← België

Arrest 265604 - Examens (onderwijs) - 28/01/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.604 Rolnummer: A. 243371/IX-10573 Zaak: Arrest 265604 - Examens (onderwijs) - 28/01/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-02-02 Raadplegingen: 189 - laatst gezien 2026-06-18 06:12 Fiche Arrest nr 265.604 van 28 januari 2026 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 265.604 van 28 januari 2026 in de zaak A. 243.371/IX-10.573 In zake : G.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE BRASSCHAAT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tom Peeters en Lobke Roodhooft kantoor houdend te 2600 Antwerpen Borsbeeksebrug 36 bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 30 oktober 2024, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de beroepscommissie van de gemeente Brasschaat van 13 september 2024 waarbij aan verzoeker een oriënteringsattest C wordt toegekend. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Nino Vermeire heeft een verslag opgesteld. IX-10.573-1/31 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 december
  3. Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is tijdens het schooljaar 2023-2024 leerling in het tweede leerjaar van de derde graad sportwetenschappen in het Gemeentelijk Instituut Brasschaat, waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is. 3.
  6. Naar luid van het schoolreglement van de voormelde onderwijsinstelling gebeurt de evaluatie als volgt: “Het doel van elke evaluatie is na te gaan of je de leerplandoelstellingen bereikt. Belangrijker dan het percentage dat op het rapport vermeld staat, zijn dan ook de inhoudelijke vakcommentaren bij je taken en toetsen en op je rapport. Waar nodig voegen we een remediëringsplan bij je rapport. De inspanningen die je levert om die remediëring op te volgen spelen ook mee in je totale beoordeling. Met andere woorden: we beoordelen niet alleen het product, maar ook het proces. Daarom is een beoordeling op het einde van het schooljaar geen wiskundig rekensommetje. Je moet dat rekensommetje dus ook niet maken met de bedoeling te kijken of je nog veel punten moet IX-10.573-2/31 ‘sprokkelen’ om een voldoende ‘gemiddelde’ te halen. Dat is ook de reden dat er geen jaartotalen verschijnen op je rapport, noch per vak, noch voor alle vakken samen.” Het eindrapport van verzoeker toont de volgende cijfers: Semester 1 Semester 2 DW1 EX1 DW2 EX2 Wiskunde EX 66 67 62 50 Chemie EX 58 52 65 31 Fysica EX 63 60 30 27 Geschiedenis EX 60 63 57 42 Aardrijkskunde EX 74 50 57 53 Biologie EX 71 56 39 63 Bewegingswetenschappen EX 84 48 65 63 GE1 TT1 GE2 TT2 Frans TT 49 52 44 44 Nederlands TT 59 57 59 50 Duits TT 61 61 59 58 Engels TT 67 67 59 58 GE1 GE2 Ploegsport GE 67 64 Atletiek GE 75 60 Turnen GE 65 64 Zwemmen GE 68 63 Diverse sporten GE 85 75 Niet-confessionele zedenleer GE 72 64 De delibererende klassenraad legt daarbij aan verzoeker bijkomende proeven op voor fysica, chemie en Frans. IX-10.573-3/31 3.
  7. Nadat verzoeker de bijkomende proeven heeft afgelegd, kent de delibererende klassenraad aan hem een oriënteringsattest C toe. Daarbij wordt overwogen wat volgt: “In juni scoorde je voor verschillende vakken diepe tekorten. Je kreeg de kans om voor drie vakken een bijkomende proef te doen. Je behaalt op je bijkomende proeven opnieuw twee tekorten voor de poolvakken fysica en chemie.” Er volgt een opsomming van de “doelstellingen [die] voor deze vakken onvoldoende [werden] behaald”. 3.
  8. Een overleg met de directeur leidt tot een nieuwe bijeenkomst van de delibererende klassenraad op 30 augustus
  9. Dat brengt de klassenraad, die zijn beslissing handhaaft, tot de volgende “[e]xtra motivering”: “In het gesprek met de directie na het ontvangen van het C-attest werd door de ouders gevraagd het resultaat van chemie opnieuw in overweging te nemen gelet op het feit dat in de bijkomende proef slechts een onderdeel van de leerstof aan bod kwam. Dit onderdeel was het deel waarop [verzoeker] niet goed had gescoord op het examen van juni. Er werd door de ouders gevraagd of het mogelijk was het onderdeel waarop [verzoeker] wel goed had gescoord opnieuw in de bespreking van de resultaten te betrekken. De directie is op dit verzoek ingegaan en de klassenraad is opnieuw samengekomen op 30/8/
  10. De klassenraad wijst er om te beginnen op dat op basis van de resultaten van juni meteen een C-attest had kunnen uitgesproken worden. [Verzoeker] heeft alsnog een eerlijke kans gekregen, maar heeft die niet kunnen verzilveren. De klassenraad is van oordeel dat het beperken van de leerstof van de bijkomende proef niet de bedoeling had die kansen van [verzoeker] te beperken, juist integendeel (een beperkter deel van de leerstof dat goed kon ingestudeerd worden in combinatie met de andere twee bijkomende proeven). Toch was de klassenraad bereid de oefening te maken om te zien wat het resultaat zou zijn als het betere onderdeel van de proef van juni opnieuw in de berekening zou worden opgenomen. Daarbij werd uitgegaan van de puntenverdeling van het examen van juni, zijnde: 84% van de punten stonden op het gedeelte dat [verzoeker] opnieuw moest studeren voor de bijkomende proef. Daarop haalde hij 38% (19,5/52). Het andere – niet opnieuw bevraagde onderdeel – stond op 16% van de punten tijdens het juni-examen. Gesteld dat de punten hierop behaald tijdens het juni-examen (nl. 8,5/10) opnieuw zouden opgeteld worden bij het resultaat van de bijkomende proef dan bekom je 28/62 (45%). Het resultaat zou dus nog IX-10.573-4/31 steeds een tekort zijn waardoor de balans van 2 tekorten voor de hoofdvakken chemie en fysica na de bijkomende proeven blijft bestaan. Voor fysica haalde [verzoeker] 49% op de bijkomende proef (leerstof hele 2de semester), voor Frans 56%. De klassenraad blijft van oordeel dat deze (zelfs indien opnieuw gewogen) resultaten in de wetenschapsvakken geen basis vormen om een diploma te behalen. Het algemene beeld van de resultaten (voor wiskunde, aardrijkskunde, geschiedenis en Nederlands worden zeer zwakke cijfers genoteerd) geeft de klassenraad niet de mogelijkheid de tekorten van de bijkomende proeven te negeren en te delibereren.” Verzoeker stelt daarop bezwaar in bij het schoolbestuur. 3.
  11. Op 13 september 2024 kent de beroepscommissie aan verzoeker een C-attest toe. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: “De beroepscommissie neemt een beslissing op basis van de gegevens die voorliggen, dit zijn zowel de rapportcijfers van het hele schooljaar als die van de bijkomende proeven. Er wordt geen rekening gehouden met de motivering/beslissing die de klassenraad reeds heeft genomen. In de beraadslaging heeft de beroepscommissie rekening gehouden met de opmerkingen van de ouders die zowel schriftelijk als mondeling werden toegelicht. Het schoolreglement, onder punt ‘
  12. De evaluatie’, bepaalt het volgende: ‘Op onze school werken we niet met jaartotalen of klasgemiddelden. Er is dus ook geen verhouding bepaald tussen de wegingscoëfficiënt voor de punten van het dagelijks werk en de gespreide evaluatie.’ De beroepscommissie kan geen rekening houden met de mathematische berekening die de ouders aanhalen in hun betoog. De beroepscommissie dient zich bij het toekennen van het attest te baseren op het schoolreglement van het GIB. Uit de toelichting van de ouders blijkt dat er wordt getwijfeld aan de manier van evalueren door de betrokken leerkrachten. De beroepscommissie heeft geen objectieve feiten teruggevonden om hieraan te twijfelen. De beroepscommissie komt tot het besluit om aan [verzoeker] een C-attest toe te kennen. Daarvoor houdt de beroepscommissie rekening met de visie op evaluatie die beschreven staat in het schoolreglement en met aandacht voor de dubbele deliberatievraag:
  13. Heeft de leerling aangetoond dat hij de leerplandoelstellingen van het voorbije jaar in voldoende mate heeft behaald?
  14. Is de leerling in staat om met kans op succes in het hoger onderwijs te starten? Bij vraag 1 stelt de beroepscommissie vast dat [verzoeker] voor het grootste deel van het schooljaar 2023-2024 de leerplandoelen voor de vakken fysica en chemie onvoldoende heeft behaald. De vakken fysica en chemie zijn belangrijke vakken binnen de studierichting sportwetenschappen. Dit doet IX-10.573-5/31 de beroepscommissie besluiten dat hij niet voldoende in staat is om grotere leerstofgehelen te verwerken. De beroepscommissie stelt voor vraag 2 vast dat uit de tekorten op de bijkomende proeven voor de vakken fysica en chemie blijkt dat, ondanks de langere voorbereidingstijd, [verzoeker] niet in staat is de essentie van de leerstof te verwerken. Hieruit leidt de commissie af dat hij niet voldoende in staat is een degelijke studieplanning op te stellen en toe te passen. De beroepscommissie besluit hieruit dat [verzoeker] momenteel nog niet klaar is voor het hoger onderwijs.” Dat is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
  15. De verwerende partij laat in haar laatste memorie verstaan dat zij “niet verder [aandringt] m.b.t. de betwisting van het belang van verzoeker tot het instellen van de vordering tot nietigverklaring”. De Raad van State vermag bijgevolg aan de daaromtrent in de memorie van antwoord opgeworpen exceptie voorbij te gaan, nu hij zelf evenmin spontaan een reden ziet om aan het belang van verzoeker te twijfelen. V. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel 5.
  16. In een enig middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, “dan wel [van] de materiële motiveringsplicht en het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel”. Verzoeker vat zijn middel zelf samen als volgt: “Doordat verzoeker mag verwachten dat er een correct en afdoende antwoord volgt op zijn ernstige grieven zoals deze werden geformuleerd in het kader van het intern beroep en verzoeker mag verwachten dat een IX-10.573-6/31 beslissing wordt gebaseerd op correcte en redelijke overwegingen die in feite en rechte correct zijn. Terwijl de bestreden beslissing de grieven van verzoeker negeert en bijgevolg niet afdoende beantwoordt waardoor deze derhalve kennelijk onredelijk zijn en het dossier onzorgvuldig beoordeeld werd.” 5.
  17. Verzoeker licht vervolgens toe dat de bestreden beslissing niet antwoordt op de bezwaren die hij heeft geformuleerd. Hij betoogt vooreerst ernstige vragen te hebben gesteld bij de tekorten voor de vakken chemie en fysica. De verwerende partij stelt niet te werken met jaartotalen, zodat verzoeker zich afvraagt hoe de klassenraad oordeelt of een leerling wel of niet de leerplandoelstellingen voor een vak heeft behaald. Eindcijfers komen niet voor op het rapport. De directeur heeft op aandringen van verzoeker bij het overleg aangegeven hoe de weging zou verlopen. Na de (tweede) deliberatie van de klassenraad op 30 augustus 2024 wordt een andere weging meegedeeld. De beroepscommissie geeft over deze kwestie geen uitsluitsel, behalve de bevestiging dat “men niet met jaartotalen werkt”. Aldus blijft verzoeker, zo meent hij, in het ongewisse omtrent de vraag of er sprake is van een tekort voor de beide vakken en hoe deze tekorten dan zouden zijn berekend. Verzoeker geeft vervolgens aan ook te hebben gevraagd hoe de resultaten van de bijkomende proeven moesten worden “ingebed” in het algemene resultaat voor de beide vakken. Voor fysica moest verzoeker de volledige leerstof van het tweede semester hernemen; voor chemie was dit slechts “een deeltje” van de leerstof van het tweede semester. Voor de bijkomende proef van fysica behaalde verzoeker 49%. Voor de bijkomende proef van chemie scoorde hij 38%. Dat zou dan leiden tot een score van 45% voor chemie in het tweede semester. Verzoeker is het niet eens met deze weging, maar vindt ook daarover niets terug in de bestreden beslissing. Voor verzoeker is het onduidelijk of de bestreden beslissing steunt op één of twee tekorten. Hij gaat in ieder geval ervan uit dat er geen tekorten meer zijn. De bestreden beslissing vermeldt wel dat geen rekening kan worden gehouden met de berekeningen van verzoeker, maar of en hoe de IX-10.573-7/31 beroepscommissie zelf tot één of twee jaartekorten besluit laat de bestreden beslissing niet begrijpen, zo stelt verzoeker. 5.
  18. Volgens verzoeker ligt voor het vak chemie geen tekort voor “op basis van de resultaten die bekend zijn”. De argumentatie luidt dat “verzoeker […] reeds 49% als jaarresultaat in juni [had] (met een examenresultaat van 31% voor EX2) zodat iedere hogere score op de bijkomende proef (zoals ook daadwerkelijk het geval was) onmiddellijk zou leiden tot een slaagcijfer voor chemie”. Wat de bijkomende proef van fysica betreft, wijst verzoeker erop dat hij aan de beroepscommissie te kennen heeft gegeven dat vijf vragen “erg streng” zijn gequoteerd. Verzoeker heeft daartegenover zelf een analyse van die vragen geplaatst, waarbij hij een “minimaal resultaat van 31/56 zeker verdedigbaar” acht. Ook die argumenten van verzoeker worden volgens hem onbesproken gelaten, tenzij de enkele overweging dat “[d]e beroepscommissie […] geen objectieve feiten [heeft] teruggevonden om […] te twijfelen” aan de manier van evalueren van de betrokken leerkracht. Verzoeker doet gelden dat er niet “zomaar [wordt] getwijfeld”, maar dat hij “zeer specifiek [heeft] aangegeven waarom bepaalde antwoorden juist zijn en bepaalde toegekende scores te laag”. In die omstandigheden kan de beroepscommissie zich volgens verzoeker niet zonder meer verschuilen achter het vermoeden van deskundigheid van de leerkrachten. Zij moest zeer concreet antwoorden op de inhoudelijke betwisting. 5.
  19. Volgens verzoeker steunt de bestreden beslissing op twee motieven:

(1)verzoeker zou de leerplandoelen voor chemie en fysica voor het grootste gedeelte van het schooljaar onvoldoende hebben behaald en
(2)door het niet-slagen op de bijkomende proef zou blijken dat verzoeker niet in staat is om een studieplanning op te stellen en toe te passen, zodat hij niet klaar is voor het hoger onderwijs. De premisse dat verzoeker de leerplandoelen voor de twee voormelde vakken niet in voldoende mate heeft behaald, is volgens verzoeker een IX-10.573-8/31 volstrekt foutieve premisse. Dat moet blijken uit de eerdere kritieken die hij in zijn enig middel heeft geformuleerd. Bovendien heeft verzoeker, zo voert hij aan, in zijn beroepschrift doen gelden dat de twee onvoldoendes voor chemie en fysica “op geen enkele wijze” een C-attest kunnen rechtvaardigen. De beroepscommissie moest volgens hem op álle relevante gegevens van het dossier steunen. Een tekort voor één of meerdere vakken vormt slechts één element van het dossier. De resultaten voor de andere vakken mochten niet buiten beschouwing blijven. De bestreden beslissing stelt volgens verzoeker dat de leerplandoelen onvoldoende werden behaald, maar de cijfers voor de twee voormelde vakken werden niet afgezet tegen de overige resultaten. Verzoeker betoogt dat hij in zijn beroepschrift heeft verwezen naar zijn gehele studieloopbaan en zijn (voldoende) cijfers in het eerste leerjaar van de derde graad voor de beide vakken – de leerplannen zijn geschreven op het niveau van de graad, zo doet verzoeker gelden. Ook op de “verschillende manieren” waarop hij het schoolreglement heeft aangehaald, komt volgens verzoeker geen antwoord in de bestreden beslissing. Tot slot merkt verzoeker nog op dat de beroepscommissie “zeer kort door de bocht [gaat]” wanneer zij hem onvoldoende kansen op succes in het hoger onderwijs toedicht. Daarbij heeft zij volgens verzoeker geen rekening gehouden met de door hem geambieerde studierichting en zijn slaagcijfers voor alle andere vakken. Het tweede motief vindt volgens verzoeker bijgevolg geen steun in het dossier. 6.
  1. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker dat de beroepscommissie niet uitlegt hoe zij nagaat of een leerling de leerplandoelstellingen voor een vak – en bij uitbreiding voor het jaar – wel of niet in voldoende mate heeft bereikt. Alleen verwijzen naar de Codex Secundair Onderwijs en het schoolreglement om aan te geven wat de school níét doet, volstaat niet. De beroepscommissie moest duidelijk maken wat zij precies wél doet, zeker wanneer dit een uitdrukkelijk punt van debat is. IX-10.573-9/31 Verzoeker meent voorts dat het motiveringsbeginsel vereist dat een beslissing op een concrete en relevante manier ingaat op de aangevoerde argumenten, zeker wanneer deze steunen op cijfermatige berekeningen en objectieve gegevens die de kern van het debat uitmaken. Verzoeker wijst ook erop dat de school de ene keer wel en de andere keer niet met jaarresultaten “jongleert”. Verzoeker voert ook aan dat hij heeft vermeld dat zijn rapport geen jaartotalen vermeldt, dat het voor hem onduidelijk is of hij tekorten heeft behaald en dat zijn berekening van de weging van de bijkomende proeven voor chemie en fysica niet werd besproken. Er is volgens hem alleen sprake van een “algemene verwijzing” naar het vermoeden van deskundigheid van de leerkracht, zonder dat inhoudelijk op zijn grieven wordt ingegaan. Volgens verzoeker roept het standpunt dat geen jaartotalen worden gebruikt – uitgezonderd ten behoeve van “externe organen” – vragen op over de transparantie en consistentie van de beoordeling van een leerling. De verwerende partij erkent volgens verzoeker zelf dat een berekening van jaartotalen via een “vroegere methodologie” – en dus een objectieve weging van alle prestaties – mogelijk is. Het argument dat die cijfers niet relevant zijn voor de klassenraad en de beroepscommissie, mist bijgevolg draagkracht, zo doet verzoeker gelden. Verzoeker noemt het een “cruciaal punt” dat de bijkomende proef van chemie slechts 75% – en niet 85% – van de leerstof van het tweede semester omvat. Dat is volgens hem een “objectief controleerbaar gegeven” waarover de beroepscommissie zich moest uitspreken. Ook zijn eigen verbetering van de fysicaproef, waaruit bleek dat een hoger cijfer gerechtvaardigd was, moest volgens verzoeker gemotiveerd worden weerlegd. Een verwijzing naar het vermoeden van deskundigheid van de leerkracht volstaat niet wanneer een verzoekende partij objectieve tegenargumenten aanlevert. IX-10.573-10/31 6.
  2. Verzoeker erkent dat het vermoeden van deskundigheid van de leerkracht decretaal is verankerd, maar dat betekent volgens hem niet dat de beoordeling van een leerkracht onfeilbaar is. Het vermoeden is immers weerlegbaar. Wanneer een leerling objectieve argumenten aanvoert die twijfels oproepen over de juistheid of de billijkheid van de beoordeling, dan moet zulks ernstig worden onderzocht. De opmerkingen die verzoeker heeft gemaakt over de resultaten voor de bijkomende proeven, zijn “geen louter subjectieve meningen, maar concrete elementen die controleerbaar en toetsbaar zijn”. De beroepscommissie moest deze elementen inhoudelijk beoordelen in plaats van ze als irrelevant te beschouwen. Verzoeker voegt daaraan toe dat “[e]en alternatieve beoordeling […] niet per definitie [betekent] dat de oorspronkelijke beoordeling fout is, maar het feit dat een beargumenteerde andere interpretatie mogelijk is, kan een indicatie zijn dat de initiële beoordeling niet absoluut is”. De argumentatie dat de leerkrachten van chemie en fysica de bezwaren op gedetailleerde wijze hebben weerlegd, volstaat niet. Verzoeker noemt dat een “verdediging van de initiële beoordeling door dezelfde personen die beoordeeld worden”, wat volgens hem vragen doet rijzen over de objectiviteit. De bestreden beslissing betrekt de argumentatie van de leerkrachten bovendien op geen enkele manier. Verzoeker betoogt nog dat de vraag blijft of de gewogen verdeling van de leerstof voor de bijkomende proeven wel evenredig en billijk was. Hij verwijst opnieuw naar de betwisting over het precieze aandeel van die leerstof: 75% of 85%. Ook daarover had de beroepscommissie zich moeten buigen. 6.
  3. Ook in de memorie van wederantwoord houdt verzoeker staande dat de beroepscommissie de bestreden beslissing op een onjuiste redenering heeft gesteund. Het gaat volgens hem om een “eenzijdige interpretatie van de resultaten, zonder rekening te houden met het bredere academische profiel van verzoeker”. Verzoeker blijft erbij dat niet het geheel van zijn resultaten is beoordeeld. De beroepscommissie heeft eenzijdig de nadruk gelegd op de IX-10.573-11/31 wetenschapsvakken, zonder zijn prestaties voor de andere vakken mee in overweging te nemen. Zijn prestaties in het vijfde en het zesde jaar tonen aan dat hij in staat is grotere leerstofgehelen te verwerken. De beroepscommissie weerlegt deze punten niet. De motivering over zijn slaagkansen in het hoger onderwijs noemt verzoeker dan weer “arbitrair”. De beroepscommissie houdt daarbij geen rekening met zijn motivatie en verklaring over zijn toekomstige studiekeuze en de mogelijkheid om vakken anders in te delen of remediëring te krijgen in het hoger onderwijs. Volgens hem zijn er “studenten met vergelijkbare of slechtere resultaten die wel een A- of B-attest krijgen”, waardoor de bestreden beslissing “gelijkheid en objectiviteit [mist], wat strijdig is met het zorgvuldigheidsbeginsel”.
  4. In zijn laatste memorie zet verzoeker nog uiteen wat volgt: “a. Schending van de formele motiveringsplicht Het eerste middelonderdeel betrof de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (artikelen 2 en 3) en de daarmee samenhangende tekortkomingen in de schriftelijke motivering van de beslissing van 13 september
  5. Verzoeker voerde aan dat de interne beroepscommissie haar beslissing onvoldoende inzichtelijk en inadequaat gemotiveerd heeft, nu zij niet antwoordde op wezenlijke bezwaren uit het dossier. Het auditeursverslag volgt verweerster in haar stelling dat de bestreden beslissing ‘materieel en formeel correct gemotiveerd’ zou zijn en meent dat de commissie geen onwettigheid beging door niet op elk detail in te gaan. Deze redenering miskent evenwel de draagwijdte van de formele motiveringsplicht. Op grond van artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 moet een bestuurlijke beslissing in het besluit zelf de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die eraan ten grondslag liggen. Het is van fundamenteel belang dat de geadresseerde – hier de leerling en zijn ouders – uit de motivering kan afleiden waarom een bepaald oordeel werd geveld, zodat hij geïnformeerd kan beslissen of een beroep tot nietigverklaring aangewezen is. In casu schiet de motivering van de interne beroepscommissie ernstig tekort. De commissie beperkt zich in haar beslissing tot het algemene statement dat ‘geen objectieve feiten werden teruggevonden om te twijfelen aan de manier van evalueren door de betrokken leerkrachten’. Deze ene zin vormt nagenoeg de volledige inhoud van de motiveringsrubriek van de beslissing. Hieruit blijkt enkel dat de commissie de door verzoeker zijn IX-10.573-12/31 ouders geuite twijfels over de evaluatie niet heeft gedeeld, maar niet op welke gronden die conclusie steunt. Verzoeker zijn intern beroep bevatte nochtans concrete grieven die een antwoord behoefden. Zo had verzoeker uitdrukkelijk betwist of er wel sprake was van een tekort voor de vakken chemie en fysica, en hoe zijn resultaten precies waren berekend. Verzoeker baseerde zich daarbij op cijfers verstrekt door de directie zelf: volgens de meegedeelde wegingsformule (15% dagelijks werk semester 1, 25% dagelijks werk semester 2, 25% examen 1, 35% examen 2) haalde verzoeker een jaartotaal van 49% voor chemie en 41% voor fysica. Verzoeker kaartte aan dat nergens uit de beslissing blijkt of, en hoe, met deze jaartotalen rekening is gehouden, noch hoe de tekorten precies tot stand kwamen. Dit zijn pertinente vragen: indien – volgens de eigen berekeningen van de school – chemie met 49% slechts op een haar na een tekort is, had de commissie moeten verduidelijken hoe dat zich verhoudt tot het tekort over het hele jaar. In antwoord op deze punten volstaat de bestreden beslissing met stilzwijgen. De auditeur acht dat aanvaardbaar, stellende dat niet elke grief ‘één voor één van antwoord hoeft te worden voorzien’ en dat de commissie impliciet wel duidelijk maakte waarom ze de ‘mathematische berekening’ van verzoeker zijn ouders naast zich neerlegt. Die redenering gaat niet op. Ten eerste was het gebruik – of net het niet gebruiken – van de jaartotalen zelf een twistpunt. Het auditoraat lijkt dit stilzwijgen goed te keuren door te stellen dat ‘overeenkomstig het schoolreglement, niet wordt gewerkt met jaartotalen’ en dat aldus ‘impliciet’ geantwoord is op de cijferkritiek. Een dergelijk impliciet antwoord volstaat niet. Verzoeker houdt immers voor dat er geen of minstens andere tekorten voorliggen dan werd voorgehouden. Ten tweede geldt dat de beroepscommissie ook op andere essentiële bezwaren niet is ingegaan. Verzoeker had inhoudelijke argumenten aangebracht omtrent de extra examens die hem waren opgelegd: zo betwistte hij de quotering van zijn bijkomende proef fysica (volgens zijn reconstructie had hij daar 55% verdiend in plaats van 49%, wat voor dat vak een jaartotaal boven 50% zou betekenen) en stelde hij vragen bij de omvang en weging van de stof in de bijkomende proef chemie (die betrof slechts ca. 75% van de leerstof, maar leek voor 85% door te wegen in het puntenresultaat). Dit waren precieze, cijfermatige bezwaren die verifieerbaar zijn. De beroepscommissie zegt echter met geen woord wát zij met deze informatie heeft gedaan. Enkel uit het zinsfragment over de ‘manier van evalueren door de leerkrachten’ kan men afleiden dat de commissie kennelijk de kant van de leerkrachten kiest en de door hen gehanteerde quoteringen volledig volgt. Opnieuw zonder enige uitleg waarom verzoeker zijn tegenargumenten dan niet deugen. De auditeur redeneert dat de formele motiveringsplicht niet zover gaat dat de commissie ‘de motieven van de motieven’ moet uitschrijven of de examenuitslagen van elke leerkracht afzonderlijk moet verantwoorden. Uiteraard wordt niet gevraagd om een minutieuze bespreking van elk punt en komma. Wat echter wel verlangd wordt – en waarin de bestreden beslissing niet voorziet – is een antwoord in de kern op de kern van de grieven. Hier had de kernvraag moeten zijn: ‘Waarom wordt [verzoeker] IX-10.573-13/31 als niet geslaagd beschouwd, ondanks zijn betwisting van bepaalde punten en ondanks zijn verder bevredigende resultaten?’ Op die vraag komt uit de beslissing geen duidelijk antwoord. Er wordt enkel gerefereerd aan het ‘niet twijfelen aan de evaluatie’ van de leerkracht, maar niet aan bijvoorbeeld de te behalen leerdoelen of de ernst van de tekorten. Pas in verweer stelt men dat de commissie haar focus beperkte tot de vakken fysica en chemie (de probleemvakken) en op basis daarvan tot het C-attest besloot. Die denkwijze blijkt echter niet zwart-op-wit uit de beslissing. De loutere stellen dat chemie en fysica belangrijke vakken zijn is geen zorgvuldige afweging van vermeende tekorten ten op zichte van de overige resultaten. Samengevat: de bestreden beslissing vermeldt niet de wezenlijke feitelijke motieven die het besluit schragen, zoals vereist door de motiveringswet. Dat maakt haar strijdig met artikel 2 en 3 van die wet. Het auditeursverslag minimaliseert dit gebrek ten onrechte. Waar de auditeur stelt dat de beslissing ‘ontegensprekelijk’ de dragende motieven bevat, stelt verzoeker zich op het standpunt dat niet nagegaan kan worden welke motieven precies als dragend werden beschouwd, net doordat cruciale elementen onbesproken blijven. De summiere verwijzing naar het evaluatiesysteem van de school (‘wijze van evalueren voorgeschreven door het schoolreglement’ volgens het verslag) is veel te algemeen om te gelden als afdoende antwoord op concrete bezwaren. De formele motiveringsplicht houdt in dat het bestuursorgaan op de ingestelde internrechtelijke beroepsgronden een antwoord formuleert. Door de grieven van verzoeker grotendeels te negeren en enkel een standaardformule over vertrouwen in de leerkracht te hanteren, heeft de interne beroepscommissie haar beslissing onvoldoende gemotiveerd. Dit middelonderdeel is derhalve gegrond. b. Weerlegbaarheid van het vermoeden van deskundigheid – schending van zorgvuldigheidsplicht Het tweede middelonderdeel betreft de wijze waarop de interne beroepscommissie is omgegaan met de door verzoeker aangevoerde inhoudelijke bezwaren tegen de evaluatie door de leerkrachten (met name voor chemie en fysica). Verzoeker heeft aangevoerd dat de beroepscommissie haar beslissing onzorgvuldig voorbereidde door te snel en zonder diepgaand onderzoek uit te gaan van het deskundigheidsvermoeden van de leerkracht, en aldus het principe van zorgvuldigheid te schenden. In het auditeursverslag wordt dit middelonderdeel ongegrond geacht; de auditeur oordeelt dat de commissie terecht kon concluderen dat geen objectieve aanleiding bestond om te twijfelen aan de evaluaties, zodat het (decretaal verankerde) vermoeden van deskundigheid van de vakleerkrachten niet werd ontkracht. Verzoeker betwist deze lezing. Volgens vaste rechtspraak van Uw Raad houdt het vermoeden van deskundigheid in dat men moet aannemen dat de door de leerkracht toegekende punten representatief zijn voor de kennis en vaardigheden van de leerling, en dat het aan de leerling is om dat vermoeden te weerleggen met concrete en overtuigende argumenten. Louter stellen dat men het oneens is met een bepaald cijfer, of dat een mildere beoordeling mogelijk was, volstaat inderdaad niet. Maar – en dit is cruciaal – het vermoeden is weerlegbaar. Zodra de leerling wél concrete IX-10.573-14/31 elementen aanreikt die twijfel doen rijzen over de correctheid van of billijkheid van de beoordeling, moet de beroepsinstantie die elementen ernstig onderzoeken in plaats van zich klakkeloos achter het vermoeden te verschuilen. Precies dit is hier niet gebeurd. Verzoeker heeft in het intern beroep zeer tastbare gegevens verstrekt: hij legde een eigen verbeterwerk van zijn examens voor en maakte een cijfermatige analyse van de puntentelling voor chemie. Zo toonde hij onderbouwd aan dat bij fysica zijn score mogelijks verkeerd was berekend en dat bij chemie de weging van de getoetste leerstof disproportioneel was (zoals hoger uiteengezet). Dit zijn geen louter subjectieve klachten, maar controleerbare en objectiveerbare gegevens. Op zulke gegevens mag de beroepscommissie niet antwoorden met een dooddoener. Toch is dat gebeurd: men volstond met te zeggen dat er ‘geen objectieve feiten’ zijn gevonden om aan de leerkracht te twijfelen. Dit suggereert dat de commissie verzoekers bewijsvoering niet eens als objectief heeft willen erkennen. Deze afwijzende houding, zonder inhoudelijke weerlegging van de aangedragen punten, getuigt van gebrekkige zorgvuldigheid. De auditeur acht het ‘onredelijk van verzoeker te verwachten’ dat de visie van zijn ouders op de puntentelling het zou halen van die van de vakleerkracht. Die formulering zet de zaken op hun kop. Verzoeker heeft nooit geëist dat zijn puntenverdeling simpelweg zou worden overgenomen; hij vroeg om een onafhankelijke en kritische toetsing van de leerkrachtbeoordeling. In plaats daarvan heeft de beroepscommissie zich uitsluitend gebaseerd op de verklaring van de betrokken vakleerkracht zelf. Verweerster heeft in deze procedure namelijk een ‘stuk 4.5’ neergelegd, zijnde een nota van de vakleerkracht chemie die de kritiek van verzoekers ouders punt per punt pareert. Hieruit blijkt dat de commissie haar informatie volledig haalde bij de personen wier evaluatie ter discussie stond – zonder wederwoord of tegenspraak. Dat de leerkrachten in een interne nota (achteraf) hun eigen beoordelingen verdedigen, mag niet verbazen; maar de objectiviteit daarvan is beperkt. Zoals verzoeker in het dossier opmerkte: een administratieve weerlegging door dezelfde persoon die beoordeeld wordt, is geen garantie op objectiviteit. De beroepscommissie had dit moeten onderkennen en minstens de door verzoeker aangereikte informatie zélf inhoudelijk moeten afwegen. Niets wijst erop dat zij dat daadwerkelijk heeft gedaan. Haar beslissing refereert geenszins aan de specifieke argumenten van verzoeker, noch aan het bestaan van de nota’s van de leerkrachten – ze lijkt er simpelweg van uit te gaan dat de leerkracht wel gelijk zal hebben. Dit is precies de droge toepassing van het vermoeden van deskundigheid waartegen de weerlegbaarheidsclausule bescherming moest bieden. Het auditeursverslag lijkt de bewijslast volledig bij verzoeker te leggen en te oordelen dat deze tekort schoot. Verzoeker meent echter wél aan zijn verplichting voldaan te hebben door ‘concrete en overtuigende argumenten’ voor te leggen, in de vorm van berekeningen en verbeteringen. Die maken minstens aannemelijk dat de evaluatie niet onfeilbaar was. Van de beroepscommissie mocht vervolgens verwacht worden dat zij deze IX-10.573-15/31 aanwijzingen ernstig nam en bijvoorbeeld onafhankelijke experten binnen de school (andere leerkrachten of externe leden van de commissie) de betwiste examens liet herbekijken, of op zijn minst motiveerde waarom zij de argumenten van verzoeker onvoldoende achtte. Niets van dat alles is gebeurd – men heeft de bezwaren eenvoudigweg als ‘niet objectief’ terzijde geschoven. Dit getuigt van een gebrek aan grondigheid en onpartijdigheid, en aldus van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel in de bestuurlijke besluitvorming. Daarenboven wordt aangestipt dat de interne beroepscommissie krachtens de Codex Secundair Onderwijs een volledige beslissingsmacht heeft, gelijk aan die van de delibererende klassenraad. Zij trad in de plaats van de klassenraad om een eindbeslissing te nemen over het al dan niet slagen van verzoeker. Dat impliceert dat de commissie de zaak in haar geheel behoorde te herbekijken met een frisse en onbevooroordeelde blik. Door zich daarentegen klakkeloos te baseren op de input van dezelfde leerkrachten en geen eigen beoordeling te voeren, heeft de beroepscommissie haar discretionaire bevoegdheid niet naar behoren uitgeoefend. Dit middelonderdeel, dat strekte tot aantasting van het deskundigheidsvermoeden door concrete elementen en het negeren daarvan, is dan ook gegrond. De auditeur heeft miskend dat het vermoeden wél was weerlegd of op zijn minst ernstig in twijfel getrokken, zodat de commissie niet zonder meer daarbij had mogen blijven. c. Doelmatigheid en evenredigheid – onzorgvuldige besluitvorming Het derde middelonderdeel ten slotte heeft betrekking op de doelmatigheid en proportionaliteit van de door de school getroffen evaluatiemaatregelen en de algehele beoordeling van verzoeker zijn leerprestaties. Verzoeker voerde aan dat de bestreden beslissing in strijd is met de aangevoerde bepalingen en algemene beginselen, omdat de interne beroepscommissie een te enge focus hanteerde (beperkt tot twee vakken) en verzuimde alle relevante concrete gegevens van het dossier in haar beoordeling te betrekken. Dit betreft zowel de resultaten van andere vakken en vorige jaren, als de persoonlijke omstandigheden en toelichting van verzoeker omtrent zijn studiekeuze. Door enkel te kijken naar de twee tekortvakken fysica en chemie en daaruit linea recta het zwaarste oriënteringsattest te besluiten, heeft de commissie kennelijk onredelijk gehandeld. In het verslag parafraseert de auditeur verzoeker zijn standpunt correct: de beroepscommissie beperkte haar focus op fysica en chemie, terwijl zij zich had moeten baseren op alle relevante gegevens. Vervolgens – zo maakt verzoeker uit het verslag op – acht de auditeur dit middelonderdeel ongegrond, aangezien hij nergens constateert dat de commissie buiten haar beoordelingsruimte trad. Verzoeker is het daar niet mee eens: men gaat geheel voorbij aan het onredelijke karakter van de gang van zaken bij de deliberatie en het intern beroep. Allereerst wijst verzoeker op de bijkomende proeven die hem waren opgelegd. Eind juni 2024 diende verzoeker drie herexamens af te leggen (in chemie, fysica en biologie [sic]). Dit was op zich een zware maatregel, maar verzoeker heeft deze kans aangegrepen. Hij slaagde voor biologie [sic], maar haalde voor chemie en fysica opnieuw onvoldoende. Vervolgens heeft de delibererende klassenraad – ook na een eerste heroverweging op verzoek IX-10.573-16/31 van de directie – beslist het oriënteringsattest C te handhaven. De interne beroepscommissie bevestigde dit besluit zonder iets te wijzigen. De doel- of rechtmatigheid van de bijkomende proeven wordt door de auditeur nergens bevraagd: nochtans rijst de vraag of deze bijkomende proeven hun doel hebben gediend. De commissie zegt evenmin waarom zij van oordeel is dat, ondanks de bijkomende proeven, alsnog een C-attest moest volgen. Meer fundamenteel had de beroepscommissie haar oordeel moeten vormen op basis van een holistisch beeld van verzoekers schoolcarrière. Verzoeker stond er tot en met het eerste semester van het laatste jaar niet slecht voor (met geen tekorten voor dagelijks werk en slechts één tekort op de examens met Kerstmis). Pas in het allerlaatste trimester doken er moeilijkheden op, voornamelijk in de wetenschappelijke vakken. Nochtans behaalde verzoeker nog steeds voldoende resultaten voor vakken als Wiskunde (62%), Chemie dagelijks werk (65%) en Bewegingswetenschappen (65%). Dit duidt erop dat zijn capaciteiten er zeker waren, zij het mogelijk ongelijk verdeeld. De commissie heeft echter geen blijk gegeven dat zij dergelijke nuances heeft overwogen. Zij lijkt exclusief te hebben gekeken naar het feit van twee onvoldoendes (na bijkomende proeven) en daarop het zwaarste verdict te hebben gebaseerd. Dit komt naar voren in het standpunt van verweerster dat ‘zelfs indien men de jaartotalen in rekening zou brengen, het vaststaat dat chemie en fysica nog steeds onvoldoende zijn’ – waarmee men wil zeggen dat verzoeker ‘over het volledige jaar genomen’ niet geslaagd is voor die vakken. Die redenering getuigt van een absolute benadering: twee onvoldoendes = onherroepelijk gezakt. Verzoeker betwist dat deze rigide houding te rijmen valt met het evenredigheids- en redelijkheidsbeginsel. Een C-attest is immers de meest verstrekkende sanctie in het secundair onderwijs: de leerling verliest een vol jaar en zijn studieloopbaan wordt substantieel vertraagd. Zo’n ingreep behoort uiterst uitzonderlijk te blijven (de overheid zelf stelt dat een C-attest in hogere jaren enkel in uitzonderlijke gevallen mag worden gegeven). In het geval van verzoeker waren er sterke indicaties dat hij met zijn capaciteiten en inzet, ondanks twee tekortvakken, toch een verdere studie zou kunnen aanvatten. Uit het dossier blijkt dat verzoeker tijdens de procedure heeft toegelicht welke studierichting hij wenste aan te vatten in het hoger onderwijs, namelijk ‘Sport en Bewegen’. Dit is een opleiding waarin exacte wetenschappen (zoals chemie en fysica) van minder doorslaggevend belang zijn. Verzoeker zijn ouders hebben de commissie expliciet kenbaar gemaakt dat hij die keuze had gemaakt en gemotiveerd waarom hij meende daarin te kunnen slagen, zelfs indien zijn kennis in chemie/fysica niet op elk punt volledig was. De beroepscommissie heeft hier niets mee gedaan. In de beslissing wordt met geen woord gerept over verzoeker zijn toekomstige studieplannen of over diens reeds behaalde competenties in andere vakken. Verweerster heeft in de procedure toegegeven dat de commissie zich louter op de twee vakken heeft toegespitst en geen rekening heeft gehouden met hetgeen verzoeker over zijn studiekeuze had aangevoerd. Dat is een gebrek. Uit niets blijkt dat men bijvoorbeeld heeft afgewogen dat verzoeker voor alle andere vakken ruimschoots geslaagd was en dat zijn gekozen vervolgopleiding voornamelijk daarop zou voortbouwen. Het IX-10.573-17/31 evenredigheidsbeginsel brengt mee dat een bestuur geen zwaardere maatregel mag nemen dan nodig. Het blijft bij een kale opsomming van de tekorten. Door deze beperkte insteek heeft de commissie niet alle concrete relevante gegevens van het dossier meegewogen, wat neerkomt op een kennelijk onredelijke en onzorgvuldige besluitvorming. Ten overvloede merkt verzoeker op dat het auditeursverslag, voor zover het hier überhaupt op ingaat, zich lijkt te baseren op de veronderstelling dat strengheid per se geoorloofd is (‘streng is niet onwettig’). Hoewel een deliberatiecommissie zeker een ruime beoordelingsvrijheid heeft zijn er wel grenzen aan die discretionaire ruimte. Wanneer een beslissing duidelijk disproportioneel is ten aanzien van de vastgestelde gebreken of wanneer essentiële elementen genegeerd worden, overschrijdt het bestuur de grenzen van de redelijkheid. Verzoeker stelt dat dit hier het geval is. Een C-attest geven aan een laatstejaars die op twee vakken na voor alles geslaagd was (en voor één van die twee zelfs net op de grens), die bovendien al een richting voor ogen had waarin hij kon excelleren, getuigt van een gebrek aan billijkheid. In vergelijkbare gevallen heeft Uw Raad dergelijke beslissingen vernietigd wegens kennelijke onredelijkheid. De aangevochten beslissing verdient hetzelfde lot. Concluderend is ook het derde middelonderdeel gegrond. De interne beroepscommissie heeft haar besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd in materiële zin, door niet alle relevante omstandigheden te betrekken en een onevenredig zware maatregel te nemen zonder afdoende rechtvaardiging en afweging van de positieve elementen. De auditeur heeft deze bezwaren onterecht terzijde geschoven. Verzoeker verzoekt de Raad van State dan ook het auditeursverslag op dit punt niet te volgen en de onwettigheid van de bestreden beslissing ten volle te erkennen.” Beoordeling
  6. Aan verzoeker is een C-attest toegekend. Dat attest steunt, zo leert de bestreden beslissing, determinerend op het antwoord van de beroepscommissie op een “dubbele deliberatievraag”, namelijk
(1)of verzoeker heeft “aangetoond dat hij de leerplandoelstellingen van het voorbije jaar in voldoende mate heeft behaald” en
(2)of hij “in staat [is] om met kans op succes in het hoger onderwijs te starten”. Op de eerste vraag luidt het antwoord van de beroepscommissie dat verzoeker “voor het grootste deel van het schooljaar 2023-2024 de leerplandoelen voor de vakken fysica en chemie onvoldoende heeft behaald”, dat IX-10.573-18/31 beide voormelde vakken “belangrijke vakken” zijn in de studierichting van verzoeker en dat de beroepscommissie daaruit afleidt dat verzoeker “niet voldoende in staat is om grotere leerstofgehelen te verwerken”. Op de tweede vraag antwoordt de beroepscommissie dat “uit de tekorten op de bijkomende proeven […] blijkt dat, ondanks de langere voorbereidingstijd, [verzoeker] niet in staat is de essentie van de leerstof te verwerken”. Daaruit leidt de beroepscommissie af dat verzoeker “niet voldoende in staat is een degelijke studieplanning op te stellen en toe te passen” en dat verzoeker “momenteel nog niet klaar is voor het hoger onderwijs”.
  1. De eerste kritiek van verzoeker luidt dat de bestreden beslissing hem en “[de] Raad [van State] in het ongewisse [laat] over het feit of er wel of niet een tekort is voor de 2 vakken en hoe deze tekorten dan worden berekend”.
  2. Alvast voor de Raad van State bestaat er geen onduidelijkheid over de vraag of verzoeker “tekorten” heeft. De bestreden beslissing vermeldt uitdrukkelijk dat verzoeker voor de vakken chemie en fysica “voor het grootste deel van het schooljaar […] de leerplandoelen […] onvoldoende heeft behaald”. Daarmee geeft de beroepscommissie duidelijk en ondubbelzinnig te kennen dat zij heeft vastgesteld dat verzoeker tekortschiet voor de vakken fysica en chemie.
  3. In de mate dat verzoeker aan de bestreden beslissing verwijt dat hij niet weet “hoe deze tekorten […] worden berekend” aangezien de school “niet met jaartotalen werkt”, gaat verzoeker ervan uit dat zijn tekortschieten alleen dán kan worden vastgesteld wanneer het in “jaarcijfers” is uitgedrukt. Ook daarin kan verzoeker niet worden bijgevallen. IX-10.573-19/31
  4. De Raad van State heeft reeds meermaals – bijvoorbeeld in arrest nr. 251.714 van 1 oktober 2021 – erop gewezen dat de wijze waarop een school de leerlingen evalueert – middels permanente evaluatie, via jaartotalen voor clusters van vakken, met afzonderlijke puntentoekenning per vak, met een niet in cijfers uitgedrukte waardering of door een onder woorden gebrachte evaluatie – behoort tot haar pedagogische vrijheid en discretionaire bevoegdheid. In het schoolreglement van de betrokken onderwijsinstelling is in dat verband uitdrukkelijk opgenomen dat “niet alleen het product, maar ook het proces” wordt beoordeeld, dat een “beoordeling op het einde van het schooljaar geen wiskundig rekensommetje” is, dat het niet de bedoeling is om aan de hand van zo’n rekensommetje te kijken “of je nog veel punten moet ‘sprokkelen’ om een voldoende ‘gemiddelde’ te halen” en dat er daarom “geen jaartotalen verschijnen op je rapport”. Verzoeker, van wie primo de betrokken personen het schoolreglement voor akkoord zullen hebben ondertekend en die secundo de wettigheid van deze bepalingen in het schoolreglement in de voorliggende procedure niet betwist, mag bijgevolg thans niet verwachten dat van de door hem afgelegde vakken de jaartotalen – volgens welke weging dan ook – worden berekend. De verwijzing in de bestreden beslissing naar de toepasselijke bepalingen van het schoolreglement en de daaropvolgende overweging dat “geen rekening [kan worden gehouden] met de mathematische berekening die de ouders aanhalen in hun betoog”, volstaan bijgevolg in dat opzicht.
  5. De bewering van verzoeker dat “de school de ene keer wel en de andere keer niet met jaarresultaten jongleert”, blijkt voorts niet te kloppen. De mededeling van de directeur met betrekking tot resultaten in een vorig schooljaar die verzoeker in dat verband bijbrengt en waarin wordt aangehaald dat de directeur “niet zo snel de jaarcijfers [heeft] uitgerekend”, maar vaststelt dat “buiten wiskunde […] hier duidelijk geen tekorten op jaarbasis [waren]”, doet precies IX-10.573-20/31 besluiten dat de school geen jaarcijfers nodig heeft – en hanteert – om het al dan niet tekortschieten van een leerling vast te stellen.
  6. De cijfers voor de examens zijn in dat verband wél bepalend, zoals blijkt uit het schoolreglement: “De bedoeling van examens is na te gaan of je, na grondig instuderen van de leerstof, de doelstellingen van het leerplan hebt bereikt.” Van wie niet slaagt voor één of meer examens mag bijgevolg, gelet op deze bepalingen van het schoolreglement, redelijkerwijze worden aangenomen dat hij de leerplandoelstellingen voor dat vak of die vakken niet in voldoende mate heeft bereikt. Die conclusie is des te meer evident voor een leerling – zoals verzoeker – die op eindexamens een score van 31% (chemie) en 27% (fysica) behaalt.
  7. Met de conclusie dat hij de leerplandoelstellingen voor de twee voormelde vakken niet in voldoende mate heeft bereikt, moet verzoeker overigens worden geacht het eens te zijn, alvast op grond van de zo-even vermelde cijfers die voorlagen op het ogenblik van de beslissing van de delibererende klassenraad om zijn oordeel over het al dan niet slagen van verzoeker uit te stellen. Immers, verzoeker haalt in zijn bezwaarschrift voor de beroepscommissie aan dat, hoewel het schooljaar “aanvankelijk geen problemen [opleverde]”, het “in juni [misliep]”, dat hij erkent dat hij “geen fraai resultaat behaalde” en dat hij “erkentelijk [was] dat hij [de] kans kreeg” om voor drie vakken bijkomende proeven af te leggen. Een leerling die ervan overtuigd is dat hij met de op dat ogenblik voorliggende cijfers toch blijk ervan geeft in voldoende mate de leerplandoelstellingen te hebben bereikt, kan zich onmogelijk “erkentelijk” weten voor het toekennen van bijkomende proeven. Noch voor de beroepscommissie, noch voor de Raad van State heeft verzoeker overigens aangevoerd dat hij al op grond van zijn resultaten van einde juni geslaagd moest worden verklaard. IX-10.573-21/31
  8. De Raad van State begrijpt de grief van verzoeker derhalve zo dat het voor hem niet duidelijk is of de conclusie dat hij de leerplandoelstellingen in onvoldoende mate heeft bereikt, nog opgaat ná de bijkomende proeven. Die kritiek valt samen met de grief dat niet werd geantwoord op zijn vraag hoe de resultaten voor deze bijkomende proeven werden verrekend. Verzoeker zelf wil ze namelijk “ingebed” zien in de andere cijfers.
  9. In dat verband dient erop gewezen dat er geen regelgeving of richtlijnen zijn die opleggen hoe de resultaten van bijkomende proeven moeten worden verrekend. Dit doet besluiten dat de interpretatie van het geheel van de cijfers, inbegrepen de eventuele resultaten van bijkomende proeven, behoort tot het domein van de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de klassenraad – of later in de administratieve procedure: de beroepscommissie. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de resultaten voor de bijkomende proeven voor chemie en fysica de beroepscommissie niet ervan hebben kunnen overtuigen dat verzoeker nu wél de leerplandoelstellingen in voldoende mate heeft behaald. Verzoeker toont daarvan de onredelijkheid niet aan. Immers, niet valt in te zien hoe een onvoldoende resultaat voor een bijkomende proef de eerdere vaststelling dat een leerling niet heeft aangetoond in voldoende mate de leerplandoelstellingen te hebben bereikt, zou kunnen keren.
  10. Verzoeker maakt wel een eigen berekening waarbij hij zijn resultaten voor de bijkomende proeven voor chemie en fysica voegt bij zijn eerdere resultaten, maar dat is klaarblijkelijk niet de wijze waarop de beroepscommissie met die resultaten is omgegaan. Zoals hiervóór gezien, behoort zulks tot de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de beroepscommissie en toont verzoeker de onredelijkheid van die handelwijze niet aan. Of de bijkomende proef voor chemie moest “doorwegen” voor 75% of 85%, is in het licht van wat voorafgaat dan ook zonder relevantie. IX-10.573-22/31 Verzoeker blijft daarbij uitgaan van de niet bij te vallen premisse dat de cijfers van de bijkomende proeven tot een herberekening van – zoals gezien, niet-bestaande – jaarcijfers moeten leiden. Bovendien moet worden aangenomen dat ook deze bijkomende proef tot doel had aan de klassenraad – en vervolgens aan de beroepscommissie – duidelijkheid te brengen over het feit of verzoeker de leerplandoelstellingen voor dat vak in voldoende mate heeft bereikt. Dat een klassenraad of een beroepscommissie oordeelt dat een leerling die niet slaagt voor zo’n bijkomende proef ook niet in voldoende mate de leerplandoelstellingen heeft bereikt, is verre van onredelijk te noemen.
  11. Alles samengenomen, acht de Raad van State het niet in strijd met de formelemotiveringsplicht dat de beroepscommissie – weliswaar summier – ook na de bijkomende proeven aangeeft dat voor de twee betrokken vakken de leerplandoelstellingen niet in voldoende mate werden bereikt.
  12. Verzoeker beklaagt zich tevens erover dat de beroepscommissie niet heeft geantwoord op zijn argument dat “het resultaat van 49% voor de bijkomende proef [fysica] niet klopte”. Verzoeker heeft in zijn bezwaarschrift voor de beroepscommissie “[g]ecorrigeerde score[s]” opgegeven voor de vragen 2, 5, 10, 18 en 19 van de betrokken bijkomende proef en daarbij uiteengezet waarom hij voor die vragen een hogere score “zeker verdedigbaar” acht. Hij heeft aangegeven dat er “erg streng” werd gequoteerd en dat, “[a]fhankelijk hoe streng men is”, minstens 3,5 punten bij zijn resultaat moesten worden bijgeteld.
  13. Verzoeker vergist zich als hij meent op die manier het hem toegekende cijfer en het vermoeden van deskundigheid dat tot weerlegging ervan kleeft aan de hoedanigheid van leerkracht, aan het wankelen te hebben gebracht. Gewis is verzoeker van mening dat er “erg streng” werd verbeterd, maar daarmee toont hij, zoals hij overigens zélf in de memorie van IX-10.573-23/31 wederantwoord aangeeft, nog niet aan dat de wijze waarop zijn bijkomende proef werd gequoteerd onjuist of onredelijk streng is. In het licht daarvan kon de beroepscommissie ermee volstaan te stellen dat zij “geen objectieve feiten [heeft] teruggevonden om […] te twijfelen” “aan de manier van evalueren door de betrokken leerkrachten”.
  14. Verzoeker doet voorts gelden dat zijn grief dat de onvoldoendes voor chemie en fysica niet het C-attest kunnen rechtvaardigen, in de bestreden beslissing niet is beantwoord. Ook doet hij gelden – daarmee samenhangend – dat de beroepscommissie heeft nagelaten het volledige leerlingendossier in ogenschouw te nemen. Anders dan hij in zijn laatste memorie doet gelden, heeft hij daarmee alleen de motiveringsplicht aan de kaak gesteld. De Raad van State leest daarin niet dat hij het “kennelijk onredelijk” karakter van de bestreden beslissing heeft willen aanvoeren. In die mate geeft hij in zijn laatste memorie een laattijdige nieuwe wending aan het middel. In zoverre is zijn kritiek onontvankelijk.
  15. Verzoeker citeert zelf de volgende passus uit zijn bezwaarschrift voor de beroepscommissie: “Het civiel effect herleiden tot een oordeel op basis van twee onvoldoendes voor twee wetenschapsvakken is een wel zeer smalle basis. Overigens staat duidelijk in omzendbrief SO64 gestipuleerd dat één onvoldoende geen grond is om een positieve attestering tegen te houden. Van een deliberatie mag verwacht worden dat ze twee onvoldoendes afweegt tegenover het geheel van alle andere resultaten samen. Twee onvoldoendes rechtvaardigen een diploma niet. Het is een wel zeer reductionistische kijk op het civiel effect. De eerder zwakke cijfers voor een aantal vakken, zoals blijkt uit diezelfde motivatie, doen niet ter zake. Sterker nog, de deliberatie is van oordeel dat deze zwakke cijfers een niet-deliberatie rechtvaardigen. Het is een kromredenering die kan tellen. Zwakke cijfers of niet: [verzoeker] is geslaagd want het minimum van 50% is behaald.” Daarop leest verzoeker naar zijn oordeel geen afdoende antwoord in de bestreden beslissing. IX-10.573-24/31 De Raad van State valt hem daarin andermaal niet bij.
  16. In omzendbrief SO 64 ‘Structuur en organisatie van het voltijds secundair onderwijs’ waaraan verzoeker refereert, leest hij zelf dat “één onvoldoende geen grond is om een positieve attestering tegen te houden”. Daargelaten dat omzendbrieven in principe uit zichzelf geen bindende rechtskracht bezitten en dat ze dus geen annulatiemiddel kunnen ondersteunen, moet worden vastgesteld dat in deze zaak niet één maar twee vakken voorliggen waarvoor verzoeker de leerplandoelstellingen niet in voldoende mate heeft bereikt. In die mate mist de verwijzing naar de betrokken omzendbrief hoe dan ook iedere relevantie.
  17. Dat verhindert niet dat verzoeker wél mag verwachten dat zijn resultaten voor de twee vakken waarvoor hij de leerplandoelstellingen niet in voldoende mate heeft bereikt, worden afgewogen tegen zijn resultaten voor de andere vakken. Dat heeft de beroepscommissie ook gedaan. Zij wijst erop dat chemie en fysica “belangrijke vakken” zijn binnen de studierichting sportwetenschappen – wat doet aannemen dat de beroepscommissie van oordeel is dat de andere, positievere resultaten haar niet tot een ander oordeel konden brengen – en besluit dat verzoeker “niet voldoende in staat is om grotere leerstofgehelen te verwerken”.
  18. Op het eerste punt levert verzoeker geen kritiek. Hij betwist niet dat de vakken chemie en fysica van grote betekenis zijn in zijn studierichting. Wel voert hij aan dat het daarmee nog steeds maar “één element is van een dossier”. IX-10.573-25/31 Daarin vergist verzoeker zich: het zijn (minstens) twéé elementen van zijn leerlingendossier.
  19. Verzoeker betoogt nog dat de cijfers van chemie en fysica niet worden afgezet tegen de “overige resultaten of andere elementen” en dat hij “uitdrukkelijk [heeft] verwezen naar zijn gehele studieloopbaan en de cijfers van het vijfde jaar”, erop wijzend dat “[d]e leerplannen zijn geschreven op het niveau van de graad”.
  20. De Raad van State leest in het bezwaarschrift voor de beroepscommissie in verband met zijn prestaties in het verleden alleen dat de klassenraad wordt verweten “geen, of alleszins weinig rekening [te hebben] gehouden met de eerdere prestaties en attitude die [verzoeker] gedurende zijn hele GIB-carrière en in het bijzonder tijdens het grootste deel van zijn 6e jaar aan de dag legde”. Waarom het feit dat verzoeker eerdere studiejaren met vrucht heeft beëindigd, van betekenis moet zijn om die leerling ook voor het voorliggende schooljaar te laten slagen, heeft verzoeker niet nader toegelicht en valt evenmin spontaan in te zien. Bijgevolg moet worden geoordeeld dat verzoeker met die enkele zinsnede geen welomschreven, gewichtige grief aan de beroepscommissie heeft voorgelegd waarop hij een uitdrukkelijk antwoord mocht verwachten. Dat verzoeker uitdrukkelijk zou hebben gevraagd om zijn cijfers van het vijfde jaar in de beoordeling te betrekken en wel in het kader van graadleerplannen, blijkt alvast niet uit het bezwaarschrift. Verzoeker kan de beroepscommissie derhalve niet verwijten ook daarop niet te hebben geantwoord.
  21. Zoals gezien, heeft de beroepscommissie in ogenschouw genomen dat verzoeker voor twee voor de studierichting sportwetenschappen “belangrijke vakken” de leerplandoelstellingen niet in voldoende mate heeft behaald en heeft zij daaruit afgeleid dat verzoeker “niet voldoende in staat is om grotere leerstofgehelen te verwerken”. IX-10.573-26/31 Een dergelijk motief vermag een C-attest te verantwoorden en het wordt niet onregelmatig omdat de beroepscommissie niet het volledige rapport reproduceert en de vakken waarvoor verzoeker wél voldoende punten heeft behaald onvermeld laat. Het valt in dat geval verzoeker toe om aan te geven welke andere concrete gegevens van zijn dossier niet of onvoldoende in rekening zijn gebracht die een zodanig tegengewicht vormen voor de vastgestelde tekorten, dat ze een anders luidende beslissing mogelijk maken. Verzoeker betoogt wel dat “overige resultaten of andere elementen” niet zouden zijn betrokken in de bestreden beslissing, maar maakt op geen enkel ogenblik duidelijk wélke gegevens hij dan precies had willen zien afgezet tegen de (onvoldoende) cijfers voor chemie en fysica. Om de conclusie van de beroepscommissie dat grotere leerstofgehelen een probleem vormen voor verzoeker tegen te spreken, moet logischerwijze worden gekeken naar de vakken waarvoor (semestriële) examens zijn afgenomen – en dus niet naar de vakken die middels ‘gespreide evaluatie’ worden beoordeeld. Voor de vakken waarvoor verzoeker aan examens werd onderworpen, moet worden vastgesteld dat hij voor de examens van juni volgende scores behaalde, uitgezonderd voor de vakken chemie en fysica: wiskunde – 50%; geschiedenis – 42%; aardrijkskunde – 53%; biologie en bewegingswetenschappen – telkens 63%. Wanneer verzoeker in die examenreeks, naast de vakken waarvoor hij ook voor de bijkomende proeven niet kon overtuigen, nóg een onvoldoende behaalt, ziet de Raad van State niet in, zonder nadere toelichting door verzoeker, hoe die “overige resultaten of andere elementen” van aard zijn om het motief dat verzoeker “niet voldoende in staat is om grotere leerstofgehelen te verwerken” te weerspreken. Eindexamens waarvoor verzoeker een resultaat van precies 50% of de ondergrens van 50% heeft neergezet, zijn evenmin van aard de voormelde conclusie van de beroepscommissie onderuit te halen. IX-10.573-27/31
  22. Verzoeker stelt voorts dat hij “op verschillende manieren het eigen schoolreglement [heeft] aangehaald”, maar dat ook die elementen niet in de bestreden beslissing zijn betrokken.
  23. De eerste keer dat verzoeker in zijn bezwaarschrift het schoolreglement bij zijn kritiek betrekt, refereert hij aan de volgende passus uit het schoolreglement onder punt ‘
  24. De evaluatie’: “We vergelijken je resultaten ook niet met die van andere leerlingen. Als we vergelijken, is het met je eigen vorige prestaties. Maak je vooruitgang in kennis, vaardigheden en attitudes en realiseer je zo geleidelijk de leerplandoelstellingen? Dat is waar het op aankomt. Dat is ook de reden dat we geen klasgemiddelden of medianen publiceren op het rapport.” Verzoeker wijst in zijn bezwaarschrift erop dat er volgens hem wel sprake is van vooruitgang, met een “duidelijk[e] stijging” voor fysica en eveneens stijgingen voor Frans en chemie.
  25. Verzoeker verliest dan wel uit het oog dat zijn resultaten voor Frans geen motief vormen voor het C-attest. In die mate behoefde zijn kritiek dan ook geen antwoord in de bestreden beslissing. Wat de vakken chemie en fysica betreft, heeft de beroepscommissie, zoals gezien, vastgesteld dat verzoeker de leerplandoelstellingen niet in voldoende mate heeft bereikt. Daarmee heeft zij impliciet maar zeker ook aangegeven dat de “stijging” die verzoeker in zijn resultaten voor deze twee vakken ziet, haar niet van het tegendeel heeft kunnen overtuigen. Die vaststelling spoort met de premisse van deze passus uit het schoolreglement, namelijk dat de “vooruitgang in kennis, vaardigheden en attitudes” – weliswaar geleidelijk, maar wel finaal – erin moet resulteren dat de leerplandoelstellingen in voldoende mate worden bereikt.
  26. Verzoeker haalt vervolgens in zijn bezwaarschrift aan dat “[d]e delibererende klassenraad steunt op een ruime en brede verzameling van gegevens over jou”. Daarbij zet hij uiteen dat de klassenraad “geen, of alleszins weinig IX-10.573-28/31 rekening heeft gehouden met de eerdere prestaties en attitude die [verzoeker] gedurende zijn hele GIB-carrière en in het bijzonder tijdens het grootste deel van zijn 6e jaar aan de dag legde”.
  27. Daarover is hiervóór, sub 28, al geoordeeld dat verzoeker met die enkele zinsnede geen welomschreven, gewichtige grief aan de beroepscommissie heeft voorgelegd waarop hij een uitdrukkelijk antwoord mocht verwachten.
  28. Een derde en laatste keer dat verzoeker het schoolreglement in zijn kritiek betrekt, wijst hij op de bepaling dat “de klassenraad delibereert met het oog op de toekomst”. Daarbij verwijt hij de klassenraad geen rekening te hebben gehouden met zijn “studiekeuze […] na zijn ASO”. Dat verwijt hangt samen met de laatste kritiek in zijn verzoekschrift voor de Raad van State, waarin hij de beroepscommissie verwijt te hebben geoordeeld dat verzoeker “momenteel nog niet klaar is voor het hoger onderwijs”, zonder dat rekening wordt gehouden met zijn “toekomstplannen”, die hij in zijn bezwaarschrift had uiteengezet.
  29. Het is niet denkbeeldig en evenmin onwettig dat een beroepscommissie zich bij haar oordeel over het al dan niet slagen van een leerling mede laat leiden door wat een leerling verklaart omtrent de door hem geambieerde studierichting, hetzij in het secundair onderwijs, hetzij in het hoger onderwijs. Waar voor de overgang van het ene leerjaar naar het volgende leerjaar in het secundair onderwijs de beroepscommissie instrumenten in handen heeft om die ambities van zo’n leerling in haar beslissing vast te zetten – bijvoorbeeld, door een B-attest met clausulering toe te kennen of door een leerling met een waarschuwing te laten overgaan en hem de kans te geven een tekort in een volgend schooljaar bij te werken – is dat niet het geval voor een leerling die in het tweede leerjaar van de derde graad in een studierichting met doorstroomfinaliteit een gelijkaardige verklaring aflegt met betrekking tot zijn ambities in het hoger IX-10.573-29/31 onderwijs. Eens het diploma secundair onderwijs is toegekend, beschikt de betrokken leerling in beginsel over een vrije keuze van opleiding. In die omstandigheden acht de Raad van State het niet in strijd met de formelemotiveringsplicht, noch onredelijk, dat een beroepscommissie de haar voorgespiegelde “toekomstplannen” van verzoeker niet nader heeft betrokken in haar oordeel, maar zich integendeel heeft uitgesproken over verzoekers slaagkansen in het hoger onderwijs in het algemeen. Daarover heeft verzoeker in zijn bezwaarschrift voor de beroepscommissie overigens zelf toegegeven te beseffen dat “een academische studie met veel theoretische concepten – op dit ogenblik – niet in lijn ligt met zijn huidige kennen en kunnen”. Een beroepscommissie die aan verzoeker op grond van dergelijke verklaringen een diploma secundair onderwijs zou toekennen, kan nadien niet verhinderen dat hij – spijts deze anders luidende verklaringen – toch een “academische studie met veel theoretische concepten” aanvat.
  30. Voor zover verzoeker in de memorie van wederantwoord voor het eerst aanvoert dat er “studenten [zijn] met vergelijkbare of slechtere resultaten die wel een A- of B-attest krijgen”, waardoor de bestreden beslissing “gelijkheid en objectiviteit [mist]”, geeft hij aan zijn middel een nieuwe wending. Dat is laattijdig en bijgevolg niet ontvankelijk.
  31. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, niet gegrond. BESLISSING
  32. De Raad van State verwerpt het beroep.
  33. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-10.573-30/31 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achtentwintig januari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.573-31/31 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.604 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.