← België

Arrest 265633 - Niet begeleide minderjarigen - 03/02/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.633 Rolnummer: A. 243874/VII-42752 Zaak: Arrest 265633 - Niet begeleide minderjarigen - 03/02/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-02-05 Raadplegingen: 170 - laatst gezien 2026-06-18 06:28 Fiche Arrest nr 265.633 van 3 februari 2026 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.633 no lien 287503 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 265.633 van 3 februari 2026 in de zaak A. 243.874/VII-42.752 In zake : R.Q. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kati Verstrepen kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Vaalbeek (Oud-Heverlee) Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 30 december 2024, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 31 oktober 2024, waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van VII-42.752-1/23 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 november 2025, om 11 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Katinka Verbeken, die loco advocaat Kati Verstrepen verschijnt voor verzoeker, en advocaat Filip Stouthuysen, die loco advocaat Ine De Cneudt verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur- afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker komt België binnen en hij wordt op 11 maart 2024 als niet-begeleide minderjarige vreemdeling aangemeld door de dienst Vreemdelingenzaken bij de dienst Voogdij. Hij heeft verklaard van Afghaanse nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 28 november
  5. De dienst Vreemdelingenzaken uit twijfel over verzoekers voorgehouden leeftijd. In het Militair Hospitaal Koningin Astrid te Neder-over- Heembeek ondergaat verzoeker op 14 maart 2024 een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker “op datum van 14-03-2024 een leeftijd heeft van zeker ouder dan 18 jaar, waarbij 20,7 jaar met een standaarddeviatie van een 1,3 jaar een goede schatting is.” VII-42.752-2/23 De dienst Vreemdelingenzaken informeert de dienst Voogdij op 21 maart 2024 dat verzoeker een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in Griekenland en er als meerderjarige geregistreerd staat met als geboortedatum 28 november
  6. Verzoeker heeft bij dit verzoek om internationale bescherming zijn elektronische taskara overgelegd aan de Griekse autoriteiten, doch deze laatste hebben op basis van de resultaten van een leeftijdsonderzoek beslist verzoeker te beschouwen als meerderjarig. De dienst Voogdij beslist op 3 april 2024 verzoekers elektronische taskara niet te aanvaarden en zich te baseren op de resultaten van het voormelde medisch onderzoek, zodat verzoeker wordt beschouwd als ouder dan 18 jaar en geen voogd krijgt. 3.
  7. Op 26 september 2024 stelt de dienst Vreemdelingenzaken de dienst Voogdij ervan in kennis dat verzoeker een nieuw verzoek om internationale bescherming heeft ingediend en daarbij een Afghaans paspoort en een geboorteakte overlegde. Verzoeker bezorgt deze originele documenten op 8 oktober 2024 aan de dienst Voogdij. De dienst Voogdij beslist op 31 oktober 2024 verzoekers documenten niet te aanvaarden en zich opnieuw te baseren op de resultaten van het medisch onderzoek. Bijgevolg wordt verzoeker beschouwd als ouder dan 18 jaar en krijgt hij geen voogd. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  8. Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van de artikelen 3 en 8 iuncto artikel 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM), van de artikelen 2 en 7 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.633 VII-42.752-3/23 minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: voogdijwet), van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 ‘tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002’ (hierna: koninklijk besluit van 22 december 2003), van “de motiveringsplicht” zoals vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991), van de zorgvuldigheidsplicht en het evenredigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, van de artikelen 7, 18, 20, 21, 24.2 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, van de artikelen 3 en 12 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: IVRK), van de artikelen 25 en 46 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 ‘betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking)’ (hierna: richtlijn 2013/32), van artikel 4 van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming’ (hierna: richtlijn 2011/95) en van het rechtszekerheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel als algemene rechtsbeginselen van Unierecht. De toelichting bij het enige middel in het verzoekschrift beslaat 30 pagina’s. Hierna wordt de essentie van het middel weergegeven zoals de Raad van State het begrijpt. De partijen vinden de volledige weergave met alle erin opgenomen citaten terug in het verzoekschrift tot nietigverklaring.
  9. Verzoeker voert in een voorafgaande opmerking aan dat het Unierecht te dezen toepassing moet vinden. Hij citeert artikel 25.5 van richtlijn 2013/32 en betoogt dat artikel 7 van de voogdijwet niet de omzetting vormt van artikel 25.5 van richtlijn 2013/32 maar wel richtlijnconform moet worden geïnterpreteerd. Hetzelfde geldt voor artikel 3 van het koninklijk besluit ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.633 VII-42.752-4/23 van 22 december
  10. De door de dienst Voogdij georganiseerde leeftijdstest vormt een toepassing van het voornoemde artikel 25.
  11. De aanstelling van een voogd voor een verzoeker om internationale bescherming die aangeeft minderjarig te zijn, valt aldus onder het Unierecht.
  12. In een eerste middelonderdeel “de bijstand van een voogd en geïnformeerde toestemming” citeert verzoeker artikel 7 van de voogdijwet en artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december
  13. Hij merkt op dat hij een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend en in die hoedanigheid is aangemeld bij de dienst Voogdij. Verzoeker vervolgt dat artikel 25.5 van richtlijn 2013/32 gepaard gaat met een appreciatiebevoegdheid. Op de dienst Voogdij rust volgens hem geen verplichting om een medisch onderzoek te organiseren, doch hij dient zorgvuldig om te gaan met verzoekers verklaringen en documentair bewijs over zijn leeftijd. Artikel 25.1 van richtlijn 2013/32 vereist de onmiddellijke aanstelling en bijstand van een voogd, waarbij pas later een medische leeftijdstest kan worden overwogen in geval van twijfel. Verzoeker verwijst dienaangaande onder meer naar de standpunten van het VN-Comité voor de Rechten van het Kind (hierna: VN- Kinderrechtencomité), van het Fundamentel Rights Agency en de Europese Commissie, van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa en van het Comité van Ministers van de Raad van Europa, alsook naar rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens voegt daar nog aan toe dat deze vereiste samen met de vereisten van bijstand van een raadsman, de mogelijkheid om geïnformeerd in te stemmen met een medisch leeftijdsonderzoek en leeftijdsadequate opvang als noodzakelijke procedurele waarborgen gelden op grond van het vermoeden van minderjarigheid, hetgeen op zijn beurt inherent is aan het recht op eerbiediging van het privéleven van de betrokken niet-begeleide minderjarige vreemdeling die verklaart minderjarig te zijn. VII-42.752-5/23 Te dezen heeft verzoeker geen voogd noch juridische bijstand gekregen voordat de leeftijdstest werd afgenomen. Verzoeker werd niet correct geïnformeerd over de leeftijdstest en de gevolgen ervan, noch over de mogelijkheid deze test te weigeren en de gevolgen daarvan. Er kan niet worden geverifieerd of de in de “fiche niet-begeleide minderjarige” aangegeven informatie klopt. Verzoeker beschikte niet over een voogd of een advocaat zodat hij niet met de nodige procedurele garanties zijn toestemming voor de leeftijdstest kon geven en geen sprake kan zijn van een vrije, geïnformeerde toestemming. Bovendien heeft verzoeker de dienst Voogdij expliciet verzocht om een kopie van de aanmeldingsfiches, doch deze laatste wees daarvoor naar de dienst Vreemdelingenzaken, die verzoekers e-mail van 13 december 2024 niet beantwoordde voor de indiening van het verzoekschrift. Hierin ontwaart verzoeker een schending van “het recht op openbaarheid van bestuur, het recht om inlichtingen te ontvangen en de transparantieplicht als rechtsbeginsel van de Unie en het recht op behoorlijk bestuur zoals omschreven in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten”, alsook van de motiveringsplicht. Niettemin is het algemeen geweten dat wat de dienst Vreemdelingenzaken noteert in de “fiche niet-begeleide minderjarige” zeer summier en schematisch is, zodat dit niet volstaat opdat er sprake is van een geïnformeerde toestemming. De bestreden beslissing heeft zeer verregaande gevolgen voor wat betreft verzoekers geloofwaardigheid in de asielprocedure. Zo wijzigt de leeftijdsbeslissing de chronologie van verzoekers asielrelaas en impliceert ze dat alle documenten betreffende verzoeker of zijn gezin als frauduleus zullen worden beschouwd. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft geoordeeld dat de verklaarde leeftijd een essentieel element van de identiteit van een verzoeker om internationale bescherming uitmaakt en als kernelement voor de beoordeling van diens verzoek in direct verband staat met diens algehele geloofwaardigheid. Hij beoordeelt de geloofwaardigheid van de verklaarde leeftijd niet opnieuw op basis van de verklaringen die een verzoeker aflegt of de documenten die hij overlegt tijdens de asielprocedure. Aan de leeftijdsbeslissing kleeft immers het privilège du préalable en het is aan de verzoeker die beweert minderjarig te zijn om die beslissing aan te vechten met een annulatieberoep bij de Raad van State. In ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.633 VII-42.752-6/23 de praktijk zijn de leeftijdsbeslissingen van de dienst Voogdij volgens verzoeker definitief. Nu de bestreden beslissing definitief oordeelt over verzoekers leeftijd en identiteit en de dienst Voogdij noch de Raad van State een tegensprekelijk ex nunc onderzoek in volle rechtsmacht kan uitvoeren, acht verzoeker het volstrekt onredelijk dat de verwerende partij verzoeker voor het medisch onderzoek niet uitgebreid heeft gehoord om verzoeker de kans te bieden alle nuttige informatie en documenten te verzamelen en over te leggen en om vervolgens de bekomen informatie te kunnen onderzoeken. Een leeftijdstest die wordt afgenomen terwijl verzoeker de gevolgen van dergelijke test niet begrijpt, gebeurt volgens verzoeker niet met respect voor zijn recht op privéleven en zijn hoger belang als kind. Op grond van het voorgaande acht verzoeker ook artikel 8 van het EVRM, verzoekers hoger belang als kind, zoals gewaarborgd door artikel 8 van het EVRM en artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 7 van dat Handvest, artikel 25.5 van richtlijn 2013/32, artikel 12 van het IVRK, het hoorrecht als algemeen rechtsbeginsel van de Europese Unie en het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel geschonden. Over de toepassing van artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie merkt verzoeker op dat deze bepaling ten volle moet gelden ofschoon op basis van de resultaten van de medische leeftijdstest wordt besloten tot de meerderjarigheid van de betrokkene. Een andere interpretatie is volgens verzoeker in strijd met het recht op een effectief rechtsmiddel, zoals gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het enkele feit dat verzoeker heeft verklaard minderjarig te zijn vereist dat de procedurele garanties die voortvloeien uit het hoger belang van het kind toegepast dienen te worden. Dit standpunt wordt bijgetreden door het VN- Kinderrechtencomité en ook het EHRM is van oordeel dat het hoger belang van het kind toepassing moet vinden in de procedure waarbij een medische leeftijdstest die op meerderjarigheid wijst, wordt aangevochten. VII-42.752-7/23
  14. In een tweede middelonderdeel “met betrekking tot het recht op nauwgezet en zorgvuldig onderzoek” herhaalt verzoeker dat hem geen voogd werd toegewezen op het eerst nuttige ogenblik en alleszins niet voor het uitvoeren van de medische test. Aangezien geen psycho-affectief of multidisciplinair onderzoek, noch een onderzoek naar verzoekers maturiteit werd uitgevoerd en verzoeker niet werd gevraagd of hij stukken kon overleggen die zijn verklaringen kunnen ondersteunen, is het uitgesloten dat de verwerende partij een nauwkeurig en tegensprekelijk onderzoek heeft gevoerd naar verzoekers leeftijd en identiteit. Verder zet verzoeker uiteen dat het hoorrecht wordt voorgeschreven door artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat primeert op nationale bepalingen, en dat het Hof van Justitie in een arrest van 22 november 2012 in de zaak C-277/11, M. tegen Ierland verduidelijkt heeft dat het hoorrecht van algemene toepassing is. Het hoorrecht waarborgt dat eenieder in staat wordt gesteld naar behoren en daadwerkelijk zijn standpunt kenbaar te maken in het kader van een administratieve procedure en alvorens een besluit wordt genomen dat zijn belangen aanmerkelijk kan beïnvloeden. Het recht om in elke procedure te worden gehoord maakt integraal deel uit van de rechten van verdediging als fundamenteel beginsel van Unierecht en is niet alleen verankerd in de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie maar ook in artikel 41 van dat Handvest, dat het recht op behoorlijk bestuur waarborgt. Verzoeker is niet in de mogelijkheid geweest om effectief gehoord te worden en de nodige documenten te verzamelen. Verzoeker voert aan dat op grond van artikel 25.5 van richtlijn 2013/32 het minst ingrijpende medisch onderzoek moet worden georganiseerd, volgens het Europees Asielagentschap pas nadat alle andere mogelijkheden om de leeftijd te schatten zijn uitgeput. Het VN- Kinderrechtencomité vereist dat niet enkel met het fysieke voorkomen maar ook met de psychologische maturiteit van de betrokkene rekening wordt gehouden. Ook het EHRM wijst in het arrest van 21 juli 2022 in de zaak 5797/17, D. en C. tegen Italië op het belang van een holistische en multidisciplinaire leeftijdsschatting. Op grond van een richtlijnconforme interpretatie van ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.633 VII-42.752-8/23 artikel 7 van de voogdijwet en artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003, evenals de in artikel 4 van richtlijn 2011/95 voorziene samenwerkingsplicht, de zorgvuldigheidsplicht en het evenredigheidsbeginsel, is ook de verwerende partij hiertoe gehouden. De dienst Voogdij had voor het medisch leeftijdsonderzoek eerst minder intrusieve onderzoeken moeten uitvoeren, temeer omdat verzoeker voorafgaand aan het medisch onderzoek zijn originele taskara overhandigde aan de dienst Vreemdelingenzaken. De dienst Voogdij had dit document, waarover de Centrale Dienst voor de Bestrijding van de Valsheden van de Federale Politie een positief advies verleende, tijdig moeten opvragen bij de dienst Vreemdelingenzaken. Dit gegeven houdt verband met de eerste leeftijdsbeslissing, doch blijft relevant voor de bestreden beslissing vermits deze opnieuw is gestoeld op de resultaten van het medisch onderzoek. Tot slot is de dienst Voogdij op grond van artikel 3 iuncto artikel 13 van het EVRM verplicht verzoekers identiteit en leeftijd aan een nauwgezet en nauwkeurig onderzoek te onderwerpen, wat hij naliet. Ook laat verzoeker gelden dat de beoordeling van de verklaarde leeftijd van een verzoeker om internationale bescherming, inclusief de betwisting hiervan, deel uitmaakt van de beoordeling van het verzoek om internationale bescherming, dit overeenkomstig artikel 4 van richtlijn 2011/95 en artikel 48/6 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen” (hierna: vreemdelingenwet), dat er de omzetting van is. Verzoekers leeftijd en identiteit behoren tot de kernelementen voor de beoordeling van het verzoek om internationale bescherming die in direct verband staan met verzoekers geloofwaardigheid. De samenwerkingsplicht verplicht de dienst Voogdij ertoe gebruik te maken van alle nuttige en beschikbare onderzoeken om verzoekers leeftijd en identiteit vast te stellen. Volgens het zorgvuldigheidsbeginsel moet hij eveneens gebruik maken van alle mogelijke middelen om bij de notoir inaccurate medische leeftijdsinschatting de leeftijd toch zo dicht en accuraat mogelijk te benaderen. De dienst Voogdij had de mogelijkheid om meteen een voogd aan te stellen, om verzoeker uitgebreid te horen en te interviewen over zijn familieleden, om verzoekers maturiteit in te schatten, om verzoekers familieleden te contacteren, ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.633 VII-42.752-9/23 om een psycho-affectieve test uit te voeren, om verzoeker een redelijke termijn te gunnen waarbinnen hij alle beschikbare leeftijdsindicaties kon verzamelen en om geen medische leeftijdstest te organiseren, doch maakte geen gebruik van deze mogelijkheden. Hij gaf, zonder enige motivering, de voorkeur aan de resultaten van het medisch onderzoek boven verzoekers documenten. Op zijn minst is aanvullend onderzoek nodig en had de dienst Voogdij het medisch leeftijdsonderzoek pas in laatste instantie mogen uitvoeren. Verder vereist artikel 46.3 van richtlijn 2013/32 dat het rechtsmiddel tegen de beoordeling van materiële feiten in de zin van artikel 4 van richtlijn 2011/95 een ex nunc-onderzoek inhoudt van de feitelijke en juridische gronden, hetgeen verzoeker bevestigd ziet in een aantal arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Tot slot is verzoeker van oordeel dat het hem onmogelijk wordt gemaakt zijn leeftijd te bewijzen en hekelt hij dat geen nauwgezet en gedegen onderzoek plaatsvond op basis van zijn verklaringen, documenten en andere stukken die de geloofwaardigheid van zijn verklaringen kunnen bekrachtigen. Niettegenstaande de met elkaar overeenstemmende bewijzen die verzoeker voorlegde, baseert de dienst Voogdij zich enkel en alleen op de resultaten van het medisch leeftijdsonderzoek. Nochtans wijst geen enkele wettelijke bepaling het medisch leeftijdsonderzoek aan als doorslaggevend element. Het is slechts een element dat te goeder trouw en zorgvuldig moet worden afgewogen tegenover de andere elementen, zoals verzoekers verklaringen en overgelegde stukken ter ondersteuning van die verklaringen. De bewijswaarde van verzoekers originele paspoort dat door de Centrale Dienst voor de Bestrijding van de Valsheden van de Federale Politie als waarachtig werd beschouwd, van zijn originele taskara waarover de Centrale Dienst voor de Bestrijding van de Valsheden van de Federale Politie een positief advies verleende en van zijn originele geboorteakte waarover het advies dat werd ingewonnen bij de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken neutraal was, omdat België het talibanbestuur in Afghanistan niet erkent, kan niet aan de kant worden geschoven zonder daardoor artikel 4 iuncto artikel 47 en artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.633 VII-42.752-10/23 artikel 25.5 van richtlijn 2013/32 te schenden. Dat verzoekers geboorteakte niet is gelegaliseerd doet overigens geen afbreuk aan de bewijskracht van die akte.
  15. In een derde middelonderdeel “met betrekking [tot] de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van de test en het voordeel van de twijfel” acht verzoeker de medische leeftijdstest “op zich onnauwkeurig en weinig precies”, hetgeen hij omstandig toelicht. Hij benadrukt het belang van het voordeel van de twijfel, waarbij ook rekening moet worden gehouden met de psychologische maturiteit van de betrokkene en waarbij de laagst mogelijke leeftijd in aanmerking moet worden genomen. Vervolgens betwist verzoeker de interpretatie van de resultaten van zijn leeftijdstest. Dat overeenkomstig artikel 7, § 3, van de voogdijwet rekening moet worden gehouden met “de jongste leeftijd” wil zeggen dat de betrokkene als minderjarig moet worden beschouwd indien één van de drie testen een “relevante” leeftijd oplevert die onder de meerderjarigheidsgrens ligt. Verzoeker merkt op dat de “standaarddeviatie” aan beide zijden van de geschatte leeftijd 34,1 % bedraagt, waarna er met die resultaten nog eens 16 % ouder of jonger dan de standaarddeviatie zijn. Zelfs met een dubbele standaarddeviatie van 13,6 % aan beide zijden, vallen 2,2 % van de personen er aan weerszijden buiten. De jongste leeftijd bevindt zich extreem links op de leeftijdscurve, zodat de standaarddeviatie zou moeten worden vermenigvuldigd met drie. Op basis van de radiografie van verzoekers sleutelbeenderen blijkt een ossificatie stadium 3, wat volgens het medisch verslag van 15 maart 2024 overeenstemt met een gemiddelde leeftijd van rond de 20 jaar met een standaarddeviatie van ongeveer 2 jaar. Uit de literatuur blijkt nochtans dat voor mannen stadium 3 al begint op de leeftijd van 16,7 jaar zodat de test hoogst approximatief is. Volgens het medisch verslag resulteert het orthopantomogram in een leeftijd van 20,68 jaar met een standaarddeviatie van 1,34 jaar. De arts bepaalt dat de 2 aanwezige wijsheidstanden zich in ontwikkelingsstadium 10 bevinden, doch duidt niet wat de impact is van de afwezigheid van de 2 andere wijsheidstanden. Waar de arts te dezen een standaarddeviatie hanteert, wijst verzoeker erop dat andere deskundigen in andere leeftijdsdossiers een predictie interval bepalen. Hij begrijpt niet dat de arts “met ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.633 VII-42.752-11/23 een grote wetenschappelijke zekerheid” tot een conclusie kan komen terwijl voor dezelfde test verschillende interpretatiemethoden worden gehanteerd door verschillende deskundigen. Ook verwijst verzoeker naar een wetenschappelijk artikel dat stelt dat de kans 96,3 % bedraagt dat een mannelijk subject ouder is dan 18 jaar indien alle wijsheidstanden zich in ontwikkelingsstadium 10 bevinden, waardoor minderjarigheid dus niet is uitgesloten. Tot slot wijst verzoeker op de contradictie dat de arts verzoekers skeletale leeftijd “met een grote zekerheid” op ten minste 19 jaar “schat”. Andere deskundigen bepalen de leeftijd op basis van een dergelijk resultaat evenwel op 18 jaar. Uit de literatuur blijkt bovendien dat een individu met een volgroeid handpolsgewricht een kans heeft van 61 % of volgens een conservatievere schatting 22 % om minderjarig te zijn. De methode van Greulich en Pyle is overigens enkel gericht op de skeletleeftijd en niet op de effectieve leeftijd. In de mate dat het resultaat van het medisch onderzoek afhangt van de deskundige die het uitvoert, gaat dit in tegen het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel als beginselen van het Unierecht, aldus verzoeker. Het is volgens verzoeker voldoende aangetoond dat het medisch leeftijdsonderzoek te dezen gebreken vertoont en dat het moeilijk te achterhalen is of zijn verklaarde leeftijd volledig werd uitgesloten door het resultaat van het medisch onderzoek. Beoordeling Algemeen
  16. In de mate dat verzoeker verwijst naar richtlijn 2013/32, dient in de eerste plaats te worden opgemerkt dat deze in haar artikel 1 uitdrukkelijk “de vaststelling van gemeenschappelijke procedures voor de toekenning of intrekking van internationale bescherming” beoogt. Zoals verzoeker terecht opmerkt, vormt de voogdijwet niet de omzetting van deze richtlijn. De voogdijwet dateert van vóór de richtlijn en maakt geen onderscheid naargelang de betrokkenen “de erkenning VII-42.752-12/23 van de hoedanigheid van vluchteling hebben gevraagd” dan wel “niet voldoen aan de voorwaarden inzake toegang tot en verblijf op het grondgebied vastgesteld in de wetten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen”. Het in de voogdijwet voorziene leeftijdsonderzoek heeft enkel tot doel in geval van twijfel na te gaan of de betrokkenen al dan niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt en hen dus al dan niet een voogd moet worden toegekend. Het gaat niet om een beoordeling in het licht van een verzoek om internationale bescherming. De thans bestreden beslissing is overigens niet genomen door een asielinstantie maar door de dienst Voogdij van de Federale Overheidsdienst Justitie. Evenmin kan verzoeker zich dienstig beroepen op artikel 46 van richtlijn 2013/32 nu de bestreden beslissing, die er als leeftijdsschatting slechts toe strekt na te gaan of een verzoeker al dan niet in aanmerking komt voor de bescherming die is voorzien voor een niet-begeleide minderjarige vreemdeling, niet valt onder de toepassing van die richtlijnbepaling. Bovendien voorziet noch artikel 25.5 van deze richtlijn, noch enige andere bepaling de vereiste van een rechtsmiddel met een ex nunc beoordeling tegen een beslissing zoals de thans bestreden beslissing.
  17. Artikel 4 van richtlijn 2011/95 heeft betrekking op de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming. De bestreden beslissing, die louter een leeftijdsschatting inhoudt en niet is genomen door een asielinstantie, valt daar niet onder. Artikel 48/6 van de vreemdelingenwet heeft uitsluitend betrekking op de door “een verzoeker om internationale bescherming” bij te brengen “elementen ter staving van zijn verzoek” en dit bij de “met het onderzoek van het verzoek belaste instanties”. De bestreden beslissing is niet genomen door dergelijke instantie en houdt ook geen verband met het voorgaande doch betreft slechts een voorafgaande schatting of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en aldus al dan niet in aanmerking komt voor de bescherming die is voorzien voor een niet-begeleide minderjarige vreemdeling. VII-42.752-13/23 Indien de bestreden beslissing ertoe zou leiden dat in een beslissing omtrent het verzoek om internationale bescherming verzoekers verklaarde leeftijd niet wordt aanvaard en dit zou worden beschouwd als een tegenindicatie voor de algemene geloofwaardigheid van het asielrelaas, kan verzoeker daartegen overigens alsnog de rechtsmiddelen uitputten waarover hij beschikt, met de mogelijkheid van een beroep met hervormingsbevoegdheid bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en van een cassatieberoep bij de Raad van State tegen de arresten van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Verzoekers omstandige kritiek die betrekking heeft op de beoordeling van de voorgehouden leeftijd in het licht van een verzoek om internationale bescherming, is dan ook niet dienstig, net omdat de bestreden beslissing geen uitstaans heeft met de behandeling van een verzoek om internationale bescherming.
  18. Waar verzoeker zich in de voorafgaande opmerking en doorheen de uiteenzetting van de verschillende middelonderdelen baseert op de voormelde bepalingen en richtlijnen en de schending ervan opwerpt, kan niet tot de gegrondheid van het enige middel worden besloten. Eerste onderdeel van het enige middel
  19. Het eerste middelonderdeel is voornamelijk gericht tegen het medisch onderzoek zelf, meer specifiek de procedure die hieraan voorafging, met name het gebrek aan vrije en geïnformeerde toestemming voor het medisch onderzoek, waaraan verzoeker een schending van artikel 8 van het EVRM en van artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie koppelt. Deze kritiek kan thans echter niet meer op dienstige wijze worden aangevoerd, omdat ze betrekking heeft op de procedure die heeft geleid tot de eerste leeftijdsbeslissing van 3 april 2024, waarbij op het medisch onderzoek van 14 maart 2024 wordt gesteund. Verzoeker heeft de beslissing van 3 april 2024 niet met een annulatieberoep aangevochten, zodat ze definitief is geworden. Verzoeker kan zijn kritiek bijgevolg niet meer richten tegen de thans bestreden beslissing. VII-42.752-14/23 In de mate dat verzoekers kritiek betrekking heeft op de gevolgen van de bestreden beslissing voor de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming, wordt verwezen naar hetgeen daaromtrent supra is gesteld.
  20. Daargelaten de vraag naar de rechtstreekse werking van artikel 12 van het IVRK in het Belgische recht, blijkt uit het medisch onderzoek en de bestreden beslissing dat verzoeker meer dan 18 jaar oud is. Zoals blijkt uit de beoordeling van het tweede en derde middelonderdeel infra, toont verzoeker de onwettigheid van deze vaststelling niet aan, zodat hij zich niet kan beroepen op die verdragsbepaling. Dit laatste geldt eveneens voor artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Dat het VN-Kinderrechtencomité hierover een ander standpunt zou hebben ingenomen, doet geen afbreuk aan het voorgaande.
  21. Waar verzoeker een schending opwerpt van “het recht op openbaarheid van bestuur, het recht om inlichtingen te ontvangen en de transparantieplicht als rechtsbeginsel van de Unie en het recht op behoorlijk bestuur zoals omschreven in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten”, alsook van de motiveringsplicht, omdat hij de “fiche niet-begeleide minderjarige” niet mocht ontvangen van de dienst Voogdij of de dienst Vreemdelingenzaken, dient te worden opgemerkt dat te dezen geen beslissing voorligt waarbij een verzoek om openbaarheid wordt geweigerd. Verzoeker verzocht de dienst Vreemdelingenzaken met name op 13 december 2024 om een afschrift van het administratief dossier, doch ontving hierop geen antwoord voor de indiening van het verzoekschrift op 30 december
  22. Verder toont verzoeker niet aan hierdoor benadeeld te zijn vermits de voormelde fiche zich in het administratief dossier bevindt. Bovendien bewijst een eventuele miskenning van de verplichting om gevolg te geven aan een verzoek om openbaarheid niet dat de bestreden beslissing onwettig is. Te dezen doet het gebrek aan openbaarheid waarover verzoeker zich in het middel beklaagt niet blijken dat de bestreden beslissing onwettig is en kan dat beweerde gebrek aan openbaarheid niet leiden tot de nietigverklaring ervan. VII-42.752-15/23
  23. Het eerste onderdeel van het enige middel is ongegrond. Tweede onderdeel van het enige middel
  24. In de mate dat verzoeker zijn kritiek richt tegen het medisch onderzoek, wordt verwezen naar de beoordeling van het eerste middelonderdeel supra.
  25. Waar verzoeker zijn recht van verdediging geschonden acht doordat hij niet mondeling werd gehoord, dient te worden opgemerkt dat dit enkel toepassing vindt in straf- en tuchtzaken. De hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur houdt in dat het bestuur, bij afwezigheid van een formele regeling ter zake, niemand een voordeel kan weigeren dat zijn belangen aanmerkelijk kan beïnvloeden, noch hem dergelijk voordeel kan ontnemen noch hem een sanctie met een voldoende ernstig karakter kan opleggen zonder dat de betrokkene vooraf de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt op nuttige wijze te doen kennen. Te dezen blijkt uit de “fiche niet-begeleide minderjarige” van 11 maart 2024, die zich in het administratief dossier bevindt, dat verzoeker op de hoogte werd gebracht van de twijfel die de dienst Vreemdelingenzaken, in overleg met de dienst Voogdij, uitte over zijn leeftijd omwille van zijn fysieke verschijning, de “leeftijden van de ouders en broertje van 2011” en de verblijfsaanvraag en het verzoek om internationale bescherming die verzoeker in Griekenland indiende, doch niet weerlegt. Uit diezelfde fiche blijkt verder dat verzoeker documenten heeft ontvangen met informatie over het verloop van de leeftijdstest en dat verzoeker zich niet verzette tegen de uitvoering van de leeftijdstest. Verzoeker werd dus terdege geïnformeerd over het leeftijdsonderzoek en de gevolgen ervan. Het leeftijdsonderzoek zelf heeft bovendien niet kunnen plaatsvinden zonder verzoekers medewerking. De hoorplicht houdt als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet in dat de verwerende partij verzoeker eerst op de hoogte zou moeten brengen van de uitslag van het medisch onderzoek alvorens een leeftijdsbeslissing te nemen. VII-42.752-16/23 Ten slotte toont de “fiche niet-begeleide minderjarige” aan dat verzoeker onder meer is bevraagd over zijn medische toestand, zijn familiale situatie, zijn reistraject en identiteitsdocumenten. Verzoeker blijkt ook effectief een originele taskara te hebben overgemaakt. De eerste leeftijdsbeslissing van 3 april 2024, die bij gebreke aan een (tijdig) ingesteld annulatieberoep definitief is geworden, vermeldt tevens de mogelijkheid om andere identiteitsdocumenten die verzoekers leeftijd kunnen bewijzen over te maken aan de dienst Voogdij. Het administratief dossier toont aan dat verzoeker van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt. Nadat hij zich, in het bezit van een origineel Afghaans paspoort en een originele geboorteakte, op 26 september 2024 opnieuw had aangemeld bij de dienst Vreemdelingenzaken om een nieuw verzoek om internationale bescherming in te dienen, bezorgde verzoeker deze documenten op 8 oktober 2024 aan de dienst Voogdij. Ook de bestreden beslissing vermeldt de mogelijkheid om andere identiteitsdocumenten over te leggen aan de dienst Voogdij. Anders dan verzoeker het ziet, blijkt hij aldus wel de mogelijkheid te hebben gehad om documenten te verzamelen en te bezorgen aan de dienst Voogdij, die blijkens de bestreden beslissing rekening heeft gehouden met deze documenten. Daarenboven toont verzoeker niet aan met welke elementen de dienst Voogdij geen rekening zou hebben gehouden die een invloed zouden kunnen hebben op de bestreden beslissing.
  26. Naar luid van artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar. Artikel 7, § 2 van die wet bepaalt dat, indien uit het medisch onderzoek blijkt dat de betrokkene jonger is dan 18 jaar en mits voldaan is aan enkele voorwaarden, een voogd wordt aangewezen. Indien uit het medisch onderzoek blijkt dat de persoon in kwestie de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, dan vervalt de plaatsing onder de hoede van de dienst Voogdij van rechtswege. Nu de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel heeft ingesteld wanneer twijfel over de leeftijd van de betrokkene bestaat, blijkt geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel of de materiëlemotiveringsplicht uit het feit dat de dienst Voogdij zich bij het nemen van ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.633 VII-42.752-17/23 de bestreden beslissing heeft gebaseerd op de resultaten van dergelijk leeftijdsonderzoek. Dat in dergelijke gevallen uitdrukkelijk een leeftijdsonderzoek wordt voorzien, houdt niet in dat de bestreden beslissing op zich het evenredigheidsbeginsel zou schenden. Voor zover verzoekers grief in wezen kritiek op de wet vormt, is ze niet ontvankelijk. In de mate dat verzoeker aanvoert dat het hem onmogelijk wordt gemaakt zijn leeftijd te bewijzen en geen nauwgezet onderzoek werd gevoerd naar zijn verklaringen en documenten, die door de dienst Voogdij aan de kant worden geschoven, gaat hij voorbij aan de motieven van de bestreden beslissing. Daaruit blijkt namelijk dat verzoeker op 8 oktober 2024, nadat de dienst Voogdij op 3 april 2024 reeds had beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat hij geen voogd zal krijgen, een Afghaans paspoort en een geboorteakte heeft overgemaakt aan de dienst Voogdij. De dienst Voogdij stelt in de eerste plaats vast dat deze documenten niet zijn gelegaliseerd. Omtrent verzoekers geboorteakte wijst hij er verder op, na het advies van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken te hebben ingewonnen, dat België het regime van de taliban niet erkent, waardoor documenten onder hun bestuur evenmin worden erkend. Om dezelfde reden was het ingewonnen advies neutraal. Daarnaast beschouwt de dienst Voogdij verzoekers paspoort als een waarachtig document gelet op het advies van de Centrale Dienst voor de Bestrijding van de Valsheden van de Federale Politie. In de bestreden beslissing motiveert de dienst Voogdij tevens dat hij documenten aanvaardt wanneer het verschil tussen de resultaten van het medisch onderzoek en de leeftijd zoals die blijkt uit de documenten redelijk en dus niet te groot is. Hij oordeelt te dezen dat een verschil 4,1 jaar tussen verzoekers jongste leeftijd die blijkt uit het medisch onderzoek en zijn verklaarde leeftijd die blijkt uit de overgelegde documenten te groot is, waardoor verzoekers documenten niet worden aanvaard. In de leeftijdsbeslissing van 3 april 2024, die overigens niet werd aangevochten met een vernietigingsberoep, werd door de dienst Voogdij reeds beslist om verzoekers elektronische taskara niet te aanvaarden gelet op datzelfde te groot bevonden verschil. Bovendien verwijst de dienst Voogdij in de bestreden ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.633 VII-42.752-18/23 beslissing naar artikel 28 van de wet van 16 juli 2004 ‘houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht’ (hierna: WIPR) dat handelt over de bewijskracht van buitenlandse authentieke akten en meer specifiek naar artikel 28, § 2, van het WIPR, naar luid waarvan het tegenbewijs van de door de buitenlandse overheid vastgestelde feiten mag worden aangebracht met alle middelen. Het resultaat van een medische leeftijdsschatting vormt dergelijk (tegen)bewijsmiddel. Wat de beoordeling van de bewijswaarde van de hem voorgelegde stukken betreft, beschikt de dienst Voogdij namelijk over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid en is hij er niet toe gehouden verzoekers verklaringen en documenten te laten primeren op de resultaten van het medisch onderzoek. In de mate dat verzoeker meent dat het resultaat van een medisch onderzoek niet kan primeren op zijn authentieke documenten, gelet op de geringe betrouwbaarheid van medische leeftijdstesten, beperkt hij zich tot algemene kritiek, zonder dat te dezen blijkt dat het uitgevoerde onderzoek op ondeskundige wijze is verlopen of dat het resultaat van de leeftijdsanalyse onbetrouwbaar zou zijn. A fortiori, zoals hoger reeds werd opgemerkt, blijkt de eerste leeftijdsbeslissing, waarbij op het medisch onderzoek van 14 maart 2024 wordt gesteund, bij gebreke aan een door verzoeker ingesteld annulatieberoep definitief te zijn geworden. De dienst Voogdij heeft bij het nemen van de bestreden beslissing wel degelijk rekening gehouden met verzoekers documenten en gemotiveerd waarom hij deze niet aanvaardt.
  27. Naar luid van artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 “[gaat] de dienst Voogdij […] over tot de identificatie van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling en controleert zijn verklaringen betreffende zijn naam, nationaliteit en leeftijd inzonderheid door middel van zijn officiële documenten of van de inlichtingen verstrekt door de consulaire of diplomatieke posten van het land van herkomst of van doorvoer, of van elke andere inlichting […]”. Deze bepaling verzet er zich niet tegen dat in geval van twijfel aan verzoekers verklaringen wordt overgegaan tot een leeftijdsonderzoek dat, zoals hoger reeds is aangehaald, door de wet zelf is ingesteld. VII-42.752-19/23 Artikel 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 voorziet weliswaar de mogelijkheid van psycho-affectieve tests, doch er is geenszins sprake van een verplichting bij het uitvoeren van een medisch onderzoek. Noch deze laatste bepaling, noch het zorgvuldigheidsbeginsel is derhalve geschonden door het niet uitvoeren van psycho-affectieve tests nu de uitslag van het uitgevoerd medisch onderzoek duidelijk is.
  28. Verzoeker laat gelden dat de dienst Voogdij op grond van artikel 3 iuncto artikel 13 van het EVRM verplicht is “een nauwgezet en nauwkeurig onderzoek” te voeren naar zijn identiteit en leeftijd. Wat dat betreft, kan worden verwezen naar het definitieve karakter van de leeftijdsbeslissing van 3 april 2024, evenals naar de beoordeling van het derde middelonderdeel infra, waaruit blijkt dat verzoeker er niet in slaagt om aan te tonen dat de dienst Voogdij ten onrechte heeft beslist om verzoeker als ouder dan 18 jaar te beschouwen. Verzoeker licht niet anders toe op welke wijze het door artikel 3 van het EVRM opgelegde verbod van folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen zou zijn geschonden met de bestreden beslissing, die enkel een leeftijdsschatting inhoudt.
  29. Het tweede onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. Derde onderdeel van het enige middel
  30. Verzoeker uit eerst algemene kritiek op het gebruik van medisch onderzoek voor leeftijdsschatting en gaat vervolgens in op de interpretatie door de arts van de concrete resultaten van zijn medische leeftijdstest. Deze kritiek heeft uitsluitend betrekking op de eerste leeftijdsbeslissing van 3 april 2024, die verzoeker niet met een annulatieberoep heeft aangevochten zodat ze definitief is geworden. Verzoeker kan zijn kritiek niet meer richten tegen de thans bestreden beslissing.
  31. Het derde onderdeel van het enige middel is niet ontvankelijk. VII-42.752-20/23 De overige in het opschrift van het middel aangehaalde bepalingen en beginselen
  32. Verzoeker zet niet anders dan met de voorgaande en ongegrond bevonden kritiek uiteen op welke wijze de overige in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen zouden zijn geschonden met de bestreden beslissing. Wat de opgeworpen schending van de formelemotiveringsplicht, zoals vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreft, dient te worden opgemerkt dat verzoeker geen belang heeft bij het opwerpen van deze schending, minstens blijkt de doelstelling van die plicht te zijn bereikt. De dienst Voogdij heeft blijkens de bestreden beslissing rekening gehouden met het door verzoeker neergelegde paspoort en zijn geboorteakte, doch beslist om deze documenten niet te aanvaarden en geeft hiervoor de reden weer. Verzoeker verduidelijkt niet waarom deze motivering hem niet in staat zou stellen te begrijpen waarom de dienst Voogdij het resultaat van het medisch onderzoek laat primeren op zijn verklaringen en documenten. V. Kosten – rechtsplegingsvergoeding
  33. Zoals verzoeker terecht opmerkt, vallen de kosten van het “medisch onderzoek” overeenkomstig artikel 7, § 1, derde lid, van de voogdijwet ten laste van de overheid die het heeft gevraagd, te dezen de dienst Vreemdelingenzaken. De kosten van de huidige procedure, waaronder de rechtsplegingsvergoeding, vormen echter geen kosten van het medisch onderzoek maar van het jurisdictionele beroep tegen de desbetreffende leeftijdsbeslissing. Naar luid van artikel 30/1, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan een rechtsplegingsvergoeding worden toegekend die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van “de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.633 VII-42.752-21/23 in het gelijk gestelde partij”. Op grond van artikel 30/1, § 2, tweede lid van die gecoördineerde wetten wordt de rechtsplegingsvergoeding ten laste van de in het ongelijk gestelde partij die juridische tweedelijnsbijstand geniet, zoals te dezen verzoeker, beperkt tot het minimumbedrag, zoals overigens gevraagd door de verwerende partij. Verzoeker verwijst naar artikel 20 van richtlijn 2013/32 doch deze bepaling heeft betrekking op de behandeling van verzoeken om internationale bescherming en beroepsprocedures tegen beslissingen dienaangaande. Het beroep tot nietigverklaring van de thans bestreden beslissing valt daar hoe dan ook niet onder. BESLISSING
  34. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring.
  35. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-42.752-22/23 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drie februari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.752-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.633 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.