← België

Arrest 265585 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 27/01/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.585 Rolnummer: A. 241691/VII-42486 Zaak: Arrest 265585 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 27/01/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-02-03 Raadplegingen: 167 - laatst gezien 2026-06-18 06:27 Fiche Arrest nr 265.585 van 27 januari 2026 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 265.585 van 27 januari 2026 in de zaak A. 241.691/VII-42.486 In zake : de BV HOCREA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Geelen kantoor houdend te 3500 Hasselt Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : F.V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47, bus 001 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 15 april 2024, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2324-0507 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 7 maart 2024 in de zaak 2324-RvVb-0124-A. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 14 juni
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-42.486-1/7 Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft op 4 juni 2025 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 januari
  4. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Julie Beausaert, die loco advocaat Koen Geelen verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Thalia Aquino, die loco advocaat Kristien Vanderheiden verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. De verzoekende partij exploiteert een feestzaal en een achterliggende chalet. Zij meldt bij het college van burgemeester en schepenen van Diepenbeek de exploitatie van klasse 3 - activiteiten. VII-42.486-2/7 3.
  7. Bij beslissing van 5 september 2023 neemt het college van burgemeester en schepenen akte van de melding voor de compressoren en geluidsinstallatie in de feestzaal, doch weigert hij akte te nemen van de melding voor de geluidsinstallatie in de achterliggende chalet. 3.
  8. De verwerende partij stelt hiertegen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) een beroep in. Het bestreden arrest vernietigt de beslissing van 5 september
  9. IV. Onderzoek van het middel tot nietigverklaring Uiteenzetting van het middel
  10. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, de artikelen 109, 111 en 113 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: omgevingsvergunningsdecreet), en artikel 5.4.3, § 3, van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM).
  11. Zij komt op tegen de beoordeling van het bestreden arrest dat het college van burgemeester en schepenen de gemelde inrichtingen niet met de voldoende zorgvuldigheid heeft onderzocht, met name door een onvoldoende onderzoek te voeren naar de stedenbouwkundige regelmatigheid van het gebouw, de planologische verenigbaarheid en de hinderlijkheid van de activiteit.
  12. De verzoekende partij wijst op artikel 111, eerste lid, van het omgevingsvergunningsdecreet, op grond waarvan de aktenemende overheid enkel mag controleren of de gemelde handelingen meldingsplichtig zijn, niet verboden worden door artikel 5.4.3, § 3, DABM, en niet verboden worden door artikel 4.2.2, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO). Volgens de verzoekende partij heeft de RvVb geen van de drie in artikel 111 van het omgevingsvergunningsdecreet vermelde toetsingsgronden aangehaald om de VII-42.486-3/7 aktename te sanctioneren. De RvVb zou niet vaststellen dat de gemelde handelingen niet meldingsplichtig zijn, dat de gemelde handelingen verboden zijn door enige algemene of sectorale voorwaarde bedoeld in artikel 5.4.3, § 3, DABM, of dat de handelingen verboden zijn op grond van artikel 4.2.2, § 1, VCRO. Het bestreden arrest gaat dan ook volgens de verzoekende partij over tot vernietiging van de aktename op grond van andere toetsingsgronden dan deze die op grond van artikel 111 van het omgevingsvergunningsdecreet mochten gehanteerd worden. De schending van artikel 111 van het omgevingsvergunningsdecreet volgt volgens de verzoekende partij ook uit de omstandigheid dat de RvVb het zorgvuldigheidsbeginsel hanteert als norm die de aktenemende overheid moet aanzetten tot een scherpere beoordeling en motivering van haar oordeel. Hiermee zou het bestreden arrest aan artikel 111 van het omgevingsvergunningsdecreet een invulling geven die deze bepaling niet heeft. Er kan volgens de verzoekende partij geen discussie bestaan dat de drie toetsingscriteria van artikel 111 van het omgevingsvergunningsdecreet correct zijn beoordeeld door het college van burgemeester en schepenen, zodat de RvVb de aktename niet strenger mocht beoordelen op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel. De schending van artikel 111 van het omgevingsvergunningsdecreet volgt volgens de verzoekende partij ten slotte ook uit de omstandigheid dat geen van de drie elementen die volgens de RvVb onvoldoende werden gecontroleerd door het college van burgemeester en schepenen (stedenbouwkundig vergund zijn, planologische overeenstemming en beweerde hinderlijkheid) konden leiden tot de vernietiging van de aktename. Door te oordelen dat het college heeft nagelaten een onderzoek uit te voeren naar de stedenbouwkundige vergunningssituatie of de planologische overeenstemming, zou de RvVb immers een voorwaarde toevoegen aan artikel 111 van het omgevingsvergunningsdecreet en artikel 5.4.3, § 3, DABM. Met betrekking tot het onderzoek van de hinderlijkheid, merkt de verzoekende partij op dat voor meldingsplichtige inrichtingen sowieso geldt dat ze een eerder beperkte VII-42.486-4/7 hinderlijkheid hebben. Vervolgens wijst zij erop dat het college van burgemeester en schepenen in deze zaak de nodige aandacht heeft geschonken aan het vermijden van hinder, nu hiertoe voldoende voorwaarden werden bepaald, en tegelijk de planologische overeenstemming met het woongebied heeft bevestigd. Uit het voorgaande zou volgens de verzoekende partij volgen dat de RvVb motieven heeft gehanteerd die juridisch niet relevant zijn om de aktename van gemelde handelingen te beoordelen, zodat hij artikel 149 van de Grondwet, samen met artikel 111 van het omgevingsvergunningsdecreet, zou hebben geschonden. Beoordeling
  13. Het bestreden arrest oordeelt: “Bij [het onderzoek van de melding] moet [het college van burgemeester en schepenen] in de eerste plaats onderzoeken of de handelingen/activiteiten waarvoor een aktename wordt gevraagd, als louter meldingsplichtig kunnen worden aangemerkt. Een melding kan slechts gedaan worden voor meldingsplichtige stedenbouwkundige handelingen, een meldingsplichtige exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten die het project omvat of een combinatie hiervan (artikel 106 Omgevingsvergunningsdecreet). Een melding kan evenmin worden gedaan voor een project dat elementen bevat die zowel aan de meldingsplicht als aan de omgevingsvergunningsplicht zijn onderworpen en die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Een dergelijk project moet verplicht met de procedure tot omgevingsvergunning aangevraagd worden waarbij de gebeurlijke omgevingsvergunning geldt als aktename voor het meldingsplichtige deel (artikel 7 Omgevingsvergunningsdecreet). […] Uit de aanvraag blijkt dat de [verzoekende partij in cassatie] melding doet van een ‘nieuwe’ inrichting of ingediende activiteit van klasse 3, terwijl uit de feitelijke gegevens van het dossier blijkt dat de melding, toch minstens voor de muziekinstallatie, een regulariserend karakter heeft. [Het college van burgemeester en schepenen] had de aanvraag tot aktename dan ook met de nodige zorgvuldigheid en precisie moeten onderzoeken omdat ze reeds op de hoogte was van een aantal feitelijke gegevens zoals blijkt uit de stukken die de [verwerende partij in cassatie] voorlegt, waaronder de vermelde bouwovertredingen in het proces-verbaal van 26 mei 2008 […] zoals het ‘[u]itbreiden van feestzaal met een veranda’ dat ‘volgens de vroegere VII-42.486-5/7 goedgekeurde plannen [was] bestemd als terras’. Volgens het voorgelegde deskundigenverslag […] is die veranda ‘deel van de (feest)zaal’, wat ook blijkt uit de foto’s waarover de [RvVb] beschikt. Ook bevat de bestreden beslissing geen volledige historiek van de (stedenbouwkundige) vergunningstoestand van de site van de [verzoekende partij in cassatie]. Het overzicht in de bestreden beslissing vermeldt op dit punt enkel de weigering van een vergunning van 6 augustus 2020 en niet het voormeld proces-verbaal en de hierin vermelde vergunning van 4 augustus
  14. Noch [het college van burgemeester en schepenen] noch de [verzoekende partij in cassatie] betwist het bestaan van laatstgenoemde twee documenten, terwijl het niet-ondertekende plan ‘19921124 Feestzaal veranda’ van latere datum lijkt dan de verleende vergunning van 4 augustus 1992, die betrekking lijkt te hebben op het bouwen van de feestzaal en waar enkel volgens het plan 19920705 een niet-overdekt terras voorzien is. Het is de taak van [het college van burgemeester en schepenen] om na te gaan of de gemelde activiteiten voor de feestzaal niet verbonden zijn met andere (al dan niet te regulariseren) meldings- of vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen of activiteiten. Dit is niet gebeurd in de bestreden beslissing. De [RvVb] kan daarover zijn oordeel niet in de plaats stellen van [het college van burgemeester en schepenen], te meer omdat hij niet beschikt over de vermelde milieuvergunningen in de bestreden beslissing noch over voormelde stedenbouwkundige vergunning van
  15. […] Het argument van de [verzoekende partij in cassatie] dat ‘de inrichtingen die zij nu gemeld heeft en waarvan [het college van burgemeester en schepenen] akte heeft genomen, exact dezelfde toestellen/inrichtingen zijn die bij [het college van burgemeester en schepenen] reeds gemeld zijn in 2016’ spreekt [het college van burgemeester en schepenen] (minstens deels) tegen. De bestreden beslissing stelt hierover terecht dat de meldingsakte van 29 november 2016 zich beperkte tot de feestzaal en geen betrekking had op de chalet, waarbij volgens de vermelde historiek in de bestreden beslissing er ook sprake was van ‘stopzetting rubriek 32.1.1’ (muziekinstallatie) door een rechtsvoorganger van de [verzoekende partij in cassatie] in 2017.”
  16. Het middel bevat geen kritiek op deze beoordeling op grond waarvan de onwettigheid van de voor de RvVb bestreden beslissing wordt vastgesteld, en die de vernietiging waartoe de RvVb is overgegaan in het beschikkend gedeelte van het bestreden arrest, voldoende verantwoordt. De verzoekende partij betrekt de kritiek dat de RvVb ten onrechte een zorgvuldigheidstoets heeft uitgevoerd enkel op het onderzoek van de overeenstemming van de melding met de voorwaarden van artikel 111 van het omgevingsvergunningsdecreet, en niet op het in de hoger aangehaalde motieven VII-42.486-6/7 bedoelde onderzoek van de conformiteit van de melding met artikel 7 van het omgevingsvergunningsdecreet. Het middel wordt dan ook gericht tegen overtollige motieven van het bestreden arrest en is bijgevolg niet ontvankelijk. BESLISSING
  17. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  18. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zevenentwintig januari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Francis Van Nuffel, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.486-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.585 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.