← België

Arrest 265602 - Overheidsopdrachten - 28/01/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.602 Rolnummer: A. 246927/XIV-40020 Zaak: Arrest 265602 - Overheidsopdrachten - 28/01/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-01-29 Raadplegingen: 196 - laatst gezien 2026-06-18 06:12 Fiche Arrest nr 265.602 van 28 januari 2026 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.602 no lien 287351 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 265.602 van 28 januari 2026 in de zaak A. 246.927/XIV-40.020 In zake: de NV D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Cédric Vandekeybus en Lieze Verheyen kantoor houdende te 2018 Antwerpen, Mechelsesteenweg 127A, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan door advocaat Sophie Bleux kantoor houdende te 1000 Brussel Regenschapstraat 58 bus 8 eveneens bijgestaan door advocaat Elke Casteleyn kantoor houdende te 9160 Lokeren Begijnhofstraat 8/0003 tegen: de BRANDWEER ZONE ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gitte Laenen kantoor houdend te 2800 Mechelen, Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de NV C. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bob Martens en Pauline Darras kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 70 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- XIV-40.020-1/34 I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 2 januari 2026, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de Brandweer Zone Antwerpen van 16 december 2025 waarbij de overheidsopdracht inzake ‘Raamovereenkomst voor het reinigen en herstellen van brandweerkledij’ met referentie 2025-BZA-0046 wordt gegund aan [nv C.]”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij beschikking van 5 januari 2026 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Met een verzoekschrift van 14 januari 2026 heeft de nv C. gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 januari 2026 om 10:30 uur. Staatsraad Inge Vos heeft verslag uitgebracht. Advocaat Elke Casteleyn, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaten Benjamin Gorrebeeck en Ann-Sofie Custers, die loco advocaat Gitte Laenen verschijnen voor de verwerende partij, en advocaat Bob Martens, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. XIV-40.020-2/34 III. Feiten 3.
  4. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht uit voor diensten met als voorwerp “Raamovereenkomst voor het reinigen en herstellen van brandweerkledij”. Als plaatsingsprocedure wordt gekozen voor een openbare procedure. De opdracht wordt nationaal en Europees bekendgemaakt. 3.
  5. Het bestek dat op de opdracht van toepassing is, bepaalt als gunningscriteria: prijs (40 punten), kwaliteit (30 punten), service (20 punten) en duurzaamheid (10 punten) Punt 3.4 van de technische bepalingen van het bestek omschrijft het reinigingsproces: “De reiniging en behandeling van brandweerkledij omvat meerdere stappen om de veiligheid en kwaliteit van de uitrusting te waarborgen. Dit proces bestaat uit: ● Standaard Reiniging Water en zeep worden gebruikt voor het verwijderen van vuil en vet. Dit is de basisreiniging van de kledij. ● Reiniging met LCO₂ LCO₂ is een methode voor het reinigen van kledij met een minimum aan beschadiging van de textielvezels. Ongeacht de mate van vervuiling (m.u.v. asbest), dient hiervoor slechts één prijs te worden opgegeven in de inventaris. ○ Reactieve reiniging (na interventies met verhoogd risico): Directe reiniging na risicovolle situaties zoals brand of blootstelling aan gevaarlijke stoffen. ○ Proactieve reiniging (preventief onderhoud): minimaal eenmaal per twaalf maanden plaats, of na vijf standaard wasbeurten, teneinde de kleding in optimale staat te behouden. ● Impregneren Na meerdere wasbeurten moet de kledij opnieuw geïmpregneerd worden om de waterafstotende eigenschappen te herstellen. ● Asbest of zware vervuiling Indien de inschrijver een aparte handeling uitvoert voor asbest en/of zware vervuiling, dan dient hij deze te verantwoorden/toe te lichten in zijn offerte. Er dient een systeem aanwezig te zijn voor de afvoer van vuile kledij, om het risico op contaminatie met personen of andere artikelen maximaal uit te XIV-40.020-3/34 sluiten. Dit wordt aangetoond door middel van een internationaal erkend certificaat (OHSAS 18001 - of gelijkwaardig aan), een gevalideerde methode, of een schriftelijke verklaring op eer.” Het begrip “Impregneren” wordt onder punt 3.1 van de technische bepalingen van het bestek gedefinieerd als volgt: “Impregneren betekent het behandelen van een kledingstuk zodat het blijft voldoen aan de eisen van de meest recente versie van EN
  6. Het impregneren dient steeds PFAS-vrij te gebeuren. Na het opnieuw impregneren moeten de pakken blijvend voldoen aan de geldende norm EN
  7. Deze vereisten zijn essentieel voor een positieve certificering volgens EN
  8. Indien niet aan deze vereisten wordt voldaan, voldoet het persoonlijke beschermingsmiddel (PBM) niet aan de norm en mag het niet worden gebruikt. De naleving van deze eisen wordt systematisch gecontroleerd gedurende de gehele levensduur van de kleding. Wanneer blijkt dat de kleding niet langer aan deze eisen voldoet, moet deze opnieuw geïmpregneerd worden”. 3.
  9. De bij het bestek gevoegde inventaris deelt de prestaties op in vier onderdelen: “A. Reiniging met water en zeep”; “B. Reiniging met LCO2”; “C. Aanvullende prestaties” en “D. Herstellingen”. In geding zijn vooral de posten 3 “Interventiebroek” en 4 “Interventiejas”, telkens met vermoedelijke hoeveelheid (VH) “4000” onder A, de posten 12 “Interventiebroek” en 13 “Interventiejas”, telkens met VH “6000” onder B en de posten 19 “Het opnieuw impregneren interventievest” en 20 “Het opnieuw impregneren interventiebroek”, telkens met VH “1” onder C. 3.
  10. Twee inschrijvers dienen een offerte in, meer bepaald de verzoekende partij en de verzoekende partij tot tussenkomst. 3.
  11. In het kader van een algemeen prijzenonderzoek wordt aan beide inschrijvers om een prijstoelichting gevraagd. 3.
  12. Bij besluit van 19 augustus 2025 wordt de offerte van de verzoekende partij substantieel onregelmatig bevonden en wordt de opdracht gegund aan de verzoekende partij tot tussenkomst. XIV-40.020-4/34 3.
  13. Tegen de tenuitvoerlegging van deze beslissing stelt de verzoekende partij een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in bij de Raad van State, waarna de verwerende partij op 16 september 2025 besluit om de beslissing van 19 augustus 2025 in te trekken en de door de verzoekende partij ingestelde vordering bij arrest nr. 264.678 van 28 oktober 2025 (ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.678) wordt verworpen. 3.
  14. De offertes worden opnieuw aan een prijzenonderzoek onderworpen. Aan de verzoekende partij tot tussenkomst wordt bij afzonderlijk schrijven van de verwerende partij van 2 oktober 2025 verzocht, eensdeels, om een prijsverantwoording voor een aantal posten en, anderdeels, om een toelichting. Op 17 oktober 2025 bezorgt de verzoekende partij tot tussenkomst haar prijsverantwoording. Nog op 2 oktober 2025 wordt ook aan de verzoekende partij om prijsverantwoording gevraagd voor bepaalde posten. Eveneens op 17 oktober 2025 bezorgt de verzoekende partij haar prijsverantwoording. Op 30 oktober 2025 wordt andermaal een vraag om prijsverantwoording gericht aan de verzoekende partij tot tussenkomst. Op 12 november 2025 verstrekt de verzoekende partij tot tussenkomst de bijkomende prijsverantwoording. Nog op 30 oktober 2025 wordt ook de verzoekende partij om een bijkomende prijsverantwoording verzocht. Eveneens op 12 november 2025 bezorgt ook de verzoekende partij de bijkomende prijsverantwoording. XIV-40.020-5/34 3.
  15. Het verslag van nazicht vermeldt onder punt 4 ‘Regelmatigheidsonderzoek van de offertes van de geselecteerde inschrijvers’ inzake het ‘Prijs- of kostenonderzoek’ het volgende: “Nazicht abnormale eenheidsprijzen en totale offerteprijzen: Omwille van de vertrouwelijkheid zoals beschermd door artikel 13 Overheidsopdrachtenwet en uitdrukkelijk verzoek tot vertrouwelijkheid vanwege de inschrijvers, wordt in onderstaande beoordeling van de prijsverantwoording hieraan rekenschap gegeven. Dientengevolge werd een vertrouwelijke administratieve nota opgemaakt ter ondersteuning van dit prijs- en kostenonderzoek. De aanbestedende overheid heeft op basis van het algemeen rijs- en kostenonderzoek overeenkomstig artikel 35 KB Plaatsing vastgesteld dat er sprake is van schijnbaar abnormale eenheidsprijzen bij beide inschrijvers, aardoor er overgegaan is tot een prijsverantwoording overeenkomstig artikel 36 KB Plaatsing. Bij haar onderzoek heeft de aanbestedende overheid rekening gehouden met afwijkingen in meer en min van 15% ten opzichte van het gemiddelde. Verwaarloosbare posten van minder dan 1% ten opzichte van het gemiddelde van alle totale offerteprijzen werden niet bevraagd. De aanbestedende overheid wijst er voorts op dat rekening werd gehouden met de omstandigheid dat slechts twee

(2)offertes werden ingediend. In die omstandigheden bestaat geen evident uitgangspunt om de ene offerte tot toetsingsmaatstaf te verheffen om de andere offerte op basis daarvan als behept met een abnormale prijs te bestempelen. Bovendien is de aanbestedende overheid overgegaan tot het doorvoeren (van) een aantal extrapolaties teneinde dit onderzoek te kunnen voeren, aangezien bij de titel C en D in de inventaris uitgegaan is van een hoeveelheid 1 hetgeen in het prijs-en kostenonderzoek een vertekend beeld zou geven. - De extrapolatie voor de posten 19 en 20 onder hoofdstuk C zijn gelinkt aan de hoeveelheden van de posten 12 en 13. - De extrapolatie voor de posten onder hoofdstuk D zijn gebaseerd op de verwachte bestelhoeveelheid op basis van een extrapolatie van de maand juni 2025.” De conclusies van het gevoerde onderzoek ten aanzien van de offerte van de verzoekende partij tot tussenkomst luiden als volgt: De aanbestedende overheid richtte een verzoek tot prijstoelichting ex artikel 35 KB Plaatsing tot de inschrijver op 8 juli 2025, aangezien de inschrijver geen prijs had opgegeven voor de posten inzake het opnieuw ‘impregneren’. De inschrijver lichtte toe dat de kostprijs is vervat in de opgegeven eenheidsprijzen. Het prijs- of kostenonderzoek werd derhalve verschoven naar de posten, waarin de kostprijs voor het impregneren werd vervat. XIV-40.020-6/34 Daaropvolgend verzocht de aanbestedende overheid om prijsverantwoording ex artikel 36, §2 KB Plaatsing bij schrijven d.d. 2 oktober 2025, dewelke de inschrijver verstrekte op 17 oktober 2025. Met name volgende eenheidsprijzen worden als schijnbaar abnormaal hoog beschouwd: Hoofdstuk A: Reinigen met water en zeep ● Post 01 ● Post 02 ● Post 03 ● Post 04 Hoofdstuk B: Reiniging met LCO2 ● Post 15 ● Post 16 Hoofdstuk D: Herstellingen ● Post 64 Met name volgende eenheidsprijzen worden als schijnbaar abnormaal laag beschouwd: Hoofdstuk C: Aanvullende prestaties ● Post 19 ● Post 20 Hoofdstuk D: Herstellingen ● Post 38 ● Post 39 ● Post 40 ● Post 42 ● Post 53 Inzake hoofdstuk A werd een gedetailleerde, cijfermatige opsplitsing bijgebracht van de opbouw van de post. De inschrijver hanteert hierbij een marktconforme marge om tot de opgegeven prijs te komen. Verder wijst de inschrijver erop dat de leverlocaties dicht bij elkaar liggen waardoor een lagere gemiddelde kost werd gerekend, hetgeen een rechtmatige verantwoording uitmaakt. Op 28 oktober 2025 werd door de aanbestedende overheid voor deze posten een aanvullend verzoek tot prijsverantwoording tot de inschrijver gericht ex artikel 36, §2 KB Plaatsing om ook inzage te verwerven in de kostprijs voor de nutsvoorzieningen en detergent, alsook de kostprijs voor de geïntegreerde onderhoudsbehandeling. Bij schrijven d.d. 12 november 2025 splitst de inschrijver de opgegeven prijzen verder uit in arbeidskost, machine, overhead, gebouw, gas, water, elektriciteit, chemicaliën, overige kosten, en marge. De inschrijver verduidelijkt verder cijfermatig het geïntegreerde proces voor het waterwerend maken van de kledij. De verantwoording wordt voor dit onderdeel aanvaard. Inzake hoofdstuk B verduidelijkt de inschrijver (dat) de prijszetting eveneens natwas omvat, gezien enkel droge kleding in aanmerking komt voor een LCO² reiniging. De inschrijver splitst de prijs op in o.a. een logistieke kost, een gedeelte natwas en een marge, de afschrijving van de machine en een manuele sorting fee. De inschrijver verduidelijkt verder dat de LCO² machine een dure investering betreft met een hoge onderhoudskost, hetgeen de prijs XIV-40.020-7/34 verder opdrijft. Tot slot verduidelijkt de inschrijver dat de balaclava specifiek meer aandacht behoeft gezien deze niet worden gepersonaliseerd met extra kosten bij de sortering ervan tot gevolg. De verantwoording wordt voor dit onderdeel aanvaard. Inzake hoofdstuk C verduidelijkt de inschrijver dat re-impregnatie een standaardproces uitmaakt na iedere reiniging. De inschrijver heeft een unieke kostenbesparende werkwijze ontwikkeld waardoor deze prestaties mee opgenomen zijn onder de posten 03 en 04. Deze werkwijze wordt nader toegelicht en cijfermatig onderbouwd voor deze posten 03 en 04 naar aanleiding van de herbevraging. De verantwoording wordt voor dit onderdeel aanvaard. De aanbestedende overheid heeft bij schrijven d.d. 2 oktober 2025 nadere verduidelijking gevraagd over het PFAS-vrij reinigen. Hierop werden de nodige verduidelijking en ondersteunende bewijsstukken bezorgd door de inschrijver d.d. 17 oktober 2025 dat ze voldoen aan de voorwaarden inzake het PFAS-vrij reinigen. De aanbestedende overheid aanvaardt deze verduidelijking. Inzake hoofdstuk D, m.n. de posten die verband houden met herstellingen, geldt dat herstellingen aan persoonlijke beschermingsmiddelen maar mogen worden uitgevoerd door afdoende erkende ondernemingen in samenspraak met de fabrikant van de respectievelijke kledij. Uit de aangedragen verantwoordingen en de bewijsstukken daarbij is gebleken dat de inschrijver de werkelijke kostprijs voor de herstelling zoals bepaald door de fabrikant één op één doorrekent. De verantwoording wordt voor dit onderdeel aanvaard. De inschrijver heeft derhalve voor elke, afzonderlijke post een gedegen, cijfermatige, concrete verantwoording aangeboden die werd ondersteund door stukken, en die van een aard zijn om de schijn van abnormaliteit weg te nemen. De verantwoordingen worden aanvaard. Het verslag van nazicht zet tevens de redenen uiteen waarom de prijsverantwoording verstrekt door de verzoekende partij niet wordt aanvaard en haar offerte substantieel onregelmatig wordt bevonden. Na toetsing van de offerte van de verzoekende partij tot tussenkomst aan de gunningscriteria, wordt voorgesteld de opdracht te gunnen aan de verzoekende partij tot tussenkomst. 3.10. Op 16 december 2025 beslist het zonecollege om de opdracht overeenkomstig het verslag van nazicht te gunnen aan de nv C. Dit is de bestreden beslissing. XIV-40.020-8/34 3.11. Met een aangetekend schrijven en e-mailbericht van 18 december 2025 wordt de verzoekende partij in kennis gesteld van de bestreden beslissing. IV. Tussenkomst 4. De nv C. blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg wordt haar verzoek tot tussenkomst ingewilligd. V. Verzoek tot vertrouwelijke behandeling van bepaalde stukken 5. De partijen vragen om de vertrouwelijke behandeling van bepaalde door hen neergelegde stukken die zij in de inventaris als vertrouwelijk aanduiden en waarbij zij de redenen opgeven waarom zij om die vertrouwelijke behandeling vragen. Er zijn geen gronden aangevoerd door de partijen om het aangevoerde vertrouwelijk karakter ervan, althans in deze fase van het geding, te lichten. De Raad van State mag overigens deze stukken in zijn beoordeling betrekken. VI. Ontvankelijkheid van de vordering Tijdigheid van de vordering 6. In de nota met opmerkingen werpt de verwerende partij een exceptie van niet-ontvankelijkheid van de vordering op, afgeleid uit de laattijdigheid ervan. 7. Overeenkomstig artikel 23, §§ 1 en 3, van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ (hierna: wet van 17 juni 2013) dient de in artikel 15 van die wet bedoelde vordering tot schorsing uitsluitend te worden ingesteld volgens de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.602 XIV-40.020-9/34 procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid “op straffe van niet- ontvankelijkheid” binnen een termijn van vijftien dagen “vanaf de bekendmaking, de kennisgeving of de kennisneming van de rechtshandeling, al naargelang”. Volgens artikel 68 van de wet van 17 juni 2013 gebeurt de berekening van de in deze wet bepaalde termijnen “overeenkomstig Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden [hierna: verordening 1182/71] in het recht van de Europese Unie”. Artikel 3, lid 1, van die verordening bepaalt dat “wanneer een in dagen [...] omschreven termijn ingaat op het ogenblik waarop een gebeurtenis of handeling plaatsvindt, [...] de dag waarop deze gebeurtenis of handeling plaatsvindt, niet bij de termijn [wordt] inbegrepen”. Artikel 3, lid 4, van de verordening bepaalt dat, “indien de laatste dag van een anders dan in uren omschreven termijn een feestdag, een zondag of een zaterdag is, […] deze termijn [dan afloopt] bij het einde van het laatste uur van de daaropvolgende werkdag”. Door de partijen wordt niet betwist dat de gebeurtenis die de termijn heeft doen ingaan, de verzending van de aangetekende brief van 18 december 2025 is, waarbij de verzoekende partij van de bestreden beslissing in kennis werd gesteld. Te dezen nam de termijn van vijftien dagen om tegen de thans bestreden beslissing een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid bij de Raad van State in te stellen, aldus een aanvang op de dag na die dag, dus op 19 december 2025. De termijn van vijftien dagen verstreek derhalve op 2 januari 2026. 8. Overeenkomstig artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten wordt de vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen ingesteld en behandeld met toepassing van de elektronische procesvoering, in elk geval wanneer de partijen worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een advocaat of wanneer ze een overheid zijn als bedoeld in artikel 14, § 1, eerste lid, van die wetten. XIV-40.020-10/34 Artikel 85bis van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling) is op grond van artikel 2 van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: het koninklijk besluit van 19 november 2024) van toepassing op een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Artikel 85bis, § 15, van de algemene procedureregeling, in de versie zoals van toepassing op het voorliggende geding, luidt als volgt: “§ 15. In het geval dat het elektronische platform van de Raad van State tijdelijk gedurende meer dan een uur onbeschikbaar is, wordt elke termijn die vervalt op de dag dat deze onbeschikbaarheid zich voordoet, van rechtswege verlengd tot het verstrijken van de werkdag volgend op de dag waarop een einde is gekomen aan de onbeschikbaarheid. De periodes waarin het elektronische platform niet beschikbaar was, staan vermeld op de website. In het geval dat de informaticamiddelen van een partij die gebruik maakt van de elektronische procesvoering tijdelijk onbeschikbaar zijn, kan elk stuk met de post overeenkomstig artikel 84 of per elektronisch bericht naar de Raad van State worden gestuurd; de verzoekschriften en memories dienen slechts in één exemplaar te worden neergelegd. In deze zending wordt melding gemaakt van de onbeschikbaarheid. De betreffende partij voert de inhoud van de zending in op het platform zodra dat mogelijk is.” De website van de Raad van State heeft melding gemaakt van de officiële onbeschikbaarheid van het platform tijdens de migratiefase naar het nieuwe elektronisch platform van de Raad van State van 31 december 2025 tot en met 5 januari 2026. In een bericht aan de gebruikers van het elektronische platform van de Raad van State inzake de “Migratie eProadmin”, zoals bekendgemaakt op de website van de Raad van State op 19 december 2025 werd bovendien het volgende meegedeeld: “Tijdens de periode van officiële onbeschikbaarheid van het platform (en enkel tijdens deze periode) moeten verzoeken bij uiterst dringende noodzakelijkheid […] per e-mail worden gericht aan het volgende adres: dringend@raadvst-consetat.be.” XIV-40.020-11/34 De verzoekende partij heeft op 2 januari 2026 haar verzoekschrift per elektronisch bericht bezorgd aan de Raad van State en hetzelfde verzoekschrift neergelegd op het elektronische platform op 5 januari 2026, en dus zodra het nieuwe elektronische platform van de Raad van State beschikbaar was. 9. Het verzoekschrift is derhalve tijdig ingediend. De exceptie wordt verworpen. Belang bij de vordering 10. In de nota met opmerkingen werpt de verwerende partij een exceptie van niet-ontvankelijkheid van de vordering op, afgeleid uit een gebrek aan belang aangezien de verzoekende partij volgens de verwerende partij door haar handelswijze zelf aangeeft geen voordeel met het verzoekschrift te beogen, maar enkel beoogt de gekozen inschrijver te benadelen. 11. Een inschrijver wiens offerte onregelmatig is verklaard, zoals te dezen de offerte van de verzoekende partij, heeft in beginsel geen belang om de gunning van een overheidsopdracht aan een concurrerende inschrijver aan te vechten, tenzij uit de middelen blijkt dat zijn offerte ten onrechte onregelmatig werd verklaard of dat de opdracht aan geen enkele inschrijver rechtsgeldig mocht worden toegewezen. Hoewel de verzoekende partij in haar verzoekschrift bij de uiteenzetting van haar belang bij de vordering verklaart dat haar offerte “niet onregelmatig (was), waardoor de opdracht aan haar gegund had moeten worden” en dat “minstens en ondergeschikt dient te worden vastgesteld dat de offerte van (tussenkomende partij) zelf meerdere substantiële onregelmatigheden bevat, waardoor de opdracht niet rechtsgeldig kan worden gegund en de gunningsprocedure dient te worden hernomen”, blijkt niet dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift middelen aanvoert tegen de substantieel onregelmatigverklaring van de eigen offerte. Wel blijkt dat slechts twee inschrijvers een offerte hebben ingediend en dat de beide middelen die de verzoekende partij aanvoert ertoe ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.602 XIV-40.020-12/34 strekken aan te tonen dat de offerte van de gekozen inschrijver (ook) substantieel onregelmatig is om verschillende redenen. Indien één van beide middelen gegrond wordt bevonden volgt daaruit dat de opdracht aan geen van de inschrijvers rechtsgeldig kon worden gegund. 12. Op het eerste gezicht beschikt de verzoekende partij als onregelmatige inschrijver aldus over het vereiste belang bij de vordering. De exceptie wordt verworpen. VII. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 13. Krachtens artikel 17, §§ 1, 5 en 6, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013, moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. VIII. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 14. De verzoekende partij voert in het eerste middel de schending aan van artikel 4 van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: wet van 17 juni 2016), de artikelen 76, 77 en 79, § 1, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’ (hierna: koninklijk besluit van 18 april 2017), “het zorgvuldigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het patere legem quam ipse fecisti-beginsel, het transparantiebeginsel en de materiëlemotiveringsplicht als beginselen van behoorlijk bestuur” en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende XIV-40.020-13/34 de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991), “Eerste middelonderdeel Doordat het bestek afzonderlijke posten 19 en 20 in hoofdstuk C voorziet voor de re-impregnatie, hetgeen een aanvullende prestatie betreft die enkel moet worden uitgevoerd wanneer dit noodzakelijk blijkt. Dat de re-impregnatie volgens het bestek (ook) als aanvullende prestatie bij een reiniging met LCO2 voorzien moet worden. Dat NV [C.] geen prijzen heeft opgegeven voor posten 19 en 20, maar deze posten mee heeft opgenomen in de posten 3 en 4 van hoofdstuk A (‘reiniging met water en zeep’); Dat NV [C.] een re-impregnatie voorziet na iedere reiniging met water en zeep, zelfs wanneer zulks niet noodzakelijk is. Dat NV [C.] geen mogelijkheid tot re-impregnatie voorziet bij een reiniging met LCO2; Dat de verbintenis van NV [C.] om de re-impregnatie uit te voeren telkens doch ook enkel wanneer noodzakelijk, onbestaande minstens onzeker is; Dat het bestek bij wege van minimale eis voorschrijft dat het impregneren steeds PFAS-vrij gebeurt; Dat NV [C.] niet PFAS-vrij impregneert, te meer omdat zij dit voorziet na een reiniging met water en zeep en dit proces niet PFAS-vrij kan verlopen; Dat niet blijkt dat Brandweer Zone Antwerpen een ernstig en grondig regelmatigheidsonderzoek gevoerd heeft; Dat Brandweer Zone Antwerpen heeft nagelaten vast te stellen dat de offerte van NV [C.] substantieel onregelmatig is conform artikel 76, §1 KB Plaatsing Terwijl op grond van artikel 76 KB Plaatsing de offertes onderzocht moeten worden op hun regelmatigheid; Dat op grond van artikel 76, § 1, 3de lid KB Plaatsing een offerte substantieel onregelmatig is wanneer ze van aard is de verbintenis van de inschrijver om de opdracht onder de gestelde voorwaarden uit te voeren onbestaande, onvolledig of onzeker te maken; Dat op grond van artikel 76, §1, 4de lid, 3° KB Plaatsing een offerte substantieel onregelmatig is bij de niet-naleving van de minimale eisen en de vereisten die als substantieel worden aangemerkt in de opdrachtdocumenten; Dat de aanbestedende overheid, op grond van het zorgvuldigheidbeginsel een deugdelijk en zorgvuldig regelmatigheidsonderzoek moet uitvoeren en haar beslissing in het kader van het regelmatigheidsonderzoek op grond van de materiëlemotiveringsplicht moet steunen op rechtens aanvaardbare, voldoende veruitwendigde en draagkrachtige motieven; Dat op grond van het patere legem quam ipse fecisti-beginsel, het transparantiebeginsel en het gelijkheidsbeginsel, zoals ook vastgelegd in artikel 4 Overheidsopdrachtenwet, een aanbestedende overheid de regels die ze voor zichzelf vastlegt, ook moet naleven bij het nemen van een individuele beslissing; Het eerste middelonderdeel van het eerste middel ernstig is; XIV-40.020-14/34 Tweede onderdeel Doordat de hoeveelheid van de posten 19 en 20 (impregnatie) – nl. ‘1’ – sterk verschilt van de hoeveelheid van de posten 3 en 4 (reiniging met water en zeep) – nl. ‘4.000’; Dat het bestek de inschrijvers niet toelaat de vermoedelijke hoeveelheden van de inventaris te wijzig(en); Dat NV [C.] geen prijzen heeft opgegeven voor posten 19 en 20, maar deze posten mee heeft opgenomen in de posten 3 en 4 van hoofdstuk A (‘reiniging met water en zeep’); Dat de clustering door NV [C.] van de posten 19 en 20 in de posten 3 en 4 ertoe leidt dat impregnatie die in de offerte van NV [D.] slechts éénmaal wordt voorzien in de posten 19 en 20, duizenden malen is voorzien in de offerte van NV [C.]; Dat NV [C.] eenzijdig de hoeveelheid van de posten 19 en 20 wijzigt; Dat de offerte van NV [C.] door haar eenzijdige en afwijkende prijszetting onvergelijkbaar is met de offerte van NV [D.]. Dat Brandweer Zone Antwerpen zelf een kunstmatige herrekening heeft doorgevoerd van de posten 19 en 20 van de offerte van NV [D.], door middel van extrapolatie; Dat Brandweer Zone Antwerpen heeft nagelaten vast te stellen dat de offerte van NV [C.] substantieel onregelmatig is conform artikel 76, §1, 3de lid KB Plaatsing; Terwijl op grond van artikel 76 KB Plaatsing de offertes onderzocht moeten worden op hun regelmatigheid; Dat op grond van artikel 76, § 1, 3de lid KB Plaatsing een offerte substantieel onregelmatig is wanneer ze van aard is de beoordeling van de offerte van de inschrijver of de vergelijking ervan met de andere offertes te verhinderen; Dat op grond van artikel 79, § 1, 2° KB Plaatsing een inschrijver vermoedelijke hoeveelheden slechts mag wijzigen voor zover de opdrachtdocumenten zulks uitdrukkelijk toelaten; Dat de aanbestedende overheid, op grond van het zorgvuldigheidbeginsel een deugdelijk en zorgvuldig regelmatigheidsonderzoek moet uitvoeren en haar beslissing in het kader van het regelmatigheidsonderzoek op grond van de materiëlemotiveringsplicht moet steunen op rechtens aanvaardbare, voldoende veruitwendigde en draagkrachtige motieven; Dat het zorgvuldigheidsbeginsel, het transparantiebeginsel en het gelijkheidsbeginsel een aanbestedende overheid verbieden om kunstmatige verrekeningen door te voeren van de ingediende prijzen uit de offertes, in een poging de offertes alsnog vergelijkbaar te maken; Het tweede middelonderdeel van het eerste middel ernstig is; Derde onderdeel Doordat het bestek afzonderlijke posten 19 en 20 in hoofdstuk C voorziet voor de re-impregnatie. Dat NV [C.] geen prijzen heeft opgegeven voor posten 19 en 20, maar deze posten mee heeft opgenomen in de posten 3 en 4 van hoofdstuk A (‘reiniging met water en zeep’); Dat NV [C.] niet concreet aantoont waarom de betrokken posten vanuit prijszetting onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn; XIV-40.020-15/34 Dat Brandweer Zone Antwerpen zulks evenmin motiveert; Dat Brandweer Zone Antwerpen een clustering van de posten 19 en 20 met de posten 3 en 4 aanvaardt, die conform de vooropgestelde voorwaarden in het bestek, in het bijzonder deze met betrekking tot de impregnatie, niet inhoudelijk verbonden kunnen zijn, minstens niet naar de prijszetting toe; Dat de clustering van de posten 19 en 20 met de posten 3 en 4 ook tegengesproken wordt door de extrapolatie die Brandweer Zone Antwerpen toepast, waarbij zij de posten 19 en 20 koppelt aan de posten 12 en 13 en niet aan de posten 3 en 4; Terwijl op grond van artikel 77 en 79, § 1 KB Plaatsing een inventaris dient ingevuld te worden zodat voor elke afzonderlijke posten een afzonderlijke prijs wordt opgegeven; Dat clustering van posten hierop een uitzondering uitmaakt en derhalve restrictief benaderd moet worden; Dat clustering van posten slechts toegestaan is onder cumulatieve voorwaarden, waarbij o.a. moet vaststaan en concreet onderbouwd moet worden dat de betrokken posten naar prijszetting toe met elkaar verbonden zijn. Dat het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht de aanbestedende overheid verplichten om bij de aanvaarding van een clustering duidelijk aan te geven waarom zij in het concrete geval aanvaardt dat voor een bepaalde post geen afzonderlijke prijs wordt opgegeven; Dat op grond van de artikelen 2 en 3 van de Formele Motiveringswet deze motieven ook afdoende uitdrukkelijk veruitwendigd moeten worden in de gunningsbeslissing; Het derde middelonderdeel van het eerste middel ernstig is.” De verzoekende partij vat het eerste middel in haar verzoekschrift samen als volgt: “De inventaris voorziet afzonderlijke posten 19 en 20 in hoofdstuk C voor de re-impregnatie, hetgeen een aanvullende prestatie betreft die enkel moet worden uitgevoerd wanneer dit noodzakelijk blijkt. NV [C.] heeft evenwel geen prijzen opgegeven voor posten 19 en 20, maar heeft deze posten mee heeft opgenomen in de posten 3 en 4 van hoofdstuk A (‘reiniging met water en zeep’). De offerte van NV [C.] is om meerdere redenen substantieel onregelmatig. Eerste middelonderdeel Vooreerst is de offerte van NV [C.] substantieel onregelmatig wegens een niet-bestekconforme invulling van de prestaties inzake re-impregnatie. NV [C.] heeft deze prestatie structureel en automatisch gekoppeld aan elke reiniging met water en zeep (posten 3 en 4), terwijl het bestek re-impregnatie uitdrukkelijk kwalificeert als een aanvullende prestatie die slechts moet worden uitgevoerd wanneer dit noodzakelijk blijkt. Tegelijk wordt de mogelijkheid tot re-impregnatie niet voorzien na reiniging met LCO2 (posten 12 en 13), hoewel dergelijke re-impregnatie daar volgens de opzet van de opdracht net ook en zelfs bij uitstek relevant is. Deze benadering wijkt ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.602 XIV-40.020-16/34 inhoudelijk af van de gestelde voorwaarde in het bestek en houdt bovendien een reëel risico in op speculatie. De verbintenis van NV [C.] om over te gaan tot impregnatie telkens doch ook enkel wanneer nodig, is onbestaande minstens onzeker. Daarnaast voldoet NV [C.] niet aan de minimale eisen inzake het PFAS-vrije karakter van de impregnatie. Zij voorziet de impregnatie als een onderdeel van een reiniging met water en zeep, terwijl dit proces technisch gezien niet PFAS-vrij kan verlopen. Uit het gunningsverslag blijkt in ieder geval niet dat Brandweer Zone Antwerpen dienaangaande een ernstig en grondig regelmatigheidsonderzoek gevoerd heeft. Brandweer Zone Antwerpen schendt dan ook artikel 76, §1, derde en vierde lid KB Plaatsing, het zorgvuldigheidsbeginsel, het transparantiebeginsel, de materiële motiveringsplicht en het patere legem quam ipse fecisti-beginsel Tweede middelonderdeel De niet-invulling van posten 19 en 20 en de opname van deze prestaties in respectievelijk posten 3 en 4 verhindert de vergelijkbaarheid van de offerte van NV [C.] met deze van NV [D.]. De hoeveelheid voor de posten 19 en 20 (nl. ‘1’) verschilt immers sterk met sterk met de hoeveelheid voor de posten 3 en 4 (nl. ‘4.000’). Door de clustering wordt de impregnatie die in de offerte van NV [D.] slechts éénmaal is voorzien, duizenden malen voorzien in de offerte van NV [C.]. Al doende wijzigt NV [C.] eenzijdig ook de hoeveelheid van de posten 19 en 20, terwijl zulks niet is toegestaan door het bestek. De onvergelijkbaarheid van de offertes wordt bevestigd door de extrapolatie die Brandweer Zone Antwerpen heeft doorgevoerd in de offerte van NV [D.]. Er bestaat geen grondslag voor dergelijke kunstmatige ingreep. Zij bevestigt enkel dat de eenzijdige werkwijze van NV [C.] de offertes als dusdanig onderling onvergelijkbaar maakte. Gelet op de onvergelijkbaarheid van de offerte van NV [C.], had deze geweerd moeten worden als substantieel onregelmatig. Door niettemin deze offerte te aanvaarden, miskent Brandweer Zone Antwerpen artikel 76, § 1, derde lid en artikel 79, § 2, 2° KB Plaatsing, het zorgvuldigheidsbeginsel, het patere-legem-quam-ipse-fecisti-beginsel en gelijkheids- en transparantiebeginsel. Derde middelonderdeel Het clusteren van posten vormt een uitzondering op de verplichting van artikel 77 en 79 KB Plaatsing om voor elke post een afzonderlijke prijs op te geven. Clusteren is derhalve slechts toegelaten onder cumulatieve voorwaarden, waarbij o.a. moet vaststaan en concreet onderbouwd moet worden dat de betrokken posten naar prijszetting toe met elkaar verbonden zijn. Er is niet voldaan aan deze voorwaarde. De sterk uiteenlopende hoeveelheden van de posten 19 en 20 enerzijds en de posten 3 en 4 anderzijds tonen aan dat deze posten niet met elkaar inhoudelijk verbonden zijn. Het tegendeel wordt niet aangetoond noch gemotiveerd door NV [C.] en Brandweer Zone Antwerpen. Bovendien blijkt uit de toegepaste extrapolatie door Brandweer Zone Antwerpen dat zij zelf de re-impregnatie inhoudelijk eerder linkt aan reiniging met LCO2 en dus posten 12 en 13. De (aanvaarding XIV-40.020-17/34 van
  1. de)clustering is aldus onvoldoende gemotiveerd, incoherent toegepast en onrechtmatig. Ook om die redenen is de bestreden beslissing in strijd met de artikelen 76, 77 en 79 KB Plaatsing, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel de materiële motiveringsplicht en de artikelen 2 en 3 van de Formele Motiveringswet.” Beoordeling 15. Zowel de verwerende partij als de tussenkomende partij werpen een exceptie van gebrek aan belang op bij het eerste middel. Om dezelfde redenen zoals reeds hoger uiteengezet bij de beoordeling van de exceptie van gebrek aan belang bij de vordering onder punten 10 tot 12, wordt ook deze exceptie verworpen. Eerste onderdeel 16. In een eerste onderdeel stelt de verzoekende partij dat de offerte van de gekozen inschrijver substantieel onregelmatig is op grond van artikel 76, § 1, derde lid, en 76, § 1, vierde lid, 3°, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 wegens een niet-bestekconforme invulling van de prestaties inzake het vereiste impregneren van de brandweerkledij. 17. Artikel 76 van het koninklijk besluit van 18 april 2017, waarvan de schending wordt ingeroepen, bepaalt: “§ 1. De aanbestedende overheid gaat na of de offertes regelmatig zijn. De offerte kan substantieel of niet substantieel onregelmatig zijn. Een offerte is substantieel onregelmatig wanneer ze van aard is de inschrijver een discriminerend voordeel te bieden, tot concurrentievervalsing te leiden, de beoordeling van de offerte van de inschrijver of de vergelijking ervan met de andere offertes te verhinderen, of de verbintenis van de inschrijver om de opdracht onder de gestelde voorwaarden uit te voeren onbestaande, onvolledig of onzeker te maken. De volgende onregelmatigheden worden met name als substantieel beschouwd : […] 3° de niet-naleving van de minimale eisen en de vereisten die als substantieel worden aangemerkt in de opdrachtdocumenten. § 2. […] § 3. Wanneer gebruik wordt gemaakt van een openbare of niet-openbare procedure, verklaart de aanbestedende overheid de substantieel ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.602 XIV-40.020-18/34 onregelmatige offerte nietig. Dit is ook het geval voor een offerte die meerdere niet-substantiële onregelmatigheden bevat wanneer de cumulatie of combinatie ervan de in paragraaf 1, derde lid, bedoelde gevolgen teweeg brengt. […]” 18. In een eerste grief betoogt de verzoekende partij dat de offerte van de gekozen inschrijver substantieel onregelmatig is omdat de gekozen inschrijver de re-impregnatie structureel en automatisch gekoppeld heeft aan elke reiniging met water en zeep (posten 3 en 4), terwijl het bestek de re-impregnatie uitdrukkelijk kwalificeert als een aanvullende prestatie die slechts moet worden uitgevoerd wanneer dit noodzakelijk blijkt. Deze grief wordt niet bijgevallen. Hoger onder het feitenrelaas werden de punten 3.1. en 3.4. van het bestek reeds weergegeven waarin het begrip “impregneren” en het reinigingsproces wordt omschreven. Er wordt naar verwezen. Hoewel de verzoekende partij op het eerste gezicht aannemelijk maakt dat het bestek niet dwingend oplegt dat elke reiniging moet worden gevolgd door de re-impregnatie van het kledingstuk, kan haar interpretatie dat het bestek een dergelijk procedé zou verbieden niet worden bijgevallen. Zo lijkt het bestek het uitdrukkelijk aan de opdrachtnemer over te laten om het behandelingsproces te bepalen teneinde verontreinigingen van brandweerkledij na elke inzet op een conform de kwaliteitsnorm EN 469 doeltreffende en zorgvuldige manier maximaal te verwijderen. In dat verband dient de inschrijver bij zijn offerte een gedetailleerd plan van aanpak in te dienen waarin het volledige proces met betrekking tot de reiniging, het herstel en de bescherming van de interventiekledij wordt beschreven. Die nota dient onder meer het impregneerproces te beschrijven, met inbegrip van de toegepaste frequentie en de criteria voor het al dan niet impregneren. Dit plan van aanpak wordt beoordeeld onder het gunningscriterium “kwaliteit”. XIV-40.020-19/34 De verwerende partij kan op het eerste gezicht worden bijgetreden waar zij vaststelt dat uit de offerte van de gekozen inschrijver en de verstrekte toelichtingen en prijsverantwoordingen blijkt dat de re-impregnatie bij deze inschrijver een standaard proces betreft. In plaats van elk afzonderlijk kledingstuk te triëren om na te gaan of een re-impregnatie noodzakelijk is, wordt voor elk kledingstuk altijd een onderhoudsbehandeling in het kader van een natwas uitgevoerd. Daarop volgt, zo nodig een reiniging met LCO2 (vloeibare koolstofdioxide). Pas in een finale fase volgt een hercontrole of elk kledingstuk inderdaad waterwerend is. Ook de concrete kostprijs van de re-impregnatie blijkt uit de betrokken prijsverantwoording. Uit wat voorafgaat volgt dat de werkwijze van de gekozen inschrijver om de kledingstukken na iedere reiniging met water en zeep te impregneren op het eerste gezicht door de verwerende partij als bestekconform kon worden beoordeeld. De relevantie van de frequentie van het impregneerproces lijkt zich veeleer te situeren op het niveau van de inhoudelijke beoordeling van de offertes. 19. In een tweede grief betoogt de verzoekende partij dat de offerte van de gekozen inschrijver substantieel onregelmatig is omdat de mogelijkheid tot re-impregnatie niet zou worden voorzien na reiniging met LCO2 (posten 12 en 13). Ook deze grief wordt niet bijgevallen. Omdat volgens het door de gekozen inschrijver gehanteerde procedé, de reiniging met vloeibare CO2 in ieder geval wordt gekoppeld aan de basisreiniging, d.i. de reiniging met water en zeep, en omdat het bestek dienaangaande de opgave van één enkele prijs in de inventaris vraagt, kon de verwerende partij, na bevraging van de gekozen inschrijver, op het eerste gezicht aannemen dat de door de gekozen inschrijver opgegeven eenheidsprijzen voor de posten 12 en 13 ook de kostprijs omvatten voor het opnieuw impregneren in geval van reiniging met LCO2. In zoverre de verzoekende partij doet gelden dat de gekozen inschrijver enkel voorziet in re-impregnatie in geval van een basisreiniging en niet ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.602 XIV-40.020-20/34 in geval van reiniging met LCO2., overtuigt zij op het eerste gezicht dan ook niet. Om dezelfde reden maakt de verzoekende partij op het eerste gezicht niet aannemelijk dat de verbintenis van de gekozen inschrijver om over te gaan tot impregnatie wanneer nodig, onbestaande, minstens onzeker is. 20. In een derde grief betoogt de verzoekende partij dat de offerte van de gekozen inschrijver substantieel onregelmatig is omdat niet wordt voldaan aan de minimale eisen inzake het PFAS-vrije karakter van de re-impregnatie. Deze grief wordt niet bijgevallen. Te dezen bepaalt het bestek onder punt 3.1. van het technisch gedeelte, dat het impregneren steeds PFAS-vrij dient te gebeuren. Anders dan de verzoekende partij het ziet, blijkt uit het verslag van nazicht echter uitdrukkelijk dat de verwerende partij de gekozen inschrijver op 2 oktober 2025 om nadere verduidelijking heeft gevraagd over het PFAS-vrij reinigen, dat hierop de nodige verduidelijking en ondersteunende bewijsstukken door deze inschrijver werden bezorgd op 17 oktober 2025 om aan te tonen dat wordt voldaan aan de voorwaarden inzake het PFAS-vrij reinigen en dat deze door de verwerende partij werden aanvaard. Aangezien de gekozen inschrijver in voormeld schrijven de verwerende partij uitdrukkelijk gewezen heeft op het uiterst vertrouwelijk karakter ervan aangezien dit bedrijfsgeheimen omvat, kan het de verwerende partij, gelet op de vertrouwelijkheidsplicht die op de aanbestedende overheid rust op grond van artikel 13, § 2, van de wet van 17 juni 2016 voorts te dezen op het eerste gezicht niet ten kwade worden geduid dat geen verdere inhoudelijke duiding werd gegeven dan in het verslag van nazicht werd gedaan. Dat de verwerende partij de regelmatigheid van de offerte van de gekozen inschrijver op dit punt daadwerkelijk heeft onderzocht, lijkt op het eerste gezicht ook bevestiging te vinden in de vertrouwelijke stukken van het administratief dossier, die de Raad van State heeft kunnen inzien. Daaruit blijkt op het eerste gezicht dat de gekozen inschrijver het in het bestek vereiste PFAS-vrije karakter van de re-impregnatie heeft aangetoond middels attesten en de door haar gehanteerde techniek concreet inzichtelijk heeft gemaakt. In deze fase van het ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.602 XIV-40.020-21/34 geding kan ermee worden volstaan vast te stellen dat het door de verwerende partij gevoerde regelmatigheidsonderzoek deugdelijk en met de vereiste zorgvuldigheid lijkt te zijn gevoerd en van aard om de door de verzoekende partij opgeworpen technische onmogelijkheid om het proces PFAS-vrij te laten verlopen, op het eerste gezicht te weerleggen. In zoverre de verzoekende partij ter terechtzitting nog bijkomend opwerpt dat zij vragen heeft bij het water- en olieafstotend karakter van de betrokken kledij na re-impregnatie geeft zij op niet-ontvankelijke wijze een nieuwe wending aan haar middel nu niet blijkt dat zij deze grief niet reeds in haar verzoekschrift kon ontwikkelen. 21. Het eerste onderdeel van het eerste middel is niet ernstig. Tweede en derde onderdeel 22. Aangezien het tweede en het derde onderdeel van het eerste middel beiden verband houden met de zogenaamde ‘clustering’ door de gekozen inschrijver van de posten 19 en 20 (het opnieuw impregneren interventievest en interventiebroek) en de posten 3 en 4 (reiniging met water en zeep interventiebroek en interventiejas) past het om beide onderdelen samen te beoordelen. 23. Artikel 77 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 bepaalt dat als bij de opdrachtdocumenten een formulier is gevoegd voor het opmaken van de offerte en het invullen van de samenvattende opmeting of de inventaris, de inschrijver daarvan gebruikmaakt. Doet hij dit niet, dan draagt hij de volle verantwoordelijkheid voor de volledige overeenstemming van de door hem aangewende documenten met het formulier. Artikel 79, § 1, van hetzelfde besluit bepaalt dat, indien bij de opdrachtdocumenten een samenvattende opmeting of inventaris is gevoegd, de inschrijver deze invult en de nodige berekeningen maakt. Overeenkomstig artikel 79, § 2, 2° van hetzelfde besluit voert de inschrijver, rekening houdende met de opdrachtdocumenten, zijn beroepskennis of persoonlijke vaststellingen, verbeteringen door voor de fouten die hij ontdekt in de vermoedelijke ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.602 XIV-40.020-22/34 hoeveelheden waarvoor de opdrachtdocumenten een dergelijke verbetering toelaten en op voorwaarde dat de voorgestelde verbetering minstens tien percent in meer of in min van de hoeveelheid van de post in kwestie bedraagt. Uit de artikelen 77 en 79, § 1, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 volgt dat een samenvattende opmetingsstaat of inventaris moet worden ingevuld. In beginsel moet voor elke post afzonderlijk een prijs worden opgegeven. Het “clusteren” van posten, met als gevolg dat voor één van die posten geen afzonderlijke prijs wordt opgegeven, lijkt echter niet tot de onregelmatigheid van de offerte te leiden indien aan een aantal voorwaarden is voldaan. Zo mag het bestek niet dwingend voorschrijven dat voor de betrokken post een afzonderlijke prijs opgegeven moet worden, moet de inschrijver concreet en onderbouwd kunnen verantwoorden waarom de betrokken post naar prijszetting toe verbonden is met een andere post en moet de kost voor de betrokken post wel degelijk gedekt zijn in de meetstaat. 24. Dat het bestek te dezen niet dwingend voorschrijft dat voor de betrokken posten een afzonderlijke prijs opgegeven moet worden, wordt door de verzoekende partij niet betwist. Evenmin maakt zij op het eerste gezicht aannemelijk dat de verwerende partij niet kon aannemen dat ook de overige voorwaarden voor het “clusteren” van de voormelde posten zijn vervuld. Zoals hiervoor reeds werd vastgesteld bij de beoordeling van het eerste onderdeel van het eerste middel, betreft de re-impregnatie bij de gekozen inschrijver een standaard proces. Herhaald bevraagd naar onder meer de opgegeven schijnbaar abnormaal hoge eenheidsprijzen voor de posten 3 en 4 en nulprijzen voor de posten 19 en 20, verantwoordt de gekozen inschrijver met verwijzing naar en toelichting van dit procedé dat clustering van de posten 3 en 4 met de posten 19 en 20 logisch en zelfs noodzakelijk is. De inschrijver blijkt voorts het geïntegreerde proces voor het waterwerend maken van de kledij ook cijfermatig te hebben verduidelijkt. De verwerende partij heeft deze verantwoording aanvaard door te verwijzen naar de “unieke kostenbesparende werkwijze” van de gekozen inschrijver “waardoor deze prestaties mee opgenomen zijn onder de posten 03 en ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.602 XIV-40.020-23/34 04”. Anders dan de verzoekende partij het ziet, lijken de door de gekozen inschrijver gegeven verantwoordingen dan ook concreet te onderbouwen waarom de betrokken posten in diens voorstel naar prijszetting toe met elkaar verbonden zijn. De volgens de meetstaat afwijkende vermoedelijke hoeveelheden lijken daaraan geen afbreuk te doen en terug te gaan op de aan het oordeel van de inschrijver overgelaten frequentie van de onderhoudsbehandeling. In elk geval blijkt de concrete kostprijs van de re-impregnatie op het eerste gezicht, en anders dan de verzoekende partij ter terechtzitting voorhoudt, ook uitdrukkelijk uit de door de gekozen inschrijver verstrekte prijsverantwoording. De verwerende partij blijkt wel degelijk te hebben onderzocht of de eenheidsprijzen voor elk van de betrokken posten inderdaad kon worden verantwoord door de door de gekozen inschrijver voorgestelde clustering. Uit de verantwoordingen van de gekozen inschrijver kon de verwerende partij op het eerste gezicht ook in redelijkheid afleiden dat voor de prestaties van re-impregnatie effectief een prijs is opgenomen in de meetstaat. 25. In zoverre de verzoekende partij nog doet gelden dat de offerte van de gekozen inschrijver substantieel onregelmatig had moeten worden verklaard omdat de voormelde “clustering” de vergelijkbaarheid van de offertes in gedrang zou brengen, kan zij op het eerste gezicht evenmin worden bijgevallen. Het feit dat de hoeveelheid voor de posten 19 en 20 – meer bepaald 1 – sterk afwijkt van de hoeveelheid voor de posten 3 en 4 – meer bepaald 4000 -, neemt niet weg dat de verwerende partij op het eerste gezicht uit de prijsverantwoordingen heeft kunnen afleiden dat er wel degelijk een prijs is opgegeven voor de prestatie van re-impregnatie en dat zij die ook cijfermatig heeft kunnen bepalen. De prijs voor de re-impregnatie lijkt aldus wel degelijk gekend te zijn en vergeleken te kunnen worden. In zoverre de verzoekende partij betoogt dat de onvergelijkbaarheid van de offertes wordt bewezen door de extrapolatie die de verwerende partij zelf blijkens het verslag van nazicht uitvoerde, gaat zij op het ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.602 XIV-40.020-24/34 eerste gezicht eraan voorbij dat uit het verslag van nazicht niet blijkt dat de doorgevoerde extrapolaties verband houden met de voormelde clustering van posten als dusdanig, maar wel dat de verwerende partij tot een aantal extrapolaties is overgegaan om het prijsonderzoek te kunnen voeren “aangezien bij de titel C en D in de inventaris uitgegaan is van een hoeveelheid 1, hetgeen in het prijs- en kostenonderzoek een vertekend beeld zou kunnen geven”. 26. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij betoogt, lijkt de gekozen inschrijver met de clustering de door de meetstaat uitgedrukte vermoedelijke hoeveelheden voor de betrokken posten ook niet te hebben gewijzigd. Voorts maakt de verzoekende partij op het eerste gezicht niet aannemelijk dat er in de concrete omstandigheden van de zaak, waarbij het prijscriterium niet verder werd opgedeeld in functie van de betrokken posten en de gekozen inschrijver nulprijzen heeft opgegeven voor twee posten met slechts een vermoedelijke hoeveelheid 1, maar deze kost wel opgenomen heeft in twee posten met een vermoedelijke hoeveelheid 4000, een risico van speculatie of manipulatie, voorhanden is. 27. Uit wat voorafgaat volgt dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat de verwerende partij de clustering door de gekozen inschrijver van de posten 19 en 20 met de posten 03 en 04 niet had mogen aanvaarden. Het tweede en derde onderdeel van het eerste middel zijn niet ernstig. Besluit 28. De verzoekende partij maakt, gelet op het voorgaande, op het eerste gezicht niet aannemelijk dat de aanbestedende overheid, door de offerte van de gekozen inschrijver niet substantieel onregelmatig te bevinden, zij de aangevoerde regelgeving en beginselen zou hebben geschonden. Het eerste middel is in zijn geheel niet ernstig. XIV-40.020-25/34 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 29. De verzoekende partij voert in het tweede middel de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de artikelen 4 en 84 van de wet van 17 juni 2016, de artikelen 28, 36 en 76 van het koninklijk besluit van 18 april 2017, “het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheids- beginsel, het transparantiebeginsel, de materiëlemotiveringsplicht en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur”, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 en artikel 5, 9° van de wet van 17 juni 2013, “Doordat de prijsverantwoording van NV [C.] zich in hoofdzaak lijkt te beperken tot een cijfermatige opsplitsing van de posten, zonder dat relevante of onderscheidende kenmerken worden aangevoerd laat staan gestaafd die het prijsverschil kunnen verklaren; Dat voor de posten 01, 02, 03 en 04 de prijzen van NV [C.] als schijnbaar abnormaal hoog worden gekwalificeerd, terwijl de prijsverantwoording een schijnbaar abnormale prijs tracht te verantwoorden en de aangevoerde elementen haar niet onderscheiden van de andere inschrijvers. Dat NV [C.] voor de posten 01, 02, 03 en 04 verwijst naar het gegeven dat de leverlocaties dicht bij elkaar liggen, hetgeen geldt voor alle inschrijvers. Dat voor de posten 15 en 16 NV [C.] verwijst naar enerzijds een dure investering en hoge onderhoudskost van de LCO2-machine en anderzijds verhoogde sorteringskosten, terwijl dit geldt voor alle inschrijvers; Dat NV [C.] voor de posten 19 en 20 zich beroept op de clustering met de posten 03 en 04, terwijl er geen afdoende objectieve band bestaat tussen deze posten, deze clustering in strijd is met het bestek, de verbintenis van NV [C.] om de opdracht uit te voeren tegen de gestelde voorwaarden onzeker maakt alsook een vergelijking van de offertes onmogelijk maakt; Dat voor posten 38, 39, 40, 42, 53 en 64 aangegeven wordt dat eenvoudigweg de kostprijs van de leverancier doorgerekend wordt, zonder dat sprake is van enige marge voor algemene kosten en winst en zonder dat verduidelijkt wordt hoe dit het schijnbaar abnormale karakter van de prijzen zou kunnen verantwoorden; Dat nergens uit het gunningsverslag blijkt dat NV [C.] als onderdeel van haar prijsverantwoording zou zijn ingegaan op de eerbiediging van het sociaal, arbeids- en milieurecht; Dat Brandweer Zone Antwerpen zich voornamelijk beperkt tot een eenvoudige overname van de door NV [C.] aangevoerde verantwoording, zonder dat uit het gunningsverslag blijkt dat een eigen grondige en kritische analyse plaatsvond; XIV-40.020-26/34 Dat Brandweer Zone Antwerpen de prijsverantwoording van NV [C.] aanvaardt en haar offerte als regelmatig beschouwd; Dat Brandweer Zone Antwerpen de uitgebreide prijsverantwoording(
  2. en)van NV [D.] daarentegen zeer streng beoordeelt en uiteindelijk ten onrechte niet aanvaardt; Terwijl op grond van artikel 84 Overheidsopdracht en de artikelen 33, 35 en 36 KB Plaatsing de offertes onderworpen moeten worden aan een grondig prijs- en kostonderzoek; Dat op grond van artikel 83 Overheidsopdrachtenwet en artikel 76 KB Plaatsing de offertes onderzocht moeten worden op hun regelmatigheid; Dat het prijzenonderzoek onderdeel is van het regelmatigheidsonderzoek dewelke op een deugdelijke en zorgvuldige wijze moet geschieden; Dat een prijsverantwoording zich niet mag beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar de vermoedelijk abnormale prijzen specifiek, concreet onderbouwd en zo volledig mogelijk gestaafd moet verantwoorden op basis van elementen die de inschrijver onderscheiden van de overige inschrijvers; Dat een loutere opsplitsing van de prijsopbouw en/of verwijzing naar de prijs van een onderaannemer of leverancier, niet volstaat; Dat artikel 28 KB Plaatsing bepaalt dat de eenheidsprijzen onder meer moeten bestaan uit algemene en financiële kosten alsmede winst; Dat overeenkomstig artikel 36, § 2, vierde lid KB Plaatsing de prijsverantwoording een verantwoording moet bevatten inzake de eerbiediging van de verplichtingen in de domeinen van het sociaal, arbeids- en milieurecht; Dat het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht de aanbestedende overheid verplichten om bij de beoordeling van een prijsverantwoording een eigen inhoudelijk standpunt in te nemen, dat steunt op rechtens aanvaardbare, voldoende veruitwendigde en draagkrachtige motieven; Dat op grond van de artikelen 2 en 3 van de Formele Motiveringswet en artikel 5, 9° van de Rechtsbeschermingswet, deze motieven ook afdoende uitdrukkelijk veruitwendigd moeten worden in de gunningsbeslissing; Dat op grond van artikel 36, § 3 KB Plaatsing een offerte waarvan een of meer niet-verwaarloosbare posten een abnormaal karakter vertoont, geweerd moet worden omwille van de substantiële onregelmatigheid waarmee zij behept is; Dat de artikelen 10 en 11 Grondwet en artikel 4 Overheidsopdrachtenwet de aanbestedende overheid verplichten alle inschrijvers op gelijke en niet- discriminerende wijze te behandelen en te beoordelen. Het tweede middel is ernstig” De verzoekende partij vat het tweede middel in haar verzoekschrift samen als volgt: “Uit het gunningsverslag blijkt dat meerdere prijzen van NV [C.] als schijnbaar abnormaal hoog of laag werden aangemerkt. De ingediende XIV-40.020-27/34 prijsverantwoording werd integraal aanvaard, zonder dat deze het vermoeden van abnormaliteit daadwerkelijk weerlegt. Voor verschillende posten beperkt NV [C.] zich in hoofdzaak tot een loutere opsplitsing van de prijsopbouw. Waar al verwezen wordt naar de nabijheid van leverlocaties, investeringen in machines of verhoogde sorteerkosten, zijn dergelijke momenten ofwel eigen aan alle inschrijvers ofwel inherent aan de voorwaarden zoals voorgeschreven in het bestek, en kunnen zij dus geen onderscheiden element zijn of een afwijkende prijszetting verantwoorden. In andere gevallen wordt zelfs een verantwoording gegeven voor een abnormaal lage prijs, terwijl die als abnormaal hoog werden aangemerkt. Inzonderheid is de werkwijze waarbij NV [C.] voor bepaalde posten de prijzen van haar leverancier “één op één” zou doorrekenen, zonder een toeslag voor haar eigen algemene kosten en winst, strijdig met artikel 28 KB Plaatsing. Dit houdt bovendien een reëel risico op frontloading in. Dit tast niet alleen het normale karakter van de prijzen aan, maar ook de vergelijkbaarheid van de offertes. Daarenboven blijkt nergens dat NV [C.] in haar prijsverantwoording is ingegaan op de eerbiediging van de verplichtingen inzake sociaal, arbeids- en milieurecht, nochtans een uitdrukkelijke verplichting krachtens artikel 36, § 2, vierde lid KB Plaatsing. De motivering in het gunningsverslag beperkt zich grotendeels tot het hernemen van de verklaringen van NV [C.], zonder eigen beoordeling, kritische toetsing of concrete analyse door Brandweer Zone Antwerpen zelf. Dit is onverenigbaar met het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht. De opgenomen motieven zijn niet draagkrachtig en kunnen de aanvaarding van de prijsverantwoording niet schragen. Ten slotte blijkt uit de vergelijking met de behandeling van de prijsverantwoording van NV [D.] dat Brandweer Zone Antwerpen met twee maten en twee gewichten heeft gewerkt. Waar van NV [D.] een bijzonder gedetailleerde, cijfermatige en streng beoordeelde verantwoording werd geëist, werden gelijkaardige of zelfs zwakkere toelichtingen van NV [C.] zonder meer aanvaard. Dit verschil in behandeling is niet objectief verantwoord en vormt een schending van het gelijkheids- en non- discriminatiebeginsel. Gelet op het geheel van deze elementen had de prijsverantwoording van NV [C.] niet aanvaard mogen worden en had haar offerte overeenkomstig artikel 36, § 3, juncto artikel 76 KB Plaatsing als substantieel onregelmatig moeten worden geweerd. Door dit na te laten, heeft Brandweer Zone Antwerpen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, artikel 4 en 84 Overheidsopdrachtenwet en artikelen 28, 36 en 76 KB Plaatsing geschonden. Alsook het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het transparantiebeginsel, de materiëlemotiveringsplicht en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de artikelen 2 en 3 van de Formele motiveringswet en artikel 5, 9° van de Rechtsbeschermingswet.” Beoordeling XIV-40.020-28/34 30. Zowel de verwerende partij als de tussenkomende partij werpen een exceptie van gebrek aan belang op bij dit middel. Om dezelfde redenen zoals reeds hoger uiteengezet bij de beoordeling van de exceptie van gebrek aan belang bij de vordering onder punten 10 tot 12, wordt ook deze exceptie verworpen. 31. Luidens artikel 4, eerste lid, van de wet van 17 juni 2016 behandelen de aanbesteders de ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze en handelen zij op een transparante en proportionele wijze. Deze bepaling vormt een bijzondere uitdrukking van het (grondwettelijk) gelijkheids- en niet- discriminatiebeginsel. Wanneer de aanbestedende overheid, zoals te dezen, een prijsverantwoording heeft gevraagd, dient zij hierover inhoudelijk standpunt in te nemen alvorens de gunningsbeslissing te nemen. De betrokken motieven dienen op grond van de artikelen 4 en 5 van de wet van 17 juni 2013 te worden veruitwendigd teneinde een controle mogelijk te maken. De formelemotiveringsplicht, zoals zij geldt in het kader van het prijs‑ en kostenonderzoek bedoeld in artikel 36 van het koninklijk besluit van 18 april 2017, vereist dat in de gunningsbeslissing afdoende redenen worden opgegeven waaruit blijkt waarom een gekozen offerte, na het uitgevoerde prijsonderzoek, regelmatig wordt bevonden. Deze motivering moet van dien aard zijn dat de inschrijvers in staat worden gesteld om, op basis van de verstrekte motieven en met kennis van zaken, uit te maken of het aangewezen is om de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. De formelemotiveringsplicht moet evenwel worden verzoend met de verplichting van de aanbestedende overheid om bepaalde gegevens vertrouwelijk te behandelen. In dit verband kan, althans op het eerste gezicht, worden aanvaard dat een aanbestedende overheid, onder verwijzing naar de ingediende prijsverantwoording(en), om redenen van vertrouwelijkheid kan volstaan met een beknopte motivering, waarbij zij slechts in algemene termen duidt welke overwegingen haar hebben gebracht tot de erkenning van de relevantie en XIV-40.020-29/34 de afdoende aard van de verstrekte prijsverantwoording(en). Een dergelijke formele motivering mag evenwel niet zodanig summier of laconiek zijn dat zij het onmogelijk maakt om na te gaan om welke redenen een bepaalde offerte, na het gevoerde prijsonderzoek, regelmatig werd bevonden. De aanbestedende overheid beschikt bij de toepassing van artikel 36, § 3, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 over een beoordelingsruimte om de gegeven prijsverantwoording al dan niet te aanvaarden. De Raad van State mag zich, gesteld voor de toetsing van deze beoordeling, niet in de plaats stellen van het bestuur en zelf de beoordeling van de prijsverantwoording overdoen. Het komt aan de Raad van State enkel toe om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Hierbij moet zij op zorgvuldige wijze haar beslissing voorbereiden, hetgeen impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. 32. De motieven om de prijsverantwoordingen van de gekozen inschrijver te aanvaarden, zijn hoger weergegeven onder randnummer 3.9. Er wordt naar verwezen. 33. Op het eerste gezicht verschaft de in het verslag van nazicht uitgedrukte motivering, rekening houdend met het vertrouwelijk karakter van bepaalde in de prijsverantwoording verstrekte gegevens, aan de verzoekende partij voldoende duidelijkheid over de motieven waarom de verwerende partij de eenheidsprijzen voor de posten waarvoor een prijsverantwoording aan de gekozen inschrijver werd gevraagd, niet abnormaal heeft bevonden. De verzoekende partij toont niet aan waarom de gegeven formele motivering, haar niet in staat stelde de verantwoording ter zake met kennis van zaken te betwisten. Uit de vertrouwelijke stukken van het administratief dossier die de Raad van State heeft kunnen inzien blijkt op het eerste gezicht ook dat de motieven die het verslag van nazicht vermeldt, steun vinden in de door de gekozen inschrijver verstrekte prijsverantwoordingen. XIV-40.020-30/34 34. Anders dan de verzoekende partij het ziet, beperkt de motivering in het verslag van nazicht zich niet tot een loutere weergave van de verantwoordingselementen van de tussenkomende partij zonder eigen beoordeling, kritische toetsing of concrete analyse door de verwerende partij zelf. Door te oordelen dat “(d)e inschrijver (…) voor elke, afzonderlijke post een gedegen, cijfermatige, concrete verantwoording (heeft) aangeboden die werd ondersteund door stukken, en die van een aard zijn om de schijn van abnormaliteit weg te nemen (en d)e verantwoordingen worden aanvaard”, geeft verwerende partij aan de prijsverantwoordingen te hebben onderzocht en beoordeeld op hun relevantie voor de normaliteit van de opgegeven en bevraagde prijzen. Uit de in het verslag van nazicht uitgedrukte motivering wat de conclusies van het prijsonderzoek ten aanzien van de offerte van de verzoekende partij zelf betreft blijkt ook dat de verwerende partij hierin een onderscheidend element ziet tussen de beide inschrijvers nu ten aanzien van de prijsverantwoording verstrekt door de verzoekende partij herhaaldelijk wordt opgemerkt dat de inschrijver zich hult in vaagheden en algemeenheden, de verschillende aspecten van de post niet concreet onderbouwt of zelfs weigert verantwoording te verstrekken en dat dit “in schril contrast [staat] met de zeer concrete en grondig onderbouwde prijsverantwoordingen van [de tussenkomende partij] waarbij er ten vertrouwelijke titel wel in alle transparantie inzage wordt verschaft in de verschillende prijscomponenten die woordelijk en cijfermatig toegelicht worden”. 35. Voorts kan een verzoekende partij er niet mee volstaan bepaalde individuele motieven op geïsoleerde wijze te bekritiseren. Zelfs indien elementen als de nabijheid van de leverlocaties, investeringskosten of verhoogde sorteerkosten op zich beschouwd onvoldoende onderscheidende waarde zouden hebben, dan nog kunnen zij in combinatie met de overige in de prijsverantwoording opgenomen elementen, de verwerende partij overtuigen dat het vermoeden van abnormaliteit voor de betrokken prijzen is weerlegd. De verzoekende partij gaat er in haar kritiek op het eerste gezicht aan voorbij dat de lezing van de motivering ervan doet blijken dat de onder het eerste middel rechtmatig bevonden clustering van posten, die de prijszetting deed stijgen met de kostprijs voor re-impregnatie, te dezen wezenlijk heeft bijgedragen tot de aanvaarding van de prijsverantwoording voor de betrokken posten. XIV-40.020-31/34 36. De verzoekende partij doet nog gelden dat de verwerende partij de door de gekozen inschrijver verstrekte prijsverantwoording voor de posten inzake hoofdstuk D, waaruit blijkt dat de werkelijke kostprijs voor de herstelling zoals bepaald door de fabrikant één op één wordt doorgerekend, niet mocht aanvaarden omwille van een strijdigheid met artikel 28 van het koninklijk besluit van 18 april 2017. In dit verband wijst de Raad van State erop dat die bepaling enkel inhoudt dat “alle algemene en financiële kosten alsmede de winst […], in verhouding tot hun belangrijkheid, [worden] verdeeld over de onderscheiden posten”. De posten inzake hoofdstuk D houden uitsluitend verband met herstellingen aan persoonlijke beschermingsmiddelen die maar mogen worden uitgevoerd door afdoende erkende ondernemingen in samenspraak met de fabrikant van de respectieve kledij. Dat inschrijvers steeds verplicht zouden zijn om voor alle posten en in alle omstandigheden in een winstmarge te voorzien, lijkt op het eerste gezicht niet te kunnen worden afgeleid uit artikel 28 van het koninklijk besluit van 18 april 2017. De verzoekende partij maakt om dezelfde redenen op het eerste gezicht niet aannemelijk dat de handelswijze van de gekozen inschrijver, waarvoor een duidelijke verantwoording blijkt voor te liggen die door de verwerende partij werd aanvaard, doet vrezen voor frontloading of pre-financiering. 37. In de mate dat de verzoekende partij nog verwijst naar artikel 36, § 2, vierde lid, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 valt op te merken dat overeenkomstig deze bepaling de aanbestedende overheid in het kader van de in artikel 36, § 2, eerste lid, bedoelde prijzen-of kostenbevraging de inschrijver dient te verzoeken om de schriftelijke verantwoordingen over te maken inzake de eerbiediging van de verplichtingen bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet van 17 juni 2016, die van toepassing zijn in de domeinen van het sociaal, arbeids- en milieurecht, met inbegrip van de verplichtingen die van toepassing zijn op het vlak van welzijn, lonen en sociale zekerheid. Uit het verzoek tot prijsverantwoording dat de verwerende partij op 2 oktober 2025 aan de gekozen inschrijver heeft gericht, blijkt op het eerste ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.602 XIV-40.020-32/34 gezicht dat de verwerende partij de gekozen inschrijver ook hierover uitdrukkelijk heeft bevraagd. Voorts doet de prijsverantwoording van de gekozen inschrijver van 17 oktober 2025 er op het eerste gezicht van blijken dat de gekozen inschrijver wel degelijk is ingegaan op de eerbiediging van de verplichtingen inzake sociaal, arbeids- en milieurecht en dat een en ander ook met afzonderlijke bijlagen bij de prijsverantwoording werd onderbouwd. 38. Wat ten slotte de aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel betreft, blijkt op het eerste gezicht niet dat de verzoekende partij zich beroept op een schending ervan om de substantieel onregelmatigverklaring van de eigen offerte te betwisten, maar wel de aanvaarding van de prijsverantwoording van de gekozen inschrijver. Zij is van mening dat de redenen om de eigen prijsverantwoording niet te aanvaarden, minstens ook gelden wat de prijsverantwoordingen van de gekozen inschrijver betreft. Concreet lijkt zij in dat verband te verwijzen naar de kritieken die eerder onder ditzelfde middel zijn beoordeeld en verworpen, zodat het volstaat daarnaar te verwijzen. In zoverre de verzoekende partij bijkomend ter illustratie nog wijst op een verschil in behandeling inzake de beoordeling van de prijsverantwoording voor de posten 15 en 16 wat de vereiste stavingsstukken voor de gebruikte machine betreft, lijkt zij eraan voorbij te gaan dat de gekozen inschrijver, anders dan de verzoekende partij, de prijs voor de betrokken posten concreet cijfermatig heeft onderbouwd, met onder meer de voorlegging van een specifieke prijs voor de investerings-, onderhouds- en afschrijvingskosten van de betrokken LCO² machine. Ook op dit punt lijkt aldus niet te worden aangetoond dat de verwerende partij met twee maten en twee gewichten zou hebben gewerkt bij de beoordeling van de prijsverantwoordingen. 39. De verzoekende partij maakt, gelet op het voorgaande, op het eerste gezicht niet aannemelijk dat de aanbestedende overheid, door te besluiten om de prijsverantwoording van de gekozen inschrijver te aanvaarden, zij de aangevoerde regelgeving en beginselen zou hebben geschonden. Het tweede middel is niet ernstig. XIV-40.020-33/34 IX. Besluit 40. Geen van beide middelen is ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt dan ook verworpen. BESLISSING 1. Het verzoek van de nv C. tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd. 2. De Raad van State verwerpt de vordering. 3. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achtentwintig januari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Inge Vos, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Inge Vos XIV-40.020-34/34 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.602 Gerelateerde publicatie(
  3. s)citeert: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.678 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.