← België

Arrest 265586 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 27/01/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.586 Rolnummer: A. 240406/VII-42250 Zaak: Arrest 265586 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 27/01/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-02-03 Raadplegingen: 170 - laatst gezien 2026-06-18 06:27 Fiche Arrest nr 265.586 van 27 januari 2026 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 265.586 van 27 januari 2026 in de zaak A. 240.406/VII-42.250 In zake : de VZW MILIEUFRONT OMER WATTEZ woonplaats kiezend te 9700 Oudenaarde Dijkstraat 75 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gwijde Vermeire kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 301 tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de OV FARYS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Devers kantoor houdend te 9000 Gent Kouter 71-72 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 31 oktober 2023, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2324-0062 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 28 september 2023 in de zaak 2223-RvVb-0207-A. VII-42.250-1/13 II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 4 januari
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De opdrachthoudende vereniging Farys heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 20 februari
  4. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft op 26 maart 2025 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 januari
  5. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gwijde Vermeire, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Angelique Van de Meirssche, die loco advocaat Veerle Tollenaere verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Patrick Devers, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-42.250-2/13 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Regelmatigheid van de rechtspleging
  7. De verzoekende partij heeft op de zitting van 8 januari 2026 een pleitnota neergelegd. Het cassatieprocedurebesluit voorziet niet in de mogelijkheid om na de kennisgeving van het auditoraatsverslag nog een schriftelijke uiteenzetting in te dienen. In zoverre de pleitnota een schriftelijke voorbereiding vormt van de mondelinge uiteenzetting op de terechtzitting, wordt zij beschouwd als een loutere inlichting. IV. Feiten 4.
  8. De deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen verleent aan de tussenkomende partij een omgevingsvergunning voor de aanleg van een gecontroleerd overstromingsgebied op de waterloop Broekbeek te Lierde. De verzoekende partij tekent hiertegen bestuurlijk beroep aan. 4.
  9. Met een beslissing van 21 oktober 2022 verklaart de verwerende partij het bestuurlijk beroep ongegrond, en verleent zij de omgevingsvergunning. 4.
  10. Het bestreden arrest verwerpt het beroep van de verzoekende partij tot vernietiging van de beslissing van 21 oktober
  11. VII-42.250-3/13 V. Onderzoek van de middelen tot nietigverklaring A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  12. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 32 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC), artikel 149 van de Grondwet en de rechterlijke motiveringsplicht.
  13. Zij komt op tegen de beslissing van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) tot verwerping van het middelonderdeel waarin zij kritiek uitoefende op de voor het betwiste project uitgevoerde ‘natuurtoets’ zoals bedoeld in artikel 16, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997 ‘betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu’ (hierna: natuurdecreet), en viseert daarbij volgende motieven van het bestreden arrest: “De stelling van de verzoekende partij komt er op neer dat aangezien het vergunde project tot doel heeft ‘de wateroverlast net afwaarts in de Broekstraat maximaal te voorkomen’ en er net afwaarts het [gecontroleerd overstromingsgebied] het bos van het type 91E0 voorkomt en dit type nood heeft aan overstromingen om in stand gehouden te kunnen worden, er dus sprake is van schade aan deze natuurwaarden door het project. Ze verwijt aan de verwerende partij en aan het ANB deze schade niet te hebben onderzocht en ze stelt dat dit ook niet onderzocht werd in de passende beoordeling omdat het bos niet is gelegen binnen een [speciale beschermingszone]. De verzoekende partij steunt dit onderdeel duidelijk op de premisse dat een ‘alluviaal’ bos niet kan in stand gehouden worden zonder overstromingen. De ‘natuurtoets’ in de bestreden beslissing luidt als volgt: ‘Natuurtoets Gezien de ligging van de aanvraag werd bij de aanvraag een passend beoordeling/verscherpte natuurtoets gevoegd. Volgens de biologische waarderingskaart betreffen de betrokken percelen soortenrijk permanent cultuurgrasland. De aanvraag voorziet dat slechts op een zeer beperkt deel van de betrokken percelen een beperkte dijkconstructie is aangelegd en de rest van het weiland in deze vallei van de Broekbeek qua fysieke aanpassingen ongemoeid gelaten wordt. Ook blijkt uit de aanvraag dat het gecontroleerd overstromingsgebied een beperkte vulfrequentie van VII-42.250-4/13 ongeveer twee maal per jaar en een beperkte ledigingstijd van ongeveer twee dagen heeft. Wel dienden voor de realisatie van de werken enkele bomen gerooid. Maar mits te voorzien in een nieuwe aanplant, wordt geen onvermijdbare schade impact aan de natuur aangericht. Dit zowel ter plaatse als in de omgeving. Dit wordt ook bevestigd in het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos van 22 juli 2022, waarbij geconcludeerd wordt: Gelet op de bespreking kan worden geconcludeerd dat rekening houdend met de milderende maatregelen het voorliggende project niet leidde tot vermijdbare natuurschade. Het project leidt niet tot onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuurwaarden in het verderop gelegen VEN-gebied en evenmin tot een betekenisvolle aantasting van de natuurwaarden in het verderop gelegen habitatrichtlijngebied. In dit advies wordt ook ingegaan op het betrokken beroepsschrift in verband met passende beoordeling/verscherpte natuurtoets, meer bepaald: […] Het deskundig advies van het Agentschap voor Natuur en Bos wordt bijgetreden. Samengevat: de aanvraag veroorzaakt geen vermijdbare schade aan de natuur op voorwaarde dat evenveel bomen nieuw worden aangeplant als dat er gerooid worden.’ Uit deze overwegingen blijkt duidelijk dat het [Agentschap voor Natuur en Bos] de stelling dat een ‘alluviaal’ bos nood heeft aan overstromingen verwerpt. De verzoekende partij betwist dit wel, maar overtuigt niet dat het [Agentschap voor Natuur en Bos] steunt op een foutieve stellingname. De verwijzing naar de interpretatiehandleiding van de Europese Commissie bij de Habitatrichtlijn (die in algemene bewoordingen aan bod komt in een passende beoordeling over een andere aanvraag) kan niet op ernstige wijze dienen om de beoordeling van een deskundige adviesinstantie te betwisten. De passus waar de verzoekende partij naar verwijst maakt enkel deel uit van de definitie van een bepaald habitattype. De verzoekende partij maakt ook op geen enkele andere wijze aannemelijk dat de stellingname van het [Agentschap voor Natuur en Bos] betwistbaar of ondeugdelijk is.”
  14. Volgens de verzoekende partij miskent de RvVb met deze beoordeling het juridische belang van de interpretatiehandleiding van de Europese Commissie bij de habitatrichtlijn. In bijlage I bij de habitatrichtlijn wordt aangegeven dat de aanwijzingen voor de interpretatie van habitattypes in die handleiding gevonden kunnen worden. Die handleiding is volgens de verzoekende partij de basis om te weten wat die habitats precies zijn en welke hun minimale milieucondities zijn. De verzoekende partij wijst erop dat zij heeft aangevoerd dat doorheen de administratieve procedure abstractie werd gemaakt van wat precies in VII-42.250-5/13 die handleiding staat over de voor het project relevante habitat 91E0, en een eigen foute interpretatie werd gemaakt van wat die habitat dan wel nodig zou hebben. Het bestreden arrest vertoont volgens de verzoekende partij een gemis aan motivering over de discussie of habitattype 91E0 nood heeft aan overstroming zoals in voormelde interpretatiehandleiding wordt toegelicht. Hoewel de RvVb eerst aangeeft dat de stelling van de verzoekende partij erop neerkomt dat het bos van het type 91E0 nood heeft aan overstromingen om in stand gehouden te kunnen worden en er dus sprake is van schade aan deze natuurwaarden door het project, komt hij in wat volgt in het arrest enkel maar terug op wat “alluviaal bos” nodig zou hebben, terwijl “alluviaal bos” volgens de verzoekende partij uiteraard niet gelijk is aan het specifieke en karakteristieke prioritaire habitat 91E0 in de betekenis van de habitatrichtlijn en zoals gekarteerd stroomafwaarts het gecontroleerd overstromingsgebied in kwestie. Door enkel maar stil te staan bij wat een “alluviaal bos” nodig heeft, maar niet bij wat habitat 91E0 nood aan heeft, ligt er volgens de verzoekende partij een schending voor van artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC. De verzoekende partij herneemt wat zij over het gebrek aan onderzoek naar, en het niet vermijden van, schade aan de natuurwaarden in de Broekbeekvallei heeft uiteengezet in haar verzoekschrift en wederantwoordnota, en stelt vast dat het bestreden arrest hierop als volgt is ingegaan: “De verwijzing naar de interpretatiehandleiding van de Europese Commissie bij de Habitatrichtlijn (die in algemene bewoordingen aan bod komt in een passende beoordeling over een andere aanvraag) kan niet op ernstige wijze dienen om de beoordeling van een deskundige adviesinstantie te betwisten. De passus waar de verzoekende partij naar verwijst maakt enkel deel uit van de definitie van een bepaald habitattype.” Er ligt volgens de verzoekende partij een schending voor van de rechterlijke motiveringsplicht omdat de RvVb niet antwoordt op de argumenten die betrekking hebben op de vraag welke natuurlijke kenmerken karakteristiek en VII-42.250-6/13 nodig zijn voor het prioritair habitat 91E0, en of ermee in het besluitvormingsproces rekening werd gehouden. Door te stellen dat “de passus waar de verzoekende partij naar verwijst […] enkel deel uit[maakt] van de definitie voor een bepaald habitattype” gaat de RvVb volgens de verzoekende partij voorbij aan de inhoud van die definitie en dan in het bijzonder aan de abiotische kenmerken zoals toegelicht in het verzoekschrift, en wordt niet gemotiveerd of de verwerende partij en de adviesverlener daarmee rekening hebben gehouden en aldus al dan niet kennelijk onredelijk gehandeld hebben. Ook gaat de RvVb hiermee volgens de verzoekende partij voorbij aan de precieze inhoud van de interpretatiehandleiding terwijl dit net de kern van de discussie raakt om te kunnen beoordelen of de beoordeling van de adviesinstantie en de verwerende partij kennelijk onredelijk of fout is. Het arrest zou aldus geen motieven bevatten voor de verwerping van het middelonderdeel dat de inhoud van de interpretatiehandleiding toelicht en aftoetst aan de adviezen en de bestreden vergunningsbeslissing. Door dit gemis aan motivering schendt het bestreden arrest volgens de verzoekende partij de rechterlijke motiveringsplicht. Beoordeling
  15. De in artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC ingeschreven rechterlijke motiveringsverplichting heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak voldoet aan deze motiveringsplicht wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de rechterlijke motiveringsverplichting werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet VII-42.250-7/13 uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd. Uit het geheel van de motieven moet blijken waarom het middel wordt aangenomen of verworpen. Argumenten van een partij kunnen op die wijze ook impliciet worden verworpen, met name wanneer die argumenten strijden met de motieven van het arrest. Het bestuursrechtscollege voldoet aan de motiveringsplicht wanneer de motieven de partijen en de Raad van State toelaten te begrijpen waarom de ermee strijdige argumenten niet worden aangenomen.
  16. Met de in het middel aangehaalde motieven antwoordt het bestreden arrest op de argumenten van de verzoekende partij die onder meer worden gebaseerd op de voormelde interpretatiehandleiding, en waarin wordt voorgehouden dat in het besluitvormingsproces onvoldoende rekening werd gehouden met de natuurlijke kenmerken voor de instandhouding van habitattype 91E
  17. Zij laten de partijen en de Raad van State toe te begrijpen waarom die argumenten worden verworpen. In zoverre de verzoekende partij aanvoert dat het bestreden arrest hierover geen motieven bevat, mist haar kritiek feitelijke grondslag.
  18. In zoverre de verzoekende partij de schending van artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC afleidt uit de aangevoerde omstandigheden dat de RvVb - het juridisch belang van voormelde interpretatiehandleiding miskent, - een “alluviaal bos” ten onrechte zou hebben gelijkgesteld met de habitat 91E0 in de betekenis van de habitatrichtlijn, en - ten onrechte is voorbijgegaan aan de inhoud van de definitie van het habitattype 91E0, gaat zij uit van een verkeerd begrip van de rechterlijke motiveringsplicht.
  19. Het middel is ongegrond. VII-42.250-8/13 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  20. De verzoekende partij voert de schending aan van de artikelen 32 en 35, tweede lid, DBRC, artikel 149 van de Grondwet en de rechterlijke motiveringsplicht. Zij voert aan dat het bestreden arrest, met enkel te motiveren “Derde onderdeel: ‘Geen rekening gehouden met de doelstelling en het beginsel van het Waterwetboek’ Dit onderdeel steunt opnieuw op de premisse dat het ‘alluviaal’ bos net stroomafwaarts van [het] betrokken [gecontroleerd overstromingsgebied] nood heeft aan overstromingen. Om de redenen die zijn besproken bij het vorig onderdeel, kan deze stelling niet aangenomen worden.” geen motieven bevat voor de verwerping van het middelonderdeel dat betrekking heeft op het schadelijk effect aan de flora van habitattype 91E0 als onderdeel van het watersysteem en de toetsing aan doelstelling 4a van het waterwetboek met betrekking tot de natuurlijke werking van watersystemen, en hierdoor in strijd met artikel 35, tweede lid, DBRC niet alle middelen heeft onderzocht, en een gemis aan motivering vertoont waardoor ook artikel 32 DBRC en artikel 149 van de Grondwet worden geschonden. Beoordeling
  21. Artikel 35 DBRC luidt: “Als een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), het beroep gegrond verklaart, vernietigt het de bestreden beslissing geheel of gedeeltelijk, met behoud van de toepassing van artikel
  22. In zijn arrest beslecht een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), alle aangevoerde middelen, waarvan het oordeelt dat de beoordeling nuttig kan zijn in geval van een nieuwe beslissing of een andere handeling van het bestuur.” VII-42.250-9/13 Het arrest, bedoeld in het tweede lid van deze bepaling, is het arrest waarin een beslissing wordt vernietigd, in de zin van het eerste lid van deze bepaling. Het bestreden arrest is een arrest dat het beroep van de verzoekende partij verwerpt, zodat de aangevoerde schending van artikel 35, tweede lid, DBRC doelloos is.
  23. Het bestreden arrest vangt de beoordeling van het enige annulatiemiddel van de verzoekende partij aan als volgt: “De verzoekende partij zet het middel op een zeer breedsprakerige wijze uiteen (verspreid over 32 pagina’s), zonder een gestructureerd onderscheid te maken tussen wat in essentie wordt aangevoerd en de ondersteunende argumentatie. De uiteenzetting omvat talloze herhalingen, citaten en voetnoten, waarbij het vaak wordt overgelaten aan de lezer om uit te maken of te onderzoeken welke passus nu precies de ondersteuning biedt die de verzoekende partij bedoelt aan te geven voor haar argumentatie. Dergelijke uiteenzetting maakt het begrijpen van wat nu precies en in essentie bedoeld (of aangevoerd) wordt door de verzoekende partij, niet steeds eenvoudig en vergt op zich al een beoordeling. De verzoekende partij zal, gelet op het voorgaande, moeten aanvaarden dat de [RvVb] het middel, in zijn essentie, zal begrijpen zoals het redelijkerwijs kan worden begrepen en/of werd begrepen door de verwerende partij en de tussenkomende partij. […] Bij de beoordeling hieronder zal rekening worden gehouden met de wijze waarop de verwerende partij het middel en de middelonderdelen heeft begrepen en zal de onderverdeling gevolgd worden die gehanteerd wordt door de verwerende partij.” Deze beoordeling wordt door de verzoekende partij niet bekritiseerd.
  24. Met de beoordeling dat het derde middelonderdeel steunt op de foute premisse dat het alluviaal bos net stroomafwaarts van het betrokken gecontroleerd overstromingsgebied nood heeft aan overstromingen, heeft het bestreden arrest geantwoord op de argumenten van dat middelonderdeel, zoals het door de RvVb redelijkerwijze kon worden begrepen en/of werd begrepen door de verwerende partij en de tussenkomende partij. Uit de eventuele omstandigheid dat aldus zou zijn voorbijgegaan aan argumenten van de verzoekende partij VII-42.250-10/13 betreffende het schadelijk effect aan de flora van habitattype 91E0 als onderdeel van het watersysteem en de toetsing aan doelstelling 4a van het waterwetboek met betrekking tot de natuurlijke werking van watersystemen, kan in de gegeven omstandigheden geen schending volgen van de door artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC opgelegde rechterlijke motiveringsplicht.
  25. Het middel is ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  26. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 32 DBRC, artikel 149 van de Grondwet en de rechterlijke motiveringsplicht. Zij wijst op verschillende passages uit haar verzoekschrift bij de RvVb, en vervolgens op volgende overwegingen van het bestreden arrest: “Het volgend onderdeel wordt gevoerd onder de titel ‘Geen zorgvuldig onderzoek naar de ruimte voor het watersysteem’, waarbij de essentie lijkt te zijn dat er ‘geen antwoord (wordt) geboden op de vraag hoeveel ruimte voor het watersysteem er nu afneemt rond die Broekbeek’. Het is de [RvVb] echter niet onmiddellijk duidelijk wat de relevantie is van het antwoord op die vraag, in het licht van de gegevens van het dossier en in het licht van (de gevolgen van) de betrokken aanvraag. In de uiteenzetting van dit onderdeel wordt verwezen naar talloze gegevens, vaststellingen, passussen, … die er eerder voor zorgen dat het betoog vrij onbegrijpelijk wordt, maar er alleszins niet voor zorgen dat er een duidelijke wettigheidskritiek kan in gelezen worden of duidelijk gemaakt wordt waarom het antwoord op de bovenstaande vraag relevant is in het kader van die wettigheidskritiek. Wellicht moet die kritiek begrepen worden in het licht van de (foutieve) veronderstellingen die de verzoekende partij uiteenzet in het vorige onderdeel, met name dat elke vermindering voor ruimte voor water een ‘schadelijk effect’ is. Het lijkt alsof de verzoekende partij verder en in het bijzonder wil aankaarten dat er een vermindering van ruimte ter hoogte van de Broekbeek is en aan de verwerende partij verwijt dat ze daarover geen berekening heeft gemaakt. In dat opzicht is een antwoord op de vraag die de verzoekende partij klaarblijkelijk verlangt enkel relevant indien er een schadelijk effect is door de vermindering van ruimte voor water. De VII-42.250-11/13 verzoekende partij maakt dit laatste echter niet aannemelijk. […] Voor het overige kan verwezen worden naar de bespreking van het vorige onderdeel. Los van de vraag of de verzoekende partij terecht aanvoert dat de verwerende partij geen aandacht heeft gehad voor de Broekbeek zelf, is bij de bespreking van het vorig onderdeel vastgesteld dat het feit op zich dat er minder ruimte is voor water niet gelijk te stellen is met een ‘schadelijk effect’.” Volgens de verzoekende partij vertoont het bestreden arrest een gemis aan motivering doordat niet onderzocht is of, zoals opgeworpen in het verzoekschrift, voldaan is aan artikel 16, § 1, van het natuurdecreet dat oplegt dat er zorg voor gedragen dient te worden dat er op geen enkele wijze schade aan de natuurwaarden kan optreden. Gelet op de gegrondheid van het eerste en het tweede cassatiemiddel, ligt er volgens de verzoekende partij “mede daardoor ook een gemis aan motivering voor over de vraag of in het besluitvormingsproces met zekerheid kon gesteld worden dat er op geen enkele wijze schade aan de natuur kan optreden”. Beoordeling
  27. De verzoekende partij maakt niet duidelijk hoe uit de aangehaalde overwegingen van het bestreden arrest zou blijken dat niet werd geantwoord op haar argumenten. Het middel mist dan ook de vereiste nauwkeurigheid en is bijgevolg in zoverre niet ontvankelijk. De verzoekende partij steunt haar middel voor het overige op de gegrondheid van de andere cassatiemiddelen. Nu deze andere cassatiemiddelen worden verworpen, kan ook dit middel niet slagen.
  28. In zoverre het ontvankelijk is, is het middel ongegrond. BESLISSING
  29. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. VII-42.250-12/13
  30. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zevenentwintig januari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Francis Van Nuffel, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.250-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.586 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.