id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.626 Rolnummer: Zaak: Arrest 265626 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 30/01/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-02-04 Raadplegingen: 182 - laatst gezien 2026-06-18 06:26 Fiche Arrest nr 265.626 van 30 januari 2026 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Samenvoeging Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 265.626 van 30 januari 2026 in de zaken A. 243.005/X-18.842 (I) A. 243.140/X-18.864 (II) In zake : I
- R.H.
- L.G. II de BV H. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Roland De Rouck kantoor houdend te 9400 Ninove Leopoldlaan 17 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Astrid Gelijkens kantoor houdend te 2000 Antwerpen Scheldestraat 9 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de NV AQUAFIN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1082 Brussel Keizer Karellaan 586 bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- De beroepen in de beide zaken, ingesteld op 18 september 2024 strekken tot de nietigverklaring van het besluit van 12 juli 2024 van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme waarbij de X-18.864-1/10 oprichting van rioolwaterzuiveringsinfrastructuur in de stad Ninove en de gemeente Herzele van openbaar nut wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft in de beide zaken een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben in de beide zaken een memorie van wederantwoord ingediend. Met een verzoekschrift van 22 november 2024 heeft de nv Aquafin in de beide zaken gevraagd om in het geding te mogen tussenkomen. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben in de beide zaken een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben in de beide zaken een laatste memorie ingediend. De partijen zijn in de beide zaken opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 januari
- Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht. Advocaat Julie Romanus, die loco advocaat Roland De Rouck verschijnt voor de verzoekende partijen in de beide zaken, advocaat Wannes Op de Becq, die loco advocaat Astrid Gelijkens verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Joeri Leten, die loco advocaat Isabelle Cooreman verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. X-18.864-2/10 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekende partijen in de beide zaken zijn mede-eigenaar van twee percelen, kadastraal gekend als Ninove, afdeling 11, sectie A, nr. 684C en Herzele, afdeling 6, sectie B, nr. 358B. 3.
- Op 4 maart 2024 dient de tussenkomende partij bij de bevoegde Vlaamse minister een aanvraag in om een ministerieel besluit houdende verklaring van openbaar nut te verkrijgen voor “het aanleggen/renoveren en exploiteren van rioleringsinfrastructuur ‘PS + PL Roeselarestraat’ te Ninove en Herzele”. 3.
- Tijdens het openbaar onderzoek over die aanvraag, georganiseerd van 2 tot 30 april 2024 in Herzele en van 15 april tot 15 mei 2024 in Ninove, dienen de verzoekende partijen in de beide zaken een (identiek) bezwaarschrift in. 3.
- Op 12 juli 2024 beslist de Vlaamse minister bevoegd voor Omgeving de oprichting van rioolwaterzuiveringsinfrastructuur in de stad Ninove en de gemeente Herzele van openbaar nut te verklaren, als volgt: “Artikel
- De bouw van de rioolwaterzuiveringsinfrastructuur […] onder, op of boven private onbebouwde gronden, die niet volledig omsloten zijn met een ondoordringbare muur of omheining, gelegen op het grondgebied van de stad Ninove en de gemeente Herzele, wordt van openbaar nut verklaard ten gunste van de nv Aquafin, Dijkstraat 8 te 2630 Aartselaar, hierna de gerechtigde te noemen. Deze installaties mogen op de hiernavolgende percelen gebouwd worden: Stad: Ninove Kadastraal gekend onder: Afdeling: 11; Sectie: A; Perceel: nummer: 684C. Gemeente: Herzele Kadastraal gekend onder: Afdeling: 6; Sectie: B; Perceel: nummers: 358B, 354B, 352A en 228B. X-18.864-3/10 Art.
- De installaties op de onder artikel 1 vermelde percelen worden opgericht onder de volgende voorwaarden: […] 5) de werkzaamheden mogen pas beginnen na het verloop van een termijn van twee maanden na kennisgeving per aangetekend schrijven aan de belanghebbende eigenaars en huurders; Art.
- Als de eigenaars van de percelen, vermeld in artikel 1, wensen dat de gerechtigde op deze erfdienstbaarheid de door de installaties bezette grond zou kopen, kunnen ze dit aan de minister laten weten binnen een termijn van twee jaar te rekenen vanaf het ogenblik waarop het besluit aan hen betekend werd. […] Art.
- Het besluit wordt samen met het goedgekeurde bijbehorende grondinnemingsplan […] overgemaakt aan de nv Aquafin, Dijkstraat 8 te 2630 Aartselaar, die op haar beurt de belanghebbende eigenaars en huurders op de hoogte brengt van dit besluit. Art.
- Iedere belanghebbende kan door middel van een ondertekend verzoekschrift tegen dit besluit bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring indienen binnen een termijn van zestig dagen na kennisneming. Het eventuele verzoekschrift wordt aangetekend neergelegd bij de Raad van State samen met drie door de ondertekenaar eensluidend verklaarde afschriften en bovendien zoveel afschriften als er andere bij de zaak betrokken partijen zijn. Bevat het verzoekschrift tot nietigverklaring tevens een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden akte, dan bevat het verzoekschrift negen door de ondertekenaar eensluidend verklaarde afschriften (artikel 85 van het procedurereglement van de Raad van State, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 25 april 2007).” Dit is het bestreden besluit in de beide zaken. 3.
- Dit besluit wordt aan de verzoekende partijen in de beide zaken betekend met een aangetekende brief verzonden op 16 juli
- IV. Samenhang
- In de beide zaken wordt hetzelfde besluit aangevochten, en dit op grond van drie middelen die identiek zijn. Met het oog op een goede rechtsbedeling is het aangewezen om de zaken sub I en II, samen te behandelen. X-18.864-4/10 V. Tussenkomst
- De nv Aquafin blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat de beroepen worden afgewezen. Bijgevolg moet haar verzoek tot tussenkomst in de beide zaken worden ingewilligd. VI. Ontvankelijkheid van de beroepen – exceptie ratione temporis Standpunt van de partijen
- De verzoekende partijen stellen in hun verzoekschriften dat de beroepen tijdig werden ingesteld omdat het bestreden besluit hen met een aangetekende brief van 16 juli 2024 ter kennis werd gebracht. Zij wijzen op artikel 4, § 2, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: het algemeen procedurereglement) dat voorziet dat wanneer de kennisgeving geschiedt bij gewone aangetekende brief, de eerste dag van de termijn voor het indienen van het verzoekschrift de derde werkdag is die volgt op de verzending van de brief, zijnde 19 juli
- Zowel de verwerende partij als de tussenkomende partij betwisten de tijdigheid van de beroepen. Zij stellen dat het bestreden besluit met een aangetekende brief van 16 juli 2024, op dezelfde dag verzonden, ter kennis werd gebracht aan de (respectievelijke) verzoekende partijen. De termijn nam aldus een aanvang op 19 juli 2024 om op 16 september 2024 te eindigen, waardoor de verzoekschriften gedateerd op 18 september 2024 laattijdig zijn.
- In de memorie van wederantwoord houden de verzoekende partijen voor dat het bestreden besluit geen beslissing is waarvoor de verplichting tot betekening bestaat. De termijn begint bijgevolg pas te lopen vanaf de effectieve kennisname door de verzoekende partijen, wat overigens ook wordt bevestigd in artikel 7 van het bestreden besluit, dat luidt: “Iedere belanghebbende kan door middel van een ondertekend verzoekschrift tegen dit besluit bij de Raad van State X-18.864-5/10 een beroep tot nietigverklaring indienen binnen een termijn van zestig dagen na kennisneming”. Zij stellen dat het bestreden besluit werd opgestuurd “tijdens het verlof” en dat zij er pas kennis hebben kunnen van nemen “in de loop van de maand augustus”.
- In hun laatste memorie blijven de verzoekende partijen bij hun stelling dat de bestreden handeling noch bekendgemaakt, noch aan de verzoekende partijen betekend moest worden, zodat de annulatietermijn ingaat op de dag waarop zij er in feite kennis van hebben gekregen. De verzoekende partijen vervolgen dat in de kennisgeving van het bestreden besluit door de tussenkomende partij geen gewag wordt gemaakt van de beroepsmogelijkheid, vormvereiste of termijnen. Het gevolg is volgens de verzoekende partijen “veeleer dat de termijn bovendien met 4 maanden moet worden verlengd”. Zij wijzen er nog op dat het recht van toegang tot een rechter een algemeen rechtsbeginsel is dat aan eenieder moet worden gewaarborgd. Voor zover zou worden opgeworpen dat het bestreden besluit zelf in artikel 7 de beroepsmogelijkheid en een termijn voorziet, namelijk “binnen een termijn van 60 dagen na kennisneming”, stellen de verzoekende partijen dat het verwarrend kan zijn voor de rechtzoekende of deze informatie wel voor hem bedoeld is doordat de minister deze akte niet zelf heeft betekend. Beoordeling
- Artikel 4, § 1, derde lid, van het algemeen procedurereglement luidt: “De beroepen bedoeld in artikel 14, §§ 1 en 3 van de gecoördineerde wetten verjaren zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen werden bekendgemaakt of betekend. Indien ze noch bekendgemaakt noch betekend dienen te worden, gaat de termijn in met de dag waarop de verzoeker er kennis heeft van gehad.” X-18.864-6/10 Artikel 4, § 2, derde en vierde lid, van het algemeen procedurereglement luiden: “Wanneer de in paragraaf 1 genoemde kennisgeving geschiedt bij gewone aangetekende brief, is de eerste dag van de termijn voor het indienen van het verzoekschrift de derde werkdag die volgt op de verzending van de brief, behoudens bewijs van het tegendeel door de geadresseerde, en is die dag inbegrepen in de termijn. Het postmerk geldt als bewijs, zowel voor de verzending als voor de ontvangst of de weigering.” 11.
- Een bestuur is ertoe verplicht om een individuele beslissing ter kennis te brengen van de betrokkene wanneer een tekst aan de betrokkene die wijze van kennisgeving voorschrijft of wanneer de beslissing van die aard is dat zij een wijziging brengt in de rechtstoestand van de persoon op wie zij betrekking heeft. 11.
- Overeenkomstig artikel 10, derde lid, van de wet van 12 april 1965 ‘betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen’, hier van toepassing krachtens artikel 2.6.1.1.1, § 3, tweede lid, van het decreet van 18 juli 2003 ‘betreffende het integraal waterbeleid’, gecoördineerd op 15 juni 2018, “[mag] [m]et de uitvoering van de werken van aanleg […] slechts een aanvang worden genomen twee maanden nadat de belanghebbende eigenaars en huurders op de hoogte zijn gebracht bij ter post aangetekend schrijven”. Deze bepalingen staan vermeld in de aanhef van het bestreden besluit, alsook de vermelding dat de werkzaamheden pas mogen beginnen na verloop van een termijn van twee maanden “na kennisgeving per aangetekend schrijven aan de belanghebbende eigenaars en huurders” (artikel 2), en de verplichting voor de tussenkomende partij om “de belanghebbende eigenaars en huurders” op de hoogte te brengen van dit besluit (artikel 6). 11.
- Daargelaten dat een uitdrukkelijke wettekst aldus de betekening van het bestreden besluit voorschrijft, is de beslissing waarbij de oprichting van rioolwaterzuiveringsinfrastructuur op de percelen waarvan de verzoekende partijen eigenaar zijn, van openbaar nut wordt verklaard een administratieve akte met X-18.864-7/10 individuele draagwijdte die de rechtstoestand van de verzoekende partijen in de beide zaken wijzigt en bijgevolg individueel aan hen diende te worden betekend. De omstandigheid dat, luidens artikel 7 van het bestreden besluit, “iedere belanghebbende” tegen dit besluit bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring kan indienen binnen een termijn van zestig dagen “na kennisneming”, doet aan het voorgaande geen afbreuk. De verzoekende partijen zijn immers de belanghebbende eigenaars van de betrokken percelen aan wie het bestreden besluit rechtstreeks werd betekend met aangetekende brieven van 16 juli
- Het bestreden besluit dateert van 12 juli 2024 en werd op 16 juli 2024 met een ter post aangetekende brief aan de verzoekende partijen in de beide zaken betekend. Aldus was, met toepassing van artikel 4, § 2, derde lid, van het algemeen procedurereglement, de eerste dag van de beroepstermijn vrijdag 19 juli 2024 en is die termijn geëindigd op maandag 16 september 2024, zodat de beroepen ingesteld met een op 18 september 2024 ter post aangetekende brief laattijdig zijn.
- De verklaring van de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord dat het bestreden besluit “werd opgestuurd tijdens het verlof en [zij] er maar pas kennis [hebben] kunnen van nemen in de loop van de maand augustus”, is niet ter zake dienend. De zinsnede “behoudens bewijs van het tegendeel”, waarvan sprake in artikel 4, § 2, derde lid, van het algemeen procedurereglement, mag er dan wel op zijn gericht de geadresseerde van de brief de mogelijkheid te bieden “het bewijs [te] leveren [dat] hij de brief op een andere, latere dag heeft ontvangen” (Verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 24 mei 2011 ‘tot wijziging van artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, BS 15 juni 2011, 34657), daarmee wordt geenszins afbreuk gedaan aan de vaste rechtspraak van de Raad van State X-18.864-8/10 dat dit ‘ontvangen’ regelmatig geschiedt – in het geval dat de bestemmeling niet thuis is – door het achterlaten van een bericht van de aangetekende zending in diens brievenbus en niet door het daadwerkelijk afhalen van het schrijven op het postkantoor. De verzoekende partijen leveren niet het bewijs dat het voormelde bericht niet of op een latere datum in hun brievenbus werd achtergelaten.
- Voor zover de verzoekende partijen in hun laatste memorie stellen dat aan de verplichting bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan, zodat de verjaringstermijn slechts een aanvang neemt vier maanden nadat hen het bestreden besluit ter kennis werd gebracht, worden zij niet bijgevallen. De bedoelde informatie wordt immers meegedeeld in artikel 7 van het bestreden besluit zelf. De verzoekende partijen stellen zelf in hun verzoekschrift, met verwijzing naar artikel 4, § 2, derde lid, van het algemeen procedurereglement, dat “wanneer de kennisgeving geschiedt bij gewone aangetekende brief de eerste dag van de termijn voor het indienen van het verzoekschrift de derde werkdag is die volgt op de verzending van de brief, zijnde dus 19/07/2024”. De – pas in de laatste memorie van de verzoekende partijen aangevoerde – argumentatie dat het verwarrend zou zijn dat de in acht te nemen voorschriften en de termijnen in het bestreden besluit zelf in plaats van in de betekening worden vermeld, overtuigt niet.
- De exceptie is gegrond. BESLISSING
- De zaken A. 243.005/X-18.842 en A. 243.140/X-18.864 worden gevoegd.
- Het verzoek van de nv Aquafin tot tussenkomst in de beide zaken wordt ingewilligd.
- De Raad van State verwerpt de beroepen. X-18.864-9/10
- In de zaak A. 243.005 worden de verzoekende partijen, elk voor de helft, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. In de zaak A. 243.140 wordt de verzoekende partij verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt in de beide zaken verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 300 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertig januari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, Patricia De Somere, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Karin Meerschaut, griffier. De griffier De voorzitter Karin Meerschaut Jan Clement X-18.864-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.626 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div