← België

Arrest 265635 - Ziekenhuizen - 03/02/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.635 Rolnummer: A. 241141/XII-9706 Zaak: Arrest 265635 - Ziekenhuizen - 03/02/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-02-06 Raadplegingen: 172 - laatst gezien 2026-06-18 06:28 Fiche Arrest nr 265.635 van 3 februari 2026 Sociale zaken en volksgezondheid - Ziekenhuizen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.635 no lien 287505 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 265.635 van 3 februari 2026 in de zaak A. 241.141/XII-9706 In zake : de VZW ONZE-LIEVE-VROUWZIEKENHUIS, thans de VZW AZORG bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Sabbe, Diego Fornaciari en Hendrik Lemmens kantoor houdend te 1040 Brussel Sint-Michielslaan 47 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING (RIZIV) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joyce Verdickt kantoor houdend te 1502 Lembeek Dokter Spitaelslaan 122 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 6 februari 2024, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van verwerende partij van 7 december 2023 […] waarbij de kandidatuur van het Onze-Lieve-Vrouwziekenhuis Aalst tot erkenning als Pediatrisch Multidisciplinair Obesitascentrum niet wordt weerhouden.”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Ines Martens heeft een verslag opgesteld. XII-9706-1/51 De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 november 2025. Kamervoorzitter Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Baaike Van de Wygaert, die loco advocaten Stijn Sabbe, Diego Fornaciari en Hendrik Lemmens verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Joyce Verdickt, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Artikel 22, 6° en 6°bis, van de wet ‘betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen’, gecoördineerd op 14 juli 1994 (hierna: gecoördineerde wet van 14 juli 1994) bepaalt: “Het Verzekeringscomité: […] 6° sluit, op voorstel van het College van artsen-directeurs of van de betrokken overeenkomsten- en akkoordencommissies de in artikel 23, § 3, bedoelde overeenkomsten af. Wanneer het College van artsen-directeurs een nieuwe overeenkomst wenst uit te werken of een bestaande overeenkomst wenst te herzien, informeert het College het Verzekeringscomité hierover en legt het College aan het Verzekeringscomité een lijst voor van de experten die het wenst te betrekken in het overleg over deze overeenkomst. Het Verzekeringscomité kan de lijst wijzigen door andere of bijkomende experten aan te wijzen; 6°bis sluit, op voorstel van de betrokken overeenkomsten- en akkoordencommissie, met de verplegingsinrichtingen of de andere ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.635 XII-9706-2/51 zorgverleners overeenkomsten betreffende de verstrekkingen bedoeld in artikel 34. Deze overeenkomsten leggen de vergoeding en de kwantitatieve en de kwalitatieve uitvoeringsvoorwaarden vast met betrekking tot de toepassing van de bestaande of nog in te voeren innoverende en nieuwe technieken en met betrekking tot complexe, multidisciplinaire en/of dure verstrekkingen, op voorwaarde dat geen afbreuk wordt gedaan aan de erkennings- en programmatienormen. De ontwerpen van overeenkomsten worden eveneens meegedeeld aan de in artikel 17, tweede lid, 6° bedoelde begrotings- en financieel adviseur.” Artikel 23, § 3, eerste lid, van dezelfde wet, zoals van toepassing ten tijde van de vergadering van het Verzekeringscomité van 27 november 2023, bepaalt: “Het College van artsen-directeurs of de betrokken overeenkomsten- en akkoordencommissies, maken met de revalidatie- en herscholingsinrichtingen alsmede met de centra die gecoördineerde multidisciplinaire zorgprogramma’s verlenen, de geïntegreerde diensten voor thuisverzorging, erkend overeenkomstig de normen vastgesteld op basis van artikel 170, § 1, eerste lid, van de wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008, en de huisartsenkringen, erkend overeenkomstig de normen vastgesteld op basis van artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 78 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, ontwerpen van met hen te sluiten overeenkomsten op en leggen ze daartoe voor aan het Verzekeringscomité. De ontwerpen van de revalidatie-overeenkomsten, de ontwerpen van de overeenkomsten met de gecoördineerde multidisciplinaire zorgcentra, de ontwerpen van de overeenkomsten met de geïntegreerde diensten voor thuisverzorging en de huisartsenkringen worden eveneens meegedeeld aan de Commissie voor Begrotingscontrole. De Commissie deelt aan het Verzekeringscomité haar advies mee.” 3.2. In zijn vergadering van 14 maart 2022 neemt het Verzekeringscomité van het RIZIV kennis van de projectfiche voor het project “Zorgtraject voor kinderen met obesitas” en geeft het zijn goedkeuring, enerzijds voor de voorgestelde werkwijze om de werkgroep en de stuurgroep samen te stellen, en anderzijds over de werkwijze van de werkgroep en van een overkoepelende stuurgroep, inclusief het beslissingsproces. Op 11 september 2023 wordt aan de Nationale Commissie Artsen-Ziekenfondsen het voorstel voorgelegd om 25 Pediatrische Multidisciplinaire Obesitas Centra (hierna: PMOC) op te richten waarin de expertise gebundeld wordt voor een multidisciplinaire aanpak van obesitas bij kinderen. Bij dit voorstel is een ontwerp van een overeenkomst ‘Obesitas bij ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.635 XII-9706-3/51 kinderen’ gevoegd, die zal worden afgesloten met de PMOC. De PMOC vormen het tweede niveau binnen een resultaatgericht stepped-caremodel in de drie zorgniveaus. Artikel 7, § 1, van deze ontwerpovereenkomst luidt: “§1. Aantal PMOC Het aantal PMOC wordt beperkt in functie van het beschikbaar budget tot maximaal 25 PMOC. Elk centrum mag zich kandidaat stellen. De procedure en modaliteiten van kandidaatstelling worden bekend gemaakt via de website van het RIZIV. Indien er meer ontvankelijke kandidaturen zijn dan beschikbare plaatsen, zal de tweede contractant een selectie maken gebaseerd op volgende criteria: • De geografische verspreiding van de provincies waar de PMOC zich bevinden, gewogen voor het aantal inwoners, vanaf de 2de verjaardag tot de 18de verjaardag, per provincie. • Aantal rechthebbenden in permanente opvolging bij het PMOC op het moment van indienen van de aanvraag.” Op 25 september 2023 keurt het Verzekeringscomité van het RIZIV deze ontwerpovereenkomst ‘Obesitas bij kinderen’ goed. 3.3. Op 29 september 2023 maakt het RIZIV een oproep tot kandidaatstelling als PMOC bekend op haar website: “De overeenkomst ‘obesitas bij kinderen’ werd goedgekeurd op het Verzekeringscomité van 25/09/2023 en voorziet een vergoeding voor de multidisciplinaire opvolging van kinderen met obesitas, vanaf de 2de verjaardag tot de 18de verjaardag. Er worden met maximaal 25 pediatrische multidisciplinaire obesitas centra (PMOC) een overeenkomst afgesloten. Indien een ziekenhuis zich kandidaat wil stellen voor deze overeenkomst, dient de elektronisch ondertekende overeenkomst samen met het volledig ingevulde aanvraagformulier te worden bezorgd aan ovcomeddir@riziv-inami.fgov.be, ten laatste op 31 oktober 2023. Indien een formulier niet volledig ingevuld wordt of laattijdig wordt ingediend, zal de aanvraag niet weerhouden worden. Het aanvraagformulier en de overeenkomst zijn terug te vinden op de webpagina: https://www.riziv.fgov.be/nl/professionals/verzorgingsinstellin- gen/revalidatiecentra/Paginas/zorgtraject-obesitas-kinderen-multidisciplinai- re-zorg-jonge-patienten.aspx De beslissing of uw centrum al dan niet kan toetreden tot de overeenkomst zal u worden bezorgd voor de datum van 1 december 2023. Deze overeenkomst zal in werking treden vanaf 1 december 2023 en is geldig tot en met 30 november 2028 (5 jaar), maar kan ook steeds vóór die datum door één van beide partijen, om gelijk welk motief (dus ook om motieven die niet expliciet in de tekst van de overeenkomst worden vermeld), worden beëindigd.” XII-9706-4/51 3.4. De verzoekende partij is een erkend algemeen ziekenhuis gelegen te Aalst, provincie Oost-Vlaanderen. Zij biedt een multidisciplinair zorgtraject aan voor patiënten van alle leeftijden met obesitas. Voor kinderen biedt zij dit aan in de kinderobesitaskliniek. Op 26 oktober 2023 dient de verzoekende partij haar kandidatuur in. 3.5. Op 27 november 2023 wordt binnen het Verzekeringscomité de nota betreffende de overeenkomst ‘Obesitas bij kinderen’ besproken. Het Verzekeringscomité keurt een aangepaste versie van overeenkomst goed en sluit de overeenkomst af met de betrokken centra. In de overeenkomst wordt aan artikel 7, § 1, een alinea toegevoegd die luidt: “Een centrum dat een kandidatuur heeft ingediend en op basis van het voormelde criterium in verband met de geografische spreiding en aantal rechthebbenden in aanmerking komt om toe te treden tot de overeenkomst, maar niet over de noodzakelijke expertise beschikt zoals gedefinieerd in artikel 7, paragraaf 4, krijgt uitstel tot 31 mei 2024 om te voldoen aan de voorwaarden van de overeenkomst inzake de noodzakelijk vereiste expertise. Daartoe kan een aanvullend of aangepast dossier ingediend worden voor 31 mei 2024.” In de nota wordt overwogen: “Op 25 september 2023 heeft het Verzekeringscomité een overeenkomst goedgekeurd die voorziet in een financiële tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging voor de ambulante, multidisciplinaire opvolging van kinderen met obesitas (vanaf de 2de tot de 18de verjaardag) in nieuw op te richten Pediatrische Multidisciplinaire Obesitas Centra (PMOC). Op basis van prevalentiecijfers aangeleverd door de Belgische Vereniging voor de Studie van Obesitas (BASO) werd er gedefinieerd dat 25 dergelijke centra opgericht dienden te worden in België. Erkende verplegingsinrichtingen konden hun kandidatuur om toe te treden tot deze overeenkomst indienen tot en met 31 oktober 2023. De documenten en de te volgen procedure werden bezorgd aan alle ziekenhuizen en ook op de website van het RIZIV gepubliceerd. In totaal ontving de Dienst voor geneeskundige verzorging (DGV) 35 dossiers. Artikel 7, § 1. Aantal PMOC, bepaalt: ‘Het aantal PMOC wordt beperkt in functie van het beschikbaar budget tot maximaal 25 PMOC. Elk centrum mag zich kandidaat stellen. De procedure en modaliteiten van kandidaatstelling worden bekend gemaakt via de website van het RIZIV. Indien er meer ontvankelijke kandidaturen zijn dan beschikbare plaatsen, zal de eerste contractant een selectie maken gebaseerd op volgende criteria: - De geografische verspreiding van de provincies waar de PMOC zich bevinden, gewogen voor het aantal inwoners, vanaf de 2de verjaardag tot de 18de verjaardag, per provincie. - Aantal rechthebbenden in permanente opvolging bij het PMOC op het ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.635 XII-9706-5/51 moment van indienen van de aanvraag.’ Op basis van de cijfers van de gezondheidsenquête 2018 en de statbel- gegevens voor de populatie van 2- tot en met 17-jarigen is de verdeling als volgt: Dit betekent dat er in Vlaanderen 11, in Wallonië 9 en in Brussel 5 ziekenhuizen kunnen toetreden tot de overeenkomst. Verdere verdeling per provincie geeft: Op basis van de verdeling per provincie wordt dan het criterium van aantal rechthebbenden in permanente opvolging bij het PMOC op het moment van indienen toegepast om het aantal toegelaten PMOC te selecteren. Dit leidt tot volgend voorstel: - de provincie Antwerpen: AZ Turnhout heeft het minst aantal obese rechthebbenden dat permanent wordt opgevolgd, en wordt niet weerhouden voor toetreding tot de overeenkomst; - de provincie West-Vlaanderen: AZ Groeninge, OLV ziekenhuis Waregem en Jan Yperman Ziekenhuis hebben het minst aantal obese rechthebbenden dat permanent opgevolgd wordt, en worden dus niet weerhouden voor toetreding tot de overeenkomst. - de provincie Oost-Vlaanderen: AZ St. Blasius Dendermonde heeft het minst aantal obese rechthebbenden dat permanent wordt opgevolgd, en wordt niet weerhouden voor toetreding tot de overeenkomst. - de provincie Limburg: het tweede centrum compenseert het tweede centrum in Vlaams Brabant. Er is slechts 1 kandidaat centrum ingediend in de provincie Vlaams-Brabant. Deze compensatie kan worden verantwoord op grond van de specifieke geografische link tussen de beide provincies en het gegeven dat de verplaatsing geografisch gezien geen hinder zal zijn voor de rechthebbenden in de aangrenzende gemeenten. - de provincie Henegouwen: slechts 1 kandidaat centrum voldoet op dit ogenblik aan de voorwaarden qua personeelssamenstelling. Er ontbreken volgens de geografische spreiding en het aantal obese rechthebbenden ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.635 XII-9706-6/51 2 centra in Henegouwen. Op basis van de ingediende dossiers kan aan CHU Tivoli en Centre hospitalier EpiCURA de mogelijkheid gegeven worden om hun equipe aan te vullen met de nodige expertise. o CHU Tivoli heeft geen psycholoog met ervaring in begeleiden van kinderen met overgewicht en geen certificaat ‘obesitas bij kinderen/jongeren’. Tevens heeft dit centrum geen kinesitherapeut met de noodzakelijke ervaring met name opleiding in overgewicht en obesitas bij kinderen en expertise in kinderobesitas. o Centre hospitalier EpiCURA heeft geen psycholoog met een certificaat ‘obesitas bij kinderen/jongeren’ en geen kinesitherapeut met de noodzakelijke ervaring met name opleiding in overgewicht en obesitas bij kinderen en expertise in kinderobesitas. - de provincie Luxemburg: Vivalia – CHCA Libramont heeft geen psycholoog binnen zijn team en geeft in het dossier aan dat zij die zullen werven eens ze toetreden tot de overeenkomst. Voor Luxemburg kan met een Luiks toegetreden centrum gekeken worden om met formele afspraken een ervaren psycholoog ter plekke te laten komen in afwachting dat Vivalia de nodige expertise aanwerft. - ASBL Chirec Bruxelles is de 5de kandidaat centrum in Brussel maar voldoet niet aan de voorwaarden van de overeenkomst (geen psycholoog noch kinesitherapeut die aan voorwaarden voldoet, geen informatie over de noodzakelijke infrastructuur, geen overzicht van rechthebbenden permanent in behandeling, geen aanpassingen i.f.v. resultaat van de EASO Obesity Clinic Self Assessment terwijl op vele vragen negatief geantwoord werd). Er wordt de mogelijkheid gegeven om de nodige aanpassingen te treffen om aan de voorwaarden van de overeenkomst te voldoen. Concreet wordt voorgesteld om : - De overeenkomst vanaf 1 december 2023 af te sluiten met de volgende 21 centra: 4 in Brussel, 11 in Vlaanderen en 6 in Wallonië; - De kandidaat centra CHU Tivoli, Centre hospitalier EpiCURA, Vivalia- CHCA Libramont en ASBL Chirec-Brussel hebben bijkomend tijd tot 31 mei 2024 om binnen hun centrum te voldoen aan de voorwaarden van de overeenkomst en daartoe een aanvullend dossier in te dienen. Zodra hun XII-9706-7/51 kandidatuur ontvankelijk is, zal dat centrum kunnen toetreden tot de overeenkomst en dit op de eerste dag van de maand na indiening van de ontvankelijke kandidatuur. In bijlage 1 volgt een overzicht van de aanvaarde en niet-aanvaarde kandidaturen. Bij de kandidaturen die niet weerhouden zijn, werd telkens gemotiveerd waarom. De kandidaturen werden niet toegevoegd aan de nota gezien de omvangrijke bestanden, maar kunnen eenvoudig op vraag worden ingekeken. Het is hoe dan ook de bedoeling om alle centra toegetreden tot de overeenkomst binnen één jaar te evalueren met de daartoe vastgelegde proces- en kwaliteitsindicatoren, alsook op basis van het aantal rechthebbenden opgenomen in de overeenkomst.” Bij de nota aan het Verzekeringscomité zijn een aantal bijlagen gevoegd. Bijlage 1 betreft het overzicht van de kandidaturen: “Bijlage 1: Overzicht van de kandidaturen Kandidaturen die aanvaard werden voor het afsluiten van een overeenkomst. 1) Universitair Ziekenhuis Antwerpen 2) AZ Voorkempen en AZ Klina (coördinatie van AZ Voorkempen) 3) ZNA Middelheim Antwerpen 4) Cliniques Universitaires Saint-Luc 5) CHU Saint-Pierre Bruxelles 6) UZ Brussel 7) HUB Hôpital Universitaire Des Enfants Reine Fabiola 8) Humani - CHU Charleroi-Chimay 9) Ziekenhuis Oost-Limburg 10) Vzw Jessa Ziekenhuis 11) Groupe Santé CHC Liège 12) Centre Hospitalier Universitaire de Liège 13) CHR Verviers 14) CHU UCL Namur - Site de Ste-Elisabeth 15) AZ Jan Palfijn Gent 16) AZ Maria Middelares 17) AZ Alma 18) UZ Leuven 19) A.Z. Sint-Jan Brugge 20) AZ Delta vzw 21) Clinique St Pierre Ottignies Kandidaturen die niet aanvaard werden voor het afsluiten van een overeenkomst. Hierbij werd rekening gehouden met de criteria zoals gedefinieerd in artikel 7, § 1 van de overeenkomst: §1. Aantal PMOC Het aantal PMOC wordt beperkt in functie van het beschikbaar budget tot maximaal 25 PMOC. Elk centrum mag zich kandidaat stellen. De procedure en modaliteiten van kandidaatstelling worden bekend gemaakt via de website van het RIZIV. Indien er meer ontvankelijke kandidaturen zijn dan beschikbare plaatsen, zal de eerste contractant een selectie maken gebaseerd op volgende criteria: • De geografische verspreiding van de provincies waar de PMOC zich bevinden, gewogen voor het aantal inwoners, vanaf de 2de verjaardag tot de 18de verjaardag, per provincie. XII-9706-8/51 • Aantal rechthebbenden in permanente opvolging bij het PMOC op het moment van indienen van de aanvraag. Dit betekent dat er op basis van prevalentiecijfers in Vlaanderen 11, in Wallonië 9 en in Brussel 5 ziekenhuizen kunnen toetreden tot de overeenkomst. Op basis van de verdeling per provincie wordt vervolgens het criterium van aantal rechthebbenden in permanente opvolging bij het PMOC op het moment van indienen toegepast om het aantal toegelaten PMOC te selecteren. Er werd eveneens nagegaan of het multidisciplinair team van het betrokken centrum beantwoordt aan de beschrijving zoals opgenomen in artikel 7, § 4 van de overeenkomst: § 4. Personeelskader Het PMOC, bedoeld in deze overeenkomst, beschikt over een multidisciplinair team met expertise in kinderobesitas en kennis rond preventie van eetstoornissen. Het multidisciplinair team bestaat uit: • Arts-specialist in de kindergeneeskunde, eventueel gespecialiseerd in endocrinologie of ten minste met een bijzondere expertise in kinderobesitas; • Gespecialiseerde diëtist met ofwel minstens 5 jaar ervaringen in het begeleiden van kinderen met overgewicht ofwel met een certificaat van een opleiding ‘voeding voor het jonge kind en de adolescent’ ofwel met een certificaat ‘obesitas bij kinderen/jongeren’ (opleiding Eetexpert, CEPIA of een daaraan gelijk gestelde organisatie). Deze zorgverlener werkt samen met het zorgteam om ervoor te zorgen dat het kind de juiste voedingsinname en eetvaardigheden krijgt en houdt rekening met de vele complexe medische diagnoses die de groei van een kind beïnvloeden alsook de voedingsschema’s rekening houdend met familievoorkeuren (cfr. bijlage 3, criteria diëtisten); • Psycholoog met ofwel minstens 5 jaar ervaring in het begeleiden van het jonge kind en de adolescent, ofwel gespecialiseerd voor kinderen; én met ofwel minstens 5 jaar ervaringen in het begeleiden van kinderen van overgewicht, ofwel met een certificaat ‘obesitas bij kinderen/jongeren’ (opleiding Eetexpert, CEPIA of een daaraan gelijk gestelde organisatie). De psycholoog is ook vertrouwd met de aanpak van eetbuien; • Kinesitherapeut met bekwaming in pediatrische kinesitherapie; • Bij kinderen jonger dan 12 jaar: • een kinesitherapeut met bijzondere bekwaamheid pediatrische kinesitherapie ofwel een kinesitherapeut met voldoende ervaring (5 jaar) en/of opleidingen in pediatrische kinesitherapie, die tevens een opleiding heeft genoten over overgewicht en obesitas bij kinderen; • Bij kinderen tussen 12 en 18 jaar: • een kinesitherapeut met bijzondere bekwaamheid pediatrische kinesitherapie ofwel een kinesitherapeut met voldoende ervaring (5 jaar) en/of opleidingen in pediatrische kinesitherapie; • ofwel een sportkinesitherapeut die tevens een opleiding heeft genoten over overgewicht en obesitas bij kinderen; • Met een expertise in (kinder)obesitas • Sociaal werker of sociaal verpleegkundige; • Administratief assistent. (…) Vervolgens werd nagegaan of het centrum beantwoordde aan de gevraagde infrastructuur, zoals gedefinieerd in artikel 7, § 8 van de overeenkomst: § 8. Infrastructuur en uitrusting Het PMOC beschikt over de nodige individuele consultatie- en gespreksruimten, een ruimte waarin het mogelijk is om groepssessies te voorzien, een vergaderzaal en een secretariaatsruimte waar de individuele ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.635 XII-9706-9/51 dossiers ter beschikking van het multidisciplinair team worden bewaard, al dan niet digitaal. Al deze lokalen worden in hetzelfde gebouw gecentraliseerd, waarbij maximaal gestreefd wordt naar een functioneel geheel. Tot slot werd er ook aan de centra gevraagd om de EASO Obesity Clinic Self Assessment in te vullen conform artikel 7, § 6: Middels de ‘EASO Obesity Clinic Self Assessment’ zal het centrum zichzelf screenen om het niveau van zijn expertise te bepalen en te identificeren waar zo nodig verbeteringen moeten aangebracht worden. De resultaten van deze screening en de geplande aanpassingen in functie van het resultaat kunnen voorgelegd worden. CHU Tivoli - Geen psycholoog met de noodzakelijke expertise in het multidisciplinair team - Geen ervaring in het begeleiden van kinderen van overgewicht. - Geen certificaat ‘obesitas bij kinderen/jongeren’. - Geen kinesitherapeut met de noodzakelijke expertise in het multidisciplinair team. - Geen opleiding in overgewicht en obesitas bij kinderen. - Geen expertise in (kinder)obesitas. - Het centrum heeft geen geplande aanpassingen in functie van het resultaat van de EASO Obesity Clinic Self Assessment voorgelegd. - Bijkomende info: in de EASO Obesity Clinic Self Assessment werd door het centrum op volgende items negatief geantwoord: • Do you have a recognised obesity certification or formal training in obesity management? • Do you have a plan for the team to receive a recognized obesity certification or formal training in obesity management? • Do you have the capacity and ability to train other HCPs in obesity management? • Do you have the capacity and expertise to train other HCPs in obesity management? - Geen overzicht meegegeven van het aantal rechthebbenden reeds permanent in behandeling, enkel een geschat aantal rechthebbenden. Aangezien er volgens de geografische spreiding en het aantal obese rechthebbenden 2 centra in Henegouwen tekort zijn, wordt aan CHU Tivoli bijkomend tijd tot 31 mei 2024 gegeven om binnen hun centrum te voldoen aan de voorwaarden van de overeenkomst en daartoe een aanvullend dossier in te dienen. Zodra hun kandidatuur ontvankelijk is, zal dat centrum kunnen toetreden tot de overeenkomst en dit op de eerste dag van de maand na indiening van de ontvankelijke kandidatuur Centre […] Hospitalier EpiCURA […] […] XII-9706-10/51 OLV - Geen psycholoog met de noodzakelijke expertise in het ziekenhuis multidisciplinair team. Aalst - Geen certificaat ‘obesitas bij kinderen/jongeren’. - Geen relevante ervaring opgegeven. - Geen kinesitherapeut met de noodzakelijke expertise in het multidisciplinair team. - Geen relevante ervaring of opleiding opgegeven. - Geen overzicht meegegeven van het aantal rechthebbenden reeds permanent in behandeling. […] […] .” 3.6. Bij brief, ondertekend door de leidend ambtenaar van de verwerende partij op 8 december 2023, wordt aan de verzoekende partij meegedeeld dat haar kandidatuur niet in aanmerking wordt genomen. Dit is de bestreden beslissing. 3.7. Op 20 maart 2024 heeft de verzoekende partij een nieuwe aanvraag ingediend om te kunnen toetreden tot de overeenkomst. De verwerende partij liet weten dat de periode voor het indienen van een aanvraag afgelopen was op 31 oktober 2023 en er geen nieuwe kandidaturen konden worden ingediend. 3.8. Uit de lijst van toegetreden centra zoals die op de website van het RIZIV wordt vermeld, blijkt dat op 1 juli 2024 Chirec Hôpital Delta Bruxelles nog is toegetreden tot de overeenkomst. Vanaf 1 april 2025 treden ook CHU Tivoli en Centre Hospitalier Epicura toe. IV. Ontvankelijkheid van het beroep - Rechtsmacht van de Raad van State Uiteenzetting van de exceptie 4. De verwerende partij betwist in de memorie van antwoord, in een onduidelijk geformuleerde exceptie, de rechtsmacht van de Raad van State. Zij verwijst naar artikel 144 van de Grondwet, artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, het onbestaande artikel 160, lid 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en tot slot artikel 167, eerste lid, van de XII-9706-11/51 gecoördineerde wet van 14 juli 1994. Zij meent dat het voorliggende geschil betrekking heeft op een subjectief recht waarvoor volgens het voormelde artikel 167, eerste lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 de arbeidsrechtbank bevoegd zou zijn. Beoordeling 5. De verwerende partij betwist in haar memorie van antwoord de ontvankelijkheid van het beroep wegens gebrek aan rechtsmacht in hoofde van de Raad van State. Als zij in het auditoraatsverslag daarover kan lezen dat deze exceptie ongegrond wordt bevonden en zij daarin geen reden ziet om vervolgens in de laatste memorie hierop te antwoorden, begrijpt de Raad van State uit die proceshouding dat de verwerende partij deze aangevoerde exceptie niet langer wenst aan te houden. 6. De exceptie wordt verworpen. V. Vertrouwelijkheid van stukken en verzoek om de vertrouwelijkheid te lichten Standpunt van de partijen 7. Na hiertoe te zijn uitgenodigd door de auditeur-verslaggever, heeft de verwerende partij het administratief dossier aangevuld met de volledige ingediende kandidaturen van alle ziekenhuizen die zijn toegetreden tot de overeenkomst ‘Obesitas bij kinderen’. De verwerende partij heeft deze kandidaturen afzonderlijk neergelegd en uitdrukkelijk verzocht om de vertrouwelijke behandeling ervan overeenkomstig artikel 87, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Zij stelt dat deze stukken gevoelige gegevens betreffen die wegens de omvang ervan niet geanonimiseerd konden worden. 8. Met een brief van 27 maart 2025, neergelegd via het elektronisch platform van de Raad van State, vraagt de verzoekende partij om de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.635 XII-9706-12/51 vertrouwelijkheid van de stukken 10 tot en met 30 van de verwerende partij te lichten. Zij meent dat de verwerende partij het verzoek tot vertrouwelijke behandeling onvoldoende motiveert en dat de stukken in ieder geval geanonimiseerd kunnen worden. Zij wijst op het belang van inzage voor haar effectieve rechtsbescherming omdat zij de juistheid van de beoordeling van de aanvraagdossiers van de andere ziekenhuizen wil kunnen nagaan. Zij wijst ook op artikel 9.2, f), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG. In haar laatste memorie laat de verzoekende partij in essentie nog gelden dat

  1. i)het de toepassing van de overeenkomst is die het voorwerp uitmaakt van voorliggend geschil en dat uit het verzoekschrift, respectievelijk de memorie van wederantwoord, blijkt dat zij de invulling, die de verwerende partij heeft gegeven aan de erkenningscriteria, betwist en
  2. ii)zij in haar repliek bij het eerste middel uitvoerig aantoont, dat er sprake is van een ongelijke behandeling tussen de kandidaturen van de Brusselse en Waalse ziekenhuizen en die van haar en dat dit gegeven aantoont dat een inzage essentieel is voor de verzoekende partij om aan te tonen dat verwerende partij het beslissingskader miskende. Dit gegeven bevestigt, volgens de verzoekende partij, aldus de noodzaak om de vertrouwelijkheid van de kandidaturen te lichten, met het oog op de effectieve rechtsbescherming van de verzoekende partij. Ten overvloede verwijst de verzoekende partij naar artikel I.17/1, 1°, van het Wetboek Economisch Recht, dat bepaalt: “1° bedrijfsgeheim: informatie die aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoet:
  3. a)ze is geheim in die zin dat zij, in haar geheel dan wel in de juiste samenstelling en ordening van haar bestanddelen, niet algemeen bekend is bij of gemakkelijk toegankelijk is voor personen binnen de kringen die zich gewoonlijk bezighouden met de desbetreffende soort informatie;
  4. b)ze bezit handelswaarde omdat zij geheim is;
  5. c)ze is door de persoon die rechtmatig daarover beschikt onderworpen aan redelijke maatregelen, gezien de omstandigheden, om deze geheim te houden.” Dienaangaande benadrukt de verzoekende partij dat dit artikel drie voorwaarden vermeldt die cumulatief moeten zijn vervuld opdat er sprake kan ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.635 XII-9706-13/51 zijn van een (beschermd) bedrijfsgeheim. De verzoekende partij laat gelden dat, wat de eerste voorwaarde betreft, te dezen de gegevens van ziekenhuizen met betrekking tot medische handelingen worden aangewend voor de publicatie van studies van belangenverenigingen, kenniscentra enz. Aangezien de eerste cumulatieve voorwaarde volgens de verzoekende partij niet is vervuld, bevatten de kandidaturen van de overige ziekenhuizen geen bedrijfsgeheimen zodat, volgens haar, het verzoek tot vertrouwelijke behandeling moet worden gelicht. Beoordeling 9. Het komt de Raad van State toe te oordelen over het vertrouwelijk karakter van de stukken van het neergelegde administratief dossier en daarbij de vereisten van een eerlijk proces en die van het zakengeheim af te wegen. Met de verzoekende partij moet worden vastgesteld dat de door de verwerende partij weergegeven motivering, van het verzoek tot vertrouwelijke behandeling van de kandidaturen van de geselecteerde ziekenhuizen, summier is. De ingediende kandidaturen kunnen weliswaar geacht worden de verwerking van gevoelige persoonsgegevens te omvatten, zoals gezondheidsgegevens van de patiënten in opvolging bij het betreffende ziekenhuis. Niet blijkt waarom de integrale inhoud van de kandidaturen als vertrouwelijke informatie zou moeten worden beschouwd of waarom de lijsten met rechthebbenden in opvolging niet in geanonimiseerde versie als niet-vertrouwelijk stuk kunnen worden neergelegd. Anderzijds moet worden opgemerkt dat de verzoekende partij slechts de beslissing tot weigering van haar erkenning als PMOC aanvecht en niet de beslissingen waarbij de andere ziekenhuizen werden aangeduid voor toetreding tot de overeenkomst. Niet blijkt hoe inzage in de gekozen kandidaturen haar nog tot nut kan strekken. 10. Er is dan ook geen grond om bij tussenarrest de vertrouwelijkheid van de stukken te lichten. XII-9706-14/51 VI. Onderzoek van de middelen Vooraf Ambtshalve exceptie betreffende het belang van de verzoekende partij bij de door haar aangevoerde middelen Uiteenzetting van de ambtshalve exceptie 11. Het auditoraat werpt met betrekking tot het belang van de verzoekende partij bij de door haar aangevoerde middelen ambtshalve op: “In haar vergadering van 25 september 2023 heeft het Verzekeringscomité beslist om het aantal PMOC waarmee een overeenkomst kan worden afgesloten, vast te leggen op maximaal 25. Daarnaast werd het ontwerp van overeenkomst goedgekeurd waarin de voorwaarden voor toetreding tot de overeenkomst werden vastgelegd en waarin werd bepaald dat (zie art.7, §1 van de overeenkomst): ‘Indien er meer ontvankelijke kandidaturen zijn dan beschikbare plaatsen, zal de eerste contractant een selectie maken gebaseerd op volgende criteria: - De geografische verspreiding van de provincies waar de PMOC zich bevinden, gewogen voor het aantal inwoners, vanaf de 2de verjaardag tot de 18de verjaardag, per provincie - Aantal rechthebbenden in permanente opvolging bij het PMOC op het moment van indienen van de aanvraag’ Deze doet zich voor als een voorbeslissing ten aanzien van de bestreden weigeringsbeslissing in zoverre daarin het aantal PMOC werd vastgelegd op 25, de toetredingsvoorwaarden werden bepaald en de selectiecriteria werden vastgelegd. Deze beslissing werd door de verzoekende partij niet aangevochten noch voert zij in haar middelen als zodanig de onwettigheid van deze beslissing aan. In haar vergadering van 27 november 2023 heeft het Verzekeringscomité beslist om het beschikbare aantal van 25 plaatsen te verdelen over de gewesten in functie van het percentage obese kinderen van 2 tot en met 17 jaar per gewest in verhouding tot het totale aantal obese kinderen van 2 tot en met 17 jaar in het ganse Rijk (11 PMOC voor Vlaanderen, 9 PMOC voor Wallonië en 5 PMOC voor Brussel) en heeft zij vervolgens de geografische verdeling toegepast van verspreiding over de provincies, gewogen voor het aantal inwoners, vanaf de 2de verjaardag tot de 18de verjaardag, per provincie in verhouding tot het totale aantal kinderen van 2 tot en met 17 jaar per gewest. Het Verzekeringscomité heeft eveneens beslist om artikel 7, §1 van de overeenkomst aan te vullen met een alinea luidend: ‘Een centrum dat een kandidatuur heeft ingediend en op basis van het voormelde criterium in verband met de geografische spreiding en aantal rechthebbenden in aanmerking komt om toe te treden tot de overeenkomst, maar niet over de noodzakelijke expertise beschikt zoals gedefinieerd in artikel 7, paragraaf 4, krijgt uitstel tot 31 mei 2024 om te voldoen aan de voorwaarden van de overeenkomst inzake de noodzakelijk vereiste expertise. XII-9706-15/51 Daartoe kan een aanvullend of aangepast dossier ingediend worden voor 31 mei 2024.’ Vervolgens heeft het Verzekeringscomité in deze vergadering van 27 november 2023 de ingediende kandidaturen beoordeeld aan de hand van de toetredingsvoorwaarden, de geografische spreiding en het aantal rechthebbenden in opvolging. Aan de hand daarvan werd voor elke kandidatuur beslist of ze al dan niet aanvaard werd voor het afsluiten van de overeenkomst. De beslissingen omtrent het al dan niet aanvaarden van elke kandidatuur doen zich voor als individuele beslissingen, genomen in vergadering van 27 november 2023. Nadien werd bij brief, ondertekend door de leidend ambtenaar van de verwerende partij op 8 december 2023, aan elk van de kandidaten de beslissing meegedeeld met betrekking tot zijn kandidatuur, met vermelding van de motivering. De verzoekende partij vecht enkel haar eigen weigeringsbeslissing aan maar heeft de individuele beslissingen van dezelfde datum waarbij 21 andere ziekenhuizen aangeduid werden als PMOC en beslist werd met hen de overeenkomst af te sluiten, niet aangevochten. De individuele beslissingen om met de andere ziekenhuizen de overeenkomst af te sluiten dienden noch bekend gemaakt te worden, noch aan de verzoekende partij betekend te worden. De verjaringstermijn om een beroep in te stellen tegen deze beslissingen nam dan ook een aanvang van zodra de verzoekende partij er kennis van had of er kennis van had kunnen hebben. Uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij kennis heeft van de integrale nota aan het Verzekeringscomité van 27 november 2023 waarbij als bijlage 1 de lijst gevoegd is van de kandidaturen die worden aanvaard. Aangezien de verwerende partij op de zitting van 27 november 2023 gelijktijdig beslist heeft over alle ontvankelijke kandidaturen voor de beschikbare plaatsen in de verschillende provincies, zoals blijkt uit de nota aan het Verzekeringscomité en bij e-mail van 8 december 2023 aan de verzoekende partij werd meegedeeld dat haar kandidatuur niet werd weerhouden, kon en moest de verzoekende partij ook weten dat de beslissing om de andere ziekenhuizen aan te duiden als PMOC eveneens reeds genomen werd. Voor zover zij hier nog twijfels over had kunnen hebben, kwam het haar toe om deze beslissingen desgevallend op te vragen bij de verwerende partij. Zoals de Raad reeds meermaals oordeelde, mag diegene die het bestaan van een beslissing kent of redelijkerwijze moet kennen, niet naar eigen goeddunken het verkrijgen van de kennis ervan uitstellen en op die manier door eigen toedoen de aanvang van de beroepstermijn bij de Raad van State vertragen. Bijgevolg zijn deze beslissingen definitief geworden en dit heeft zijn gevolgen voor het belang bij enkele middelen zoals hierna zal blijken.” 12. In haar laatste memorie laat de verzoekende partij dienaangaande gelden: “13. De Eerste Auditeur bekritiseert dat verzoekende partij het maximaal aantal te erkennen PMOC’s en het beslissingskader daartoe niet heeft aangevochten. Deze kritiek is irrelevant: onderhavige procedure heeft immers enkel betrekking op de toepassing van de erkenningscriteria en de daaruit volgende weigeringsbeslissing. De poging van de Eerste Auditeur om te doen uitschijnen dat verzoekende partij het beslissingskader en de andere erkenningsbeslissingen had moeten aanvechten en dat, bij gebreke daaraan, XII-9706-16/51 bepaalde onderdelen van de door verzoekende partij aangebrachte middelen onontvankelijk zouden zijn bij gebrek aan belang faalt naar recht en is naast de kwestie. Verzoekende partij voegt toe dat een louter theoretisch belang volstaat om een ontvankelijk annulatieberoep in te dienen. De Raad van State dient er daarbij over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast. Verzoekende partij verwijst wat dat betreft naar een arrest van Uw Raad van State van 19 januari 2019, nr. 243.406: Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven. Doet een verzoekende partij zulks, dan heeft zij daarmee ook de contouren geschetst waarom het haar te doen is en moet de Raad van State met die door de verzoekende partij vastgelegde grenzen van het gerechtelijk debat rekening houden. […] 14. De Eerste Auditeur voert aan dat verzoekende partij niet over het vereiste belang zou beschikken omdat zij een onontvankelijke kandidatuur heeft ingediend. Uit haar procedurestukken volgt echter dat verschillende Waalse en Brusselse ziekenhuizen (d.i. Centre hospitalier EpiCURA, Vivalia- CHCA Libramont en ASBL Chirec-Brussel) tevens een onontvankelijke kandidatuur hebben ingediend, terwijl zij op heden (m.u.v. Vivalia- CHCA Libramont) allemaal zijn toegetreden tot de Overeenkomst. Dit omdat verwerende partij deze ziekenhuizen – ondanks de onontvankelijke kandidatuur en ondanks het feit dat de termijn om een ontvankelijke kandidatuur in te dienen ruim was verstreken – een bijkomende termijn toekende om alsnog een aangepaste kandidatuur in te dienen. Verzoekende partij bevond zich in dezelfde positie als eerder vermelde Waalse en Brusselse ziekenhuizen. Overeenkomstig artikel 7, §1, tweede lid van de Overeenkomst maakte zij derhalve ook gebruik van de mogelijkheid om een aangepaste kandidatuur in te dienen. De reactie van verwerende partij hierop was evenwel dat de termijn voor het indienen van een nieuwe kandidatuur was verstreken op 31 oktober 2023, zodat de aangepaste kandidatuur van verzoekende partij niet in overweging zou worden genomen. E.e.a. toont aan dat verschillende beginselen van behoorlijk bestuur werden geschonden door verwerende partij en niet in het minst het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel. Dat verzoekende partij de individuele erkenningsbeslissingen en het beslissingskader niet heeft aangevochten is aldus irrelevant in het licht van haar argumentatie. Bijkomend is er nog één slot beschikbaar om toe te treden tot de overeenkomst. Dat wil zeggen dat een beslissing tot vernietiging van de weigeringsbeslissing door Uw Raad van State ertoe leidt dat verzoekende partij nog steeds aanspraak maakt op de toetreding tot de Overeenkomst. Ook kan het belang van verzoekende partij bij een weigeringsbeslissing erin bestaan dat zij de burgerlijke rechter zou vatten m.h.o.o. het verkrijgen van een schadevergoeding. 15. Stellen dat verzoekende partij geen belang zou hebben louter op grond van het feit dat zij de individuele erkenningsbeslissingen en het beslissingskader niet heeft aangevochten, zou in voorliggende omstandigheden zelfs op onevenredige wijze afbreuk doen aan haar recht op toegang tot de rechter.” XII-9706-17/51 Beoordeling 13. De verzoekende partij meent dat het niet ter zake doet dat zij de erkenningsbeslissingen van de overige ziekenhuizen niet heeft aangevochten. Met het auditoraatsverslag dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partij enkel haar eigen weigeringsbeslissing aanvecht en dat haar beroep met andere woorden is beperkt tot de beslissing om haar kandidatuur om toe te treden tot de overeenkomst ‘Obesitas bij kinderen’, niet te aanvaarden. Niet blijkt dat zij de individuele beslissingen van dezelfde datum waarbij 21 andere ziekenhuizen aangeduid werden als PMOC en beslist werd met hen de overeenkomst af te sluiten, heeft aangevochten. Niet kan worden ontkend dat de individuele beslissingen om met de andere ziekenhuizen de overeenkomst af te sluiten, om de redenen zoals uitvoerig toegelicht in het auditoraatsverslag, definitief zijn geworden. Evenmin kan worden ontkend dat het definitief worden van de voornoemde individuele beslissingen zijn gevolgen heeft voor het belang bij enkele door de verzoekende partij aangevoerde middelen. Zoals terecht in het auditoraatsverslag wordt besloten, volgt uit de beoordeling van de middelen dat de verzoekende partij de onwettigheid niet aantoont van de beslissing van de verwerende partij om, enerzijds slechts met maximaal 25 ziekenhuizen een overeenkomst af te sluiten, en anderzijds om deze plaatsen geografisch te verdelen over de deelstaten en over de provincies. Bijgevolg was het aantal plaatsen voor elke provincie beperkt en zijn deze voor de betrokken provincies in deze dossiers definitief ingenomen door andere ziekenhuizen, wat, zoals terecht wordt aangegeven in het auditoraatsverslag, gevolgen heeft voor het belang bij enkele middelen zoals hierna zal blijken. Voor zover de verzoekende partij in haar laatste memorie, in het kader van het belang bij de middelen, aanvoert dat zij zich in dezelfde situatie zou bevinden als een aantal Waalse en Brusselse ziekenhuizen die ook een onontvankelijke kandidatuur hadden ingediend maar die wel nog een bijkomende termijn kregen om een aangepaste kandidatuur in te dienen, kan worden verwezen naar de beoordeling van het eerste middel waarin wordt aangegeven dat, door de voorafgaandelijke toepassing van de geografische spreiding, de verzoekende partij ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.635 XII-9706-18/51 niet aantoont dat zij zich in dezelfde situatie bevond als de bedoelde Waalse en Brusselse kandidaten, nu de verwerende partij voor de provincie Oost-Vlaanderen meer ontvankelijke kandidaturen, die reeds voldeden aan de toetredingsvoorwaarden, had ontvangen dan dat er beschikbare plaatsen waren en aangezien reeds vier ziekenhuizen gelegen in de provincie Oost-Vlaanderen aan alle toetredingsvoorwaarden voldeden en het aantal rechthebbenden in opvolging hadden opgegeven, er geen enkele reden was om aan de verzoekende partij nog een bijkomende termijn te geven om haar kandidatuur te vervolledigen of om te zorgen dat zij aan de toetredingsvoorwaarden kon voldoen. 14. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, de ambtshalve exceptie gegrond. A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 15. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in een eerste middel de schending aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheids- beginsel, het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel. Het lid van het auditoraat vat de essentie van het middel, zoals uiteengezet in het verzoekschrift, als volgt samen in haar verslag: “6.1. De verzoekende partij voert aan dat de verwerende partij de verschillende kandidaturen ongelijk behandeld heeft. Zij heeft de onontvankelijke kandidaturen weerhouden van het CHU Tivoli, het Centre hospitalier EpiCURA, het Vivalia – CHCA Libramont en het ASBL Chirec Bruxelles terwijl deze niet voldeden aan de toetredingsvoorwaarden voor de overeenkomst. In plaats van deze kandidaturen af te wijzen, kregen zij de mogelijkheid om hun kandidatuur nog na de indieningsdatum in overeenstemming te brengen met de toetredingsvoorwaarden en werd hen toetreding verzekerd. De aanvraag van de verzoekende partij daarentegen werd onmiddellijk en definitief afgewezen. 6.2. Bij de kandidatuur van het OLVZ Aalst stelde het RIZIV vast dat er geen psycholoog aanwezig was met de nodige expertise, zoals in de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.635 XII-9706-19/51 aanvraagdossiers van het CHU Tivoli, het Centre hospitalier EpiCURA en het ASBL Chirec Bruxelles. Wat meer is, het Vivalia - CHCA Libramont heeft überhaupt geen psycholoog en meldt deze pas te willen aanwerven van zodra zij toetreden tot de Overeenkomst. Bij de kandidatuur voor het OLVZ Aalst werd door het RIZIV vastgesteld dat er geen kinesitherapeut aanwezig was met de nodige expertise, zoals in de aanvraagdossiers van het CHU Tivoli, het Centre hospitalier EpiCURA en het ASBL Chirec Bruxelles. Bij de kandidatuur voor het OLVZ Aalst werd door het RIZIV vastgesteld dat er geen overzicht van het aantal rechthebbenden meegegeven werd, zoals in het aanvraagdossier van het ASBL Chirec Bruxelles. De verzoekende partij meent dus dat de kandidatuur van het OLVZ Aalst gelijk was aan de kandidaturen die ingediend werden door het CHU Tivoli, het Centre hospitalier EpiCURA, het Vivalia - CHCA Libramont en het ASBL Chirec Bruxelles. 6.3. Bovendien merkt zij op dat de verwerende partij in haar weigeringsbeslissing zelf aangeeft dat deze relevante ervaring of de lijst met rechthebbenden niet opgegeven/ meegegeven werd. Het RIZIV besluit derhalve niet dat de verzoekende partij niet over deze ervaring of aantal rechthebbenden beschikt, maar enkel dat de stukken die deze expertise dienen te staven niet overgelegd werden. Toch heeft de verwerende partij geen verdere navraag gedaan bij de verzoekende partij, wat van een zorgvuldige administratieve overheid wel kon verwacht worden 6.4. Voorts zou uit de online gepubliceerde lijst van het RIZIV blijken dat het AZ Voorkempen en het AZ Klina gezamenlijk een erkenning tot PMOC verkregen. Nochtans zou noch uit de overeenkomst, noch uit het formulier tot kandidatuurstelling blijken dat ziekenhuizen zich gezamenlijk mochten kandidaat stellen. De verzoekende partij vermoedt dat de ziekenhuizen afzonderlijk niet voldeden aan de toetredingsvoorwaarden of individueel niet voldoende rechthebbenden hadden. Deze mogelijkheid had dan ook aan andere kandidaten zoals de verzoekende partij moeten worden geboden. 6.5. Tot slot kan deze ongelijke behandeling niet verantwoord worden op basis van volgende criteria: − het objectiviteitscriterium: er is geen objectief onderscheid tussen de kandidaturen van het CHU Tivoli, het Centre hospitalier EpiCURA, het Vivalia - CHCA Libramont en het ASBL Chirec Bruxelles en de kandidatuur van het OLVZ Aalst; − het pertinentiecriterium: indien het RIZIV toch een onderscheid tussen de verschillende kandidaturen zou vastgesteld hebben, dan is dit onderscheid zeker niet relevant, pertinent of in redelijke verhouding tot het doel van de PMOC. Het doel is namelijk om de behandeling van obese patiënten bereikbaar en betaalbaar te houden, wat met het onderscheid in behandeling van de verschillende kandidaturen niet bereikt wordt; − het wettig doelcriterium: het onderscheid in behandeling tussen de verschillende kandidaturen streeft geen wettig doel na; en − het evenredigheids- of proportionaliteitscriterium: de ongelijke behandeling tussen de kandidaturen staat niet in redelijke verhouding tot het nagestreefde doel van de PMOC.” 16. In de memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij hieraan toe: “41. Allereerst moet verzoekende partij vaststellen dat verwerende partij een nieuw, afzonderlijk eerste middel aanhaalt, namelijk ‘verzoekster beweert dat het riziv haar eigen selectieprocedure niet volgt en dat zij hierbij het beginsel ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.635 XII-9706-20/51 patere legem quam ipse fecesti, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheid- en vertrouwensbeginsel schendt’. Dit is geen argument dat verzoekende partij opwerpt en komt niet overeen met het eerste middel uit het verzoekschrift van 6 februari 2024. Verzoekende partij ziet zich echter wel genoodzaakt hierop te antwoorden en zal dit hier, onder haar eerste middel bij de toetsingsnormen, doen. 42. Bovendien merkt verzoekende partij op dat verwerende partij– anders dan zij voorhoudt in haar memorie van antwoord van 10 mei 2024 – het wel degelijk eens is met de door verzoekende partij gegeven omschrijving van de toepasselijke toetsingsnormen. Verwerende partij problematiseert daarentegen enkel de toepassing van deze toetsingsnormen in huidig geschil. Dat blijkt onder meer uit het verweer dat verwerende partij aanvoert bij de weerlegging van het redelijkheidsbeginsel. Verwerende partij argumenteert dat de beslissing in casu genomen werd door de feitelijkheden in acht te nemen die de aanvragende partijen in dit dossier meegedeeld hebben. Dit betreft dus niet de definitie van het redelijkheidsbeginsel, maar de toepassing ervan ten gronde. 43. Ten tweede moet verzoekende partij vaststellen dat verwerende partij er niet in slaagt om door middel van degelijke overtuigingsstukken aan te tonen dat zij de toetsingsnormen op voorliggend geschil correct toegepast zou hebben (quod non). Waar verwerende partij doet uitschijnen dat zij de toetsingsnomen in casu toepast, parafraseert zij in werkelijkheid keer op keer louter het theoretisch kader van deze toetsingsnormen. Dit blijkt onder meer uit het verweer dat verwerende partij aanvoert bij de weerlegging van het redelijkheidsbeginsel. Verwerende partij beweert dat het Verzekeringscomité alle feitelijkheden in acht genomen heeft die de aanvragende partijen meegedeeld hebben in dit dossier. Zij staaft dit evenwel niet door te verwijzen naar concrete stukken. Ook het zorgvuldigheidsbeginsel problematiseert verwerende partij zonder zich hierbij te baseren op relevante stukken of bijkomende relevante uitleg. Verwerende partij poneert louter dat: Het staat zonder twijfel dat het Verzekeringscomité voorafgaand een grondige analyse uitwerkte o.m. na inwinnen van prevalentiecijfers aangeleverd door de Belgische Vereniging voor de Studie van Obesitas, BASO) waarin nauwkeurig uitgewerkte criteria werden opgenomen om het doel te bereiken en om een efficiënte en nauwkeurige beslissing te nemen. Het staat net wél ter discussie of het Verzekeringscomité een grondige analyse uitgewerkt heeft. Verzoekende partij moet echter vaststellen dat geen enkel bijkomend stuk bijgebracht wordt waaruit net zou blijken dat het Verzekeringscomité deze criteria nauwkeurig uitgewerkt zou hebben. Dit blijkt ook niet uit het dossier, aangezien er tussen de verschillende aanvragende ziekenhuizen, waaronder verzoekende partij, twijfel bestond over de interpretatie van verschillende criteria zoals het aantal rechthebbenden. Dit is dan ook de reden waarom verzoekende partij bij haar initiële aanvraag geen lijst met rechthebbenden kon bijbrengen. Verzoekende partij moet echter vaststellen dat verwerende partij hierop geen antwoord biedt. 44. Daarnaast verwijst verwerende partij bij het gelijkheidsbeginsel naar de geografische spreiding die zogenaamd uitvoerig toegelicht werd om te concluderen dat het beginsel niet geschonden werd. Ook dit kan niet gevolgd worden. Een eventuele toelichting van het beslissingsproces garandeert niet dat de verschillende kandidaturen gelijk behandeld werden. 45. Overigens past verwerende partij ook het rechtszekerheidsbeginsel verkeerd toe. Zij argumenteert waarom de rechtszekerheid ten aanzien van de patiënt niet geschonden zou zijn. Verzoekende partij, die van oordeel is dat ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.635 XII-9706-21/51 verwerende partij dit beginsel schond, is echter een ziekenhuis. En het is de overheid die de rechtmatige verwachtingen van een ziekenhuis, ook een rechtsonderhorige, niet inlost. 46. Tot slot betwist verwerende partij ook bij dit eerste middel het evenredigheidsbeginsel en de motiveringsplicht. Dit zijn echter geen beginselen van algemeen bestuur die in dit eerste middel ter discussie staan. Bijgevolg zal verzoekende partij er onder dit middel niet verder op ingaan. 2° De bestreden beslissing is discriminatoir en schendt hierdoor artt. 10 en 11 van de Grondwet, het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel, alsook het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel […] 60. In haar memorie van antwoord van 18 april 2024 biedt verwerende partij onder haar tweede middel een repliek op hetgeen verzoekende partij aanvoert in het eerste middel. Verzoekende partij is dan ook zo vrij om bij de argumentatie van haar eigen eerste middel in te gaan op hetgeen verwerende partij in haar memorie van antwoord van 18 april 2024 aanhaalt onder het tweede middel. 61. Inzake het eerste middel verwijst verzoekende partij naar hetgeen zij hierboven […] reeds heeft uiteengezet en waarin zij volhardt. Zij voegt hier nog het volgende aan toe. 62. Allereerst merkt verzoekende partij op dat zij de bevoegdheid van verwerende partij om een overeenkomst te sluiten niet betwist. Zij is evenmin van oordeel dat verwerende partij gebonden zou zijn om een overeenkomst te sluiten. Verzoekende partij verzet zich daarentegen wel dat verwerende partij de kandidaturen van de verschillende ziekenhuizen niet op een gelijke manier behandelde, hoewel het om gelijke situaties ging die gelijk behandeld dienden te worden. Het tegendeel beweren – zoals verwerende partij dit in haar memorie doet – door te stellen dat de onontvankelijke kandidaturen ingediend voor de provincies Henegouwen, Luxemburg en Brussel toch nog in aanmerking komen voor een erkenning als PMOC, terwijl de aanvraag voor het OLVZ Aalst onmiddellijk en definitief afgewezen werd, is niet redelijk én volkomen naast de kwestie. Uiteraard gaat het om dezelfde oproeping tot kandidatuurstelling en betreft het dezelfde erkenning als PMOC. De enige ongelijkheid die de kandidaten hebben, is hun aanvraag tot erkenning waarbij zij hun eigen expertise moet kunnen aantonen. Bovendien past het hier op te merken dat verwerende partij daarbij zelf aangeeft dat deze expertise van de kandidaten uitermate belangrijk is: Het zijn de criteria als vooropgesteld bij de oproeping in het document tot kandidaatstelling, als in te vullen door de kandidaten, welke werden weerhouden door het Verzekeringscomité om diens analyse te maken. Expertise is hierin erg belangrijk. De obesitas schalen EOSSP-2 en 3 zijn zeer ernstig. PMOC’s moeten aan alle expertise voldoen. Een centrum erkennen met onvoldoende expertise kan in de toekomst nadelig zijn voor de zorg van de patiënt. […] Het gaat dus wel degelijk om gelijke situaties die gelijk moeten behandeld worden en waar verzoekende partij vaststelt dat zij, hoewel zij reeds over alle nodige expertise beschikt, gediscrimineerd werd. Verzoekende partij moet echter opmerken dat verwerende partij geen verdere uitleg of verklaring geeft voor de afwijkende beoordeling van de Waalse en Brusselse kandidaturen van het CHU Tivoli, het Centre hospitalier EpiCURA, het Vivalia - CHCA Libramont en het ASBL Chirec Bruxelles. Verwerende partij brengt geen enkel verweer aan waarmee zij aantoont dat verzoekende partij niet discriminatoir behandeld werd. Verzoekende partij ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.635 XII-9706-22/51 moet dan ook vaststellen dat verwerende partij niet anders kan dan zich bij de argumentatie van verzoekende partij aan te sluiten. 63. Bovendien heeft het Verzekeringscomité niet alleen het CHU Tivoli, het Centre hospitalier EpiCURA, het Vivalia – CHCA Libramont en het ASBL Chirec Bruxelles bijkomend de tijd gegeven om hun kandidatuur aan te vullen en te wijzigen, maar heeft ze ook de Overeenkomst post factum aangepast – nadat de kandidatuur van verzoekende partij ingediend was én nadat de initiële termijn voor de aanvragen verlopen was. De Overeenkomst die momenteel gepubliceerd is op de website van het RIZIV bepaalt in art. 7, §1, namelijk […]: §1 Aantal PMOC Het aantal PMOC wordt beperkt in functie van het beschikbaar budget tot maximaal 25 PMOC. Elk centrum mag zich kandidaat stellen. De procedure en modaliteiten van kandidaatstelling worden bekend gemaakt via de website van het RIZIV. Indien er meer ontvankelijke kandidaturen zijn dan beschikbare plaatsen, zal de eerste contractant een selectie maken gebaseerd op volgende criteria: • De geografische verspreiding van de provincies waar de PMOC zich bevinden, gewogen voor het aantal inwoners, vanaf de 2de verjaardag tot de 18de verjaardag, per provincie. • Aantal rechthebbenden in permanente opvolging bij het PMOC op het moment van indienen van de aanvraag. Een centrum dat een kandidatuur heeft ingediend en op basis van het voormelde criterium in verband met de geografische spreiding en aantal rechthebbenden in aanmerking komt om toe te treden tot de overeenkomst, maar niet over de noodzakelijke expertise beschikt zoals gedefinieerd in artikel 7, paragraaf 4, krijgt uitstel tot 31 mei 2024 om te voldoen aan de voorwaarden van de overeenkomst inzake de noodzakelijk vereiste expertise. Daartoe kan een aanvullend of aangepast dossier ingediend worden voor 31 mei 2024. Deze tweede paragraaf van art. 7, §1 was echter niet terug te vinden in de oorspronkelijke Overeenkomst die verzoekende partij getekend heeft. Enkel de eerste paragraaf is terug te vinden in de initiële tekst […]. Het Verzekeringscomité draait het toekenningsproces echter om door eerst de kandidaten te selecteren waarmee men de Overeenkomst wil afsluiten, om daarna de Overeenkomst te wijzigen zodat deze kandidaten ook kunnen geselecteerd worden. Daarenboven besefte het Verzekeringscomité ook dat zij de vooropgestelde procedure niet gevolgd hebben, anders was er geen nood tot wijziging van de Overeenkomst, in tegenstelling tot wat verwerende partij beweert. Het post factum wijzigen van de Overeenkomst toont juist aan dat het Verzekeringscomité zelf aanvoelde dat het schoentje knelde bij de toepassing van hun vooropgestelde procedure voor de toewijzing van erkenningen aan kandidaat-PMOC. 64. Ten tweede werpt verzoekende partij niet op dat het patere legem-beginsel zou geschonden zijn. Bovendien wil verzoekende partij opmerken dat de stukken van het dossier aantonen dat verwerende partij het zelf niet eens is over wat de juiste procedure dan wel is. Uit de voorbereidende nota CGV 2023/348 […] volgt de vergadering van het verzekeringscomité inderdaad de tekst van Overeenkomst […] en éérst de ontvankelijkheid beoordeelt en daarna (voor de ontvankelijke kandidaturen) een voorlopige lijst van erkende PMOC’s opstelt. Dit op basis van het aantal belanghebbenden en het geografisch criterium. Later wijzigt zij (om een voor verzoekende partij XII-9706-23/51 onduidelijke reden) dit beslissingsproces volledig en start zij haar analyse met het geografisch criterium […]. 65. Ten derde voert verwerende partij aan dat de kandidatuur van verzoekende partij in elk geval onontvankelijk was op basis van het overgemaakte aantal rechthebbenden. Dit verbaast verzoekende partij ten zeerste: louter op basis van een prima facie beoordeling (die overigens manifest verkeerd
  6. is)van één element uit het aanvraagdossier van verzoekende partij, gaat verwerende partij ervan uit dat verzoekende partij geenszins tot de Overeenkomst zou kunnen toetreden. Verwerende partij vermeldt ook niet hoeveel dit minimale aantal rechthebbenden voor de toetreding tot de Overeenkomst zou zijn. De Overeenkomst legt alvast geen minimaal aantal rechthebbenden op, waarbij er – bij gebrek aan dit aantal – in geen geval toegetreden zou mogen worden tot de Overeenkomst. Integendeel, artikel 7, §2 van de Overeenkomst legt een overgangsmaatregel vast indien het richtgetal van 100 rechthebbenden bij opstart niet bereikt kan worden. Verwerende partij lijkt bijgevolg creatief om te gaan in de toepassing van de door haar opgelegde criteria ter verantwoording van haar weigeringsbeslissing. Bovendien is de vermelding van het aantal ‘rechthebbenden’ in OLVZ Aalst verkeerd. Uit de motivatie van de weigeringsbeslissing blijkt heel duidelijk dat het OLVZ Aalst bij haar eerste aanvraagdossier geen patiëntenlijst had overgemaakt aan het RIZIV. Dat was namelijk één van de redenen tot weigering van hun kandidatuur […]: Het Verzekeringscomité heeft vastgesteld dat de kandidatuurstelling van het Onze-Lieve-Vrouwziekenhuis Campus Aalst niet beantwoordt aan de voorwaarden opgenomen in artikel 7 van de overeenkomst, en meer bepaald: (…) • Geen overzicht meegegeven van het aantal rechthebbenden reeds permanent in behandeling conform artikel 7, § 1. De tweede aanvraag van het OLVZ Aalst, ingediend op 20 maart 2024, bevat daarentegen wel een lijst met aantal patiënten die momenteel in behandeling zijn […]: Bijlage 8. Rechthebbenden Consultaties obesitas Aantal Kindergeneeskunde Obesitas Arts 278 Kindergeneeskunde Obesitas Diëtiste 177 Kindergeneeskunde Obesitas Psycholoog 115 Uit bovenstaande tabel kan afgeleid worden dat het OLVZ Aalst zeker over voldoende patiënten beschikt om toe te treden tot de Overeenkomst. Tot slot, stelt verzoekende partij vast dat het criterium ‘rechthebbende’ niet duidelijk werd opgesteld […]. 66. Ten vierde stelt verzoekende partij vast dat verwerende partij wel poneert dat de patiëntenpopulatie zich eenvoudig van Vlaams-Brabant naar Limburg kan verplaatsen, maar zij geeft niet aan waarop zij zich baseert voor deze veronderstelling: Inderdaad werd een bepaalde verdeling/ verschuiving toegepast in Vlaanderen, van Limburg aan Vlaams-Brabant), wat een verantwoorde verschuiving is binnen Vlaanderen, van een populatie van patiënten die geografisch in de mogelijkheid zijn zich binnen dit gebied te verplaatsen. […] Verwerende partij poneert dat een verschuiving tussen Limburg en Vlaams- Brabant een ‘verantwoorde verschuiving’ binnen Vlaanderen is. Verzoekende partij moet vaststellen – als dergelijke verschuiving tussen eerder vermelde provincies zonder meer uitgevoerd kan worden – dat dit XII-9706-24/51 evengoed mogelijk moet zijn voor een verschuiving tussen de provincies Vlaams-Brabant en Oost-Vlaanderen. 67. Ten vijfde beweert verwerende partij dat uit de stukken en gegevens van het gezamenlijk dossier van AZ Voorkempen en AZ Klina zou moeten blijken dat het in se om een kandidatuur van AZ Voorkempen zou gaan. Zij brengt echter nog steeds geen stukken bij om dit aan te tonen, wat verzoekende partij ernstig doet twijfelen aan de waarachtigheid van deze bewering. In datzelfde opzicht wijst verzoekende partij erop dat het feit dat er patiëntengegevens opgenomen zijn in de kandidatuur van deze twee ziekenhuizen geen geldige reden is om hun dossier niet te delen. Zo oordeelt de Belgische Gegevensbeschermingsautoriteit (de ‘GBA’) bijvoorbeeld omtrent de inzage in een personeelsdossier dat persoonsgegevens van derden bevat: Wat betreft het antwoord van de verwerkingsverantwoordelijke in casu, waarin deze stelt dat, voorafgaand aan het verlenen van de inzage, dient te worden nagegaan of de betrokken documenten informatie bevatten die zou toelaten andere betrokkenen te identificeren, dient erop te worden gewezen dat overweging 63 AVG verduidelijkt dat hoewel het recht van inzage ‘geen afbreuk (mag) doen aan de rechten of vrijheden van anderen’, ‘die overwegingen (
  7. er)echter niet (mogen) toe leiden dat de betrokkene alle informatie wordt onthouden’. De Geschillenkamer wijst er in dit verband tevens op dat de verwerkingsverantwoordelijke desgevallend de persoonsgegevens van andere betrokkenen vooraf dient te verwijderen of anonimiseren, doch dat deze omstandigheid geen reden kan zijn voor het niet (tijdig) voldoen aan een verzoek tot inzage. In dit verband kan worden verwezen naar het arrest van het Italiaanse Hof van Cassatie van 14 december 2018, waarbij het Hof oordeelde dat een inzage in werknemersevaluaties niet kan worden geweigerd louter omwille van het feit dat deze eveneens gegevens bevatten van derde personen.[…] De GBA oordeelt dus dat een recht van inzage in principe geen afbreuk mag doen aan de rechten en vrijheden van anderen. De GBA verduidelijkt dat dit uitgangspunt er niet toe mag leiden dat een betrokkene alle informatie ontzegt mag worden (en dat de verwerkingsverantwoordelijke desgevallend de persoonsgegevens kan anonimiseren). Louter voorhouden dat het dossier van een collega-ziekenhuis persoonsgegevens bevat en bijgevolg niet voor inzage beschikbaar is, volstaat dan ook geenszins. 68. En tot slot, argumenteert verwerende partij dat zij niet gehouden was om 25 PMOC centra te erkennen niettegenstaande dat er 25 plaatsen voorzien waren. Dit argument strookt niet met het initiële doeleinde van de PMOC, namelijk om de erkende centra te spreiden en zo toegankelijk te maken voor iedere minderjarige patiënt die hier nood aan heeft. Indien het Verzekeringscomité de centra zo toegankelijk mogelijk wou maken voor de patiënten, dan zou zij de 25 voorziene plaatsen voor erkende PMOC volledig benut hebben. Zeker aangezien er kandidaturen waren, waaronder verzoekende partij, die wel degelijk voldeden (en nog steeds voldoen) aan de vooropgestelde kwaliteitscriteria. Deze doelstelling staat onder meer in art. 3 van de Overeenkomst […]: Onderhavige overeenkomst heeft als doel om een goed georganiseerd zorgaanbod te realiseren onder de vorm van een multidisciplinair zorgtraject. Daarbij is een goede geografische spreiding van belang, alsook een concentratie van een expertise met gespecialiseerde zorg in de PMOC en een goede samenwerking tussen de drie zorgniveaus. Een resultaatgericht multidisciplinair ‘stepped care’ zorgmodel, met regelmatige follow-up, is in ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.635 XII-9706-25/51 de aanpak van obesitas namelijk de meest efficiënte manier voor vroegdetectie, om tijdig tot een correcte diagnose te komen, de juiste multidisciplinaire behandeling aan te bieden en terugval te voorkomen. Via de realisatie van deze overeenkomst wil men samen met de ten laste genomen rechthebbenden en hun naaste omgeving komen tot een gezondere levensstijl. Ook de Nota aan de Ministerraad van 12 december 2023 vermeldt deze doelstelling […]: In een tweede fase dient het eerste lijnsniveau verder uitgewerkt te worden, waarbij onder meer ingezet wordt op de mogelijkheid om gespecialiseerde zorg dichter bij huis te kunnen aanbieden. Dit zal toelaten om sneller behandelin te starten. Hierdoor moet de zorg voor kwetsbare gezinnen meer toegankelijk worden. Dit zal worden uitgewerkt in overleg met de deelstaten. De overlegmomenten van het derde niveau met het tweede niveau en/of het eerste niveau moeten hierin worden opgenomen. Het is onlogisch om initieel een goed georganiseerd zorgaanbod te willen realiseren en toegankelijk te willen zijn voor de patiënten, om vervolgens geen gebruik te maken van het aantal voorzien[…]e plaatsen voor erkende PMOC. Bovendien zullen huidige en toekomstige patiënten afhaken doordat zij zich niet vlot kunnen verplaatsen naar de verder gelegen PMOC. Zoals reeds aangehaald komen deze minderjarige patiënten met overgewicht vaak uit zwakkere sociale milieus, waar de ouders meestal ook minder mobiel zijn (en bv. geen eigen gezinswagen hebben). Voor hen is dus cruciaal dat alle beschikbare plaatsen voor PMOC benut worden. Op die manier moeten zij zich minder ver verplaatsen en kunnen ze hun behandeling en opvolging langer volhouden. Het argument van verwerende partij kan dan ook niet gevolgd worden.” 17. In haar laatste memorie laat de verzoekende partij nog gelden: “19. De Eerste Auditeur kan niet ernstig aanvoeren dat verzoekende partij en CHU Tivoli, Centre hospitalier EpiCURA, Vivalia en ASBL Chirec Bruxelles zich niet in dezelfde situatie zouden bevinden. Al deze kandidaturen werden immers door verwerende partij niet in overweging genomen omdat zij onontvankelijk zouden zijn. De schending van het redelijkheidsbeginsel en het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel kan niet worden ontkend. Allereerst heeft verwerende partij de Overeenkomst post factum aangepast, toen zij vaststelde dat de Vlaamse ziekenhui[zen] beduidend meer ontvankelijke kandidaturen indienden dan Waalse en Brusselse ziekenhuizen. Om hier een mouw aan te passen, voegde zij en cours de route een bijkomende alinea toe aan artikel 7, §1 van de Overeenkomst. Het mag duidelijk zijn dat deze toevoeging enkel werd opgesteld om tegemoet te komen aan de Brusselse en Waalse ziekenhuizen. Niet alleen kregen de Waalse en Brusselse ziekenhuizen (in tegenstelling tot verzoekende partij) een bijkomende termijn om een aangepaste kandidatuur in te dienen, maar verwerende partij beloofde hen bijkomend dat deze ziekenhuizen zouden kunnen toetreden tot de overeenkomst van zodra verwerende partij hun ontvankelijke kandidatuur zou ontvangen. Wanneer verzoekende partij van diezelfde mogelijkheid gebruik maakte en een aangepaste kandidatuur indiende, antwoordde verwerende partij louter dat de termijn voor het indienen van een aanvraag afgelopen was sinds 31 oktober 2023 zodat er geen nieuwe kandidaturen meer zouden kunnen ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.635 XII-9706-26/51 worden ingediend. Dat de initiële termijn om een kandidatuur in te dienen verstreken was gold blijkbaar enkel voor verzoekende partij en niet voor de Brusselse en Waalse ziekenhuizen. Het is duidelijk dat verwerende partij met dit bericht verzoekende partij wou afschepen. Dat er geen sprake zou zijn van een ongelijke behandeling van deze kandidaturen is derhalve onjuist. 20. Overigens poneert de auditeur dat artikel 7, §1 van de Overeenkomst zou vermelden dat wanneer er voor een provincie onvoldoende ontvankelijke kandidaturen waren in functie van het aantal rechthebbenden, die kandidaten bijkomende tijd kregen om aan de voorwaarden te voldoen. Hierdoor insinueert zij dat de werkwijze om een bijkomende termijn toe te kennen aan de Brusselse en Waalse ziekenhuizen ab initio voorzien was door verwerende partij. Het mag duidelijk zijn dat deze zienswijze een eigen toevoeging is van de Eerste Auditeur aan de tekst van de Overeenkomst, die enkel bepaalt dat: Een centrum dat een kandidatuur heeft ingediend en op basis van het voormelde criterium in verband met de geografische spreiding en aantal rechthebbenden in aanmerking komt om toe te treden tot de overeenkomst, maar niet over de noodzakelijke expertise beschikt zoals gedefinieerd in artikel 7, paragraaf 4, krijgt uitstel tot 31 mei 2024. […] 21. Het belang van verzoekende partij bij de gezamenlijke erkenning van AZ Klina en AZ Voorkempen kan niet worden betwist. De Eerste Auditeur (en verwerende partij) houdt voor dat het aantal rechthebbenden van AZ Klina niet zouden zijn meegeteld voor de kandidatuur van AZ Voorkempen. Verzoekende partij beschikt evenwel niet over deze kandidatuur, zodat zij dit niet kan nagaan. Bijkomend blijft de samenwerking tussen twee ziekenhuizen een omzeiling van het beperkt aantal beschikbare plaatsen per provincie. Overigens werden kandidaat-PMOC’s bij de oproep tot kandidaatstelling niet ingelicht van het aantal toegewezen centra per provincies. Aangezien een samenwerking tussen twee ziekenhuizen wordt aanvaard als één kandidatuur, had cliënte desgevallend ook een samenwerking met een ander ziekenhuis kunnen aangaan. Op die manier had zij enerzijds een concurrerend lid kunnen uitschakelen en anderzijds haar kans op de toekenning van een beschikbare plaats aanzienlijk kunnen vergroten. 22. Het staat aldus vast dat het eerste middel ontvankelijk en gegrond is.” Beoordeling 18. Het auditoraat heeft het eerste middel, zoals uiteengezet in het verzoekschrift en zoals aangevuld in de memorie van wederantwoord, weergegeven in de zin als hiervoor (zie supra, randnummers 15 en 16). Partijen hadden in hun navolgende processtukken geen kritiek op deze analyse. De beoordeling van het middel wordt daarom aan de hand van deze samenvatting verricht. 19. Door het auditoraat wordt tot de ongegrondheid van het eerste middel besloten op grond van de volgende overwegingen: XII-9706-27/51 “B. Beoordeling 6.6. De grondwettelijke regels van gelijkheid en niet-discriminatie, zoals vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, vereisen dat allen die zich in eenzelfde toestand bevinden op gelijke wijze worden behandeld. Het gelijkheidsbeginsel belet dat een willekeurig onderscheid wordt gemaakt tussen burgers. De grondwettelijke regels van gelijkheid en niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld, rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen. 6.7. De verwerende partij heeft de PMOC aangeduid op basis van de geografische spreiding en op basis van het aantal rechthebbenden in permanente opvolging. Het geografisch criterium werd als volgt omschreven in het ontwerp van overeenkomst, zoals goedgekeurd op 25 september 2023: ‘De geografische verspreiding van de provincies waar de PMOC zich bevinden, gewogen voor het aantal inwoners, vanaf de 2de verjaardag tot de 18de verjaardag per provincie.’ In haar vergadering van 27 november 2023 heeft het Verzekeringscomité, met het oog op geografische spreiding, eerst de 25 beschikbare plaatsen verdeeld tussen de drie gewesten op grond van het percentage obese kinderen van 2 tot en met 17 jaar per gewest ten opzichte van het totaal aantal obese kinderen in België. Zo kwam men tot een verdeling van 11 PMOC voor Vlaanderen, 9 PMOC voor Wallonië en 5 PMOC voor Brussel. Voor Vlaanderen en Wallonië werd het aantal naar beneden afgerond, voor Brussel werd het aantal naar boven afgerond. Het aantal beschikbare plaatsen per gewest werd verder onderverdeeld per provincie in functie van het aantal inwoners van 2 tot en met 17 jaar per provincie ten opzichte van het aantal inwoners van 2 tot en met 17 jaar in het betreffende gewest. Tot slot werden per provincie de ontvankelijke kandidaturen vergeleken aan de hand van het aantal rechthebbenden. Wanneer er voor een provincie onvoldoende ontvankelijke kandidaturen waren in functie van het aantal beschikbare plaatsen, kregen de kandidaten bijkomend tijd tot 31 mei 2024 om aan de voorwaarden van de overeenkomst te voldoen (zie de aanvulling in die zin van artikel 7, §1 van de overeenkomst). Deze werkwijze, die duidelijk blijkt uit de nota aan het Verzekeringscomité van 27 november 2023 die door de verzoekende partij ook wordt neergelegd in haar stukkenbundel, wordt door de verzoekende partij op geen enkele wijze betrokken in haar middel. Gelet op deze voorafgaandelijke toepassing van het geografisch criterium toont de verzoekende partij niet aan dat zij zich in een zelfde toestand bevond als het CHU Tivoli, het Centre hospitalier EpiCURA, het Vivalia - CHCA Libramont en het ASBL Chirec Bruxelles. Immers, voor de provincie Oost-Vlaanderen had de verwerende partij reeds meer ontvankelijke kandidaturen, die reeds voldeden aan de toetredingsvoorwaarden, ontvangen dan dat er beschikbare plaatsen waren. Aangezien reeds vier ziekenhuizen gelegen in de provincie Oost-Vlaanderen aan alle toetredingsvoorwaarden voldeden en het aantal rechthebbenden in opvolging hadden opgegeven, was er geen enkele reden om aan de verzoekende partij nog een bijkomende termijn te geven om haar kandidatuur te vervolledigen of om te zorgen dat zij aan de toetredingsvoorwaarden kon voldoen. Wel integendeel zou de verwerende partij de kandidaten uit de provincie Oost-Vlaanderen ongelijk behandeld hebben indien zij aan de verzoekende partij bijkomend de gelegenheid zou hebben geboden om haar ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.635 XII-9706-28/51 kandidatuur te vervolledigen of om te zorgen dat zij aan de toetredingsvoorwaarden kon voldoen om dan na verloop van tijd haar kandidatuur te vergelijken met de kandidaturen die reeds zes maanden voordien op ontvankelijke wijze waren ingediend. Aangezien de kandidatuur van de verzoekende partij niet voldeed aan de toetredingsvoorwaarden was er ook geen enkele reden waarom de verwerende partij nog navraag had dienen te doen met betrekking tot het aantal rechthebbenden dat de verzoekende partij in opvolging zou hebben. 6.8. Met betrekking tot de kritiek gericht tegen de gezamenlijke selectie van het AZ Klina en AZ Voorkempen moet worden vastgesteld dat deze kritiek niet gegrond is. De verwerende partij merkt in haar memorie van antwoord op dat de gezamenlijke kandidatuur eigenlijk een kandidatuur was van het AZ Voorkempen. Uit de neerlegging van bijkomende stukken in het administratief dossier blijkt dat de kandidatuur inderdaad werd ingediend door het AZ Voorkempen van waaruit het kinderobesitastraject wordt gecoördineerd. Er is weliswaar een samenwerking met betrekking tot dit traject met het AZ Klina, maar alle voorgelegde gegevens blijken betrekking te hebben op het AZ Voorkempen, zowel met betrekking tot het personeel en de infrastructuur als met betrekking tot het aantal patiënten in begeleiding.” 20. In haar laatste memorie bekritiseert de verzoekende partij de redenering in het auditoraatsverslag. Daartoe herhaalt zij in essentie op een uitgebreide en parafraserende wijze haar standpunt, zoals aangevoerd in het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord, zonder inhoudelijk afbreuk te doen aan de redenering in het auditoraatsverslag. Voor zover de verzoekende partij in haar laatste memorie nog laat gelden dat zij niet werd ingelicht over het toe te wijzen aantal plaatsen per provincie en zij desgevallend een samenwerking zou zijn aangegaan om een concurrerend ziekenhuis uit te schakelen en meer kans te maken op een plaats, maakt zij dit niet aannemelijk. Zij toont vooreerst niet aan waarom zij terecht kon menen meer kans te maken op een plaats op basis van de geografische spreiding, zoals meegedeeld voorafgaand aan de indiening van de kandidaturen. Bovendien kan een PMOC ook in geval van samenwerking slechts op één plaats worden aangeboden zodat het weinig aannemelijk lijkt dat een concurrerend ziekenhuis zich op die manier inderdaad zou laten “uitschakelen”. 21. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het eerste middel ongegrond. XII-9706-29/51 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 22. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in een tweede middel de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Het lid van het auditoraat vat de essentie van het middel, zoals uiteengezet in het verzoekschrift, als volgt samen in haar verslag: “Eerste onderdeel: de selectiecriteria zijn onduidelijk en onnauwkeurig geformuleerd en derhalve in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel 6.9. De verzoekende partij wijst er op dat de selectiecriteria in artikel 7 van de overeenkomst eenzijdig bepaald werden door het RIZIV en dat hierbij geen overleg gepleegd werd met de mogelijke kandidaten, die verplicht zijn de overeenkomst te ondertekenen om op ontvankelijke wijze een kandidatuur in te dienen. Zij meent dat het tweede selectiecriterium met betrekking tot het aantal rechthebbenden niet duidelijk is. Uit het kandidaatstellingsformulier bleek dat de lijst met rechthebbenden maar moest worden toegevoegd als die beschikbaar was. Zij kon hieruit dan ook niet afleiden dat dit een determinerend criterium zou zijn. Minstens had zij de verwachting dat zij haar lijst nog op een later tijdstip kon toevoegen. 6.10. Daarnaast is het criterium niet duidelijk omdat het rekening houdt met ‘het aantal rechthebbenden in permanente opvolging bij het PMOC’. Opnieuw bepaalt het RIZIV haar selectiecriterium op basis van de rechthebbende patiënten van een PMOC terwijl het PMOC nog niet erkend is en dus nog niet bestaat. Daarnaast zou ook de term ‘rechthebbende’ onduidelijk zijn. Artikel 2 van de overeenkomst definieert een rechthebbende als: ‘rechthebbende die aanspraak kan maken op de vastgestelde verstrekkingen in de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994.’ Bij deze omschrijving maakt men zelfs geen onderscheid tussen minderjarigen die aan obesitas lijden en zowat iedereen die onder het toepassingsgebied van de Wet van 14 juli 1994 valt. Verder in de overeenkomst wordt in artikel 4, §1 ‘rechthebbenden van de overeenkomst’ omschreven als: ‘Het in onderhavige overeenkomst beoogde multidisciplinaire zorgtraject wordt voorbehouden aan rechthebbenden van de ziekteverzekering die lijden aan obesitas, vanaf de 2de verjaardag tot de 18de verjaardag. Een rechthebbende kan geïncludeerd worden als zijn BMI groter of gelijk is aan het percentiel dat de grenswaarde is voor obesitas voor de referentiepopulatie van de rechthebbende.’ Volgens verzoekende partij zou deze definitie voor meerdere interpretaties vatbaar zijn aangezien het niet duidelijk zou zijn of elke minderjarige die een te hoog BMI heeft en reeds minstens éénmaal contact heeft gehad met het ziekenhuis meegerekend wordt, of het enkel om minderjarigen gaat die reeds in een multidisciplinair traject zitten bij het betrokken ziekenhuis, zoals het traject dat de overeenkomst wil omschrijven, ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.635 XII-9706-30/51 of patiënten die reeds onder de nomenclatuurnummers 794931 en 794916 behandeld worden, meegerekend kunnen worden (dit zijn patiënten die onder volgende beschrijving vallen: individuele diëtistische evaluatie en/of interventie voor een kind met overgewicht of obesitas, met een minimumduur van 30 minuten (nomenclatuurnummer 794931) of individuele diëtistische indicatiestelling voor een kind met overgewicht of obesitas, met een minimumduur van 60 minuten (nomenclatuurnummer 794916), of minderjarige patiënten die obesitas hadden op het moment van opname in het ziekenhuis meegerekend mogen worden. Het zou de verzoekende partij ook niet duidelijk zijn wat wordt bedoeld met ‘de referentiepopulatie van de rechthebbende’. 6.11. Verder zou de verwerende partij het zorgvuldigheidscriterium geschonden hebben door niet na te gaan welke definitie de verschillende kandidaten gehanteerd hebben bij hun aanvraag tot toetreding tot de overeenkomst. Noch uit de beslissing, noch uit de voorgaande nota blijkt dat het RIZIV rekening gehouden heeft met het feit dat dit criterium voor interpretatie vatbaar is en nergens blijkt uit dat het RIZIV het nodige onderzoek heeft gevoerd om te verzekeren dat alle kandidaten dezelfde telwijze gehanteerd hebben. Tweede onderdeel: de selectiecriteria zijn arbitrair, niet pertinent en missen iedere grondslag waardoor zij het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel schenden 6.12. De verzoekende partij voert aan dat de selectiecriteria arbitrair gekozen zijn en niet dienstig om het doel van de oprichting van de PMOC, zoals vermeld in artikel 3 van de overeenkomst, te verwezenlijken. De keuze voor slechts een zeer beperkt aantal PMOC per provincie zou een goed georganiseerd zorgaanbod onder de vorm van een multidisciplinair zorgtraject niet faciliteren. Op dit moment zijn er immers meer dan 25 ziekenhuizen, waaronder het, waar er een behandeling geboden wordt voor obese kinderen en in het OLV-ziekenhuis te Aalst loopt dit reeds goed a.d.h.v. een traject waarbij de patiënten opgevolgd en ondersteund worden door een multidisciplinair team dat overeenstemt met de criteria vermeld in artikel 7, §4 van de overeenkomst. Men biedt dus al de zorg aan die de overeenkomst tot oprichting van de PMOC beoogt. Dit criterium mist dan ook iedere grondslag. 6.13. Daarnaast is ook de bijkomende geografische analyse per provincie als selectiecriterium niet verantwoord in functie van het beoogde belang van een goede geografische spreiding van het zorgaanbod. Het huidige zorgaanbod van het OLV-ziekenhuis te Aalst wordt de facto immers onmogelijk gemaakt of minstens aanzienlijk beperkt. In Oost-Vlaanderen zal er vanaf 1 december 2023 (de datum van de inwerkingtreding van de overeenkomst) maar op drie plaatsen erkende zorg worden aangeboden aan obese kinderen, namelijk in het AZ Alma in Eeklo, het AZ Maria Middelares te Gent en het Az Jan Palfijn te Gent, terwijl het zorgaanbod voordien ruimer was. De patiënten word[t] de mogelijkheid ontzegd om in de nabijheid van hun woonplaats de nodige zorg te krijgen als obese patiënt. Dit is des te problematischer nu obese kinderen vaker afkomstig zijn uit zwakkere sociale klassen, waarbij de ouders minder mobiel zijn (doordat ze niet beschikken over een gezinswagen bijvoorbeeld). Het is dan ook volstrekt onzorgvuldig en kennelijk onredelijk dat het RIZIV het zorgaanbod zo drastisch beperkt met als doelstelling een ‘goede geografische spreiding’. De selectiecriteria zijn ook voor deze doelstelling niet pertinent. 6.14. Verder klopt het volgens de verzoekende partij ook niet dat de keuze voor een beperkt aantal PMOC per provincie zou bijdragen tot een concentratie van expertise met gespecialiseerde zorg. In ieder geval dragen ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.635 XII-9706-31/51 de vooropgestelde selectiecriteria er niet toe bij dat alleen de centra met een expertise en gespecialiseerde zorg zouden worden weerhouden, integendeel. De verzoekende partij wel degelijk beschikken over de nodige expertise (o.a. een multidisciplinair personeelskader, met kinderartsen, diëtisten, kinesisten en psychologen met de nodige ervaring met kinderobesitas). Bovendien zou het schrijnend zijn dat er voor dergelijke patiëntenpopulatie, namelijk jong obese kinderen, geopteerd wordt voor een vorm van concentratie van de aangeboden zorg. Een aanzienlijk deel van deze obese, jonge patiënten komt voort uit een zwakke(
  8. re)sociale klasse en het wordt hen net moeilijker gemaakt om de juiste zorg te bereiken of om de eerste stap te zetten om effectief een vorm van zorgverlening op te zoeken door te werken met een vorm van ‘concentratie’ van de zorg. De assumptie dat de selectiecriteria verantwoord zijn door de doelstelling van een concentratie van expertise met gespecialiseerde zorg in de PMOC zou dan ook iedere grondslag missen. 6.15. Daarnaast heeft de verzoekende partij vragen bij de manier waarop de verwerende partij haar doelstelling van een goede samenwerking tussen de drie zorgniveaus wil bewerkstelligen. De verzoekende partij beaamt dat dat belangrijk is, maar deze samenwerking verloopt op heden reeds goed en de zorgverleners van de verschillende zorgniveaus vinden elkaar vlot en overleggen met elkaar. Door het zorgaanbod evenwel te concentreren tot een beperkt aantal PMOC, kunnen de zorgverleners die geconfronteerd worden met een obese minderjarige patiënt op minder plaatsen terecht. De concentratie tot een beperkt aantal obesitascentra per provincie (en, bij uitbreiding, voor heel België) mist haar doelstelling. 6.16. Tot slot verwijst de verzoekende partij naar een gelijkaardige recente uitspraak uit Nederland, uitgesproken door de Rechtbank Midden-Nederland op 11 januari 2024 waarbij geoordeeld werd dat een besluit van de minister om de interventies bij kinderen met aangeboren hartafwijking en hoog complexe interventies bij volwassenen met een aangeboren hartafwijking te concentreren bij twee universitaire medische centra, niet geoorloofd was. Uit deze gelijkaardige zaak zou kunnen afgeleid worden dat bij het bepalen van een concentratie van aangeboden zorg a.d.h.v een beperkt aantal erkenningen, de behoefte van de bevolking voor deze zorg grondig moet onderzocht worden om te dienen als basis voor deze beperking in aanbod. Dit zou in casu niet gebeurd zijn. De selectiecriteria die ten grondslag liggen aan de beperking in het zorgaanbod voor obese minderjarigen volstaan niet om te verantwoorden waarom het zorgaanbod beperkt moet worden tot 25 erkende PMOC. Ook de behoefte van de betrokken patiënten wordt door de verwerende partij niet verder onderzocht of aangetoond. Nochtans toont de Nederlandse uitspraak aan dat deze behoefteanalyse essentieel is om tot een beperking in de zorg te kunnen overgaan. 6.17. Uit dit alles zou volgen dat de selectiecriteria die door het RIZIV worden aangewend om een verdere keuze tussen de ontvankelijke kandidaturen te kunnen maken, willekeurig, onzorgvuldig en kennelijk onredelijk zijn.” 23. In de memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij, wat het eerste onderdeel van het middel betreft, hieraan toe: “78. Verzoekende partij moet vaststellen dat verwerende partij niet antwoordt op het argument uit haar verzoekschrift. Zij geeft geen enkele toelichting over de toepassing en/of invulling van het ‘geografisch criterium’. Zij ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.635 XII-9706-32/51 verduidelijkt evenmin hoe een ‘rechthebbende’ geïnterpreteerd moet worden, terwijl dit net hetgeen is dat verzoekende partij onder dit middel aan de kaak stelt. Verzoekende partij krijgt hiervoor geen enkele verklaring.” Wat het tweede onderdeel betreft, voegt zij toe: “89. Verwerende partij gaat opnieuw niet in op de vaststelling van verzoekende partij dat de zorg vóór de erkenning van de PMOC reeds voldeed aan de doelstellingen vooropgesteld door de Overeenkomst. Het zorgaanbod was reeds goed georganiseerd en multidisciplinair, volgens een goede geografische spreiding mét concentratie van expertise en mét een goede samenwerking tussen de drie zorgniveaus. 90. Verwerende partij werpt nogmaals op dat de goede geografische spreiding van de PMOC noodzakelijk was. Echter, als het Verzekeringscomité bij de erkenning van de PMOC vaststelde dat het vooropgestelde kader van 25 centra niet zou voldoen aan de doelstelling van de Overeenkomst en niet voor de geografische spreiding zou zorgen die het Verzekeringscomité vooropgesteld had, dan had zij een nieuw kader moeten ontwikkelen waarbij wel aan deze doelstellingen voldaan werden. Het feit dat zij ervoor opteerde om geen deugdelijk (nieuw) kader te creëren geeft het Verzekeringscomité geen vrijgeleide om onontvankelijke kandidaturen te bevoordeligen op ontvankelijke kandidaturen. 91. Tot slot maakt verzoekende partij duidelijk dat zij – anders dan verwerende partij voorhoudt – de criteria zoals neergelegd in de Overeenkomst wel degelijk betwist.“ 24. In haar laatste memorie laat de verzoekende partij nog gelden: “a. Eerste onderdeel: de selectiecriteria zijn onduidelijk en onnauwkeurig geformuleerd en derhalve in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel […] 26. Wat betreft de afwijzing van de kandidatuur van verzoekende partij omdat zij niet voldeed aan de toetredingsvoorwaarden, verwijst verzoekende partij naar hetgeen zij hierover in het eerste middel heeft uiteengezet […]. Op grond hiervan is het wel degelijk relevant om te oordelen of verzoekende partij nog de mogelijkheid moest worden geboden een lijst met patiënten bij te brengen. ASBL Chirec Bruxelles voegde immers evenmin een lijst met rechthebbenden toe aan het onontvankelijke kandidatuur en dit ziekenhuis [werd] wél de mogelijkheid geboden om dit te regulariseren. Dat de kandidatuur van verzoekende partij derhalve ook alsnog in overweging zou moeten zijn genomen door verwerende partij staat vast. 27. Aangezien kandidaturen desgevallend worden afgewezen op basis van de selectiecriteria vermeld in artikel 7, §1 van de Overeenkomst, kan verder het belang van verzoekende partij bij de beoordeling van de onduidelijkheid ervan evenmin worden ontkend. b. Tweede onderdeel: de selectiecriteria zijn arbitrair, niet pertinent en missen iedere grondslag waardoor zij het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel schenden […] XII-9706-33/51 30. De Eerste Auditeur voert aan dat verzoekende partij de beslissing om maximaal 25 PMOC te erkennen niet heeft aangevochten. Deze kritiek is in casu evenwel naast de kwestie en irrelevant. Het is net verwerende partij die het beslissingskader aanpaste op het moment dat zij vaststelde dat er beduidend meer ontvankelijke kandidaturen van Vlaamse ziekenhuizen werden ingediend dan van Waalse en Brusselse ziekenhuizen. Anders dan de oproep tot kandidatuurstelling op dat moment in te trekken en de selectiecriteria aan te passen of zelfs het aantal beschikbare plaatsen te verhogen, trachtte verwerende partij haar eigen inschattingsfout te remediëren door het beslissingskader naar haar hand te zetten. Ten gevolge hiervan heeft zij op heden inderdaad bekomen dat de Brusselse en Waalse ziekenhuizen die destijds een onontvankelijke kandidatuur hebben ingediend op heden tóch zijn toegetreden tot de Overeenkomst, weliswaar ten koste van verzoekende partij. Het is dan ook de schending van verscheidene beginselen van behoorlijk bestuur bij de erkenning van de kandidaat-PMOC die door verzoekende partij wordt aangevochten, niet het aantal PMOC. Overigens vormt enige mate van beleidsvrijheid geen rechtvaardigingsgrond voor verwerende partij om af te wijken van een vooraf vastgelegd beslissingskader. Het argument dat de Eerste Auditeur dienaangaande aanvoert is derhalve irrelevant. 31. Anders dan de Eerste Auditeur aanvoert, bracht verzoekende partij wel degelijk een stuk bij met de nomenclatuurcodes die zij op vandaag aanrekent voor de behandeling van obese kinderen […]. Verzoekende partij wijst voor de volledigheid nogmaals naar het belangrijk financieel verschil tussen de behandeling van patiënten met conventie (d.i. als erkend PMOC) en zonder conventie. 32. De Eerste Auditeur voegt nog toe dat verzoekende partij onvoldoende aannemelijk maakt dat het voor haar patiënten onmogelijk zou zijn zich te verplaatsen naar de erkende centra in Gent. De verplaatsingstijd van verzoekende partij naar deze centra is evenwel aanzienlijk: - verzoekende partij – AZ Jan Palfijn Gent: ca. 45 minuten met de auto resp. 1u20 met het openbaar vervoer; - verzoekende partij – AZ Maria Middelares: ca. 40 minuten met de auto resp. 1u20 met het openbaar vervoer; - verzoekende partij – AZ Alma: ca. 1u20 met de auto resp. 2u met het openbaar vervoer. Daarbij worden files, voldoende en tijdige aansluitingen met het openbaar vervoer enz. nog buiten beschouwing gelaten. Uiteraard vertrekken patiënten niet bij verzoekende partij, maar er kan redelijkerwijze worden aangenomen dat zij zich in de buurt van verzoekende partij bevinden. De Eerste Auditeur kan aldus niet ernstig aanvoeren dat een aanrijtijd van 45 minuten tot zelfs 2 uur redelijk is, te meer nu het over jonge kinderen gaat die frequent moeten worden opgevolgd. 33. De Auditeur bekritiseert ten slotte nog dat verzoekende partij niet aantoont dat zij over meer expertise zou beschikken dan de geselecteerde kandidaten in Oost-Vlaanderen. Deze kritiek duidt op het belang van verzoekende partij bij de inzage in de kandidaturen van de overige ziekenhuizen. Immers, hoe kan verzoekende partij aantonen dat zij meer expertise heeft wanneer zij de kandidaturen van de erkende kandidaturen in Oost-Vlaanderen niet kan inkijken? 34. Het hoeft geen verder betoog dat, gelet op al he[t] voorgaande, het derde middel in haar geheel ontvankelijk en gegrond is.” XII-9706-34/51 Beoordeling 25. Het auditoraat heeft het tweede middel, zoals uiteengezet in het verzoekschrift en zoals aangevuld in de memorie van wederantwoord, weergegeven in de zin als hiervoor (zie supra, randnummers 22 en 23). Partijen hadden in hun navolgende processtukken geen kritiek op deze analyse. De beoordeling van het middel wordt daarom aan de hand van deze samenvatting verricht. 26. Door het auditoraat wordt, in zoverre het middel ontvankelijk is, tot de ongegrondheid ervan besloten op grond van de volgende overwegingen: “B. Beoordeling Eerste onderdeel: de selectiecriteria zijn onduidelijk en onnauwkeurig geformuleerd en derhalve in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel, rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel 6.18. De kandidatuur van de verzoekende partij werd afgewezen omdat ze niet voldeed aan de toetredingsvoorwaarden terwijl er voor de provincie Oost-Vlaanderen meer dan voldoende kandidaturen waren die wel voldeden. De vraag of haar de mogelijkheid moest worden geboden om de lijst met het aantal patiënten in opvolging nog bij te brengen, is dan ook niet relevant, net zo min als de vraag of dit criterium voldoende duidelijk was. Zij beschikt niet over het vereiste belang bij dit onderdeel van het tweede middel. Tweede onderdeel: de selectiecriteria zijn arbitrair, niet pertinent en missen iedere grondslag waardoor zij het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel schenden 6.19. Onder het tweede middelonderdeel voert de verzoekende partij kritiek aan met betrekking tot de keuze van de verwerende partij om het aantal PMOC te beperken en om een geografische spreiding van het betrokken zorgaanbod slechts tot op het niveau van de provincies door te voeren. 6.20. Vooreerst moet worden opgemerkt dat de verzoekende partij nergens in haar verzoekschrift de onwettigheid aanvoert van de beslissing van de verwerende partij van 25 september 2023 waarbij het aantal PMOC werd bepaald op maximaal 25. Daarnaast betreft de keuze om de PMOC te beperken tot 25 en bijgevolg niet alle ziekenhuizen waar obese kinderen worden behandeld op te nemen in het multidisciplinaire zorgtraject in belangrijke mate een beleidskeuze op grond van financiële redenen die niettemin ook gesteund blijkt op de prevalentiecijfers aangeleverd door de Belgische Vereniging voor de Studie van Obesitas. De verzoekende partij toont niet op overtuigende wijze aan dat het voorziene aantal PMOC geenszins tegemoet komt aan de behoefte. 6.21. Voorts stelt de verzoekende partij dat de zorg die beoogd wordt met de overeenkomst reeds aangeboden wordt door meer dan 25 centra zodat de doelstelling van de overeenkomst om een goed georganiseerd zorgaanbod te realiseren onder de vorm van een multidisciplinair zorgtraject iedere grondslag zou missen. De verwerende partij beschikt over een ruime discretionaire bevoegdheid om het zorgaanbod mee vorm te geven en de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.635 XII-9706-35/51 verzoekende partij vraagt de Raad van State zich uit te spreken over de opportuniteit van de ontworpen regeling, waarvoor de Raad niet bevoegd is. Binnen het Verzekeringscomité dat is samengesteld uit diverse groepen van zorgverleners en verzekeringsinstellingen werd geoordeeld dat er een nood was om gespecialiseerde zorg te voorzien in het tweede niveau waarbij de multidisciplinaire aanpak centraal staat, alsook een goede samenwerking tussen de drie zorgniveau’s. Daarbij oordeelde men dat een bundeling van de expertise met gespecialiseerde zorg in PMOC’s aangewezen was. Het loutere feit dat de verzoekende partij reeds een multidisciplinaire aanpak van obese kinderen zou voorzien, toont trouwens niet aan dat een gecoördineerde aanpak, met onder meer een duidelijke taakomschrijving en uitgebreide voorwaarden met betrekking tot personeel en infrastructuur en structurele samenwerking tussen de zorgniveaus volledig overbodig zou zijn of dat de bestaande zorg reeds aan alle kenmerken voldoet van de zorg die met de overeenkomst wordt gerealiseerd. Bovendien wijst de verwerende partij er in haar memorie op dat de centra die obese kinderen behandelen, dit verder kunnen blijven doen onder de bestaande nomenclatuurnummers. Zij kunnen enkel geen aanspraak maken op het bijkomende budget dat met de overeenkomst wordt voorzien voor het multidisciplinair zorgtraject zoals het trimestrieel forfait, het honorarium voor advies en ondersteuning van het eerste zorgniveau, … (zie hiervoor de artikelen 10, 11 en 12 van de overeenkomst). Zoals de verzoekende partij ook zelf uiteen zet in haar verzoekschrift bij de situering van de bestreden beslissing, gaat het om het voorzien van een bijkomende financiering voor de behandeling van obese kinderen in multidisciplinaire zorgcentra zonder afbreuk te doen aan de bestaande verleende zorg voor obese kinderen. De verzoekende partij zet ook niet uiteen welke nomenclatuurnummers zij op vandaag aanrekent in het kader van de behandeling van obese kinderen welke zij als gevolg van de bestreden beslissing niet meer zou kunnen aanrekenen. 6.22. In de mate de verzoekende partij kritiek uit op het feit dat er binnen de provincies geen verdere geografische spreiding meer werd nagestreefd, heeft zij geen belang bij deze kritiek aangezien haar kandidatuur niet voldeed aan de toetredingsvoorwaarden. Bovendien heeft zij de aanduiding van de drie PMOC’s binnen de provincie Oost-Vlaanderen niet aangevochten met een vernietigingsberoep zodat de drie beschikbare plaatsen voor de provincie Oost-Vlaanderen definitief zijn toebedeeld en er geen herschikking in functie van een verdere geografische spreiding binnen de provincie meer mogelijk is. 6.23. Daarnaast vormt ook de keuze om een geografische spreiding van deze PMOC te bewerkstelligen op niveau van de provincies in belangrijke mate een beleidskeuze. Uit de voorbereidende documenten en de stukken van het administratief dossier blijkt dat vooreerst een bundeling van expertise met gespecialiseerde zorg wordt nagestreefd. Daarnaast wordt ook het belang van een goede geografische spreiding aangegeven. De verwerende partij streeft bijgevolg een evenwicht tussen de beide na door enerzijds te voorzien in een geografische spreiding van het beschikbare aantal centra over de gewesten en de provincies en anderzijds binnen de provincies de voorkeur te geven aan centra met het grootste aantal patiënten reeds in behandeling. De verzoekende partij maakt onvoldoende aannemelijk dat het voor patiënten uit de regio Aalst- onmogelijk zou zijn om zich te verplaatsen naar de erkende centra in Gent. Gelet daarop toont de verzoekende partij niet aan dat het bestreden besluit kennelijk onredelijk is door de voorkeur te geven aan twee centra rond Gent en één centrum te Eeklo die op grond van de ingediende kandidaturen voldoen aan de toetredingsvoorwaarden en een groter aantal patiënten reeds in opvolging blijken te hebben dan de verzoekende partij. XII-9706-36/51 6.24. Voorts kan uit het feit dat de verzoekende partij niet geselecteerd werd niet worden afgeleid dat de selectie van de PMOC niet zou leiden tot een concentratie van expertise met gespecialiseerde zorg. De verzoekende partij maakt niet aannemelijk dat zij over meer expertise beschikt dan de kandidaten die wel geselecteerd werden voor de provincie Oost-Vlaanderen, temeer daar haar kandidatuur niet voldeed aan de toetredingsvoorwaarden. Evenmin toont zij aan dat door de concentratie van het zorgaanbod op enkele plaatsen, waardoor de zorgverleners van niveau 1 zich enkel tot die plaatsen zouden wenden met hun vragen, leidt tot een minder goede samenwerking tussen de drie zorgniveaus. Het valt te verwachten dat een intensieve samenwerking tussen dezelfde partners leidt tot een vlotte samenwerking. 6.25. Tot slot toont de verzoekende partij onvoldoende de relevantie aan ter ondersteuning van de gegrondheid van haar middel van een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland die betrekking heeft op de beoordeling van een besluit van een Nederlandse minister met betrekking tot de concentratie van interventies bij kinderen met een aangeboren hartafwijking bij slechts twee universitaire medische centra. Deze beslissing werd door de rechtbank immers getoetst aan het Nederlandse wettelijke kader, in de context van het Nederlandse zorglandschap, heeft betrekking op interventies met betrekking tot hartafwijkingen en heeft betrekking op de concentratie van de betreffende zorg in 2 in plaats van te dezen 25 centra. Te dezen gaat het bovendien niet zozeer om het beperken van een bestaand aanbod maar om het uitbreiden van de zorg in enkele multidisciplinaire centra voor de uitbouw van een multidisciplinair zorgtraject voor kinderen met obesitas. Zoals reeds gezegd, verhindert de bestreden beslissing niet dat de verzoekende partij in de toekomst nog kinderen met obesitas zou behandelen. Voorts kan wat betreft de keuze van de verwerende partij om voor dit zorgtraject slechts 25 PMOC’s op te richten, verwezen worden naar hetgeen hiervoor reeds werd gesteld. De verzoekende partij brengt geen overtuigende elementen aan om aan te tonen dat dit aantal geenszins kan beantwoorden aan de bestaande behoefte voor dit multidisciplinaire zorgtraject. Het tweede middelonderdeel van het tweede middel is deels onontvankelijk, deels niet gegrond.” 27. In zoverre de verzoekende partij in haar laatste memorie, wat het eerste onderdeel van het middel betreft, nog laat gelden dat het wel degelijk relevant was om te oordelen of zij nog de mogelijkheid moest worden geboden een lijst met patiënten bij te brengen nu het ASBL Chirec Bruxelles evenmin een lijst met rechthebbenden toevoegde aan de onontvankelijke kandidatuur en dit ziekenhuis wel de mogelijkheid geboden werd om dit te regulariseren, zodat alsnog haar kandidatuur in overweging zou moeten zijn genomen door de verwerende partij, volstaat de vaststelling dat zij met dit argument niet aantoont dat zij aan de toetredingsvoorwaarden voldeed noch dat zij aannemelijk maakt dat, wat de provincie Oost-Vlaanderen betreft, onvoldoende kandidaturen werden ingediend die wel voldeden. XII-9706-37/51 In zoverre de verzoekende partij, wat het tweede onderdeel van het middel betreft, replicerende op het auditoraatsverslag, de verplaatsingstijd tussen haar ziekenhuis en de erkende centra in Gent toevoegt en benadrukt dat niet ernstig kan worden aangevoerd dat een aanrijtijd van 45 minuten tot zelfs 2 uur redelijk is, te meer nu het over jonge kinderen gaat die frequent moeten worden opgevolgd, voegt zij een nieuwe argumentatie toe waarvan zij niet aantoont waarom zij deze niet reeds in haar eerdere procedurestukken kon aanvoeren. Aldus geeft de verzoekende partij op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel. Die argumenten en kritieken kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden. In zoverre de verzoekende partij tot slot aanvoert dat in het auditoraatsverslag wordt aangegeven dat zij niet aantoont dat zij over meer expertise zou beschikken dan de geselecteerde kandidaten in Oost-Vlaanderen, waarbij deze kritiek volgens haar duidt op haar belang bij de inzage in de kandidaturen van de overige ziekenhuizen, volstaat de vaststelling dat dit argument niet ter zake doet nu haar kandidatuur niet voldeed aan de toetredingsvoorwaarden. 28. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het tweede middel in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 29. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in een derde middel de schending aan van het evenredigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Het lid van het auditoraat vat de essentie van het middel, zoals uiteengezet in het verzoekschrift, als volgt samen in haar verslag: XII-9706-38/51 “6.26. De verzoekende partij voert aan dat de nadelen van de bestreden beslissing niet in verhouding zouden staan tot de voordelen ervan zodat het evenredigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel worden geschonden. Zij meent dat zij een groot aantal van haar patiënten zal verliezen door de weigering tot erkenning als PMOC omdat zij bepaalde nomenclatuurnummers niet mag aanrekenen. Daardoor zouden haar patiënten de kosten voor de behandeling zelf moeten dragen dan wel naar een erkend PMOC gaan, ander dan de verzoekende partij. 6.27. Daarnaast heeft zij een belangrijke ervaring en know how opgebouwd inzake de behandeling en opvolging van obesitaspatiënten. Doordat zij niet erkend wordt als PMOC zou zij minder aantrekkelijk zijn voor toekomstige artsen en zorgverleners in de betrokken specialiteiten en zullen van de huidige artsen en zorgverleners sommige hun activiteiten binnen het ziekenhuis stopzetten om zich aan te sluiten bij ziekenhuizen die wel erkend zijn als PMOC. Door de bestreden beslissing zou de verzoekende partij de mogelijkheid verliezen om onder dezelfde omstandigheden als voorheen de behandeling van obese kinderen te verzorgen en deze expertise verder uit te bouwen waardoor er know verloren zal gaan. Bij een volgende mogelijke kandidatuurstelling voor een erkenning als PMOC zal zij over minder patiënten beschikken als de PMOC die vanaf 1 december 2023 erkend zijn.” 30. In de memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij hieraan toe: “100. De bewering van verwerende partij dat het ziekenhuis niets zou worden afgenomen is manifest onjuist. Voor een toelichting van de desastreuze financiële gevolgen van een weigeringsbeslissing voor zowel het ziekenhuis als de patiënten verwijst verzoekende partij naar [de bijgevoegde] tabel die een overzicht geeft van de kosten die vergoed dienen te worden bij een zorgtraject gevolgd door een minderjarige patiënt die aan obesitas lijdt. […] Uit [de bijgevoegde tabel] blijkt in de eerste plaats dat het eigen aandeel van een patiënt in een erkend PMOC (‘met conventie’) slechts 12,00 euro voor de gehele behandeling bedraagt, terwijl dit in een niet-erkend PMOC (‘zonder conventie’) maar liefst 452,10 euro bedraagt. Dit verschil in kostprijs betekent dat een patiënt zich gedwongen zal voelen om een erkend PMOC als behandelcentrum te nemen, (op voorwaarde dat de patiënt zich vlot kan verplaatsen). Patiënten die deze verplaatsing niet kunnen maken, haken af. Kortom, verwerende partij bereikt het tegenovergestelde van het oorspronkelijke doel dat zij voor ogen had bij de oprichting van erkende PMOC. Het financieel verschil komt de zorg voor de patiënt uiteraard niet ten goede. Het tegendeel beweren is dan ook niet redelijk. In de tweede plaats blijkt uit bovenstaande tabel dat de omzet van het ziekenhuis als niet-erkend PMOC (‘zonder conventie’) 509,68 euro bedraagt bij de behandeling van een minderjarige obese patiënt, terwijl dit voor een ziekenhuis als erkend PMOC (‘met conventie’) 919,87 euro bedraagt. Dit is bijna een verdubbeling van de omzet van het ziekenhuis voor deze patiënt. 101. De bewering van verwerende partij dat verzoekende partij niets ontnomen wordt klopt dus niet. Bovendien blijkt uit bovenstaande ook dat het verschil in erkenning voor de patiënt een groot verschil betekent in kostprijs van de behandeling.” XII-9706-39/51 31. In haar laatste memorie laat de verzoekende partij nog gelden: “38. Verzoekende partij stelt vast dat de Eerste Au[di]teur wat het derde middel betreft enkel het verlies van knowhow bekritiseert en de overige argumentatie van verzoekende partij ongemoeid laat. Verzoekende partij leidt hieruit af dat het derde middel voor het overige in ieder geval gegrond is 39. De Eerste Auditeur beklemtoont in haar verslag zelf het belang van een multidisciplinair traject voor de behandeling van kinderen met obesitas. Verzoekende partij kan dan wel nog kinderen met obesitas blijven behandelen onder bestaande nomenclatuurnummers, maar het mag duidelijk zijn dat het multidisciplinair aspect van het zorgtraject hieronder leidt. Bijkomend kan de Eerste Auditeur niet ontkennen dat het feit dat verzoekende partij minder patiënten zal behandelen (ten gevolge van de weigeringsbeslissing) ontegensprekelijk zal leiden tot een verlies van knowhow. Ook dit derde middel is aldus gegrond.” Beoordeling 32. Het auditoraat heeft het derde middel, zoals uiteengezet in het verzoekschrift en zoals aangevuld in de memorie van wederantwoord, weergegeven in de zin als hiervoor (zie supra, randnummers 29 en 30). Partijen hadden in hun navolgende processtukken geen kritiek op deze analyse. De beoordeling van het middel wordt daarom aan de hand van deze samenvatting verricht. 33. Door het auditoraat wordt tot de ongegrondheid van het derde middel besloten op grond van de volgende overwegingen: “ B. Beoordeling 6.28. Zoals uit de reeds geciteerde nota’s aan het Verzekeringscomité en de overeenkomst zelf blijkt, kadert de aanduiding van PMOC’s en de ontworpen overeenkomst binnen een ruimere aanpak van obesitas bij kinderen door middel van een stepped care model in de drie zorgniveau’s. De bedoeling van het oprichten van PMOC’s en het afsluiten van de overeenkomst met deze PMOC’s bestaat erin om gespecialiseerde zorg te voorzien in het tweede niveau waarbij de multidisciplinaire aanpak centraal staat, alsook een goede samenwerking tussen de drie zorgniveau’s. Men wenst een bundeling van de expertise met gespecialiseerde zorg te realiseren in de PMOC’s. De verwerende partij kan daarbij gebruik maken van overeenkomsten, afgesloten met de gecoördineerde multidisciplinaire zorgcentra bedoeld in artikel 23, §3 van de ZIV-wet. Het feit dat in de verplegingsinrichtingen die geen deel uitmaken van de overeenkomst de verstrekkingen die in die overeenkomst worden bepaald, zoals in dit geval de pseudocodes vermeld in de artikelen 10, 11 en 12 van de overeenkomst, niet kunnen worden aangerekend, volgt uit de keuze van de wetgever om in de gevallen voorzien in artikel 23, §3 van de XII-9706-40/51 ZIV-wet een tussenkomst te voorzien van de verzekering voor gezondheidszorg via dergelijke overeenkomsten. 6.29. Daarenboven, zoals hiervoor reeds gesteld, verhindert de bestreden beslissing niet dat de verzoekende partij verder obese kinderen kan behandelen onder de reeds bestaande nomenclatuurnummers. Zij kan enkel geen aanspraak maken op het bijkomende budget dat met de overeenkomst wordt voorzien voor het multidisciplinair zorgtraject zoals het trimestrieel forfait, het honorarium voor advies en ondersteuning van het eerste zorgniveau, … (zie hiervoor de artikelen 10, 11 en 12 van de overeenkomst). Het gegeven dat zij personeel zou verliezen dient dan ook gerelativeerd te worden, minstens toont zij niet aan dat het persoonlijk nadeel voor de verzoekende partij niet zou opwegen tegen het voordeel van de ontworpen regeling om gespecialiseerde zorg met een multidisciplinaire aanpak te voorzien in het tweede niveau en een goede samenwerking tussen de drie zorgniveau’s, met een bundeling van de expertise in de 25 PMOC’s. Het derde middel is niet gegrond.” 34. In zoverre de verzoekende partij in haar laatste memorie het auditoraatsverslag bekritiseert en dienaangaande in essentie aanvoert dat
  9. i)in het auditoraatsverslag het belang van een multidisciplinair traject voor de behandeling van kinderen met obesitas wordt beklemtoont;
  10. ii)zij wel nog kinderen met obesitas kan blijven behandelen onder bestaande nomenclatuurnummers, maar het duidelijk mag zijn dat het multidisciplinaire aspect van het zorgtraject hieronder leidt en iii) de eerste auditeur niet kan ontkennen dat het feit dat zij minder patiënten zal behandelen (ten gevolge van de weigeringsbeslissing) ontegensprekelijk zal leiden tot een verlies van knowhow, herhaalt zij op een beknopte en parafraserende wijze haar betoog zoals aangevoerd in het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord zonder inhoudelijk nog een andere visie te geven op de beoordeling door het auditoraat. 35. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het derde middel ongegrond. XII-9706-41/51 D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 36. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in een vierde middel de schending aan van de formelemotiveringsplicht, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en het materiëlemotiveringsbeginsel. Het lid van het auditoraat vat de essentie van het middel, zoals uiteengezet in het verzoekschrift, als volgt samen in haar verslag: “6.30. In het vierde middel voert de verzoekende partij een schending aan van het materiële motiveringsbeginsel doordat uit het eerste en tweede middel reeds gebleken zou zijn dat de motieven voor de bestreden beslissing niet naar behoren werden onderzocht, niet bewezen werden en niet in rechte verantwoord zouden zijn. Voorts meent dat ze dat ook de formele motiveringsplicht werd geschonden doordat in de bestreden beslissing niet wordt verduidelijkt waarom haar kandidatuur anders behandeld werd dan de andere onontvankelijke kandidaturen.” 37. In de memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij hieraan toe: “110. Verwerende partij verwijst in haar repliek louter naar enkele arresten van Uw Raad van State. Zij geeft geen enkele duiding bij de zogenaamde afdoende motivering bij de bestreden beslissing en toont niet aan op welke wijze zij zou moeten afleiden dat de motivering van de beslissing zowel materieel als formeel zou volstaan. 111. Verwerende partij biedt voor dit alles geen verklaring of verweer. Gelet op dit gebrek aan verweer kan verzoekende partij niet anders dan herhalen dat zij zich bij haar standpunt houdt.” 38. In haar laatste memorie laat de verzoekende partij nog gelden: “42. Verzoekende partij verwijst in de eerste plaats naar de eerdere door haar neergelegde procedurestukken, waarin zij in ieder geval volhardt. Zoals bij herhaling is aangetoond, zijn het eerste en tweede middel wel degelijk gegrond. Om niet in herhaling te vallen verwijst verzoekende partij naar hetgeen zij hierover al heeft uiteengezet […]. De schending van het formele motiveringsbeginsel is aldus voldoende aangetoond in haar eerdere procedurestukken. 43. Het is frappant dat de Eerste Auditeur verwijst naar de definitieve nota van het Verzekeringscomité van 27 september 2023 om aan te tonen dat de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.635 XII-9706-42/51 motieven van een individuele weigeringsbeslissing voldoende duidelijk waren. Dat een algemeen beleidsdocument zou worden aangewend om een individuele weigeringsbeslissing uitgaande van een overheidsorgaan te motiveren snijdt geen hout. De argumentatie van de Eerste Auditeur faalt naar recht. 44. Uw Raad van State zal aldus vasts

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.