← België

Arrest 265587 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 27/01/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.587 Rolnummer: A. 240418/VII-42252 Zaak: Arrest 265587 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 27/01/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-02-10 Raadplegingen: 180 - laatst gezien 2026-06-18 06:27 Fiche Arrest nr 265.587 van 27 januari 2026 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 265.587 van 27 januari 2026 in de zaak A. 240.418/VII-42.252 In zake : de VZW MILIEUFRONT OMER WATTEZ woonplaats kiezend te 9700 Oudenaarde Dijkstraat 75 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gwijde Vermeire kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 301 tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de VLAAMSE MILIEUMAATSCHAPPIJ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Abbeloos kantoor houdend te 9200 Dendermonde Sint-Gillislaan 117 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het cassatieberoep, ingesteld op 31 oktober 2023, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2324-0061 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 28 september 2023 in de zaak 2223-RvVb-0173-A. VII-42.252-1/23 II. Verloop van de rechtspleging 2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 4 januari 2024. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De Vlaamse Milieumaatschappij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 14 februari 2024. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft op 26 maart 2025 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 januari 2026. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gwijde Vermeire, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Angelique Van de Meirssche, die loco advocaat Veerle Tollenaere verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Dirk Abbeloos, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-42.252-2/23 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Regelmatigheid van de rechtspleging 3. De verzoekende partij heeft op de zitting van 8 januari 2026 een pleitnota neergelegd. Het cassatieprocedurebesluit voorziet niet in de mogelijkheid om na de kennisgeving van het auditoraatsverslag nog een schriftelijke uiteenzetting in te dienen. In zoverre de pleitnota een schriftelijke voorbereiding vormt van de mondelinge uiteenzetting op de terechtzitting, wordt zij beschouwd als een loutere inlichting. IV. Feiten 4.1. De verwerende partij verleent op 4 oktober 2022 aan de tussenkomende partij een omgevingsvergunning voor de regularisatie van de aanleg van een gecontroleerd overstromingsgebied en de sedimentvang aan de Moenebroekbeek te Lierde. 4.2. Het bestreden arrest verwerpt het beroep van de verzoekende partij tot vernietiging van de beslissing van 4 oktober 2022. V. Onderzoek van de middelen tot nietigverklaring A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 5. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 6.3 van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 ‘inzake de instandhouding van VII-42.252-3/23 de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna’ (hierna: habitatrichtlijn), artikel 36ter, § 4, van het decreet van 21 oktober 1997 ‘betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu’ (hierna: natuurdecreet), artikel 32 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC), de rechterlijke motiveringsplicht, en de artikelen 7bis en 149 van de Grondwet. 6. Zij komt op tegen de beslissing van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) tot verwerping van het middelonderdeel waarin zij heeft aangevoerd dat de vergunning werd verleend voor een project dat een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, en viseert daarbij volgende motieven van het bestreden arrest: “De verzoekende partij uit bezwaren, die in de bestreden beslissing als volgt worden omschreven: ‘er werd onvoldoende onderzocht wat de mogelijke effecten zijn op de overstromingsafhankelijke habitats (waaronder een prioritair habitat), aangezien er niet zorgvuldig is onderzocht hoeveel minder deze habitats zullen overstromen ten gevolge van de aanvraag, terwijl deze natuurlijke overstromingsdynamiek (waaronder frequentie en sedimentafzettingen) net essentieel is voor de instandhouding van die habitats. De aanvraag kan bijgevolg een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone veroorzaken;’ Dit bezwaar wordt in de bestreden beslissing als volgt weerlegd: […] Uit deze overwegingen blijkt dat de verwerende partij ruime aandacht besteedt aan de (essentie van

  1. de)bezwaren van de verzoekende partij en uitdrukkelijk aangeeft waarom deze ongegrond worden bevonden. De verzoekende partij kan dus alleszins niet gevolgd worden dat de verwerende partij voorbijgaat aan haar bezwaren. De motiveringsplicht van de verwerende partij gaat dus niet zover dat ze punt voor punt de stellingen, standpunten, verwijzingen, studies, … moet beantwoorden die in een bezwaarschrift worden opgenomen. De verwerende partij stelt vast dat op basis van wetenschappelijke literatuur en rapporten wordt aangetoond dat het grondwaterpeil cruciaal is voor de habitattypes waar de verzoekende partij naar verwijst en dat de stelling van de verzoekende partij niet is aangetoond. De verwerende partij motiveert daarmee afdoende om welke redenen ze de stelling van de verzoekende partij niet volgt. […] VII-42.252-4/23 De verdere betwistingen van de verzoekende partij komen in feite neer op een herhaling van haar bezwaren over de passende beoordeling die ze eerder uitte tijdens de administratieve vergunningsprocedure, met name (en in essentie): het betrokken project heeft op sommige plaatsen een vermindering van overstromingen tot gevolg en dat schaadt bepaalde habitattypen. […] Het blijkt dat de passende beoordeling, zoals de verwerende partij aangeeft in de bestreden beslissing, steunt op wetenschappelijk onderzoek en studies. De verzoekende partij betwist blijkbaar die wetenschappelijke studies, maar slaagt er niet in haar stellingname daarover aannemelijk te maken. De verwijzing naar de interpretatiehandleiding van de Europese Commissie bij de Habitatrichtlijn, (die in algemene bewoordingen aan bod komt in een passende beoordeling over een andere aanvraag) kan niet op ernstige wijze dienen om het wetenschappelijk onderzoek te betwisten waarop de passende beoordeling steunt in de onderliggende zaak. De passus waar de verzoekende partij naar verwijst maakt enkel deel uit van de definitie voor een bepaald habitattype. De verzoekende partij maakt op geen enkele andere wijze aannemelijk dat de wetenschappelijke onderzoeken waarop de betrokken passende beoordeling steunt, betwistbaar of ondeugdelijk zijn. De eigen overtuiging of visie van de verzoekende partij kan uiteraard evenmin aantonen dat de betrokken passende beoordeling steunt op ondeugdelijke wetenschappelijke studies.” 7. Volgens de verzoekende partij miskent de RvVb met deze beoordeling het juridische belang van de interpretatiehandleiding van de Europese Commissie bij de habitatrichtlijn. In bijlage I bij de habitatrichtlijn wordt aangegeven dat de aanwijzingen voor de interpretatie van habitattypes in die handleiding gevonden kunnen worden. Die handleiding is volgens de verzoekende partij de basis om te weten wat die habitats precies zijn en welke hun minimale milieucondities zijn. De verzoekende partij wijst erop dat zij heeft aangevoerd dat doorheen de administratieve procedure abstractie werd gemaakt van wat precies in die handleiding staat over de voor het project relevante habitats 91E0 en 6430, en een eigen foute interpretatie werd gemaakt van wat die habitats dan wel nodig zouden hebben. Dit is volgens de verzoekende partij fundamenteel en juridisch anders dan louter een betwisting van het wetenschappelijk onderzoek in de passende beoordeling, zodat de RvVb een verkeerde lezing heeft gemaakt van haar verzoekschrift. Door niet de juiste juridische draagwijdte te geven aan de interpretatiehandleiding van de Europese Commissie die als wezenlijk onderdeel samen gelezen dient te worden met (bijlage I van) de habitatrichtlijn, schendt de VII-42.252-5/23 RvVb volgens de verzoekende partij artikel 6.3 van de habitatrichtlijn en artikel 36ter, § 4, van het natuurdecreet. De verzoekende partij zet uiteen dat de interpretatiehandleiding over habitattype 91E0 (na vertaling naar het Nederlands) onder “Definitie - algemene beschrijving van de vegetatie, syntaxa, abiotische kenmerken, oorsprong” stelt: “Alle typen komen voor op zware bodems (meestal rijk aan alluviale afzettingen) die periodiek worden overstroomd door de jaarlijkse stijging van het rivier- of beekpeil, maar verder goed gedraineerd en belucht bij laag water”. Volgens de verzoekende partij heeft deze zin betrekking op de abiotische kenmerken van deze habitat. Door te stellen dat deze passus “enkel deel uit[maakt] van de definitie voor een bepaald habitattype” gaat de RvVb volgens de verzoekende partij voorbij aan de precieze inhoud van de interpretatiehandleiding, terwijl dit volgens haar net de kern van de discussie raakt. Artikel 6.3 van de habitatrichtlijn vereist dat er zekerheid dient te worden verkregen dat de natuurlijke kenmerken niet aangetast worden. Volgens de verzoekende partij behelst dit dus ook de abiotische natuurlijke kenmerken van iedere habitat in het betrokken gebied, en behoort het de vergunningverlener om ervoor zorg te dragen dat nagegaan wordt dat die zekerheid verkregen is. Nu de interpretatiehandleiding de basis vormt voor de start van het verdere wetenschappelijke onderzoek, zou die handleiding dienstig zijn om het wetenschappelijk onderzoek te betwisten omdat, indien uitgegaan wordt van een foute of andere interpretatie van die habitats dan deze van de interpretatiehandleiding, de uitkomst van de passende beoordeling dan een heel andere wending kan krijgen en men niet kan stellen dat er zekerheid is dat de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet aangetast zullen worden door het project. De verzoekende partij merkt daarbij op dat artikel 6.3 van de habitatrichtlijn rechtstreekse werking heeft omdat het niet gelijkluidend werd omgezet in het natuurdecreet. Artikel 36ter, § 4, van natuurdecreet zou de regel VII-42.252-6/23 van artikel 6.3 van de habitatrichtlijn versoepelen door een drempel op te leggen, met name de “betekenisvolle aantasting”. 8. De verzoekende partij voert vervolgens aan dat het bestreden arrest is voorbijgegaan aan haar argumenten over de beschrijvingen van de types 91E0 en 6430 in deze interpretatiehandleiding, en die argumenten foutief heeft geïnterpreteerd als een betwisting van het wetenschappelijk onderzoek waarop de passende beoordeling steunt. Dit maakt volgens de verzoekende partij een schending uit van de rechterlijke motiveringsplicht. Zij wijst op de talrijke verwijzingen naar de interpretatiehandleiding in haar verzoekschrift voor de RvVb, en stelt vast dat deze elementen door het bestreden arrest in de wind worden geslagen, doordat hierover enkel wordt gesteld dat zij niet op ernstige wijze kunnen dienen om het wetenschappelijk onderzoek te betwisten waarop de passende beoordeling slaat. De RvVb motiveert hiermee niet of de bestreden vergunning al dan niet strijdt met de inhoud van de interpretatiehandleiding. Het bestreden arrest zwijgt volgens de verzoekende partij over de juridische draagwijdte van de interpretatiehandleiding zoals toegelicht in het verzoekschrift, en schendt hierdoor de rechterlijke motiveringsplicht, artikel 32 DBRC en artikel 149 van de Grondwet. De verzoekende partij zet uiteen dat de vaststelling door het bestreden arrest dat “de passus waar de verzoekende partij naar verwijst […] enkel deel uit[maakt] van de definitie voor een bepaald habitattype”, geen punt van discussie is, maar dat het gebrek van het bestreden arrest erin bestaat dat het niet stil gestaan heeft bij de inhoud van die definitie en dan in het bijzonder bij de abiotische kenmerken zoals toegelicht in het verzoekschrift, en of de verwerende partij daarmee rekening heeft gehouden en aldus al dan niet kennelijk onredelijk handelde. Het gaat volgens de verzoekende partij om een gemis aan motivering die een schending uitmaakt van artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC. VII-42.252-7/23 9. Door dit alles zou de RvVb ook artikel 7bis van de Grondwet hebben geschonden, doordat hij, als onderdeel van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest, de doelstellingen van een duurzame ontwikkeling in haar milieugebonden aspecten niet heeft nagestreefd, en minstens doordat hij niet heeft nagegaan of het bestreden besluit getuigt van dit streven door de verwerende partij. Beoordeling 10. Om op ontvankelijke wijze rechtstreeks de schending te kunnen inroepen van een bepaling van een richtlijn waarvan de termijn voor omzetting in de interne rechtsorde is verstreken, moet de verzoekende partij aanvoeren dat de betrokken bepaling niet, niet volledig, niet tijdig of niet correct is omgezet. De verzoekende partij stelt dat artikel 6.3 van de habitatrichtlijn “niet gelijkluidend” werd omgezet in het natuurdecreet, en dat artikel 36ter, § 4, van het natuurdecreet de regel van artikel 6.3 versoepelt door een drempel op te leggen, met name de “betekenisvolle aantasting”. Artikel 6.3 van de habitatrichtlijn bevat echter het begrip “significante gevolgen”, en de verzoekende partij maakt niet duidelijk hoe de Vlaamse decreetgever met de andere woordkeuze afbreuk zou hebben gedaan aan de bepaling van die richtlijn, en voert evenmin aan dat artikel 36ter, § 4, van het natuurdecreet niet richtlijnconform kan worden gelezen. Het middel is dan ook niet ontvankelijk in zoverre het rechtstreeks de schending aanvoert van artikel 6.3 van de habitatrichtlijn. 11. Artikel 36ter, § 3, van het natuurdecreet bepaalt dat een vergunningsplichtige activiteit die een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, onderworpen wordt aan een passende beoordeling wat betreft de betekenisvolle effecten voor de speciale beschermingszone. Overeenkomstig artikel 36ter, § 4, van hetzelfde decreet mag de overheid die over een vergunningsaanvraag moet beslissen, de vergunning slechts toestaan indien de uitvoering van de activiteit geen VII-42.252-8/23 betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken speciale beschermingszone kan veroorzaken. Door het opleggen van voorwaarden moet zij er steeds zorg voor dragen dat er geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan ontstaan. Artikel 2, 30°, van het natuurdecreet definieert een “betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone” als “een aantasting die meetbare en aantoonbare gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone, in de mate er meetbare en aantoonbare gevolgen zijn voor de staat van instandhouding van de soort(
  2. en)of de habitat(
  3. s)waarvoor de betreffende speciale beschermingszone is aangewezen of voor de staat van instandhouding van de soort(
  4. en)vermeld in bijlage III van dit decreet voor zover voorkomend in de betreffende speciale beschermingszone”. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (arrest van 7 september 2004, nr. C-127/02, Landelijke Vereniging tot Behoud van de Waddenzee) blijkt dat de hier bedoelde passende beoordeling met name inhoudt dat, op basis van de beste wetenschappelijke kennis ter zake, alle aspecten van het project die de instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken gebied in gevaar kunnen brengen, moeten worden geïnventariseerd. Rekening houdend met de conclusies van de beoordeling van de gevolgen van het project voor het betrokken gebied, mag de overheid het project pas goedkeuren nadat zij zekerheid heeft verkregen omtrent het feit dat het geen schadelijke gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied. De zekerheid dat het project geen schadelijke gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied is voorhanden wanneer er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat er geen schadelijke gevolgen zijn. Bijlage I van de habitatrichtlijn bevat de lijst van de “typen natuurlijke habitats van communautair belang voor de instandhouding waarvan aanwijzing van speciale beschermingszones vereist is”. Daarbij wordt aangegeven: “Aanwijzingen voor de interpretatie van habitattypes vindt men in de ‘Interpretation Manual of European Union Habitats’, zoals goedgekeurd door het VII-42.252-9/23 Comité opgericht volgens art. 20 (‘Habitat Comité’) en gepubliceerd door de Europese Commissie”. Het is aan de hand van deze lijst en de bijhorende aanwijzingen dat de lidstaten op hun grondgebied de habitats identificeren om door de Commissie te worden aangewezen als gebieden van communautair belang, waarna deze gebieden door de lidstaten worden aangewezen als speciale beschermingszone. Anders dan de verzoekende partij dit ziet, bevat de voormelde Interpretation Manual of European Union Habitats geen “minimale milieucondities” waaraan de vergunningverlenende overheid de aanvraag voor de vergunning moet toetsen om na te gaan of het project een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken. Evenmin vormt deze handleiding “de basis voor de start van het verdere wetenschappelijk onderzoek” dat in de passende beoordeling moet uitgevoerd worden. Die interpretatiehandleiding bevat slechts gegevens die nuttig zijn voor de identificatie van de habitats die als speciale beschermingszone kunnen worden aangewezen, en werkt als zodanig niet op dwingende wijze door naar de beoordeling of er voldoende wetenschappelijke zekerheid bestaat dat een project geen schadelijke gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van dergelijk gebied. De aangevoerde schending van artikel 36ter, § 4, van het natuurdecreet kan dan ook niet aangenomen worden. 12. De in artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC ingeschreven rechterlijke motiveringsverplichting heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak voldoet aan deze motiveringsplicht wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de rechterlijke motiveringsverplichting werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een VII-42.252-10/23 schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd. Uit het geheel van de motieven moet blijken waarom het middel wordt aangenomen of verworpen. Argumenten van een partij kunnen op die wijze ook impliciet worden verworpen, met name wanneer die argumenten strijden met de motieven van het arrest. Het bestuursrechtscollege voldoet aan de motiveringsplicht wanneer de motieven de partijen en de Raad van State toelaten te begrijpen waarom de ermee strijdige argumenten niet worden aangenomen. De in het middel aangehaalde motieven van de RvVb beantwoorden de argumenten van de verzoekende partij die worden gebaseerd op de voormelde interpretatiehandleiding en die betrekking hebben op de juridische draagwijdte ervan, en laten de partijen en de Raad van State toe te begrijpen waarom zij worden verworpen. In zoverre de verzoekende partij aanvoert dat het bestreden arrest hierover het stilzwijgen bewaart, mist haar kritiek feitelijke grondslag. Met de kritiek dat de RvVb artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC heeft geschonden door de argumenten uit haar verzoekschrift foutief te interpreteren, gaat de verzoekende partij uit van een verkeerd begrip van de rechterlijke motiveringsplicht. De aangevoerde schending van artikel 149 van de Grondwet, artikel 32 DBRC en de rechterlijke motiveringsplicht kan niet worden aangenomen. 13. Artikel 7bis van de Grondwet draagt aan de federale staat, de gemeenschappen en de gewesten op om bij de uitoefening van hun respectieve VII-42.252-11/23 bevoegdheden de doelstellingen na te streven van een duurzame ontwikkeling in haar sociale, economische en milieugebonden aspecten, rekening houdend met de solidariteit tussen de generaties. De voormelde beleidsdoelstellingen bevatten geen concrete rechtsregels die rechtscolleges zoals de RvVb in acht moeten nemen bij het beoordelen van de beroepen die hen worden voorgelegd. In zoverre de verzoekende partij aanvoert dat het bestreden arrest afbreuk doet aan de in artikel 7bis van de Grondwet bedoelde doelstellingen, gaat zij uit van een verkeerd begrip van die bepaling, en kan haar kritiek niet leiden tot cassatie van het bestreden arrest. Verder blijkt niet dat de verzoekende partij voor de RvVb heeft aangevoerd dat het bestreden vergunningsbesluit artikel 7bis van de Grondwet schendt, zodat de verzoekende partij deze kritiek niet voor het eerst in graad van cassatie kan laten gelden. 14. In zoverre het middel ontvankelijk is, is het ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 15. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, artikel 32 DBRC en de rechterlijke motiveringsplicht. Zij voert aan dat het bestreden arrest met de volgende beoordeling: “De verzoekende partij betwist ook dat de gewijzigde overstromingscontour ‘minimaal’ is, waarbij ze verwijst naar bijlage 3a van de screeningsnota. Nog los van de vaststelling dat de verzoekende partij bijlage 3a enkel partieel visualiseert in haar verzoekschrift, draagt de figuur van bijlage 3a de titel ‘Overstromingskaart voor een bui met een retourperiode van 5 jaar’. Vooreerst is het duidelijk dat de conclusies van de screeningsnota - waaronder de vaststelling dat de wijziging van de overstromingscontour minimaal is - steunt op een geheel van elementen en bijlage 3a enkel het in kaart brengen is van een ‘Overstromingskaart voor een bui met een retourperiode van 5 jaar’, waarbij de overstromingen met en zonder [gecontroleerd overstromingsgebied] wordt aangeduid bij een bui met een VII-42.252-12/23 retourperiode van 5 jaar. Het is de Raad niet duidelijk hoe de verzoekende partij enkel aan de hand van deze figuur kan beweren dat de wijziging van de overstromingscontour niet minimaal [is]. Vooreerst zijn de conclusies in de screeningsnota, waarbij eveneens naar diezelfde figuur wordt verwezen, het tegenovergestelde van wat de verzoekende partij voorhoudt. Bovendien kan de aanduiding van de overstromingen op een uitzonderlijk moment (retourperiode 5 jaar) geen ernstig tegenbewijs uitmaken dat de wijziging van de overstromingscontour door het betrokken project niet minimaal is. De verzoekende partij lijkt volledig abstractie te maken van het feit dat de figuur van bijlage 3a niet alleszeggend is of kan zijn voor de natuurlijke overstromingen in niet- uitzonderlijke omstandigheden. [Het gecontroleerd overstromingsgebied] is duidelijk enkel bedoeld om kortstondig in werking gesteld te worden tijdens extreme omstandigheden. Dit is althans het voorwerp van de betrokken aanvraag. De verzoekende partij mag dan wel bekritiseren dat geen (beperkende) voorwaarden worden opgelegd in de bestreden beslissing over en voor het in werking stellen van [het gecontroleerd overstromingsgebied], maar [maakt] daarbij niet aannemelijk dat het werkelijk voorwerp van de betrokken aanvraag afwijkend zou zijn van hetgeen daarover in de beschrijvende nota en in de screeningsnota wordt aangegeven.” geen motieven bevat voor de verwerping van volgend onderdeel van haar verzoekschrift: “Om die reden is belangrijk te vermelden dat de kaarten voor de nog frequentere overstromingen (T4, T3, T2 en T1) ontbreken terwijl die overstromingen nog meer bepalend zijn voor de natuurlijke kenmerken/overstromingsdynamiek van het (beschermd) valleigebied. Men geeft overigens ook aan op pg. 14 van de screeningsnota: ‘(..) Door realisatie van het [gecontroleerd overstromingsgebied] zal het gecontroleerd overstromingsgebied met een hogere frequentie in werking treden (al bij een retourperiode lager dan T5). (..)’ Het oordeel ‘minimaal’ uit de project- m.e.r.-screeningsnota en zoals kritiekloos bijgetreden door ANB en de minister is dus kennelijk onredelijk, de gewijzigde overstromingscontour is in dat gebied tussen de N42 en de Moenebroekstraat meer dan gehalveerd in de T5 en het is meer dan aannemelijk dat die reductie nog eens veel groter is bij de nog frequenter voorkomende overstromingen.” Beoordeling 16. De passage van het verzoekschrift waarop volgens de verzoekende partij niet werd geantwoord in het bestreden arrest, maakt deel uit van de uiteenzetting van het tweede onderdeel van het annulatiemiddel. De RvVb vangt VII-42.252-13/23 de beoordeling van dit tweede onderdeel als volgt aan: “De verzoekende partij zet dit onderdeel uiteen in 25 pagina’s, met citaten uit de MER-screeningsnota, haar bezwaarschrift, de bestreden beslissing, een bijlage uit de Habitatrichtlijn, een passende beoordeling in een andere zaak, een interpretatiehandleiding van de Europese Commissie bij de Habitatrichtlijn, een studie die de verzoekende partij heeft voorgelegd tijdens de administratieve vergunningsprocedure en naar talloze linken van internetsites. Er werd al op gewezen dat deze wijze van uiteenzetting van een middel(onderdeel) een beoordeling noodzaakt van de essentie van de uiteenzetting. Het is in elk geval niet de bedoeling dat de [RvVb] een eigen studie maakt van de talloze citaten en internetsites waar de verzoekende partij naar verwijst. Het komt aan een verzoekende partij toe om een middel, dat enkel wettigheidskritiek kan zijn, op een duidelijke en begrijpelijke wijze uiteen te zetten, zodat (minstens) de essentie kan begrepen worden. De wijze van uiteenzetting door de verzoekende partij maakt dit niet steeds eenvoudig. Zelf vat de verzoekende partij het onderdeel als volgt samen: ‘… Samengevat stellen we vast, doordat de overstromingen grotendeels wegvallen tijdens de meest frequente overstromingen die bestudeerd zijn (T5) (de nog meer frequentere overstromingen (T4, T3, T2 en T1) werd zonder uitleg niet bestudeerd in de screeningsnota) is er wel een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken speciale beschermingszone kan veroorzaken. Een van die natuurlijke kenmerken is immers de natuurlijke overstromingen en daarmee samengaand het afzetten van sediment in de valleikom. Doordat de minister ondanks het feit dat we haar er uitdrukkelijk op gewezen hebben en de studie ter zake hebben overgemaakt en ondanks de duidelijke bewoordingen in de Interpretation Manual, ze toch de vergunning heeft verleend, heeft ze gehandeld in strijd met artikel 36ter §4 van het Natuurdecreet (…) …’ Volgens de verwerende partij is de essentie van het middelonderdeel als volgt te begrijpen: ‘… De verzoekende partij voert aan dat de verwerende partij het project heeft goedgekeurd ondanks dat zij niet de zekerheid heeft verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten. Hierdoor zouden de artikelen 6.3. van de Habitatrichtlijn en 36ter §4 van het Natuurdecreet worden geschonden. De verzoekende partij stelt dat in het advies van ANB en in de bestreden beslissing de bewoordingen uit de project-mer- screeningsnota worden overgenomen en stelt dat dit gebeurt zonder een eigen kritisch onderzoek, ondanks het door haar ingediende bezwaar. Zij stelt dat het onderdeel van de project-mer-screeningsnota waarnaar wordt verwezen, fout en kennelijk onredelijk is wat betreft de ‘elzenbroek- en moerasspireavegetaties’. Zij voert samengevat aan dat de project-mer-screeningsnota annex VII-42.252-14/23 passende beoordeling fout en minstens kennelijk onredelijk is mbt de grondwater- en overstromingsafhankelijkheid van het habitattype 91E0 en 6430. Verder voert zij nog aan dat de bestreden beslissing ten onrechte stelt dat de aanvoer van nutriënten, in het bijzonder fosfor, als een belangrijke bedreiging wordt voorzien maar meent dat dit argument niet ter zake doet. Zij meent in essentie dat de effecten op de overstromingsafhankelijke habitats niet zorgvuldig zijn onderzocht. Er zou niet zijn onderzocht hoeveel minder die habitats zullen overstromen ten gevolge van het aangevraagde, terwijl die overstromingsdynamiek volgens haar essentieel is voor de instandhouding van die habitats. …’ Bij de beoordeling van het middelonderdeel zal rekening gehouden worden met de essentie van het middel, zoals het is samengevat door de verzoekende partij en de verwerende partij.” Deze beoordeling van de wijze waarop met het verzoekschrift van de verzoekende partij wordt omgegaan, wordt door de verzoekende partij niet betwist. De passage uit haar verzoekschrift waarop niet zou zijn geantwoord door het bestreden arrest, kan niet beschouwd worden als een afzonderlijk middelonderdeel doch slechts als een argument dat kadert in het middelonderdeel waarin wordt aangevoerd dat niet of onvoldoende werd onderzocht hoeveel minder de habitats zullen overstromen ten gevolge van het aangevraagde. 17. Op dat middelonderdeel heeft het bestreden arrest geantwoord door vooreerst erop te wijzen dat de conclusie van de passende beoordeling dat het project niet zorgt voor een betekenisvolle aantasting van de betrokken speciale beschermingszone, steunt op onder meer volgende vaststelling, die uit wetenschappelijke studies wordt afgeleid: “er is geen mogelijke impact op de aanwezige habitats en voorlopige zoekzones door de gewijzigde overstromingsfrequentie omdat de frequentie van overstromen in zowel het SBZ als het VEN-gebied niet zal verminderen; de omvang van de overstromingen zal wel verminderen, maar de gewijzigde overstromingscontour is minimaal.” VII-42.252-15/23 Vervolgens stelt het bestreden arrest ter beantwoording van het middelonderdeel, vóór de in het cassatiemiddel aangehaalde motieven: “De […] betwistingen van de verzoekende partij komen in feite neer op een herhaling van haar bezwaren over de passende beoordeling die ze eerder uitte tijdens de administratieve vergunningsprocedure, met name (en in essentie): het betrokken project heeft op sommige plaatsen een vermindering van overstromingen tot gevolg en dat schaadt bepaalde habitattypen. Hiervoor werd er al op gewezen dat de [RvVb] niet bevoegd is om de bezwaren van de verzoekende partij in vol beroep en in de plaats van de vergunningverlenende overheid opnieuw te beoordelen. Anderzijds is de argumentatie van de verzoekende partij dat de bestreden beslissing gevitieerd is omdat ze akkoord is met de conclusies van de passende beoordeling, niet overtuigend in het licht van de gegevens van het dossier. Vooreerst moet vastgesteld worden dat ook het ANB de conclusies van de passende beoordeling onderschrijft. Het komt aan een verzoekende partij toe om, indien ze de conclusie van een deskundige adviesinstantie betwist, de ondeugdelijkheid ervan ook aan te tonen. Het advies van het ANB kan niet anders dan beschouwd worden als een advies van een deskundig orgaan, dat moet geacht worden afdoende deskundigheid te bezitten om te oordelen over de kwaliteiten van een passende beoordeling. Dit betekent niet dat een advies geen inhoudelijke of formele gebreken kan vertonen, maar het is aan de partij die het advies inhoudelijk bekritiseert om de inhoudelijke gebreken ervan aan te tonen of aannemelijk te maken. De verzoekende partij slaagt daar niet in. Het blijkt dat de passende beoordeling, zoals de verwerende partij aangeeft in de bestreden beslissing, steunt op wetenschappelijk onderzoek en studies. De verzoekende partij betwist blijkbaar die wetenschappelijke studies, maar slaagt er niet in haar stellingname daarover aannemelijk te maken. […] De eigen overtuiging of visie van de verzoekende partij kan uiteraard evenmin aantonen dat de betrokken passende beoordeling steunt op ondeugdelijke wetenschappelijke studies. De verzoekende partij toont met andere woorden niet aan dat de verwerende partij haar bezwaren niet deugdelijk kon weerleggen door verwijzing naar de wetenschappelijke studies waarop de passende beoordeling steunt.” Ook deze motieven worden door de verzoekende partij niet betwist in het cassatiemiddel. Hiermee is aan de rechterlijke motiveringsplicht voldaan. 18. Het middel mist feitelijke grondslag. VII-42.252-16/23 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 19. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, artikel 32 DBRC en de rechterlijke motiveringsplicht. Zij voert aan dat het bestreden arrest met te oordelen: “In de wederantwoordnota voegt de verzoekende partij niets wezenlijk toe. […] De verzoekende partij verwijst naar een vermindering van ruimte voor water ter hoogte van de bebouwde zones van Ruisbroek en Moenebroekstraat en beschouwt dit als een ‘schadelijk effect’ dat moet gecompenseerd worden. De verzoekende partij maakt echter niet aannemelijk dat er, mede in het licht van de uitvoerige motieven daarover in de bestreden beslissing, sprake kan zijn van een ‘schadelijk effect’ voor het watersysteem ter plaatse. Het blijkt dat het de bedoeling is van de aanvraag om de bestaande en natuurlijke overstromingen ter plaatse maximaal te behouden. Deze bedoeling blijkt uit de volgende weerlegging van het bezwaar van de verzoekende partij in de bestreden beslissing: […] Het blijkt overigens ook dat het betrokken [gecontroleerd overstromingsgebied] werkt met een doorstroomconstructie en dat het [gecontroleerd overstromingsgebied] enkel in abnormale omstandigheden (piekmomenten die schade dreigen te veroorzaken) de overstroming op bepaalde plaatsen zal afvlakken. Los van de vaststelling dat niet sowieso elke vermindering van ruimte voor water (zie hoger) kan beschouwd worden als een ‘schadelijke effect’, is het […] ook niet duidelijk hoe de verzoekende partij de dwarsdijk (met doorloopconstructie) ziet als een vermindering van de ruimte voor water (over de volledige oppervlakte ervan). De verzoekende partij overtuigt dus niet dat de verwerende partij of de instanties die advies verleenden ten onrechte geen rekening hebben gehouden met een schadelijk effect door vermindering van ruimte voor water.” geen motieven bevat voor de verwerping van het middelonderdeel dat betrekking had op het schadelijke effect ten aanzien van flora zoals onder meer nader toegelicht in de wederantwoordnota: “Tussenkomende partij haalt aan ‘Een correcte lezing van artikel 1.3.1.1. stelt dat geen schadelijke effecten mogen ontstaan of alleszins zoveel mogelijk beperkt moeten worden.’ terwijl nu net door het wegvallen van de frequente overstromingen in een groot deel van de vallei er schadelijke VII-42.252-17/23 effecten optreden voor de vegetatie die er nood aan hebben om in stand te kunnen worden gehouden zoals de habitattypes 91E0 en 6430. In de Interpretation Manual staat duidelijk dat de natuurlijke kenmerken van 91E0 de volgende zijn […]: ‘Alle types komen voor op zware bodems (over het algemeen rijk aan alluviale afzettingen) die periodiek worden overstroomd door de jaarlijkse stijging van het rivier- (of beek-) niveau, maar verder goed gedraineerd en belucht tijdens laagwater.’ De definitie van schadelijk effect volgens het Waterwetboek luidt (art. 1.1.3, §2, 18°): ieder betekenisvol nadelig effect op het milieu dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan die wordt teweeggebracht door een menselijke activiteit; die effecten omvatten mede effecten op de gezondheid van de mens en de veiligheid van de vergunde of vergund geachte gebouwen en infrastructuur, gelegen buiten afgebakende overstromingsgebieden, op het duurzaam gebruik van water door de mens, op de fauna, de flora, de bodem, de lucht, het water, het klimaat, het landschap en het onroerend erfgoed, een achteruitgang in de toestand van een waterlichaam, alsmede de samenhang tussen een of meer van deze elementen; De effecten op de flora kunnen dus ook (…) schadelijke effecten op het watersysteem zijn. 91E0 en 6430 zijn welbepaalde vegetaties met specifieke flora. Als die vegetaties hun natuurlijke kenmerken verliezen dan zal dat ook hun weerslag hebben op hun karakteristieke vegetaties. Zonder overstromingen zal er wel nog een soort van natuur zijn, maar niet die op Europees niveau heel kwetsbare vegetatietypes (waaronder 1 vegetatietype dat prioritair is [voetnoot: En waarover in de aanhef van de Habitatrichtlijn staat: ‘Overwegende dat het noodzakelijk is bepaalde typen natuurlijke habitats en bepaalde soorten wegens de bedreigingen waaraan zij zijn blootgesteld, als prioritair aan te merken, ten einde een snelle tenuitvoerlegging van maatregelen voor hun instandhouding te bevorderen;’]). Tussenkomende partij stelt ook nog ‘Gelet op de bewoording ‘zo beperkt mogelijk’ laat het Waterwetboek als dusdanig een aanvaardbare aantasting van de onmiddellijke omgeving toe’ maar vergeet hierbij o.a. dat er voor de VEN-gebieden er geen enkele vorm van onvermijdbare en onherstelbare schade toegestaan is luidens de rechtspraak van [de RvVb].” De verzoekende partij licht het middel als volgt toe: “De RvVb meent verkeerdelijk dat verzoekende partij schadelijk effect in de zin van het Waterwetboek enkel en alleen beschouwd [heeft] als vermindering van ruimte voor het watersysteem, terwijl [de verzoekende partij] in de wederantwoordnota [heeft] toegelicht dat ook schade aan de flora ressorteert onder schade aan het watersysteem. Het bestreden arrest bevat geen motieven ter weerlegging van dit specifieke onderdeel uit de wederantwoordnota. Meer nog, de RvVb erkent impliciet dat ze hier aan voorbij gegaan is, met te oordelen ‘In de wederantwoordnota voegt de verzoekende partij niets wezenlijk toe.’ dit terwijl [de verzoekende partij] VII-42.252-18/23 niet eerder in haar verzoekschrift stil stond bij die decretale definitie van het begrip schadelijk effect [voetnoot: Het feit dat [de verzoekende partij] in de Wederantwoordnota daar wel bij stil [stond] was omwille van de discussie die de andere partijen daarover aangekaart hebben in hun nota’s.] (wel bij de schade aan de watergebonden flora van de Habitatrichtlijn-habitats 91E0 en 6430). Uit de decretale definitie (en de memorie van toelichting) blijkt daarentegen dat er veel mogelijke schadelijke effecten kunnen zijn op het watersysteem, veel ruimer dan dat ene aspect dat de RvVb enkel en alleen bespreekt in het bestreden arrest. De RvVb schiet tekort met dat andere aspect dat door de [verzoekende partij] aangekaart werd, niet te betrekken in diens beoordeling. Maar hoe dan ook blijkt dat de RvVb met te motiveren ‘De verzoekende partij verwijst naar een vermindering van ruimte voor water ter hoogte van de bebouwde zones […’] niet de passages uit de wederantwoordnota heeft betrokken waarbij uitdrukkelijk staat dat het ook over schade aan de flora gaat.” Beoordeling 20. In zoverre de verzoekende partij aanvoert dat artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC zijn geschonden doordat het bestreden arrest ten onrechte heeft vastgesteld dat zij in de wederantwoordnota niets wezenlijks heeft toegevoegd aan de uiteenzetting van haar verzoekschrift, gaat zij uit van een verkeerd begrip van de rechterlijke motiveringsplicht. 21. De passage van de wederantwoordnota waarop volgens de verzoekende partij niet werd geantwoord in het bestreden arrest, maakt deel uit van haar wederantwoord op de argumenten van de tussenkomende partij met betrekking tot het eerste onderdeel van het annulatiemiddel. Met betrekking tot dat middelonderdeel heeft het bestreden arrest vastgesteld dat de verzoekende partij hierin in essentie voorhoudt dat het project een verlies aan ruimte voor water veroorzaakt zonder dat dit verlies wordt gecompenseerd, en dat het verlies aan ruimte voor het watersysteem een “schadelijk effect” is in de zin van artikel 1.3.1.1, § 1, van het waterwetboek en artikel 2/1 van het watertoetsbesluit, zodat de vergunningsbeslissing die bepalingen schendt. VII-42.252-19/23 De verzoekende partij houdt in het cassatiemiddel voor dat zij in de wederantwoordnota heeft opgeworpen dat de “schade aan flora” die het project zou veroorzaken, ook beschouwd moet worden als een “schadelijk effect” in de zin van voormelde bepalingen, en dat het bestreden arrest hierop niet antwoordt. Het gaat hier aldus om een middel(onderdeel) dat de verzoekende partij pas heeft opgeworpen in de wederantwoordnota voor de RvVb, en als zodanig niet op ontvankelijke wijze werd aangevoerd voor de RvVb. Hieruit volgt dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het cassatiemiddel waarin zij aanvoert dat op dat middel(onderdeel) niet werd geantwoord. 22. In zoverre het middel ontvankelijk is, is het ongegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 23. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, artikel 32 DBRC en de rechterlijke motiveringsplicht. Zij voert aan dat het bestreden arrest met te oordelen: “Los van de vaststelling dat niet sowieso elke vermindering van ruimte voor water (zie hoger) kan beschouwd worden als een ‘[schadelijk] effect’, is het […] ook niet duidelijk hoe de verzoekende partij de dwarsdijk (met doorloopconstructie) ziet als een vermindering van de ruimte voor water (over de volledige oppervlakte ervan). De verzoekende partij overtuigt dus niet dat de verwerende partij of de instanties die advies verleenden ten onrechte geen rekening hebben gehouden met een schadelijk effect door vermindering van ruimte voor water.” geen motieven bevat voor de verwerping van het middelonderdeel dat betrekking had op het verlies aan ruimte voor het watersysteem door aanleg van de dijkeninfrastructuur. Zij licht dit middel toe als volgt: VII-42.252-20/23 “Gewoon stellen dat het [hem] (de RvVb) niet duidelijk is, volstaat niet. Bovendien zijn meerdere pagina’s uit het verzoekschrift er aan gewijd om uit te leggen dat die dijk ruimte voor water inneemt. Door die argumentatie met een halve zin gewoonweg af te wimpelen schendt de RvVb de rechterlijke motiveringsplicht[.] […] M.b.t. de motieven i.v.m. de stortplaats vinden we al helemaal niets terug in de beoordeling door de RvVb. Nochtans heeft de RvVb dit wel gelezen want in het stuk vóór [zijn] eigen beoordeling gaf [hij] mee […]: ‘IV Onderzoek van het enig middel Standpunt van de partijen De verzoekende partij voert de schending aan van: (…) Ze zet het middel, samengevat, als volgt uiteen: (…) en doordat het oordeel van verweerster m.n. ‘Door de verwijdering van de stortplaats (…) werd de bergingscapaciteit in het projectgebied hersteld’ kennelijk onredelijk is omdat dit een gevolg is van een definitief geworden uitspraak van het Hof van Beroep van Gent en geen verband houdt met voorliggend project waarmee er daarentegen ruimte voor water verloren gaat’ Doordat de RvVb over dit aspect (stortplaats en de in het verzoekschrift bekritiseerde motieven daarover) voorbij gaat in [zijn] beoordeling van het betwiste arrest, schendt de RvVb ook m.b.t. dit aspect de rechterlijke motiveringsplicht[.] […] M.b.t. de aspecten i.v.m. de uitgravingen voor een gracht en een sedimentvang (twee onderdelen van het voorwerp van de aanvraag) is het vruchteloos zoeken in de beoordeling door de RvVb in het arrest. […] Ook die elementen hebben betrekking op het aspect ruimte voor het watersysteem en vragen een beoordeling in het licht van de bepalingen van het Waterwetboek en het Watertoetsbesluit.” Beoordeling 24. Door te oordelen dat het niet duidelijk is hoe de verzoekende partij de dwarsdijk ziet als een vermindering van de ruimte voor water, heeft het bestreden arrest geantwoord op het argument van de verzoekende partij dat er verlies aan ruimte is voor het watersysteem door aanleg van de dijkeninfrastructuur. Uit de omstandigheid dat op die wijze een bladzijdenlange uiteenzetting wordt beantwoord met een enkele zin, volgt geen schending van de rechterlijke motiveringsplicht. VII-42.252-21/23 25. Met betrekking tot het eerste middelonderdeel van het annulatiemiddel oordeelt het bestreden arrest dat de verzoekende partij hierin uitgaat van de foutieve premisse dat elke vermindering van de ruimte voor water een schadelijk effect is in de zin van artikel 1.3.1.1, § 1, van het waterwetboek en artikel 2/1 van het watertoetsbesluit. Vervolgens stelt de RvVb onder meer vast dat de bestreden aanvraag precies tot doel heeft om op sommige plaatsen en in piekmomenten het water terug te dringen omwille van overstromingsschade aan woningen, en dat het de bedoeling is van de aanvraag om de bestaande en natuurlijke overstromingen ter plaatse maximaal te behouden. Het bestreden arrest haalt uitvoerig de in de bestreden vergunningsbeslissing gemaakte watertoets aan, alsook de weerlegging van het bezwaar van de verzoekende partij, en besluit dat de verzoekende partij niet overtuigt dat de verwerende partij of de instanties die advies verleenden ten onrechte geen rekening hebben gehouden met een schadelijk effect door vermindering van ruimte voor water. Met deze motieven maakt de RvVb voldoende duidelijk dat met het aanhalen van verschillende aspecten die volgens de verzoekende partij een vermindering aan ruimte voor het watersysteem met zich brengen (dijkinfrastructuur, stortplaats, uitgravingen voor een gracht en sedimentvang) geen schending wordt aangetoond van voormelde bepalingen. De verzoekende partij kan eruit begrijpen waarom haar argumenten in dat verband niet worden aangenomen. 26. De aangevoerde schending van artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC kan niet worden aangenomen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een VII-42.252-22/23 rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zevenentwintig januari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Francis Van Nuffel, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.252-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.587 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.