← België

Arrest 265578 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 26/01/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.578 Rolnummer: A. 242261/IX-10484 Zaak: Arrest 265578 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 26/01/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-01-27 Raadplegingen: 176 - laatst gezien 2026-06-18 06:25 Fiche Arrest nr 265.578 van 26 januari 2026 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 265.578 van 26 januari 2026 in de zaak A. 242.261/IX-10.484 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hilde Minnen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Ballaarstraat 69-71/5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de UNIVERSITEIT GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Jade Leenaert kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 21 juni 2024, strekt tot de nietigverkla- ring van de beslissing van de Universiteit Gent om verzoeker niet voor te dragen voor heraanstelling in zijn mandaat als deeltijds (10%) hoofddocent vanaf 1 okto- ber 2024, zoals die impliciet blijkt uit de voordrachtbeslissingen van de vakgroep- raad Informatietechnologie van de faculteit Ingenieurswetenschappen en Architec- tuur van 28 februari 2024. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 263.681 van 23 juni 2025 is het debat heropend. IX-10.484-1/13 Eerste auditeur Wendy Depester heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 januari 2026. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Hilde Minnen, die verschijnt voor de verzoekende par- tij en advocaat Fien Duymelinck, die loco advocaten Sofie Logie en Jade Leenaert verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Voor een overzicht van de voor deze zaak relevante feiten mag worden verwezen naar tussenarrest nr. 263.681 van 23 juni 2025. IX-10.484-2/13 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 4. In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motive- ring van de bestuurshandelingen’, evenals de schending van het vertrouwensbegin- sel, de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene be- ginselen van behoorlijk bestuur. Verzoeker argumenteert in een eerste middelonderdeel, over de schending van het vertrouwensbeginsel, dat de vakgroepvoorzitter op 31 maart 2022 in een engagementsverklaring aangaf dat zijn heraanstelling was opgenomen in het beleidsplan van de vakgroep zoals ingediend bij de faculteit. Verzoeker be- schouwt deze verklaring als “een constitutieve administratieve beslissing waaruit [hij] rechten kan putten”. De verwerende partij houdt hiermee evenwel geen reke- ning en motiveert niet op grond waarvan verzoeker niet in aanmerking komt voor een heraanstelling in zijn mandaat vanaf 1 oktober 2024. Daarbij geeft verzoeker nog aan dat de beleidslijn van de verwerende partij tot 22 februari 2024 altijd is geweest “dat de aanvraag voor heraanstelling automatisch gebeurt en de heraan- stelling zelf ook bij wijze van automatisme wordt bevestigd door de faculteit”. Ook wijst verzoeker er nog op dat uit het feit dat hij werd aangewezen als promotor voor de volledige duur van het doctoraat van vijf doctoraatsstudenten, die ver- wachte afstudeerdata hebben ná 30 september 2024, evenals uit het feit dat hij als leider werd aangewezen van het ETAIN project met einddatum in 2027, dat de verwerende partij altijd van plan was om zijn mandaat te verlengen. Daarbovenop komt nog dat verzoekers werkzaamheden binnen de vakgroep consistent zeer gun- stig werden beoordeeld, zodat hij ook daaruit de rechtmatige verwachting kon put- ten dat zijn mandaat zou worden verlengd. De engagementsverklaring van 31 maart IX-10.484-3/13 2022 en zijn bevordering tot hoofddocent eerste salarisschaal vormen hier enkel de bevestiging van. De verwerende partij dient dit vertrouwen te honoreren. In een tweede middelonderdeel betoogt verzoeker dat de bestre- den beslissing niet is gemotiveerd. De verwerende partij stelt eenvoudigweg dat verzoeker niet structureel betrokken is bij de activiteiten van de vakgroep, maar hij betwist dit. Bijkomend wijst verzoeker erop dat er een tweede mogelijkheid bestaat voor de vakgroep om de heraanstelling van een ZAP-mandataris te vragen, name- lijk wanneer deze mandataris een belangrijke strategische meerwaarde voor de vakgroep biedt. Deze mogelijkheid werd niet overwogen door de verwerende par- tij. Een zorgvuldig bestuur had nochtans de concrete feiten en stukken uit het ad- ministratief dossier moeten raadplegen en vaststellen dat deze strijden met de be- streden beslissing. De belangrijke strategische meerwaarde blijkt volgens verzoe- ker onder meer uit de engagementsverklaring van 31 maart 2022, waarin gesproken wordt van een “grote inzet in hoofde van verzoeker voor wetenschappelijk onder- zoek en het onderwijs dat hem is toevertrouwd” en zijn “uitstekend wetenschappe- lijk track record”. 5. Over het tweede middelonderdeel argumenteert de verwerende partij in de memorie van antwoord dat de impliciete beslissing tot het niet heraan- stellen van verzoeker geen motivering vereist, “aangezien er geen enkele wettelijke basis is die [haar] zou nopen tot het nemen van een beslissing”. Verzoeker heeft overigens niet om zijn heraanstelling gevraagd. Ondergeschikt wordt opgemerkt dat in de e-mail van 22 april 2024 gericht aan de PhD-studenten wel degelijk wordt aangegeven dat verzoeker geen betrokkenheid meer heeft bij de activiteiten van de vakgroep. Door een diepgaandere motivering te eisen, komt verzoeker op het vlak van “de motieven van de motieven” en zover reikt de motiveringsplicht niet. Bo- vendien is er, in hoofde van verzoeker, geen recht op een heraanstelling en dus moet zij niet motiveren waarom zij hem niet opnieuw wenst aan te stellen. Zelfs in de mate dat verzoeker zou menen dat hij structureel betrokken is of ook een meer- waarde biedt, kan enkel maar worden vastgesteld dat hij hiervan geen enkel bewijs voorlegt, of zelfs geen begin van bewijs. Nogmaals wijst de verwerende partij erop IX-10.484-4/13 dat verzoeker niet structureel betrokken is bij de activiteiten van de vakgroep: hij is voor 90% verbonden als professor aan de City University of New York en zij heeft geen enkele structurele band met deze instelling; hij heeft geen enkel opvol- gingstraject aangevraagd dat succesvol is; hij heeft niet aan haar laten weten aan welke universiteit hij verder betrokken is; … Verzoeker is evenmin een belangrijke strategische meerwaarde voor de vakgroep aangezien zijn expertise reeds aanwezig is bij andere leden. De resultaten van eventuele evaluaties van verzoeker tijdens de looptijd van zijn mandaat creëren op zich genomen geen rechten op een eventuele heraanstelling. Zij heeft volledig in overeenstemming met haar beleidslijn gehan- deld. Het kan haar evident niet ten kwade worden geduid dat zij rechtens bij deel- tijdse aanstellingen het beleid voert dat zij zich in een context van schaarste aan personeelsmiddelen als facultair personeelsbeleid heeft voorgenomen te voeren. Het komt de Raad van State niet toe het feitenonderzoek over te doen en zich aldus, wat de appreciatie van de zaak betreft, in de plaats te stellen van de verwerende partij. 6. In haar laatste memorie na het aanvullend verslag onderstreept de verwerende partij dat de aanstelling van verzoeker van rechtswege een einde nam op 30 september 2024. Zij betoogt dat zij “dan ook in principe niet gehouden [is] om te motiveren waarom ze niet heraanstelt”. Verzoeker heeft geen recht op een heraanstelling. Het beleidsplan voorziet enkel in de mogelijkheid, indien de vakgroep dit wenst, om een ZAP-lid heraan te stellen. Zélfs in het geval van struc- turele betrokkenheid of een belangrijke strategische meerwaarde is er géén enkele verplichting om het ZAP-lid opnieuw voor te dragen. Het is niet omdat een ZAP- lid aan deze voorwaarde voldoet dat hij dan ook gerechtigd zou zijn op heraanstel- ling. Dit wordt nergens bepaald. De vakgroep besliste op 28 februari 2024 om maar voor twee deeltijdse ZAP-collega’s de heraanstelling te vragen. Daarbij werd dan telkens wél de structurele betrokkenheid en strategische meerwaarde gemotiveerd. Er werd al- dus geen gemotiveerd voorstel ingediend door de vakgroep voor verzoeker. Het is IX-10.484-5/13 met andere woorden het voorstel tot heraanstelling dat moet worden gemotiveerd, niet het ontbreken ervan. Ondergeschikt, betwist de verwerende partij dat verzoeker een “structurele betrokkenheid” of “strategische meerwaarde” zou hebben voor de vak- groep. Zij verwijst naar de memorie van antwoord. De elementen die verzoeker in zijn verzoekschrift – dus a posteriori – aanhaalt, zijn overigens allemaal elementen die aan de vakgroep bekend waren op 28 februari 2024 en dus ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing, en dus waarmee de verwerende partij rekening heeft gehouden. Beoordeling a. eerste middelonderdeel 7. Het vertrouwensbeginsel houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op toezeggingen of beloften die het bestuur in een concreet geval heeft gedaan of op wat door hem niet anders kan worden opgevat dan als een vaste ge- dragslijn of beleidsregel van het bestuur op grond waarvan dat bestuur de door hem opgewekte gerechtvaardigde verwachtingen niet mag beschamen. 8. Verzoeker leest vooreerst in de zogenaamde engagementsver- klaring van 31 maart 2022 een concrete toezegging, méér zelfs, een beslissing over zijn heraanstelling. Verzoeker neemt zijn wensen voor waarheid; de Raad van State volgt hem daarin niet. Het schrijven van 31 maart 2022 gaat uit van de vakgroepvoor- zitter Informatietechnologie en kan dus alleszins niet worden gezien als een beslis- sing van het bestuurscollege van de verwerende partij, de voor een heraanstelling bevoegde overheid. IX-10.484-6/13 Voorts betreft deze brief een engagementsverklaring “m.b.t. de beschikbaarheid van [verzoeker] als promotor-woordvoerder van een FWO-pro- jectaanvraag”. De vakgroepvoorzitter engageert zich dat verzoeker een tijdelijk contract zal worden aangeboden zodat hij “in staat [is] voor de volledige duur van het betrokken FWO-project als promotor-woordvoerder op te treden”. Het is in dat licht dat de heraanstelling “is voorzien in het beleidsplan van de vakgroep”. Het engagement is met andere woorden verbonden aan de vol- tooiing van verzoekers FWO-project. Verzoeker kan hieraan geen toezegging of verwachting ontlenen buiten die context. Hij heeft zijn FWO-mandaat stopgezet, zodat het engagement zonder voorwerp is. 9. Voorts wijst verzoeker op een vaste praktijk met betrekking tot heraanstellingen. Wat die praktijk van de verwerende partij moge zijn geweest vóór einde februari 2024, het is een feit dat de vakgroep het beleid over heraanstellingen vanaf dan heeft vastgelegd in het beleidsplan EA05 2024-2028 tijdens overleg waarbij verzoeker overigens is betrokken. In dit plan, waarvan de definitieve versie op 26 februari 2024 aan de leden van de vakgroepraad is bezorgd, is over de strategische visie en de daaruit voortvloeiende beleidslijn in verband met heraanstellingen en benoemingen van deeltijdse ZAP-profielen het volgende te lezen: “2. Deeltijdse ZAP-profielen De vakgroep bevestigt haar visie om, in de huidige context, deeltijdse ZAP- mandaten, bedoeld om een hoofdzakelijk onderzoeksprofiel uit te bouwen, met een onderwijsopdracht die zich vooral richt op gespecialiseerde keuze- vakken op masterniveau, te beperken tot een 10%-mandaat. Deze beperking biedt de mogelijkheid om ZAP-perspectief te bieden in meerdere onder- zoeksdisciplines waarin de vakgroep wenst te investeren. De 10%-mandaten zijn vanuit strategisch oogpunt bedoeld om een aantal be- loftevolle onderzoekers de kans te bieden hun onderzoeksloopbaan verder uit te bouwen. Deze mandaten zijn bedoeld als hefboom te fungeren, waarbij de betrokkenen binnen de vakgroep de facto een belangrijk percentage (en bij voorkeur voltijds) van hun tijd actief zijn. Op die manier kunnen zij dan ook (beperkt) voor onderwijs ingezet worden, en kunnen ze voornamelijk actief zijn rond het begeleiden van doctoraten en fondsenwerving. Fondsenwerving IX-10.484-7/13 is in dit kader een belangrijk aandachtspunt, en het deeltijds ZAP-statuut is hierbij dikwijls een vereiste. Vanuit deze strategische visie zal de vakgroep dan ook volgende beleidslijn hanteren i.v.m. heraanstellingen/benoemingen van deeltijdse collega’s: (

  1. i)indien de deeltijdse ZAP-mandataris verder structureel betrokken is bij de activiteiten van de vakgroep, wordt de beleidsruimte voor heraanstelling voorzien. Deze heraanstelling is uiteraard op voorwaarde van positieve eva- luatie van de activiteiten van de mandataris. Deze structurele betrokkenheid kan zich o.m. uiten in een tewerkstelling in vast verband bij een strategische onderzoekspartner van de vakgroep (via een wel uitgebouwde onderzoeks- alliantie met deze partner). Indien reglementair mogelijk, wordt tevens de omzetting van aanstelling naar benoeming aangevraagd, om het vertrouwen in een duurzame samenwerking tussen de vakgroep en deze mandataris te bevestigen. (
  2. ii)indien de deeltijdse ZAP-mandataris verder niet structureel betrokken is bij de activiteiten van de vakgroep, wordt de heraanstelling niet automatisch aangevraagd. Enkel indien een belangrijke strategische meerwaarde (bv. via het inbrengen van expertise door de mandataris die in de vakgroep (nog) niet aanwezig
  3. is)kan aangetoond worden, zal de heraanstelling door de vakgroep aangevraagd worden.” Het is een bestuur niet verboden om haar beleid bij te stellen en verzoeker voert niet de onwettigheid aan van dat nieuwe beleid. Hij kan dan ook geen vaste verwachtingen puren uit het feit dat de verwerende partij voorheen mo- gelijk anders omging met heraanstellingen. 10. Het vertrouwensbeginsel is niet geschonden. Het eerste middel- onderdeel is ongegrond. b. tweede middelonderdeel 11. De bestreden beslissing is een impliciete beslissing, waarop de formelemotiveringswet niet van toepassing is. In zoverre het middelonderdeel het anders ziet, faalt het naar recht. IX-10.484-8/13 Om die reden faalt ook het verweer van de verwerende partij, in zoverre het betrekking heeft op het (niet) uitdrukkelijk moeten motiveren van haar weigering tot heraanstelling. 12. Het nieuwe beleidsplan 2024-2028 is hiervóór aangehaald. Daarin heeft de vakgroep zich ertoe bepaald om inzake heraanstellingen en benoe- mingen van deeltijdse ZAP-mandatarissen de volgende beleidslijn te hanteren. Indien de deeltijdse ZAP-mandataris “verder structureel betrok- ken is bij de activiteiten van de vakgroep”, “wordt [in] de beleidsruimte voor her- aanstelling voorzien”. Anders dan de verwerende partij het ziet, leest de Raad hierin wél een zichzelf opgelegde verplichting om deze mandatarissen voor een nieuwe aanstelling voor te dragen en zelfs om die heraanstelling te verlenen – waarbij in het midden mag blijven of ook het bestuurscollege door die beleidslijn van de vakgroep gebonden is. Indien de deeltijdse ZAP-mandataris “verder niet structureel be- trokken is bij de activiteiten van de vakgroep”, wordt de heraanstelling níét auto- matisch aangevraagd. In die gevallen is een eventuele aanvraag tot heraanstelling inderdaad optioneel. Maar hiervan wordt afgeweken “indien een belangrijke stra- tegische meerwaarde […] kan aangetoond worden” – bijvoorbeeld een expertise in hoofde van de mandataris die in de vakgroep nog niet aanwezig is. Dan “zal de heraanstelling door de vakgroep aangevraagd worden”, wat andermaal een ver- plichting vastlegt. De Raad stipt hierbij aan dat het bij deze tweede categorie niet gaat om een verplichting tot heraanstelling – of de tegenhanger daarvan voor het personeelslid: een recht op heraanstelling – maar enkel een zichzelf opgelegde ver- bintenis om de heraanstelling aan te vragen; de uiteindelijke beslissing valt het be- stuurscollege toe. 13. Met een e-mailbericht van 9 januari 2024 wordt aan de vak- groepvoorzitter meegedeeld dat de tijdelijke aanstellingen van twee ZAP-leden – onder wie verzoeker – en drie gastprofessoren op 30 september 2024 een einde IX-10.484-9/13 nemen en wordt gevraagd om, indien er heraanstellingen gewenst zijn, tegen 1 maart 2024 het verslag van de vakgroepvergadering met de bespreking van de gemotiveerde voorstellen tot heraanstelling te bezorgen aan de faculteit. Gevolg gevend aan die vraag buigt de vakgroepraad zich dan op 28 februari 2024 over de vraag of, en zo ja welke voorstellen tot heraanstelling worden geformuleerd, wetende dat de tijdelijke mandaten van twee ZAP-leden – onder wie dat van verzoeker – en drie gastprofessoren op 30 september 2024 zouden aflopen. Tot besluit van die vergadering beslist de vakgroep om voor één ZAP-lid en één gastprofessor een gemotiveerd voorstel tot hernieuwing van de aan- stelling in te dienen bij de faculteit. 14. In het tussenarrest heeft de Raad van State al uiteengezet waarom het verzoeker in die omstandigheden niet mag worden verweten dat hij niet uit- drukkelijk om zijn heraanstelling heeft verzocht, hetgeen procedureel ook niet is vereist. De verwerende partij heeft immers op dat moment impliciet maar zeker de situatie van de vijf mandatarissen, onder wie verzoeker, onderzocht en geoordeeld dat verzoekers heraanstelling niet wordt gevraagd. Overigens, louter ten over- vloede, stelt de Raad vast dat de verwerende partij opvallend niet beweert dat de twee collega’s die voor heraanstelling werden voorgedragen wél om die heraan- stelling hadden verzocht, noch legt zij zulke aanvragen neer. 15. Het valt inderdaad niet de Raad van State toe, zoals de verwe- rende partij terecht opmerkt, om in de plaats van het bestuur de kwaliteiten van verzoeker te beoordelen in het licht van de criteria voor heraanstelling. Dat betekent dan ook, dat de Raad ter beoordeling van de nale- ving van de materiëlemotiveringsplicht – met andere woorden, van de rechtens ver- eiste feitelijke grondslag – en van het zorgvuldigheidsbeginsel enkel acht mag slaan op de gegevens die ten tijde van de bestreden beslissing bij de vakgroepraad IX-10.484-10/13 aantoonbaar voorlagen en niet met gegevens of argumenten die de verwerende par- tij achteraf in haar procedurestukken ontwikkelt, maar waarvan niet blijkt dat ze bij de beslissing ook hebben meegespeeld. Welnu, zoals uit het dossier dat aan de Raad van State is voorge- legd blijkt, en zoals de verwerende partij overigens zelf aangeeft, is de vakgroep er voor twee collega’s van verzoeker in geslaagd de redenen aan te geven waarom zij voor heraanstelling worden voorgedragen. Wat verzoeker betreft, valt nergens in het dossier enig stuk te vinden dat aan de vakgroep is voorgelegd en waaruit die vakgroep op 28 februari 2024 vermocht te concluderen dat verzoeker niet voldoet aan een van de beide voorwaarden die in het beleidsplan zijn opgenomen. Het mag dan zo zijn dat de titels en verdiensten van verzoeker aan die vakgroep bekend waren, zoals de verwerende partij argumenteert, maar of en hoe ze zijn afgewogen is niet in het aan de Raad voorgelegde dossier terug te vinden. Zelfs indien rekening mag worden gehouden met de naderhand verstuurde e-mail van de vakgroepvoorzitter van 22 april 2024 aan de PhD-studen- ten, waarin wordt meegedeeld dat verzoeker niet zou worden heraangesteld omdat hij niet verder structureel betrokken is bij de activiteiten van de vakgroep, dan leert dit bericht niets over de andere mogelijkheid tot heraanstelling over de belangrijke strategische meerwaarde. Die e-mail zou dan net aantonen dat de tweede voor- waarde geheel niet is onderzocht door de vakgroep, daargelaten nog dat als gezien ook van het onderzoek van de eerste voorwaarde geen spoor in het dossier is te vinden. In zoverre ontbreekt de rechtens vereiste feitelijke grondslag van de bestreden beslissing, is de materiëlemotiveringsplicht geschonden en geeft de verwerende partij er niet blijk van het dossier van verzoeker zorgvuldig te hebben onderzocht. 16. In die mate is het tweede middelonderdeel gegrond. IX-10.484-11/13 c. besluit 17. Het tweede middelonderdeel is in de aangegeven mate gegrond. Het middel is voor het overige deels onontvankelijk, deels ongegrond. B. Tweede middel 18. Het onderzoek van het auditoraat bleef beperkt tot het eerste middel. Verzoeker heeft niet gevraagd om ook het tweede middel te onderzoeken, ongeacht of het tot een ruimere nietigverklaring kan leiden. Overeenkomstig artikel 24, tweede lid, van de RvS-Wet, spreekt de Raad zich dan ook (enkel) uit over de conclusies van het auditoraatsverslag. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de beslissing van de Universiteit Gent om XXXX niet voor te dragen voor heraanstelling in zijn mandaat als deeltijds (10%) hoofddocent vanaf 1 oktober 2024, zoals die impliciet blijkt uit de voor- drachtbeslissingen van de vakgroepraad Informatietechnologie van de facul- teit Ingenieurswetenschappen en Architectuur van 28 februari 2024. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nie- tigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de ver- zoekende partij. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-10.484-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zesentwintig januari tweeduizend zesen- twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.484-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.578 Gerelateerde publicatie(
  4. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.681 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.