id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.632 Rolnummer: A. 241169/XII-9551 Zaak: Arrest 265632 - Tucht (openbaar ambt) - 03/02/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-02-09 Raadplegingen: 173 - laatst gezien 2026-06-18 06:28 Fiche Arrest nr 265.632 van 3 februari 2026 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 265.632 van 3 februari 2026 in de zaak A. 241.169/XII-9551 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gregory Mouthuy kantoor houdend te 1082 Brussel Keizer Karellaan 586 bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken woonplaats kiezend bij de Federale politie DGR/Legal/CTX gevestigd te 1000 Brussel Koningsstraat 202A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 9 februari 2024, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de hogere tuchtoverheid van 10 januari 2024, waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van de terugzetting in de weddeschaal wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 259.549 van 19 april 2024 (ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.549) is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. XII-9551-1/13 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Christiaan Lesaffer heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 december
- Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Maxime Lecomte, die loco advocaat Gregory Mouthuy verschijnt voor verzoeker en adviseur Jana Mouton, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Christiaan Lesaffer, daartoe gemachtigd bij beslissing van 24 september 2024 van de auditeur-generaal, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- XII-9551-2/13 III. Feiten
- In het arrest nr. 259.549 van 19 april 2024 (ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.549), waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing is verworpen, worden de feiten als volgt weergegeven: “ 3.
- Verzoeker is inspecteur van politie bij de Federale politie. 3.
- Op 9 maart 2018 verneemt de hogere tuchtoverheid via e-mail dat verzoeker en een collega werden ondervraagd door de Algemene Inspectie van de Federale politie en van de lokale politie en dat zij ‘in de komende uren worden voorgeleid’. Deze e- mail vermeldt dat ‘de feiten verband [zouden] houden met hun functie als […]’. 3.
- Op 19 juli 2018 stelt de hogere tuchtoverheid een voorafgaand onderzoeker aan. 3.
- Na kennisname van het verslag van het voorafgaand onderzoek beslist de hogere tuchtoverheid op 17 augustus 2018 om toepassing te maken van artikel 56, tweede lid, van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet). 3.
- Op 2 juni 2022 verleent het parket bij het hof van beroep te Brussel aan de dienst Toezicht op de Interne Werking en Kwaliteit (hierna: de dienst TIWK) toegang tot het strafdossier lastens verzoeker. 3.
- Op 7 december 2022 stelt de hogere tuchtoverheid het inleidend verslag op met daarin het voornemen om de zware tuchtstraf van de terugzetting in de weddeschaal op te leggen. 3.
- Op 10 maart 2023 vraagt de dienst TIWK aan de procureur des Konings om in toepassing van artikel 24 van de tuchtwet advies te verlenen. Op 23 maart 2023 antwoordt de substituut-procureur des Konings geen bezwaar te hebben tegen het opleggen van ‘een zware tuchtstraf (terugzetting in de weddeschaal)’. 3.
- Op 24 maart 2023 stelt de hogere tuchtoverheid voor de zware tuchtstraf van de terugzetting in de weddeschaal op te leggen. 3.
- Op 7 april 2023 dient verzoeker tegen dat voorstel een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad. 3.
- Op 7 november 2023 adviseert de Tuchtraad in hoofdorde dat de tuchtvordering vervallen is wegens overschrijding van de redelijke termijn. In ondergeschikte orde adviseert de Tuchtraad dat de feiten zoals omschreven in punt 3.
- van het advies bewezen zijn en aan verzoeker dienen te worden toegerekend, maar dat de feiten geen tuchtinbreuk uitmaken in de zin van artikel 3 van de tuchtwet wegens schending van het recht van verdediging en dat het daarom gepast voorkomt geen tuchtstraf op te leggen. 3.
- Op 12 december 2023 formuleert de hogere tuchtoverheid een ‘tweede voorstel tot zware tuchtsanctie’ met het voornemen om af te wijken van het advies van de Tuchtraad. 3.
- Op 10 januari 2024 beslist de hogere tuchtoverheid om aan verzoeker de zware tuchtstraf van de terugzetting in de weddeschaal op te leggen. Dit is de bestreden beslissing.” XII-9551-3/13 IV. Onderzoek van het tweede onderdeel van het tweede middel Standpunt van de partijen
- Verzoeker voert in het tweede onderdeel van het tweede middel onder meer de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel aan. In het verzoekschrift zet verzoeker uiteen dat de feiten niet kunnen worden gekwalificeerd als tuchtvergrijpen. Wat het eerste tuchtvergrijp – de schending van het beroepsgeheim – betreft, licht verzoeker onder meer toe dat de motivering in de bestreden beslissing om het advies van de Tuchtraad desbetreffend niet te volgen, niet kan worden gevolgd. Volgens verzoeker staat geenszins vast dat hij een politionele databank heeft geraadpleegd. Dit kan volgens verzoeker eenvoudig worden geverifieerd op grond van zijn logingegevens, maar de verwerende partij heeft het onderzoek van die gegevens nagelaten. Ten tweede staat volgens verzoeker geenszins vast dat hij vertrouwelijke informatie heeft gecommuniceerd en is de gedeelde informatie veel te vaag om een schending van het beroepsgeheim te kunnen uitmaken. Wat het tweede tuchtvergrijp – de ongeoorloofde contacten – betreft, zet verzoeker uiteen dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat de gunst als dusdanig ongeoorloofd is, maar dat het ongeoorloofd karakter erin bestaat dat de gunst werd verleend aan een informant die reeds als onbetrouwbaar werd bestempeld en nooit enige nuttige informatie heeft bijgebracht. Verzoeker ontkent niet dat hij op aangeven van de informant een zekere A. heeft ontmoet, maar benadrukt dat hij op verzoek van de eerste contactambtenaar handelde en de betrokkene vrijblijvend heeft willen helpen. Voorts wijst verzoeker erop dat het afschrijven van een informant niet betekent dat de samenwerking volledig en abrupt wordt onderbroken, maar dat het gebruikelijk is om de relatie met de informant geleidelijk te laten uitdoven. Intussen blijft de kans bestaan dat de informant nog nuttige informatie aanlevert en ook voor de betrokken informant bleef volgens verzoeker die hoop lang bestaan. De beoordeling door de hogere tuchtoverheid mist volgens verzoeker de nodige realiteitszin en is derhalve onzorgvuldig. XII-9551-4/13 In de memorie van wederantwoord herneemt verzoeker de uiteenzetting uit het verzoekschrift en voegt daaraan toe dat de verwerende partij in de memorie van antwoord hierop niet ingaat, doch enkel de bestreden beslissing parafraseert. Verzoeker heeft geen laatste memorie ingediend.
- De verwerende partij repliceert in de memorie van antwoord dat het eerste aan verzoeker ten laste gelegde tuchtvergrijp bestaat uit “het schenden van het beroepsgeheim door het doorgeven van vertrouwelijke informatie over een persoon aan een derde”. Er wordt verzoeker verweten de politionele databanken te hebben geraadpleegd op vraag van een informant om iemand te checken die aan hem een lening zou hebben gevraagd en waarin deze informant geen vertrouwen had. De verwerende partij wijst erop dat verzoeker verklaarde de informant geen details te hebben verteld, maar wel degelijk informatie naar de informant te hebben teruggekoppeld, namelijk “het niet te doen en zijn handen ervan af te houden”. Voorts wijst de verwerende partij erop dat alle personen die in de tuchtprocedure op vraag van verzoeker bijkomend werden verhoord, hebben verklaard dat er nooit feedback aan de informant wordt gegeven als er iemand wordt gecheckt in de politiedatabanken. Wat de aan verzoeker verweten ongeoorloofde contacten betreft, repliceert de verwerende partij dat de bestreden beslissing hem terecht verwijt dat hij als tweede contactambtenaar geen gunsten te verlenen had aan de betreffende informant. Het feit dat hij hem wel gunsten bewees, maakt een ongeoorloofd contact uit. Zo staat volgens de verwerende partij vast dat verzoeker twee oldtimers op de verkoopwebsite ‘Autoscoot’ had gezet, ten gunste van de informant. Voorts wijst de verwerende partij erop dat – zoals de bestreden beslissing zegt – zelfs een eerste contactambtenaar over een dergelijke handeling een contactrapport had moeten maken, wat niet gebeurde. Welke hoedanigheid van contactambtenaar verzoeker ook zou hebben gehad, hij heeft zich volgens de verwerende partij hoe dan ook schuldig gemaakt aan een ongeoorloofd contact. In de laatste memorie zet de verwerende partij uiteen dat de tuchtoverheid op onaantastbare wijze de bewijswaarde van de haar overgelegde XII-9551-5/13 gegevens beoordeelt om tot een bepaalde overtuiging te komen, wat te dezen ook gebeurde. Gelet op het geheel van feiten en verklaringen die elkaar onderling ondersteunen, ontstond een context die voldoende duidelijk, bewijskrachtig en rechtmatig was om verzoeker de tuchtinbreuken te verwijten en hem hiervoor tuchtrechtelijk te sanctioneren. Volgens de verwerende partij focust het auditoraatsverslag enkel op het niet verifiëren van de gegevensbanken en laat het de andere gegevens waarop de beslissing is geënt en die voldoende bewijskrachtig zijn ten onechte buiten beschouwing. Het auditoraatsverslag moet volgens de verwerende partij worden tegengesproken in de mate dat het aanvoert dat de hogere tuchtoverheid zich voor het bewijs van de tuchtfeiten uitsluitend zou hebben gesteund op de verklaringen van verzoeker in het kader van een strafonderzoek en op de verhoren van collega’s in het kader van het tuchtonderzoek. De bestreden beslissing verwijst immers ook naar de verklaring in het strafdossier van het diensthoofd van verzoeker, die de verwerende partij nader toelicht. De verwerende partij besluit hieruit dat de bestreden beslissing steunt op informatie uit het strafdossier en die afkomstig is van het diensthoofd, verzoeker zelf, de collega “die geld ontving” en met wie verzoeker de contacten met de betreffende informant onderhield, alsook de informant zelf. De verwerende partij ziet dan ook niet in hoe dit niet afdoende is, zonder dat de database AVALON nog moet worden geraadpleegd. Voorts wijst de verwerende partij erop dat de bestreden beslissing vermeldt dat verzoeker zelf toegeeft een persoon te hebben opgezocht om de betrouwbaarheid van die persoon na te gaan. Verzoeker deed die opzoeking louter op vraag van de informant, met betrekking tot het verkrijgen van een lening, en de informant bewijst dat hij dit aan verzoeker heeft gevraagd. Uit dit bewijsstuk blijkt dat de informant niet alleen de naam van de te checken persoon meegaf, maar ook diens paspoortnummer en rijksregisternummer, zijnde gegevens die enkel noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van zoekopdrachten in de politionele databanken. Dit laat volgens de verwerende partij weinig aan de verbeelding over. Indien verzoeker vervolgens aan de informant meedeelt “om er zijn handen van af te houden” geeft hij daarmee volgens de verwerende partij te kennen dat de betrokkene politioneel is gekend en schendt verzoeker het beroepsgeheim. Volgens de verwerende partij valt bezwaarlijk te betwisten dat dergelijke informatie over een bepaalde persoon vertrouwelijke informatie betreft. Wat de wederdienst betreft XII-9551-6/13 die verzoeker aan de informant heeft geboden, door twee oldtimers op een verkoopwebsite te zetten, gaat het auditoraatsverslag volgens de verwerende partij voorbij aan het gegeven dat de materialiteit van deze feiten genoegzaam uit het strafdossier blijkt en door verzoeker niet wordt betwist. De verwerende partij wijst erop dat verzoeker verklaart dat van alle contacten rond deze wagens er geen rapporten zijn gemaakt en dat dit zich situeert na maart 2017, wat overeenkomt met de verklaring van het diensthoofd. Niettegenstaande de informant volgens verzoeker een manipulator en een oplichter is, een gerechtelijk verleden heeft en de dienst nog geen enkel waardevol en succesvol stuk van informatie heeft bezorgd, neemt verzoeker toch nog contact op met de informant en zet hij het project voor de verkoop van de twee voertuigen in de steigers. De verwerende partij ziet niet in hoe het geheel van deze vaststaande feiten en elementen onvoldoende bewijskracht zou bevatten. Beoordeling
- Krachtens het zorgvuldigheidsbeginsel moet elk bestuur zich gedragen zoals een voorzichtig en redelijk handelend bestuur, geplaatst in dezelfde omstandigheden. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Het bestuur is onder meer verplicht om zorgvuldig tewerk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat het met kennis van zaken kan beslissen. Het komt aan verzoeker toe om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van de hogere tuchtoverheid niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoeker van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaat niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. XII-9551-7/13
- Verzoeker voert in wezen aan dat de hem ten laste gelegde feiten niet kunnen worden gekwalificeerd als tuchtvergrijpen en dat de tuchtoverheid onzorgvuldig tewerk is gegaan bij de feitenvinding.
- De tuchtvergrijpen worden als volgt omschreven in de bestreden beslissing: “het schenden van zijn beroepsgeheim door het doorgeven van vertrouwelijke informatie over een persoon aan een derde” (eerste tuchtvergrijp) en “het aangaan van een ongeoorloofd contact met een informant, als tweede contactambtenaar, in casu door het, op vraag van die informant, voor een derde persoon te koop zetten van twee oldtimers op Autoscoot” (tweede tuchtvergrijp). Onder de noemer “[m]aken de feiten een tuchtvergrijp uit” in titel 6 van de bestreden beslissing wordt vermeld: “• Schenden beroepsgeheim U raadpleegde de politionele databanken op vraag van een informant om iemand te checken die aan hem een lening zou hebben gevraagd en waarin deze informant geen vertrouwen had. Hoewel u zelf verklaarde de informant geen details te hebben verteld, verklaarde u wel degelijk informatie naar hem teruggekoppeld te hebben, namelijk ‘het niet te doen en zijn handen ervan af te houden’. Het nagaan door u van een persoon in de databanken op vraag van informant […] gebeurde bijgevolg niet in het raam van het nagaan van de veiligheid van de informant zoals beschreven in de BOM-wet, dan wel omdat de informant wou weten of hij al dan niet zaken kon doen met deze persoon. Alle personen die bijkomend werden verhoord, op uw vraag, hebben verklaard dat er nooit feedback aan de informant wordt gegeven als er iemand wordt gecheckt in de politiedatabanken. Het huidige diensthoofd SIC […] verklaarde hierover het volgende, ik citeer: ‘In het algemeen kunnen zowel de eerste als de tweede CA opzoekingen doen in politiedatabanken om bijvoorbeeld na te gaan of een informant niet geseind staat, om informatie verkregen van een bron te verifiëren, etc. Het doorgeven van dergelijke informatie aan een derde valt voor elke politieambtenaar onder de schending van het beroepsgeheim.’ HINP […] verklaarde: ‘Iedere runner moet de door de bron meegedeelde informatie controleren. We moeten de bron zelf ook regelmatig checken om ons ervan te vergewissen dat er bijvoorbeeld geen onderzoek naar hem loopt of hij geseind staat. Dit wordt nooit aan de bron meegedeeld.( ...)’ Het feit of de handelingen al dan niet gebeurden in het kader van een operationeel dossier of operatie doet niet ter zake. Een informant dient beschermd te worden, maar dit geeft u niet het recht om handelingen te stellen die zelfs strafrechtelijk omschreven kunnen worden als een misdrijf (schending van het beroepsgeheim). U geeft zelf toe een persoon opgezocht te hebben teneinde de betrouwbaarheid van die persoon na te gaan met betrekking tot het verkrijgen van een lening. Het gaat hier derhalve niet om de bescherming van de informant, zoals u beweert. • Te koop zetten van twee oldtimers op Autoscoot XII-9551-8/13 Indien u eerste contactambtenaar was, had u çontactrapporten moeten maken over elk contact, zij het telefonisch, per mail, de visu. Uw toenmalig diensthoofd […] heeft in het strafdossier verklaard dat hij er niet van op de hoogte was dat u voor een derde auto's te koop had gezet op Autoscoot terwijl hij via contactrapporten normaal gezien op de hoogte was van dergelijke contacten. Gelet op het voornoemde ga ik ervan uit dat u tweede contactambtenaar was. Als tweede contactambtenaar had u geen gunst te verlenen aan deze informant en blijft dit het aangaan van een ongeoorloofd contact met de informant. U bent degene die deze auto's op Autoscoot heeft gezet.” Titel 7 “vaststelling en toerekening van de feiten” in de bestreden beslissing vermeldt voorts: “Gelet op de feitelijke elementen in het dossier: • Gelet op het strafdossier: met notitienummer […] (referentie 2.25); • Gelet op het proces-verbaal van de hoorzitting d.d. 13 januari 2023 (referentie 2.31); • Gelet op de bundel met bijkomende verhoren d.d. 20 februari 2023 (referentie 2.38); • Overwegende uw mail d.d. 22 januari 2023 die na onderling overleg met u beschouwd werd als bijkomend schriftelijk verweer (referentie 2.35); • Overwegende uw bijkomend verweer d.d. 22 januari 2023 met referentie […]; • Gelet op uw verklaring in dit strafdossier dat u ooit één keer iemand hebt nagetrokken op vraag van […] en dat u hem hebt geadviseerd, ik citeer: ‘het niet te doen en zijn handen ervan af te houden’; • Gelet op het feit dat u toegeeft in de periode maart-april 2017 op vraag van […] en ene […] twee oldtimers te koop te hebben gezet op Autoscoot; • Gelet op het feit dat u als tweede contactambtenaar geen gunst diende te verlenen aan een informant die reeds als onbetrouwbaar werd bestempeld en die volgens uw eigen verklaring in het strafdossier nooit enige nuttige informatie heeft bijgebracht voor de Federale Politie; • Gelet op het tussenadvies en definitief advies van de Tuchtraad; • Gelet op het feit dat de databank Avalon valt onder artikel 12 van het KB van 6 januari 2011 tot bepaling van de werkingsregels van de nationale en lokale informantenbeheer en van de contactambtenaren; • Overwegende dat is gebleken dat het onmogelijk is om informatie mede te delen uit de databank Avalon; • Overwegende dat het, voor geen enkele van de partijen, mogelijk is om aan te tonen of deze feiten al dan niet kaderden in een operatie, nu deze informatie niet verifieerbaar is gelet op het vertrouwelijk karakter ervan; • Overwegende dat hierdoor het tuchtvergrijp ‘het schenden van zijn beroepsgeheim door het, buiten enige opdracht van politionele aard, opzoeken van een persoon in de nationale politiedatabanken en het doorgeven van vertrouwelijke informatie over deze persoon aan een derde’ werd geherkwalificeerd onder punt 9 van het tweede voorstel van zware tuchtsanctie zoals vermeld in referentie 2.49; • Gelet op mijn beslissing om het advies van de Tuchtraad niet te volgen; gemotiveerd in het tweede voorstel tot zware tuchtsanctie, zoals vermeld in referentie 2.49; • Gelet op uw verweerelementen en mijn antwoorden daarop, zoals opgenomen in punt 5 supra; XII-9551-9/13 meen ik dat de feiten vermeld in punt 3 vaststaan en aan u toegerekend moeten worden.”
- Met verzoeker moet worden vastgesteld dat – wat het eerste tuchtvergrijp betreft – de bestreden beslissing niet aantoont dat hij een politionele databank heeft geraadpleegd. De bestreden beslissing gaat daar zonder meer van uit, doch zet niet uiteen op welke gegevens ze steunt om tot dat standpunt te komen. Uit de door verzoeker afgelegde verklaringen, waarnaar de bestreden beslissing verwijst, blijkt dit niet met zoveel woorden. Verzoeker wordt bijgevallen dat dit nochtans eenvoudig kon worden geverifieerd op grond van zijn logingegevens. Dit gebeurde evenwel niet. Daargelaten of het standpunt van de verwerende partij dat, gelet op het geheel van feiten en verklaringen die elkaar onderling ondersteunen, een context ontstond die voldoende duidelijk, bewijskrachtig en rechtmatig was om verzoeker de tuchtinbreuken te verwijten en hem hiervoor tuchtrechtelijk te sanctioneren, juist is, stelt de Raad van State vast dat van die redenering om te besluiten tot het bestaan en het bewezen zijn van een tuchtinbreuk in concreto geen spoor is terug te vinden in de bestreden beslissing. Voorts blijkt uit de bestreden beslissing niet op grond waarvan de hogere tuchtoverheid besluit dat verzoeker vertrouwelijke informatie over een persoon heeft doorgegeven aan een derde. De bestreden beslissing duidt immers niet waarom de mededeling “het niet te doen en zijn handen ervan af te houden” moet worden beschouwd als informatie die vertrouwelijk is en onder het beroepsgeheim valt. In tegenstelling tot wat de verwerende partij aanvoert, geeft verzoeker met die mededeling niet ipso facto ook te kennen dat de betrokkene politioneel is gekend, zodat ook het verweer dat het aldus vertrouwelijke informatie betreft, niet opgaat. Bijgevolg toont de hogere tuchtoverheid in de bestreden beslissing niet aan dat het eerste tuchtvergrijp steunt op werkelijk bestaande en concrete feiten, die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld.
- Wat het tweede tuchtvergrijp betreft, poneert de bestreden beslissing zonder meer het standpunt dat verzoeker geen gunst had te verlenen en XII-9551-10/13 dat er sprake is van een ongeoorloofd contact, doch zonder dat uit de bestreden beslissing blijkt op welke elementen in het dossier de hogere tuchtoverheid steunt om tot deze conclusie te komen. De bestreden beslissing steunt louter op de materialiteit van de aan het tweede tuchtvergrijp ten grondslag liggende feiten, met name de erkenning door verzoeker dat hij de twee oldtimers op een website te koop had geplaatst, zonder in de kwalificatie van die materiële feiten als een tuchtvergrijp het verweer te betrekken dat verzoeker de betrokkene gewoon een plezier wou doen en vrijblijvend heeft willen helpen, dat die hulp werd geboden minstens met medeweten van de eerste contactambtenaar en dat werken met informanten betekent dat men moet geven en nemen en dat het soms dansen is op een slappe koord. Mede in het licht van dat verweer getuigt de louter stellingname in de bestreden beslissing, dat verzoeker geen gunst had te verlenen en dat er sprake is van een ongeoorloofd contact, niet van de vereiste zorgvuldigheid bij de feitenvinding. In tegenstelling tot wat de verwerende partij aanvoert, volstaat te dezen de materialiteit van de feiten niet om zonder nader onderzoek of toelichting daaraan de kwalificaties te geven, die de bestreden beslissing eraan geeft.
- Het verweer dat alle personen die in de tuchtprocedure op vraag van verzoeker bijkomend werden verhoord, hebben verklaard dat er nooit feedback aan de informant wordt gegeven als er iemand wordt gecheckt in de politiedatabanken, is naast de kwestie. Zoals hiervoor is vastgesteld (zie supra, nr. 9), toont de tuchtoverheid niet aan dat een politionele databank is geraadpleegd.
- Voorts wordt het standpunt van de verwerende partij bijgevallen dat de tuchtoverheid over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt om de bewijswaarde van de haar overgelegde gegevens te beoordelen om tot een bepaalde overtuiging te komen. Dit belet evenwel niet dat dit op een zorgvuldige wijze moet gebeuren en dat de uiteindelijke beslissing – te dezen het bewezen verklaren van de ten laste gelegde feiten en de kwalificatie ervan als tuchtvergrijpen – dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Uit wat voorafgaat, is gebleken dat dit te dezen niet het geval is. XII-9551-11/13
- In de mate dat de verwerende partij nog opwerpt dat de bestreden beslissing ook verwijst naar de verklaring in het strafdossier van het diensthoofd van verzoeker, dat verzoeker zelf toegeeft een persoon te hebben opgezocht om de betrouwbaarheid van die persoon na te gaan, dat dit gebeurde op vraag van de informant met mededeling van het paspoortnummer en rijksregisternummer van de te controleren persoon, wat volgens de verwerende partij weinig aan de verbeelding overlaat, stelt de Raad van State vast dat deze argumenten geen afbreuk doen aan de hiervoor gedane vaststelling dat de hogere tuchtoverheid niet aantoont dat de tuchtvergrijpen steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld.
- Uit wat voorafgaat, volgt dat het tweede onderdeel van het tweede middel in de aangegeven mate gegrond is. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van de hogere tuchtoverheid van 10 januari 2024, waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van de terugzetting in de weddeschaal wordt opgelegd.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 48 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 924 euro, die verschuldigd is aan verzoeker.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. XII-9551-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drie februari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Chantal Bamps XII-9551-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.632 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.549 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div