoorzieningen tot de weguitrusting behoren, en dat de problematiek van de afwatering niet zomaar naar de vergunningverlenende X-18.682-17/32 overheid mag worden doorgeschoven. De aangevoerde schending van artikel 135, § 2, van de nieuwe gemeentewet moet ten slotte gezien worden in het licht van de veiligheidsrisico’s van de gebrekkige parkinrichting. 9.3. De verzoekende partijen stellen in hun laatste memorie dat hun kritiek aangaande de aspecten “habitat” en “planologische toets” wel degelijk op ontvankelijke wijze werden aangevoerd. Ten gronde betogen zij dat uit de rechtspraak van de Raad van State volgt dat de mobiliteitsimpact die de binnen het project begrepen gemeentelijke wegenis buiten het project zal veroorzaken door de gemeenteraad moet beoordeeld worden. De verzoekende partijen stellen de “interne” mobiliteitsaspecten wel degelijk in hun bezwaarschrift te hebben bekritiseerd. De gemeenteraad behandelt het verlichtingsaspect van de zaak der wegen op geen enkele wijze. De beoordeling van het groenaspect wordt dan weer naar de vergunningverlenende overheid doorgeschoven. Het aspect van de afwatering en ontwatering wordt naar de uitvoeringsfase van de vergunning doorverwezen. Zonder groene en duurzame parkomgeving ontbeert het wegenisdossier enig algemeen belang, waardoor een schending van het decreet van 3 mei 2019 ‘houdende de gemeentewegen’ (hierna: het gemeentewegendecreet) voorligt. Voorts menen de verzoekende partijen dat de bestreden beslissing het onpartijdigheidsbeginsel schendt “nu de enige bevoegde overheid, samengenomen met het eigendomsstatuut van de site en de gebruiksovereenkomst ervan, haar beoordelingsbevoegdheid omtrent verschillende cruciale aspecten van de zaak der wegen ontkent dan wel doorschuift naar andere onbevoegde overheden”. Een beslissing waarbij de gemeenteraad haar beoordelingsverplichtingen inzake de zaak der wegen wél zou opnemen, zou “correlatief” niét getuigen van een schending van het onpartijdigheidsbeginsel. Helaas is dit niet gebeurd, zodat een schending van het onpartijdigheidsbeginsel voorligt. Beoordeling 10.1. Een middel bestaat uit de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die rechtsregel volgens de verzoekende partij wordt geschonden. In dit licht merken de verwerende partij en X-18.682-18/32 de tussenkomende partijen terecht op dat de verzoekende partijen geen ontvankelijk middel aanvoeren in zoverre zij in hun verzoekschrift terloops, zonder enige concrete toelichting, vermelden dat “onder de beoordelingsbevoegdheid van de gemeenteraad inzake de gemeentewegen” “zelfs” de verplichting ressorteert “om een planologische en habitattoets uit te voeren”. De uitleg die de verzoekende partijen eerst in hun memorie van wederantwoord in dit verband verstrekken, met een weergave van de in hun bezwaarschrift geuite kritiek in verband met het verdwijnen van een “eutrofe plas” en de beweerde aanwezigheid van vleermuizen in het kwestieuze gebied, kan de gebrekkige uitwerking van het middel in het verzoekschrift niet goedmaken. De desbetreffende ontvankelijkheidsexcepties van de verwerende partij en de tussenkomende partijen zijn gegrond. 10.2. In het verzoekschrift wordt in essentie aangevoerd dat de bestreden beslissing op een aantal punten niet is ingegaan op de door de verzoekende partijen geuite bezwaren en op het advies van de dienst Openbaar Domein en de dienst Mobiliteit van de stad Brugge. 10.3. Het gemeentewegendecreet luidt: “[…] Artikel 3 – Dit decreet heeft tot doel om de structuur, de samenhang en de toegankelijkheid van de gemeentewegen te vrijwaren en te verbeteren, in het bijzonder om aan de huidige en toekomstige behoeften aan zachte mobiliteit te voldoen. Om de doelstelling, vermeld in het eerste lid, te realiseren voeren de gemeenten een geïntegreerd beleid, dat onder meer gericht is op: 1° de uitbouw van een veilig wegennet op lokaal niveau; 2° de herwaardering en bescherming van een fijnmazig netwerk van trage wegen, zowel op recreatief als op functioneel vlak. Artikel 4 – Bij beslissingen over wijzigingen van het gemeentelijk wegennet wordt minimaal rekening gehouden met de volgende principes: 1° wijzigingen van het gemeentelijk wegennet staan steeds ten dienste van het algemeen belang; 2° een wijziging, verplaatsing of afschaffing van een gemeenteweg is een uitzonderingsmaatregel die afdoende wordt gemotiveerd; X-18.682-19/32 3° de verkeersveiligheid en de ontsluiting van aangrenzende percelen worden steeds in acht genomen; 4° wijzigingen aan het wegennet worden zo nodig beoordeeld in een gemeentegrensoverschrijdend perspectief; 5° bij de afweging voor wijzigingen aan het wegennet wordt rekening gehouden met de actuele functie van de gemeenteweg, zonder daarbij de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang te brengen. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. […] Artikel 10 – Bij beslissingen over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van gemeentewegen wordt rekening gehouden met de doelstellingen en principes, vermeld in artikel 3 en 4 […].” De artikelen 31 en 31/1 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: omgevingsvergunningsdecreet) stellen: “Artikel 31 – § 1. Als de aanvraag de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg omvat, roept het college van burgemeester en schepenen, in voorkomend geval op verzoek van de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, de gemeenteraad samen om te beslissen over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg. De gemeenteraad spreekt zich uit over de ligging, de breedte en de uitrusting van de gemeenteweg, en over de eventuele opname in het openbaar domein. Hierbij wordt rekening gehouden met de doelstellingen en principes, vermeld in artikel 3 en 4 van het decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen, en in voorkomend geval met het gemeentelijk beleidskader en afwegingskader, vermeld in artikel 6 van het decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen. De gemeenteraad kan daarbij voorwaarden opleggen en lasten verbinden, die de bevoegde overheid in de eventuele vergunning opneemt. […].” 10.4. Artikel 47 van het besluit van de Vlaamse regering van 27 november 2015 ‘tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning’ bepaalt: “Als een beslissing van de gemeenteraad vereist is over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg, neemt de gemeenteraad daarover een besluit. De gemeenteraad neemt daarbij kennis van de standpunten, opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek. […].” X-18.682-20/32 10.5. Uit de verplichting om een openbaar onderzoek te organiseren volgt de verplichting om de ingediende bezwaren met gepaste zorgvuldigheid te onderzoeken en, wanneer ze niet worden gevolgd, om afdoende te laten begrijpen waarom dat niet het geval is. 10.6. Het komt de gemeenteraad toe om zich uit te spreken over de zaak van de wegen, doch niet over de vergunningsaanvraag zelf. In de memorie van toelichting bij het gemeentewegendecreet staat in verband met dit laatste te lezen: “In het arrest Extensa (nr. 189.415 van 12 januari 2009) wees de Raad van State ook al op het gegeven dat de gemeenteraad niet kan beslissen over de vergunningsaanvraag zelf. De argumenten van de gemeenteraad moeten betrokken worden op de wegenis (lees: op de inpasbaarheid van de wegenis in een goed uitgebouwd, verantwoord, veilig en duurzaam gemeentelijk wegennet) en niet op de vergunningsaanvraag. De gemeenteraad kan de overeenstemming van de vergunningsaanvraag met de beoordelingselementen, vermeld in artikel 4.3.1 van de VCRO, dus niet beoordelen. In het arrest-Dewandeleer (nr. 239.792 van 7 november 2017) heeft de Raad van State goed verduidelijkt dat de gemeenteraad oordeelt op grond van motieven die te maken hebben met een doordacht gemeentelijk wegennet, waarbij de inpasbaarheid van de nieuwe ‘wegenis’ in het globale gemeentelijke wegennet beoordeeld moet worden. In het arrest-D’Herde (nr. 234.080 van 8 maart 2016) heeft de Raad van State bevestigd dat de gemeenteraad zich mag uitspreken over het effect van de voorgestelde ‘wegenis’ (niet: van het voorgestelde project c.q. de voorgestelde verkaveling) op de mobiliteit, de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid.” 10.7. Wat de kritiek van de verzoekende partijen betreft dat hun bezwaren inzake “ontsluiting en (verkeers)veiligheid” door de gemeenteraad niet of minstens niet voldoende werden ontmoet, merkt de verwerende partij vooreerst terecht op dat de verzoekende partijen zich in hun verzoekschrift louter beperken tot een verwijzing naar de pagina’s en voetnoten in hun bezwaarschrift (zie randnummers 9.1.2 en 9.1.3), zonder enige duiding. De verzoekende partijen voldoen aldus niet aan hun stelplicht. 10.8. De verwerende partij en de tussenkomende partijen merken daarenboven niet zonder pertinentie op dat de verzoekende partijen de X-18.682-21/32 mobiliteitskritiek in hun bezwaarschrift tegen de omgevingsvergunningaanvraag hebben gericht en dat zij deze kritiek uitdrukkelijk hebben gekwalificeerd als bezwaren inzake de goede ruimtelijke ordening in de zin van artikel 4.3.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) en als “onaanvaardbare hinder voor de mens en het milieu” in de zin van artikel 5.3.1 van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende de algemene bepalingen inzake milieubeleid’. De eerste tussenkomende partij merkt bijkomend op dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge de bezwaren van de verzoekende partijen in verband met de hinderaspecten en de goede ruimtelijke ordening in haar adviezen over het project-MER en de vergunningsaanvraag heeft behandeld, en dat de verzoekende partijen hun wettigheidskritiek in dit verband in hun beroep bij de RvVb tegen de omgevingsvergunning (randnummer 3.14) hebben uiteengezet. 10.9. Waar de verzoekende partijen eerst in hun memorie van wederantwoord concrete passages uit hun bezwaarschrift met betrekking tot de mobiliteitsproblematiek, en inzonderheid met betrekking tot beweerde conflicten tussen shuttlebussen, wagens, fietsers en voetgangers in de onderscheiden in- en uitgangen van de Olympiasite, weergeven en nader toelichten, kan dit de gebrekkige uitwerking van het middel in het verzoekschrift niet goedmaken. Bovendien blijft het gestelde onder randnummer 10.8 van toepassing. Ten overvloede wordt met de verwerende partij en de tussenkomende partijen nog opgemerkt dat in het mobiliteitsplan de ontsluiting van het projectgebied en de bijhorende interne circulatie voor elke in- en uitgang concreet wordt onderzocht en toegelicht. De verzoekende partijen betrekken dit niet of minstens niet afdoende bij hun kritiek, zodat de onwettigheid van de bestreden beslissing alleszins niet wordt aangetoond. 10.10. De verzoekende partijen voeren ten slotte weliswaar terecht aan dat de gemeenteraad het effect van de wegenis op de mobiliteit, de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid diende te beoordelen, maar zij tonen in hun verzoekschrift niet aan dat de beslissing van de verwerende partij inzake de voormelde aspecten, die op verschillende stukken van het dossier is gestoeld, zoals X-18.682-22/32 het advies van de dienst Mobiliteit van de stad Brugge, het advies van de gemeentelijke omgevingsambtenaar, het project-MER, het mobiliteitsplan en de verantwoordingsnota, de grenzen van de redelijkheid zou te buiten gaan of anderszins onwettig zou zijn. 11.1. In zoverre de verzoekende partijen hun bezwaar inzake de verlichting niet door de gemeenteraad beantwoord weten, voldoen zij evenmin aan hun stelplicht om de reden vermeld onder randnummer 10.7. 11.2. De eerste tussenkomende partij en de verwerende partij merken voorts niet zonder pertinentie op dat de door de verzoekende partijen aangehaalde bezwaren inzake de verlichting – randnummers 201 en 257-258 van hun bezwaarschrift – handelen over de visuele hinder van het voetbalstadion zelf, zonder dat een en ander gelinkt wordt aan de verlichting van (de paden
  5. in)het park. 11.3. Voorts blijkt uit de bestreden beslissing niet dat de gemeenteraad het verlichtingsaspect van de zaak der wegen “op geen enkele wijze” zou hebben behandeld. In de bestreden beslissing wordt vermeld dat op wedstrijddagen de intensiteit van de verlichting wijzigt, en wordt er verwezen naar het aanvraagdossier, waarvan de verantwoordingsnota duidelijk maakt hoe de verlichting van het park zal worden ingericht. De gemeenteraad heeft verder uitdrukkelijk vastgesteld dat de verlichting “gericht [is] op de padenstructuur binnen het park”, “weg van de bewoning”, wat redelijkerwijze impliceert dat de verlichting niet interfereert met de hoogstammige bomen en dat er geen (zijdelingse of opgaande) lichtpollutie is in de richting van de bewoners, waarop de dienst Openbare Werken van de stad Brugge in zijn advies had gewezen. Minstens tonen de verzoekende partijen het tegendeel niet aan. 12.1. Ook wat de in het aanvraagdossier voorziene groenaanplantingen betreft, wordt in het verzoekschrift niet concreet aangegeven welke opmerkingen de verzoekende partijen tijdens het openbaar onderzoek zouden hebben geformuleerd, zodat op dat vlak geen motiveringsgebrek wordt aangetoond. In zoverre de verzoekende partijen eerst in hun laatste memorie X-18.682-23/32 bezwaren in dit verband weergeven en nader toelichten, is hun betoog laattijdig en is het middel onontvankelijk. 12.2. De verzoekende partijen wijzen er in hun verzoekschrift wél op dat de stedelijke dienst Openbaar Domein opmerkingen heeft geformuleerd omtrent het gebrek aan variatie van de boomsoorten op de parksite, de takbreuk- en windworpgevoeligheid van de populieren, het bewortelbaar volume en de wortelgroei van populieren, het vermijden van het planten van bomen in de wadi’s, en de onwenselijkheid van het planten van invasieve soorten. De gemeenteraad heeft kennisgenomen van die opmerkingen en gesteld dat deze “worden meegenomen als een aanbeveling voor de vergunningverlenende overheid”. 12.3. Met de verwerende partij wordt vastgesteld dat de stedelijke dienst Openbaar Domein “insteken en adviezen” wenste te geven die “richtinggevend” kunnen zijn “voor zowel de interne werking van de toekomstige site alsook de relaties tot het openbaar domein”. De dienst suggereerde in dit verband om de boomkeuze van de aanvrager en de aanplant van de voorziene hoogstammen te herbekijken, gelet op het risico voor vroegtijdige afsterving van de bomen. 12.4. Met de verwerende partij en de tussenkomende partijen wordt verder vastgesteld dat er in de verantwoordingsnota bij de aanvraag, waarvan de gemeenteraad kennis heeft genomen, meerdere redenen worden vermeld waarom de populier als boomsoort aangewezen is: “Voormelde keuze is gebaseerd op het feit dat de populier een boomsoort is die (
  6. i)snel het gewenste effect van aankleding van de ruimte biedt, (
  7. ii)een boomsoort is die op termijn een lichtdoorlatend bladerdak zal vormen boven de uitgestrekte parkeerzone, (iii) streekeigen is, (
  8. iv)goed scoort op vlak van biodiversiteit en (
  9. v)bestand is tegen natte en droge perioden. De keuze voor deze soort zorgt er dan ook voor dat de mogelijk hinderaspecten die [uitgaan] van het project op korte termijn zoveel mogelijk kunnen worden beperkt.” X-18.682-24/32 Ook wordt er in de verantwoordingsnota op gewezen dat er in het park “een grote variëteit aan bomen” en “een uitgebreid assortiment van heesters en struiken” voorkomen. 12.5. In het licht van wat voorafgaat en gezien de stukken van het dossier, waaronder de verantwoordingsnota bij de aanvraag, het beplantingsplan en het aan de aanvraag gevoegde bestek, doen de verzoekende partijen niet aannemen dat de beslissing van de gemeenteraad om het aanplantingsplan te behouden en de “richtinggevende” opmerkingen van de dienst Openbaar Domein als een aanbeveling voor de vergunningverlenende overheid te beschouwen, onwettig zou zijn. 12.6. Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat de omgevingsvergunning inzake de groenbeplanting een voorwaarde oplegt, met een aantal verplichtingen tot optimalisatie van het beplantingsplan bij de uitvoering ervan op het terrein, in overleg met de stad Brugge als beheerder van het park. 13.1. De verzoekende partijen uiten in het middel ook kritiek op de “afwaterings- en ontwateringsproblematiek” van het geplande parkdomein, waaraan de gemeenteraad ten onrechte zou zijn voorbijgegaan. 13.2. Ook inzake deze problematiek wordt in het verzoekschrift niet concreet aangegeven welke opmerkingen de verzoekende partijen tijdens het openbaar onderzoek zouden hebben geformuleerd, zodat geen motiveringsgebrek wordt aangetoond. In zoverre de verzoekende partijen eerst in hun laatste memorie concrete bezwaren in dit verband weergeven en nader toelichten, is hun betoog laattijdig en is het middel onontvankelijk. 13.3. Waar de dienst Openbaar Domein in zijn advies inzake de afwaterings- en ontwateringsproblematiek “grondverbetering, voldoende drainage en het voorzien van overloop op de langsgrachten/wadi’s” bepleit, wordt met de tweede tussenkomende partij vastgesteld dat de verzoekende parttijen de gunstige conclusies inzake de waterhuishouding van de watertoets uit de project-MER, dat X-18.682-25/32 onder meer is gesteund op de ‘Waterhuishoudingsstudie voor het nieuwe stadion op site Jan Breydel’ van het adviesbureau A. van 9 oktober 2023 (hierna: de waterhuishoudingsstudie), niet bij hun betoog betrekken. In de niet-technische samenvatting van het project-MER wordt de waterproblematiek als volgt beoordeeld: “[…] Belangrijker is de verharding van het terrein en het als dusdanig af te voeren opgevangen hemelwater. Door het voorzien van 2.725 m³ hemelwaterbuffering in een ringleiding en kleivijver met aansluiting t.h.v. de sanitaire voorzieningen en voor gebruik als irrigatiewater voor het voetbalveld, kan 99-100% van deze verbruiken worden vervangen door hemelwater. Hierbij wordt 52-62% van het hemelwater opgevangen op het dak van het stadion en een deel van de omliggende verharding, goed voor in totaal 3,89 ha, nuttig ingezet. Het water dat niet kan worden hergebruikt, infiltreert in twee volgende vijvers en tussenliggende grachten. De twee laatste vijvers zijn voorzien van permanent water waarbij het bovenste gedeelte dienst doet als infiltratievoorziening. Het hemelwater opgevangen op een ander deel van de omliggende verharding, nl. het supportersplein, goed voor 0,98 ha, infiltreert in een eigen wadi. Het hemelwater opgevangen op de wegenis kan infiltreren in de licht dieper liggende (onverharde) parkeerzones en tussenliggende verlaagde infiltratiestroken. Voor enkele verharde zones zijn ook aanvullende wadi’s voorzien en infiltrerende goten om zeker voldoende infiltratieoppervlak en buffervolume te garanderen. De hemelwatervoorzieningen zijn als dusdanig opgebouwd dat tot en met piekbuien met een terugkeerfrequentie van twintig jaar, statistisch gezien geen overstorten zullen optreden. De eventuele negatieve impact van grote hemelwaterlozingen op de openbare gemengde riolering met overstorten van afvalwater in de waterlopen als gevolg, wordt op die manier significant gemilderd. Er kan wat betreft hemelwaterlozingen een score 0 worden toegekend o.b.v. het voorgestelde beoordelingskader. De ontworpen site voldoet aan de eisen om te worden beschouwd als hemelwaterneutraal. Wanneer dit wordt vergeleken met de score in de referentiesituatie (score - 3), zou kunnen worden gesteld dat het project zelfs een gunstig effect heeft op de waterhuishouding in het algemeen en de hemelwaterhuishouding in het bijzonder (score +3). Er is in de geplande situatie meer ruimte beschikbaar voor overstromingswater. Ook wat dit aspect betreft, is de beoordeling dus gunstig.” 13.4. Terecht merken de verzoekende partijen op dat “de waterhuishouding op openbaar domein” tot de beoordelingsbevoegdheid betreffende de zaak der wegen behoort (Parl. St. Vl. Parl. 2018-19, nr. 1847/1, X-18.682-26/32 p. 45). Zij tonen in het licht van wat voorafgaat en gezien de stukken van het dossier, waaronder het project-MER, de waterhuishoudingsstudie en de verantwoordingsnota bij de aanvraag, evenwel niet aan dat de beslissing van de gemeenteraad om het afwateringssysteem als voldoende te beoordelen en om aan de “bezorgdheid” van de dienst Openbaar Domein tegemoet te komen door voorop te stellen dat er “[b]ij [de] uitvoering van de parkomgeving […] verder in detail [zal] gekeken worden of en waar deze bijkomende overlopen noodzakelijk zullen zijn”, de grenzen van de redelijkheid zou te buiten gaan of anderszins onwettig zou zijn. 13.5. Louter volledigheidshalve wordt opgemerkt dat in de in het administratief dossier opgenomen watertoets wordt vastgesteld dat “[h]et voorgenomen project […] dan ook een gunstig effect [heeft] op de waterhuishouding in het algemeen en de hemelwaterhuishouding in het bijzonder”, en dat “[e]r […] in de geplande situatie meer ruimte beschikbaar [is] voor overstromingswater” en “[o]ok wat dit aspect betreft […] er aldus sprake [is] van een verbetering”. 14.1. Artikel 135, § 2, van de nieuwe gemeentewet bepaalt: “De gemeenten hebben ook tot taak het voorzien, ten behoeve van de inwoners, in een goede politie, met name over de zindelijkheid, de gezondheid, de veiligheid en de rust op openbare wegen en plaatsen en in openbare gebouwen. Meer bepaald, en voor zover de aangelegenheid niet buiten de bevoegdheid van de gemeenten is gehouden, worden de volgende zaken van politie aan de waakzaamheid en het gezag van de gemeenten toevertrouwd: 1° alles wat verband houdt met een veilig en vlot verkeer op openbare wegen, straten, kaden en pleinen, hetgeen omvat de reiniging, de verlichting, de opruiming van hindernissen, het slopen of herstellen van bouwvallige gebouwen, het verbod om aan ramen of andere delen van gebouwen enig voorwerp te plaatsen dat door zijn val schade kan berokkenen, of om wat dan ook te werpen dat voorbijgangers verwondingen of schade kan toebrengen of dat schadelijke uitwasemingen kan veroorzaken; voor zover de politie over het wegverkeer betrekking heeft op blijvende of periodieke toestanden, valt zij niet onder de toepassing van dit artikel; 2° het tegengaan van inbreuken op de openbare rust, zoals vechtpartijen en twisten met volksoploop op straat, tumult verwekt in plaatsen van openbare X-18.682-27/32 vergadering, nachtgerucht en nachtelijke samenscholingen die de rust van de inwoners verstoren; 3° het handhaven van de orde op plaatsen waar veel mensen samenkomen, zoals op jaarmarkten en markten, bij openbare vermakelijkheden en plechtigheden, vertoningen en spelen, in drankgelegenheden, kerken en andere openbare plaatsen; 4° het toezicht op een juiste toemeting bij het slijten van waren (waarvoor meeteenheden of meetwerktuigen gebruikt worden) en op de hygiëne van openbaar te koop gestelde eetwaren; 5° het nemen van passende maatregelen om rampen en plagen, zoals brand, epidemieën en epizoötieën te voorkomen en het verstrekken van de nodige hulp om ze te doen ophouden; 6° het verhelpen van hinderlijke voorvallen waartoe rondzwervende kwaadaardige of woeste dieren aanleiding kunnen geven. 7° het nemen van de nodige maatregelen, inclusief politieverordeningen, voor het tegengaan van alle vormen van openbare overlast.” 14.2. De verwerende partij en de eerste tussenkomende partij werpen terecht op dat luidens de uitdrukkelijke bewoordingen van artikel 135, § 2, tweede lid, 1°, van de nieuwe gemeentewet, de politie over het wegverkeer niet onder de toepassing van dit artikel valt, voor zover zij betrekking heeft op “blijvende of periodieke toestanden”, en dat de bestreden beslissing op een blijvende toestand betrekking heeft, zodat zij niet onder de toepassing van deze bepaling valt. 14.3. Voorts tonen de verzoekende partijen, gelet op wat voorafgaat, hoe dan ook niet aan dat de gemeenteraad met de bestreden beslissing de veiligheid op de openbare wegen en plaatsen in het gedrang zou brengen, of anderszins artikel 135, § 2, van de nieuwe gemeentewet zou schenden. 15.1. Het betoog van de verzoekende partijen dat het park met de wegenis niet of onvoldoende ten dienste van het algemeen belang zou staan, kan evenmin overtuigen. Het feit dat de bestreden beslissing uit een zogenaamd “projectgestuurde” benadering voorkomt, toont dit nog niet aan. De dienstigheid ten aanzien van het algemeen belang wordt in de bestreden beslissing als volgt toegelicht: “Het Olympiapark behoort op heden niet tot het openbaar domein. Het heeft wel een openbaar karakter als doorsteek voor voetgangers en fietsers. X-18.682-28/32 Het volledige park is momenteel volledig bezet met een stadion en oefenvelden. Met uitzondering van de paden tussen het stadion en de oefenvelden is het openbaar karakter dus zeer beperkt. In nieuwe toestand zal het Olympiapark een duidelijk doorwaadbaar park zijn, waarbij men zich vlot van de ene omliggende straat naar de andere zal kunnen verplaatsen. Verder wordt ook het grootste deel van het park beschikbaar gesteld van de omwonenden. Het klopt dat het park op het moment van de matchen wordt afgesloten omdat het dan tijdelijk als parking wordt gebruikt. Dit kan echter in gelijk welke zone van het openbaar domein elders in de stad ook gebeuren. Vaak worden pleinen of straten afgesloten voor evenementen, waardoor het openbaar domein op die locatie tijdelijk niet toegankelijk is zoals het op andere momenten beschikbaar is. […] De gemeenteraad treedt de beoordeling van de aanvrager bij dat het project kadert in het algemeen belang. Het ganse Olympiapark wordt voorzien van verschillende paden en wegen die het park doorkruisen. Grote toegangswegen en een verharde perimeter rond het stadion dragen bij tot de veiligheid van de site op wedstrijddagen, terwijl een fijnmazig net van paden het park doorwaadbaar maken voor buurtbewoners op niet- wedstrijddagen, waar ze kunnen wandelen, lopen of fietsen. De voorziene paden zijn voldoende breed, verhard en bevatten geen grote hoogteverschillen zodat ook rolstoelgebruikers, ouders met kinderwagens en jonge kinderen met loopfietsjes of inlineskates of step ervan kunnen genieten. Gelet op de nabijheid van enkele woonzorgcentra in de buurt is het Olympiapark ook voor hen een troef om hier te komen ontspannen. In de parkzone aan de westzijde van het voetbalstadion worden verschillende zitbanken geïnstalleerd. Verder worden verschillende recreatieve inrichtingen voorzien. Het gaat om een loopparcours, een sprinttrack, drie mini-pitches, tien beweegstations, een ovalen piste, open grasvelden, een verkeersparcours en een speelplein. Het gegeven dat de wegverbindingen tijdens wedstrijden niet toegankelijk zullen zijn, doet aan het voorgaande geen afbreuk: dat gebeurt slechts occasioneel en is ook op vandaag reeds het geval. De privatieve ingebruikneming van het openbaar domein kan door de wegbeheerder worden toegestaan. Een deel van de site wordt ingenomen als permante parking, waarbij iedere bezoeker van het park of de op de site aanwezige functies kan gebruik maken van deze parking. Het gegeven dat de inplanting van het stadion een aanleiding vormt voor de inrichting van het park, impliceert geenszins dat het project niet voldoe[t] aan de doelstellingen en/of principes van het Gemeentewegendecreet. Net zomin als bijvoorbeeld de aanleg van een nieuwe weg in functie van een nieuwe verkaveling of bedrijvenzone dat zou doen. In plaats van de bestaande oefenterreinen zoveel mogelijk te behouden en een klassieke parkeervoorziening (grote parking of parkeergebouw) op het terrein te voorzien, heeft men ervoor geopteerd om voor de omgeving een X-18.682-29/32 groene ruimte te creëren met recreatieve functies. Deze verplaatsing van de bestaande trage wegen op de site is een aanzienlijke verbetering ten opzichte van de bestaande toestand en kadert in een volledig nieuwe inrichting van de Olympiasite. De wegen kunnen niet behouden worden in hun oorspronkelijk configuratie omdat (
  10. i)dat het goed functioneren van de site én het voetbalgebeuren in het gedrang zou brengen (cf. motivering inplanting voetbalstadion in project-MER) en (
  11. ii)de huidige configuratie van gemeentewegen geen logische structuur kent. Het netwerk van verbindingen voor zachte weggebruikers (lopers, fietsers en wandelaars) dat deel uitmaakt van het toekomstige Olympiapark speelt in op de specifieke noden van de verschillende types van zachte weggebruikers. Het park vormt een verbinding tussen de vier omliggende straten in de vier windrichtingen: de Olympialaan in het noorden, de Koning Leopold III-laan in het oosten, de Doornstraat in het zuiden en de Lange Molenstraat in het westen. Bovendien zijn de verbindingen een stuk kwalitatiever en functioneler dan de huidige verbindingen die op de Olympiasite aanwezig zijn. De huidige verbindingswegen worden immers bepaald door de ligging van de verschillende oefenvelden, hetgeen zorgt voor moeizame bochten (90°) en een weinig gestructureerd geheel. Er is geen afscheiding voorzien voor de verschillende types van zachte weggebruikers en de paden zijn slecht onderhouden.” 15.2. De verzoekende partijen stellen in hun memorie van wederantwoord overigens zelf dat “het parkeffect […] en de integratie van het stadion die hierdoor gecreëerd zou worden” wordt ingericht “met oog op het algemeen belang overeenkomstig artikel 4, eerste lid, 1° Gemeentewegendecreet” en dat zij “er alle belang bij [hebben] dat het park op een veilige en duurzame manier wordt ingericht”, nu zij allen “ongetwijfeld in de toekomst gebruik [zullen] willen maken van de doorwaadbaarheid van het park”. 16.1. Het betoog van de verzoekende partijen ten slotte dat het onpartijdigheidsbeginsel is geschonden doordat de stad Brugge belang zou hebben bij de spoedige realisatie van een nieuw stadion omdat zij anders gehouden blijft tot het verder “leveren van financiële inspanningen ter herstelling van het bestaande Jan Breydelstadion”, kan evenmin overtuigen. De omstandigheid dat de stad eigenaar is van de kwestieuze site en dat Club Brugge en Cercle Brugge in het stadion spelen op basis van een gebruiksovereenkomst, is onvoldoende om tot een schending van het onpartijdigheidsbeginsel te besluiten. Met de verwerende partij wordt vastgesteld dat de verzoekende partijen niet aantonen dat de implicaties van X-18.682-30/32 het stadiondossier voor de financiën de gemeenteraad van de stad Brugge zou hebben verhinderd om met de vereiste onpartijdigheid over het wegenisdossier te oordelen. 16.2. In zoverre de verzoekende partijen in hun laatste memorie nog aanvoeren dat het onpartijdigheidsbeginsel geschonden is doordat de gemeenteraad zijn beoordelingsbevoegdheid te buiten gaat, geven zij een nieuwe draagwijdte aan hun middel, en is het middel om die reden onontvankelijk. De desbetreffende ontvankelijkheidsexceptie van de verwerende partij is gegrond. 17. Gelet op wat voorafgaat, wordt geen schending van de aangevoerde rechtsregels aangetoond. 18. Het enige middel wordt verworpen. BESLISSING 1. De verzoeken tot tussenkomst van de nv Club Brugge Development , P.V., C.D., S.D., N.D., E.L., P.N., M.D., N.D., J.V., S.D., K.G., M.V., J.P., K.V., T.V., M.N., S.V., P.S., L.V., W.V., F.V., F.D., K.T., B.E., R.B., R.K., E.V., J.B., V.V., I.D., E.D., J.N., A.V., D.V., A.M., J.K., D.L., C.V., R.V., E.D., M.W., Y.A., M.D., B.M., I.A., P.V., M.H., C.S., J.C., K.V., M.D., J.N., S.V., E.B., G.V., N.J., R.L., G.C., P.R., A.V., C.D., K.L., H.M., M.B., T.M., de BV T.D., N.V., K.S., P.C., F.B., A.D., D.D., A.P., O.W., R.D., F.C., D.M., S.L., T.D., L.G., W.G., C.P., K.I., P.D., J.D., L.V., D.V., H.V., H.D., W.V., W.V., E.L., H.T., P.H., P.L., N.H., P.D., J.V., E.L., S.K., L.H., A.D., M.V., D.A., P.L., M.D., J.V., P.D., J.S., M.D., T.V., C.V., N.B., K.J., M.D., C.C., W.P., T.H., C.W., C.B., C.L., G.P., W.M., J.D., J.L., H.H., A.E., A.L., F.M., F.P., I.V., M.S., M.M., N.B., M.D., D.M., T.D., L.V., P.V., E.D., T.B., E.H., P.B., M.F., S.C., D.D., F.V., L.B., T.D., B.B., K.D., P.L., K.S., N.V., D.V., K.S., M.R., S.H., B.K., C.S., B.B., G.D., K.B., F.B., L.P., E.S., D.V., W.C., R.M., L.M., T.M., E.V., L.P., R.P., C.M., D.S., M.D., G.D., N.M., J.V., D.V., F.V., H.V., N.V., K.V., K.D., A.T., J.W., B.T., F.H. en B.C. worden ingewilligd. X-18.682-31/32 2. De Raad van State verwerpt het beroep. 3. De verzoekende partijen worden, elk voor een zeventiende, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 3.400 euro en een bijdrage van 24 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partijen worden, elk voor een honderdtweeënnegentigste, verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 28.800 euro. 4. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partijen niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zesentwintig januari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Jan Clement X-18.682-32/32 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.577 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.