← België

Arrest 265637 - Ziekenhuizen - 03/02/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.637 Rolnummer: A. 241144/XII-9707 Zaak: Arrest 265637 - Ziekenhuizen - 03/02/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-02-06 Raadplegingen: 183 - laatst gezien 2026-06-18 06:28 Fiche Arrest nr 265.637 van 3 februari 2026 Sociale zaken en volksgezondheid - Ziekenhuizen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.637 no lien 287507 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 265.637 van 3 februari 2026 in de zaak A. 241.144/XII-9707 In zake : het AZ TURNHOUT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Sabbe, Diego Fornaciari en Hendrik Lemmens kantoor houdend te 1040 Brussel Sint-Michielslaan 47 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING (RIZIV) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joyce Verdickt kantoor houdend te 1502 Lembeek Dokter Spitaelslaan 122 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 6 februari 2024, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van verwerende partij van 7 december 2023 […] waarbij de kandidatuur van het AZ Turnhout tot erkenning als Pediatrisch Multidisciplinair Obesitascentrum niet wordt weerhouden”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Ines Martens heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. XII-9707-1/75 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 november 2025. Kamervoorzitter Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Baaike Van de Wygaert, die loco advocaten Stijn Sabbe, Diego Fornaciari en Hendrik Lemmens verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Joyce Verdickt, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Artikel 22, 6° en 6°bis, van de wet ‘betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen’, gecoördineerd op 14 juli 1994 (hierna: gecoördineerde wet van 14 juli 1994) bepaalt: “Het Verzekeringscomité: […] 6° sluit, op voorstel van het College van artsen-directeurs of van de betrokken overeenkomsten- en akkoordencommissies de in artikel 23, § 3, bedoelde overeenkomsten af. Wanneer het College van artsen-directeurs een nieuwe overeenkomst wenst uit te werken of een bestaande overeenkomst wenst te herzien, informeert het College het Verzekeringscomité hierover en legt het College aan het Verzekeringscomité een lijst voor van de experten die het wenst te betrekken in het overleg over deze overeenkomst. Het Verzekeringscomité kan de lijst wijzigen door andere of bijkomende experten aan te wijzen; 6°bis sluit, op voorstel van de betrokken overeenkomsten- en akkoordencommissie, met de verplegingsinrichtingen of de andere zorgverleners overeenkomsten betreffende de verstrekkingen bedoeld in artikel 34. Deze overeenkomsten leggen de vergoeding en de kwantitatieve en de kwalitatieve uitvoeringsvoorwaarden vast met betrekking tot de toepassing van de bestaande of nog in te voeren innoverende en nieuwe technieken en ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.637 XII-9707-2/75 met betrekking tot complexe, multidisciplinaire en/of dure verstrekkingen, op voorwaarde dat geen afbreuk wordt gedaan aan de erkennings- en programmatienormen. De ontwerpen van overeenkomsten worden eveneens meegedeeld aan de in artikel 17, tweede lid, 6° bedoelde begrotings- en financieel adviseur.” Artikel 23, § 3, eerste lid, van dezelfde wet, zoals van toepassing ten tijde van de vergadering van het Verzekeringscomité van 27 november 2023, bepaalt: “Het College van artsen-directeurs of de betrokken overeenkomsten- en akkoordencommissies, maken met de revalidatie- en herscholingsinrichtingen alsmede met de centra die gecoördineerde multidisciplinaire zorgprogramma’s verlenen, de geïntegreerde diensten voor thuisverzorging, erkend overeenkomstig de normen vastgesteld op basis van artikel 170, § 1, eerste lid, van de wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008, en de huisartsenkringen, erkend overeenkomstig de normen vastgesteld op basis van artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 78 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, ontwerpen van met hen te sluiten overeenkomsten op en leggen ze daartoe voor aan het Verzekeringscomité. De ontwerpen van de revalidatie-overeenkomsten, de ontwerpen van de overeenkomsten met de gecoördineerde multidisciplinaire zorgcentra, de ontwerpen van de overeenkomsten met de geïntegreerde diensten voor thuisverzorging en de huisartsenkringen worden eveneens meegedeeld aan de Commissie voor Begrotingscontrole. De Commissie deelt aan het Verzekeringscomité haar advies mee.” 3.2. In zijn vergadering van 14 maart 2022 neemt het Verzekeringscomité van het RIZIV kennis van de projectfiche voor het project “Zorgtraject voor kinderen met obesitas” en geeft het zijn goedkeuring, enerzijds voor de voorgestelde werkwijze om de werkgroep en de stuurgroep samen te stellen, en anderzijds over de werkwijze van de werkgroep en van een overkoepelende stuurgroep, inclusief het beslissingsproces. Op 11 september 2023 wordt aan de Nationale Commissie Artsen-Ziekenfondsen het voorstel voorgelegd om 25 Pediatrische Multidisciplinaire Obesitas Centra (hierna: PMOC) op te richten waarin de expertise gebundeld wordt voor een multidisciplinaire aanpak van obesitas bij kinderen. Bij dit voorstel is een ontwerp van een overeenkomst ‘Obesitas bij kinderen’ gevoegd, die zal worden afgesloten met de PMOC. De PMOC vormen het tweede niveau binnen een resultaatgericht stepped-caremodel in de drie zorgniveaus. XII-9707-3/75 Artikel 7, § 1, van deze ontwerpovereenkomst luidt: “§1. Aantal PMOC Het aantal PMOC wordt beperkt in functie van het beschikbaar budget tot maximaal 25 PMOC. Elk centrum mag zich kandidaat stellen. De procedure en modaliteiten van kandidaatstelling worden bekend gemaakt via de website van het RIZIV. Indien er meer ontvankelijke kandidaturen zijn dan beschikbare plaatsen, zal de tweede contractant een selectie maken gebaseerd op volgende criteria: • De geografische verspreiding van de provincies waar de PMOC zich bevinden, gewogen voor het aantal inwoners, vanaf de 2de verjaardag tot de 18de verjaardag, per provincie. • Aantal rechthebbenden in permanente opvolging bij het PMOC op het moment van indienen van de aanvraag.” Op 25 september 2023 keurt het Verzekeringscomité van het RIZIV deze ontwerpovereenkomst ‘Obesitas bij kinderen’ goed. 3.3. Op 29 september 2023 maakt het RIZIV een oproep tot kandidaatstelling als PMOC bekend op haar website: “De overeenkomst ‘obesitas bij kinderen’ werd goedgekeurd op het Verzekeringscomité van 25/09/2023 en voorziet een vergoeding voor de multidisciplinaire opvolging van kinderen met obesitas, vanaf de 2de verjaardag tot de 18de verjaardag. Er worden met maximaal 25 pediatrische multidisciplinaire obesitas centra (PMOC) een overeenkomst afgesloten. Indien een ziekenhuis zich kandidaat wil stellen voor deze overeenkomst, dient de elektronisch ondertekende overeenkomst samen met het volledig ingevulde aanvraagformulier te worden bezorgd aan ovcomeddir@riziv-inami.fgov.be, ten laatste op 31 oktober 2023. Indien een formulier niet volledig ingevuld wordt of laattijdig wordt ingediend, zal de aanvraag niet weerhouden worden. Het aanvraagformulier en de overeenkomst zijn terug te vinden op de webpagina: https://www.riziv.fgov.be/nl/professionals/verzorgingsinstellin- gen/revalidatiecentra/Paginas/zorgtraject-obesitas-kinderen-multidisciplinai- re-zorg-jonge-patienten.aspx De beslissing of uw centrum al dan niet kan toetreden tot de overeenkomst zal u worden bezorgd voor de datum van 1 december 2023. Deze overeenkomst zal in werking treden vanaf 1 december 2023 en is geldig tot en met 30 november 2028 (5 jaar), maar kan ook steeds vóór die datum door één van beide partijen, om gelijk welk motief (dus ook om motieven die niet expliciet in de tekst van de overeenkomst worden vermeld), worden beëindigd.” 3.4. De verzoekende partij is een erkend algemeen ziekenhuis, gelegen te Turnhout in de provincie Antwerpen. Zij biedt begeleiding aan van minderjarige patiënten met obesitas binnen een multidisciplinair zorgtraject en XII-9707-4/75 kinderdiabetesconventie waartoe zij is toegetreden. Op 31 oktober 2023 dient de verzoekende partij haar kandidatuur in. 3.5. Op 27 november 2023 wordt binnen het Verzekeringscomité de nota betreffende de overeenkomst ‘Obesitas bij kinderen’ besproken. Het Verzekeringscomité keurt een aangepaste versie van overeenkomst goed en sluit de overeenkomst af met de betrokken centra. In de overeenkomst wordt aan artikel 7, § 1, een alinea toegevoegd die luidt: “Een centrum dat een kandidatuur heeft ingediend en op basis van het voormelde criterium in verband met de geografische spreiding en aantal rechthebbenden in aanmerking komt om toe te treden tot de overeenkomst, maar niet over de noodzakelijke expertise beschikt zoals gedefinieerd in artikel 7, paragraaf 4, krijgt uitstel tot 31 mei 2024 om te voldoen aan de voorwaarden van de overeenkomst inzake de noodzakelijk vereiste expertise. Daartoe kan een aanvullend of aangepast dossier ingediend worden voor 31 mei 2024.” In de nota wordt overwogen: “Op 25 september 2023 heeft het Verzekeringscomité een overeenkomst goedgekeurd die voorziet in een financiële tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging voor de ambulante, multidisciplinaire opvolging van kinderen met obesitas (vanaf de 2de tot de 18de verjaardag) in nieuw op te richten Pediatrische Multidisciplinaire Obesitas Centra (PMOC). Op basis van prevalentiecijfers aangeleverd door de Belgische Vereniging voor de Studie van Obesitas (BASO) werd er gedefinieerd dat 25 dergelijke centra opgericht dienden te worden in België. Erkende verplegingsinrichtingen konden hun kandidatuur om toe te treden tot deze overeenkomst indienen tot en met 31 oktober 2023. De documenten en de te volgen procedure werden bezorgd aan alle ziekenhuizen en ook op de website van het RIZIV gepubliceerd. In totaal ontving de Dienst voor geneeskundige verzorging (DGV) 35 dossiers. Artikel 7, § 1. Aantal PMOC, bepaalt: ‘Het aantal PMOC wordt beperkt in functie van het beschikbaar budget tot maximaal 25 PMOC. Elk centrum mag zich kandidaat stellen. De procedure en modaliteiten van kandidaatstelling worden bekend gemaakt via de website van het RIZIV. Indien er meer ontvankelijke kandidaturen zijn dan beschikbare plaatsen, zal de eerste contractant een selectie maken gebaseerd op volgende criteria: - De geografische verspreiding van de provincies waar de PMOC zich bevinden, gewogen voor het aantal inwoners, vanaf de 2de verjaardag tot de 18de verjaardag, per provincie. - Aantal rechthebbenden in permanente opvolging bij het PMOC op het moment van indienen van de aanvraag.’ Op basis van de cijfers van de gezondheidsenquête 2018 en de statbel- gegevens voor de populatie van 2- tot en met 17-jarigen is de verdeling als volgt: XII-9707-5/75 Dit betekent dat er in Vlaanderen 11, in Wallonië 9 en in Brussel 5 ziekenhuizen kunnen toetreden tot de overeenkomst. Verdere verdeling per provincie geeft: Op basis van de verdeling per provincie wordt dan het criterium van aantal rechthebbenden in permanente opvolging bij het PMOC op het moment van indienen toegepast om het aantal toegelaten PMOC te selecteren. Dit leidt tot volgend voorstel: - de provincie Antwerpen: AZ Turnhout heeft het minst aantal obese rechthebbenden dat permanent wordt opgevolgd, en wordt niet weerhouden voor toetreding tot de overeenkomst; - de provincie West-Vlaanderen: AZ Groeninge, OLV ziekenhuis Waregem en Jan Yperman Ziekenhuis hebben het minst aantal obese rechthebbenden dat permanent opgevolgd wordt, en worden dus niet weerhouden voor toetreding tot de overeenkomst. - de provincie Oost-Vlaanderen: AZ St. Blasius Dendermonde heeft het minst aantal obese rechthebbenden dat permanent wordt opgevolgd, en wordt niet weerhouden voor toetreding tot de overeenkomst. - de provincie Limburg: het tweede centrum compenseert het tweede centrum in Vlaams Brabant. Er is slechts 1 kandidaat centrum ingediend in de provincie Vlaams-Brabant. Deze compensatie kan worden verantwoord op grond van de specifieke geografische link tussen de beide provincies en het gegeven dat de verplaatsing geografisch gezien geen hinder zal zijn voor de rechthebbenden in de aangrenzende gemeenten. - de provincie Henegouwen: slechts 1 kandidaat centrum voldoet op dit ogenblik aan de voorwaarden qua personeelssamenstelling. Er ontbreken volgens de geografische spreiding en het aantal obese rechthebbenden 2 centra in Henegouwen. Op basis van de ingediende dossiers kan aan CHU Tivoli en Centre hospitalier EpiCURA de mogelijkheid gegeven worden om hun equipe aan te vullen met de nodige expertise. o CHU Tivoli heeft geen psycholoog met ervaring in begeleiden van kinderen ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.637 XII-9707-6/75 met overgewicht en geen certificaat ‘obesitas bij kinderen/jongeren’. Tevens heeft dit centrum geen kinesitherapeut met de noodzakelijke ervaring met name opleiding in overgewicht en obesitas bij kinderen en expertise in kinderobesitas. o Centre hospitalier EpiCURA heeft geen psycholoog met een certificaat ‘obesitas bij kinderen/jongeren’ en geen kinesitherapeut met de noodzakelijke ervaring met name opleiding in overgewicht en obesitas bij kinderen en expertise in kinderobesitas. - de provincie Luxemburg: Vivalia – CHCA Libramont heeft geen psycholoog binnen zijn team en geeft in het dossier aan dat zij die zullen werven eens ze toetreden tot de overeenkomst. Voor Luxemburg kan met een Luiks toegetreden centrum gekeken worden om met formele afspraken een ervaren psycholoog ter plekke te laten komen in afwachting dat Vivalia de nodige expertise aanwerft. - ASBL Chirec Bruxelles is de 5de kandidaat centrum in Brussel maar voldoet niet aan de voorwaarden van de overeenkomst (geen psycholoog noch kinesitherapeut die aan voorwaarden voldoet, geen informatie over de noodzakelijke infrastructuur, geen overzicht van rechthebbenden permanent in behandeling, geen aanpassingen i.f.v. resultaat van de EASO Obesity Clinic Self Assessment terwijl op vele vragen negatief geantwoord werd). Er wordt de mogelijkheid gegeven om de nodige aanpassingen te treffen om aan de voorwaarden van de overeenkomst te voldoen. Concreet wordt voorgesteld om : - De overeenkomst vanaf 1 december 2023 af te sluiten met de volgende 21 centra: 4 in Brussel, 11 in Vlaanderen en 6 in Wallonië; - De kandidaat centra CHU Tivoli, Centre hospitalier EpiCURA, Vivalia- CHCA Libramont en ASBL Chirec-Brussel hebben bijkomend tijd tot 31 mei 2024 om binnen hun centrum te voldoen aan de voorwaarden van de overeenkomst en daartoe een aanvullend dossier in te dienen. Zodra hun kandidatuur ontvankelijk is, zal dat centrum kunnen toetreden tot de overeenkomst en dit op de eerste dag van de maand na indiening van de ontvankelijke kandidatuur. In bijlage 1 volgt een overzicht van de aanvaarde en niet-aanvaarde XII-9707-7/75 kandidaturen. Bij de kandidaturen die niet weerhouden zijn, werd telkens gemotiveerd waarom. De kandidaturen werden niet toegevoegd aan de nota gezien de omvangrijke bestanden, maar kunnen eenvoudig op vraag worden ingekeken. Het is hoe dan ook de bedoeling om alle centra toegetreden tot de overeenkomst binnen één jaar te evalueren met de daartoe vastgelegde proces- en kwaliteitsindicatoren, alsook op basis van het aantal rechthebbenden opgenomen in de overeenkomst .” Bij de nota aan het Verzekeringscomité zijn een aantal bijlagen gevoegd. Bijlage 1 betreft het overzicht van de kandidaturen: “Bijlage 1: Overzicht van de kandidaturen Kandidaturen die aanvaard werden voor het afsluiten van een overeenkomst. 1) Universitair Ziekenhuis Antwerpen 2) AZ Voorkempen en AZ Klina (coördinatie van AZ Voorkempen) 3) ZNA Middelheim Antwerpen 4) Cliniques Universitaires Saint-Luc 5) CHU Saint-Pierre Bruxelles 6) UZ Brussel 7) HUB Hôpital Universitaire Des Enfants Reine Fabiola 8) Humani - CHU Charleroi-Chimay 9) Ziekenhuis Oost-Limburg 10) Vzw Jessa Ziekenhuis 11) Groupe Santé CHC Liège 12) Centre Hospitalier Universitaire de Liège 13) CHR Verviers 14) CHU UCL Namur - Site de Ste-Elisabeth 15) AZ Jan Palfijn Gent 16) AZ Maria Middelares 17) AZ Alma 18) UZ Leuven 19) A.Z. Sint-Jan Brugge 20) AZ Delta vzw 21) Clinique St Pierre Ottignies Kandidaturen die niet aanvaard werden voor het afsluiten van een overeenkomst. Hierbij werd rekening gehouden met de criteria zoals gedefinieerd in artikel 7, § 1 van de overeenkomst: §1. Aantal PMOC Het aantal PMOC wordt beperkt in functie van het beschikbaar budget tot maximaal 25 PMOC. Elk centrum mag zich kandidaat stellen. De procedure en modaliteiten van kandidaatstelling worden bekend gemaakt via de website van het RIZIV. Indien er meer ontvankelijke kandidaturen zijn dan beschikbare plaatsen, zal de eerste contractant een selectie maken gebaseerd op volgende criteria: • De geografische verspreiding van de provincies waar de PMOC zich bevinden, gewogen voor het aantal inwoners, vanaf de 2de verjaardag tot de 18de verjaardag, per provincie. • Aantal rechthebbenden in permanente opvolging bij het PMOC op het moment van indienen van de aanvraag. Dit betekent dat er op basis van prevalentiecijfers in Vlaanderen 11, in Wallonië 9 en in Brussel 5 ziekenhuizen kunnen toetreden tot de XII-9707-8/75 overeenkomst. Op basis van de verdeling per provincie wordt vervolgens het criterium van aantal rechthebbenden in permanente opvolging bij het PMOC op het moment van indienen toegepast om het aantal toegelaten PMOC te selecteren. Er werd eveneens nagegaan of het multidisciplinair team van het betrokken centrum beantwoordt aan de beschrijving zoals opgenomen in artikel 7, § 4 van de overeenkomst: § 4. Personeelskader Het PMOC, bedoeld in deze overeenkomst, beschikt over een multidisciplinair team met expertise in kinderobesitas en kennis rond preventie van eetstoornissen. Het multidisciplinair team bestaat uit: • Arts-specialist in de kindergeneeskunde, eventueel gespecialiseerd in endocrinologie of ten minste met een bijzondere expertise in kinderobesitas; • Gespecialiseerde diëtist met ofwel minstens 5 jaar ervaringen in het begeleiden van kinderen met overgewicht ofwel met een certificaat van een opleiding ‘voeding voor het jonge kind en de adolescen’ ofwel met een certificaat ‘obesitas bij kinderen/jongeren’ (opleiding Eetexpert, CEPIA of een daaraan gelijk gestelde organisatie). Deze zorgverlener werkt samen met het zorgteam om ervoor te zorgen dat het kind de juiste voedingsinname en eetvaardigheden krijgt en houdt rekening met de vele complexe medische diagnoses die de groei van een kind beïnvloeden alsook de voedingsschema’s rekening houdend met familievoorkeuren (cfr. bijlage 3, criteria diëtisten); • Psycholoog met ofwel minstens 5 jaar ervaring in het begeleiden van het jonge kind en de adolescent, ofwel gespecialiseerd voor kinderen; én met ofwel minstens 5 jaar ervaringen in het begeleiden van kinderen van overgewicht, ofwel met een certificaat ‘obesitas bij kinderen/jongeren’ (opleiding Eetexpert, CEPIA of een daaraan gelijk gestelde organisatie). De psycholoog is ook vertrouwd met de aanpak van eetbuien; • Kinesitherapeut met bekwaming in pediatrische kinesitherapie; • Bij kinderen jonger dan 12 jaar: • een kinesitherapeut met bijzondere bekwaamheid pediatrische kinesitherapie ofwel een kinesitherapeut met voldoende ervaring (5 jaar) en/of opleidingen in pediatrische kinesitherapie, die tevens een opleiding heeft genoten over overgewicht en obesitas bij kinderen; • Bij kinderen tussen 12 en 18 jaar: • een kinesitherapeut met bijzondere bekwaamheid pediatrische kinesitherapie ofwel een kinesitherapeut met voldoende ervaring (5 jaar) en/of opleidingen in pediatrische kinesitherapie; • ofwel een sportkinesitherapeut die tevens een opleiding heeft genoten over overgewicht en obesitas bij kinderen; • Met een expertise in (kinder)obesitas • Sociaal werker of sociaal verpleegkundige; • Administratief assistent. (…) Vervolgens werd nagegaan of het centrum beantwoordde aan de gevraagde infrastructuur, zoals gedefinieerd in artikel 7, § 8 van de overeenkomst: § 8. Infrastructuur en uitrusting Het PMOC beschikt over de nodige individuele consultatie- en gespreksruimten, een ruimte waarin het mogelijk is om groepssessies te voorzien, een vergaderzaal en een secretariaatsruimte waar de individuele dossiers ter beschikking van het multidisciplinair team worden bewaard, al dan niet digitaal. Al deze lokalen worden in hetzelfde gebouw gecentraliseerd, waarbij maximaal gestreefd wordt naar een functioneel geheel. XII-9707-9/75 Tot slot werd er ook aan de centra gevraagd om de EASO Obesity Clinic Self Assessment in te vullen conform artikel 7, § 6: Middels de ‘EASO Obesity Clinic Self Assessment’ zal het centrum zichzelf screenen om het niveau van zijn expertise te bepalen en te identificeren waar zo nodig verbeteringen moeten aangebracht worden. De resultaten van deze screening en de geplande aanpassingen in functie van het resultaat kunnen voorgelegd worden. CHU Tivoli - Geen psycholoog met de noodzakelijke expertise in het multidisciplinair team - Geen ervaring in het begeleiden van kinderen van overgewicht. - Geen certificaat ‘obesitas bij kinderen/jongeren’. - Geen kinesitherapeut met de noodzakelijke expertise in het multidisciplinair team. - Geen opleiding in overgewicht en obesitas bij kinderen. - Geen expertise in (kinder)obesitas. - Het centrum heeft geen geplande aanpassingen in functie van het resultaat van de EASO Obesity Clinic Self Assessment voorgelegd. - Bijkomende info: in de EASO Obesity Clinic Self Assessment werd door het centrum op volgende items negatief geantwoord: • Do you have a recognised obesity certification or formal training in obesity management? • Do you have a plan for the team to receive a recognized obesity certification or formal training in obesity management? • Do you have the capacity and ability to train other HCPs in obesity management? • Do you have the capacity and expertise to train other HCPs in obesity management? - Geen overzicht meegegeven van het aantal rechthebbenden reeds permanent in behandeling, enkel een geschat aantal rechthebbenden. Aangezien er volgens de geografische spreiding en het aantal obese rechthebbenden 2 centra in Henegouwen tekort zijn, wordt aan CHU Tivoli bijkomend tijd tot 31 mei 2024 gegeven om binnen hun centrum te voldoen aan de voorwaarden van de overeenkomst en daartoe een aanvullend dossier in te dienen. Zodra hun kandidatuur ontvankelijk is, zal dat centrum kunnen toetreden tot de overeenkomst en dit op de eerste dag van de maand na indiening van de ontvankelijke kandidatuur Centre […] Hospitalier EpiCURA […] […] AZ - Kandidatuur niet weerhouden op basis van geografische Turnhout spreiding. AZ Turnhout kan in vergelijking met kandidaturen uit Antwerpen een onvoldoende aantal rechthebbenden reeds permanent in behandeling voorleggen om te kunnen toetreden tot de overeenkomst. Aangezien er 4 aanvragen zijn ingediend voor Antwerpen en er aldus meer kandidaturen zijn dan de beschikbare ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.637 XII-9707-10/75 plaatsen wordt een selectie gemaakt op basis van de geografische spreiding over de provincies waar de PMOC zich bevinden, gewogen voor het aantal inwoners per provincie en volgens het aantal rechthebbenden in permanente opvolging bij het PMOC op het moment van indienen van de aanvraag zoals bepaald in art. 7, §1, laatste zin van de overeenkomst. De kandidatuur van AZ Turnhout wordt aldus niet weerhouden aangezien het minder rechthebbenden heeft vergeleken met de andere kandidaturen uit Antwerpen. […] […] .” 3.6. Bij brief, ondertekend door de leidend ambtenaar van de verwerende partij op 8 december 2023, wordt aan de verzoekende partij meegedeeld dat haar kandidatuur niet in aanmerking wordt genomen op basis van de geografische spreiding. Dit is de bestreden beslissing. 3.7. Op 30 mei 2024 dient de verzoekende partij een ‘heraanvraag tot erkenning van een Pediatrisch Multidisciplinair Obesitascentrum’ in bij de verwerende partij “op basis van artikel 7, §1 van de overeenkomst ‘obesitas bij kinderen’”. 3.8. Per e-mail verstuurd op 7 juni 2024 laat de verwerende partij aan de verzoekende partij weten: “De termijn voor het indienen van een aanvraag is reeds ruimte tijd afgelopen (op 31/10/2023). Bijgevolg kunnen geen nieuwe kandidaturen meer worden ingediend. Uw stelling dat art. 7, §1 van de betreffende overeenkomst kan worden toegepast om uw heraanvraag te motiveren kan niet worden gevolgd. Immers, de laatste alinea van art. 7,§1 van deze overeenkomst bepaalt dat: Een centrum dat een kandidatuur heeft ingediend en op basis van het voormelde criterium in verband met de geografische spreiding en aantal rechthebbenden in aanmerking komt om toe te treden tot de overeenkomst, maar niet over de noodzakelijke expertise beschikt zoals gedefinieerd in artikel 7, paragraaf 4, krijgt uitstel tot 31 mei 2024 om te voldoen aan de voorwaarden van de overeenkomst inzake de noodzakelijk vereiste expertise. Daartoe kan een aanvullend of aangepast dossier ingediend worden voor 31 mei 2024. Uw kandidatuur werd zoals u reeds ook is meegedeeld bij brief dd. 7/12/2023 niet weerhouden gelet op de geografische spreiding en het aantal ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.637 XII-9707-11/75 rechthebbenden in permanente opvolging op het moment van indienen van uw aanvraag, niet op basis van een onvoldoende expertise, zodat de voorwaarde voor het indienen van een heraanvraag niet vervuld is. […].” 3.9. Uit de lijst van toegetreden centra zoals die op de website van het RIZIV wordt vermeld, blijkt dat op 1 juli 2024 Chirec Hôpital Delta Bruxelles nog is toegetreden tot de overeenkomst. Vanaf 1 april 2025 treden ook CHU Tivoli en Centre Hospitalier Epicura toe. IV. Ontvankelijkheid van het beroep - Rechtsmacht van de Raad van State Uiteenzetting van de exceptie 4. De verwerende partij betwist in de memorie van antwoord, in een onduidelijk geformuleerde exceptie, de rechtsmacht van de Raad van State. Zij verwijst naar artikel 144 van de Grondwet, artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, het onbestaande artikel 160, lid 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en tot slot artikel 167, eerste lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994. Zij meent dat het voorliggende geschil betrekking heeft op een subjectief recht waarvoor volgens het voormelde artikel 167, eerste lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 de arbeidsrechtbank bevoegd zou zijn. Beoordeling 5. De verwerende partij betwist in haar memorie van antwoord de ontvankelijkheid van het beroep wegens gebrek aan rechtsmacht in hoofde van de Raad van State. Als zij in het auditoraatsverslag daarover kan lezen dat deze exceptie ongegrond wordt bevonden en zij daarin geen reden ziet om vervolgens in de laatste memorie hierop te antwoorden, begrijpt de Raad van State uit die proceshouding dat de verwerende partij deze aangevoerde exceptie niet langer wenst aan te houden. 6. De exceptie wordt verworpen. XII-9707-12/75 V. Vertrouwelijkheid van stukken en verzoek om de vertrouwelijkheid te lichten Standpunt van de partijen 7. Na hiertoe te zijn uitgenodigd door de auditeur-verslaggever, heeft de verwerende partij het administratief dossier aangevuld met de volledige ingediende kandidaturen van alle ziekenhuizen die zijn toegetreden tot de overeenkomst ‘Obesitas bij kinderen’. De verwerende partij heeft deze kandidaturen afzonderlijk neergelegd en uitdrukkelijk verzocht om de vertrouwelijke behandeling ervan overeenkomstig artikel 87, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Zij stelt dat deze stukken gevoelige gegevens betreffen die wegens de omvang ervan niet geanonimiseerd konden worden. 8. Met een brief van 27 maart 2025, neergelegd via het elektronisch platform van de Raad van State, vraagt de verzoekende partij om de vertrouwelijkheid van de stukken 10 tot en met 30 van de verwerende partij te lichten. Zij meent dat de verwerende partij het verzoek tot vertrouwelijke behandeling onvoldoende motiveert en dat de stukken in ieder geval geanonimiseerd kunnen worden. Zij wijst op het belang van inzage voor haar effectieve rechtsbescherming omdat zij de juistheid van de beoordeling van de aanvraagdossiers van de andere ziekenhuizen wil kunnen nagaan. Zij wijst ook op artikel 9.2, f), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG. In haar laatste memorie laat de verzoekende partij in essentie nog gelden dat

  1. i)het de toepassing van de overeenkomst is die het voorwerp uitmaakt van voorliggend geschil en dat uit het verzoekschrift, respectievelijk de memorie van wederantwoord, blijkt dat zij de invulling, die de verwerende partij heeft gegeven aan de erkenningscriteria, betwist en
  2. ii)de inzage, in onder meer de kandidatuur van het AZ Groeninge, voor haar essentieel is om aan te tonen dat de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.637 XII-9707-13/75 verwerende partij het beslissingskader miskende en dat dit gegeven de noodzaak bevestigt om de vertrouwelijkheid van de kandidaturen te lichten, met het oog op de effectieve rechtsbescherming van de verzoekende partij. Ten overvloede verwijst de verzoekende partij naar artikel I.17/1, 1°, van het Wetboek Economisch Recht, dat bepaalt: “1° bedrijfsgeheim: informatie die aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoet:
  3. a)ze is geheim in die zin dat zij, in haar geheel dan wel in de juiste samenstelling en ordening van haar bestanddelen, niet algemeen bekend is bij of gemakkelijk toegankelijk is voor personen binnen de kringen die zich gewoonlijk bezighouden met de desbetreffende soort informatie;
  4. b)ze bezit handelswaarde omdat zij geheim is;
  5. c)ze is door de persoon die rechtmatig daarover beschikt onderworpen aan redelijke maatregelen, gezien de omstandigheden, om deze geheim te houden;” Dienaangaande benadrukt de verzoekende partij dat dit artikel drie voorwaarden vermeldt die cumulatief moeten zijn vervuld opdat er sprake kan zijn van een (beschermd) bedrijfsgeheim. De verzoekende partij laat gelden dat, wat de eerste voorwaarde betreft, te dezen de gegevens van ziekenhuizen met betrekking tot medische handelingen worden aangewend voor de publicatie van studies van belangenverenigingen, kenniscentra enz. Aangezien de eerste cumulatieve voorwaarde volgens de verzoekende partij niet is vervuld, bevatten de kandidaturen van de overige ziekenhuizen geen bedrijfsgeheimen zodat, volgens haar, het verzoek tot vertrouwelijke behandeling moet worden gelicht. Beoordeling 9. Het komt de Raad van State toe te oordelen over het vertrouwelijk karakter van de stukken van het neergelegde administratief dossier en daarbij de vereisten van een eerlijk proces en die van het zakengeheim af te wegen. Met de verzoekende partij moet worden vastgesteld dat de door de verwerende partij weergegeven motivering, van het verzoek tot vertrouwelijke behandeling van de kandidaturen van de geselecteerde ziekenhuizen, summier is. De ingediende kandidaturen kunnen weliswaar geacht worden de verwerking van XII-9707-14/75 gevoelige persoonsgegevens te omvatten, zoals gezondheidsgegevens van de patiënten in opvolging bij het betreffende ziekenhuis. Niet blijkt waarom de integrale inhoud van de kandidaturen als vertrouwelijke informatie zou moeten worden beschouwd of waarom de lijsten met rechthebbenden in opvolging niet in geanonimiseerde versie als niet-vertrouwelijk stuk kunnen worden neergelegd. Anderzijds moet worden opgemerkt dat de verzoekende partij slechts de beslissing tot weigering van haar erkenning als PMOC aanvecht en niet de beslissingen waarbij de andere ziekenhuizen werden aangeduid voor toetreding tot de overeenkomst. Zoals hierna zal blijken, wordt, nadat bij de beoordeling van het eerste middel wordt vastgesteld dat de beperking van het aantal PMOC tot 25 en de geografische voorafgaandelijke verdeling van de beschikbare plaatsen over de gewesten en de provincies niet onwettig is, besloten tot de niet-ontvankelijkheid van de middelen die slechts betrekking hebben op de beoordeling van de kandidaturen, zonder dat de volledige selectieprocedure onwettig wordt bevonden. Bijgevolg is inzage in de kandidaturen van de geselecteerde ziekenhuizen niet onontbeerlijk voor de beoordeling van de vordering. 10. Er is dan ook geen grond om bij tussenarrest de vertrouwelijkheid van de stukken te lichten. VI. Onderzoek van de middelen Vooraf Ambtshalve exceptie betreffende het belang van de verzoekende partij bij de door haar aangevoerde middelen Uiteenzetting van de ambtshalve exceptie 11. Het auditoraat werpt met betrekking tot het belang van de verzoekende partij bij de door haar aangevoerde middelen ambtshalve op: “In haar vergadering van 25 september 2023 heeft het Verzekeringscomité beslist om het aantal PMOC waarmee een overeenkomst kan worden afgesloten, vast te leggen op maximaal 25. Daarnaast werd het ontwerp van overeenkomst goedgekeurd waarin de voorwaarden voor toetreding tot de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.637 XII-9707-15/75 overeenkomst werden vastgelegd en waarin werd bepaald dat (zie art.7, §1 van de overeenkomst): ‘Indien er meer ontvankelijke kandidaturen zijn dan beschikbare plaatsen, zal de eerste contractant een selectie maken gebaseerd op volgende criteria: - De geografische verspreiding van de provincies waar de PMOC zich bevinden, gewogen voor het aantal inwoners, vanaf de 2de verjaardag tot de 18de verjaardag, per provincie - Aantal rechthebbenden in permanente opvolging bij het PMOC op het moment van indienen van de aanvraag’ Deze doet zich voor als een voorbeslissing ten aanzien van de bestreden weigeringsbeslissing in zoverre daarin het aantal PMOC werd vastgelegd op 25, de toetredingsvoorwaarden werden bepaald en de selectiecriteria werden vastgelegd. Deze beslissing werd door de verzoekende partij niet aangevochten noch voert zij in haar middelen als zodanig de onwettigheid van deze beslissing aan. In haar vergadering van 27 november 2023 heeft het Verzekeringscomité beslist om het beschikbare aantal van 25 plaatsen te verdelen over de gewesten in functie van het percentage obese kinderen van 2 tot en met 17 jaar per gewest in verhouding tot het totale aantal obese kinderen van 2 tot en met 17 jaar in het ganse Rijk (11 PMOC voor Vlaanderen, 9 PMOC voor Wallonië en 5 PMOC voor Brussel) en heeft zij vervolgens de geografische verdeling toegepast van verspreiding over de provincies, gewogen voor het aantal inwoners, vanaf de 2de verjaardag tot de 18de verjaardag, per provincie in verhouding tot het totale aantal kinderen van 2 tot en met 17 jaar per gewest. Het Verzekeringscomité heeft eveneens beslist om artikel 7, §1 van de overeenkomst aan te vullen met een alinea luidend: ‘Een centrum dat een kandidatuur heeft ingediend en op basis van het voormelde criterium in verband met de geografische spreiding en aantal rechthebbenden in aanmerking komt om toe te treden tot de overeenkomst, maar niet over de noodzakelijke expertise beschikt zoals gedefinieerd in artikel 7, paragraaf 4, krijgt uitstel tot 31 mei 2024 om te voldoen aan de voorwaarden van de overeenkomst inzake de noodzakelijk vereiste expertise. Daartoe kan een aanvullend of aangepast dossier ingediend worden voor 31 mei 2024.’ Vervolgens heeft het Verzekeringscomité in deze vergadering van 27 november 2023 de ingediende kandidaturen beoordeeld aan de hand van de toetredingsvoorwaarden, de geografische spreiding en het aantal rechthebbenden in opvolging. Aan de hand daarvan werd voor elke kandidatuur beslist of ze al dan niet aanvaard werd voor het afsluiten van de overeenkomst. De beslissingen omtrent het al dan niet aanvaarden van elke kandidatuur doen zich voor als individuele beslissingen, genomen in vergadering van 27 november 2023. Nadien werd bij brief, ondertekend door de leidend ambtenaar van de verwerende partij op 8 december 2023, aan elk van de kandidaten de beslissing meegedeeld met betrekking tot zijn kandidatuur, met vermelding van de motivering. De verzoekende partij vecht enkel haar eigen weigeringsbeslissing aan maar heeft de individuele beslissingen van dezelfde datum waarbij 21 andere ziekenhuizen aangeduid werden als PMOC en beslist werd met hen de overeenkomst af te sluiten, niet aangevochten. De individuele beslissingen om met de andere ziekenhuizen de overeenkomst af te sluiten dienden noch bekend gemaakt te worden, noch aan de verzoekende partij betekend te worden. De verjaringstermijn om een beroep in te stellen tegen deze beslissingen nam dan ook een aanvang van zodra de verzoekende partij er kennis van had of er kennis van had kunnen hebben. Uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij kennis heeft van de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.637 XII-9707-16/75 integrale nota aan het Verzekeringscomité van 27 november 2023 waarbij als bijlage 1 de lijst gevoegd is van de kandidaturen die worden aanvaard. Aangezien de verwerende partij op de zitting van 27 november 2023 gelijktijdig beslist heeft over alle ontvankelijke kandidaturen voor de beschikbare plaatsen in de verschillende provincies, zoals blijkt uit de nota aan het Verzekeringscomité en bij e-mail van 8 december 2023 aan de verzoekende partij werd meegedeeld dat haar kandidatuur niet werd weerhouden, kon en moest de verzoekende partij ook weten dat de beslissing om de andere ziekenhuizen aan te duiden als PMOC eveneens reeds genomen werd. Voor zover zij hier nog twijfels over had kunnen hebben, kwam het haar toe om deze beslissingen desgevallend op te vragen bij de verwerende partij. Zoals de Raad reeds meermaals oordeelde, mag diegene die het bestaan van een beslissing kent of redelijkerwijze moet kennen, niet naar eigen goeddunken het verkrijgen van de kennis ervan uitstellen en op die manier door eigen toedoen de aanvang van de beroepstermijn bij de Raad van State vertragen. Bijgevolg zijn deze beslissingen definitief geworden en dit heeft zijn gevolgen voor het belang bij enkele middelen zoals hierna zal blijken.” 12. In haar laatste memorie laat de verzoekende partij dienaangaande gelden: “14. De Eerste Auditeur bekritiseert dat verzoekende partij het maximaal aantal te erkennen PMOC en het beslissingskader daartoe niet heeft aangevochten. Deze kritiek is irrelevant: onderhavige procedure heeft immers enkel betrekking op de toepassing van de erkenningscriteria en de daaruit volgende weigeringsbeslissing. De poging van de Eerste Auditeur om te doen uitschijnen dat verzoekende partij het beslissingskader en de andere erkenningsbeslissingen had moeten aanvechten en dat, bij gebreke daaraan, bepaalde onderdelen van de door verzoekende partij aangebrachte middelen onontvankelijk zouden zijn bij gebrek aan belang faalt naar recht en is naast de kwestie. 15.Voorts volstaat een louter theoretisch belang van een verzoekende partij om een ontvankelijk annulatieberoep in te dienen. De Raad van State dient er daarbij over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast. Verzoekende partij verwijst wat dat betreft naar een arrest van Uw Raad van State van 19 januari 2019, nr.243.406: Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven. Doet een verzoekende partij zulks, dan heeft zij daarmee ook de contouren geschetst waarom het haar te doen is en moet de Raad van State met die door de verzoekende partij vastgelegde grenzen van het gerechtelijk debat rekening houden.[…] Zoals wordt uiteengezet in het eerste middel […] ontving verwerende partij immers 25 ontvankelijke kandidaturen, waaronder de kandidatuur van AZ Turnhout (cf. Bijlage 1 voorbereidende nota van het Verzekeringscomité van 27 november 2023). Overeenkomstig artikel 7, §1, eerste lid van de Overeenkomst moest verwerende partij aldus onverkort overgaan tot de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.637 XII-9707-17/75 erkenning van deze kandidaturen. Bijkomend is er nog één slot beschikbaar om toe te treden tot de overeenkomst. Dat wil zeggen dat een beslissing tot vernietiging van de weigeringsbeslissing door Uw Raad van State ertoe leidt dat verzoekende partij nog steeds aanspraak maakt op de toetreding tot de Overeenkomst. Ook kan het belang van verzoekende partij bij een weigeringsbeslissing erin bestaan dat zij de burgerlijke rechter zou vatten m.h.o.o. het verkrijgen van een schadevergoeding. 16. Ten overvloede wijst verzoekende partij Uw Raad van State er nog op dat de toegekende erkenningen (anders dan de Eerste Auditeur aangeeft) niet definitief zijn. Zo bepaalt artikel 15, §2 van de Overeenkomst dat deze ‘geldig (
  6. is)tot en met 30 november 2028’. Bijkomend beschikt elke partij (d.i. het ziekenhuis maar ook verwerende partij) over de mogelijkheid om de overeenkomst vroegtijdig op te zeggen, mits inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden (artikel 15, §2 van de Overeenkomst). Overigens kan verwerende partij de overeenkomst in ieder geval opzeggen indien een PMOC gedurende twee opeenvolgende jaren niet voldoet aan het criterium van het aantal rechthebbenden (artikel 7, §2, alinea 5 van de Overeenkomst). 17. E.e.a. toont aan dat de kritiek van de Eerste Auditeur met betrekking tot een vermeend gebrek aan belang foutief is. Ontkennen dat verzoekende partij geen belang zou hebben op grond van het feit dat zij de individuele erkenningsbeslissingen en het beslissingskader niet heeft aangevochten, zou in voorliggende omstandigheden zelfs op onevenredige wijze afbreuk doen aan haar recht op toegang tot de rechter.” Beoordeling 13. De verzoekende partij meent dat het niet ter zake doet dat zij de erkenningsbeslissingen van de overige ziekenhuizen niet heeft aangevochten. Met het auditoraatsverslag dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partij enkel haar eigen weigeringsbeslissing aanvecht en dat haar beroep met andere woorden is beperkt tot de beslissing om haar kandidatuur om toe te treden tot de overeenkomst ‘Obesitas bij kinderen’, niet te aanvaarden. Niet blijkt dat zij de individuele beslissingen van dezelfde datum waarbij 21 andere ziekenhuizen aangeduid werden als PMOC en beslist werd met hen de overeenkomst af te sluiten, heeft aangevochten. Niet kan worden ontkend dat de individuele beslissingen om met de andere ziekenhuizen de overeenkomst af te sluiten, om de redenen zoals uitvoerig toegelicht in het auditoraatsverslag, definitief zijn geworden. Evenmin kan worden ontkend dat het definitief worden van de voornoemde individuele beslissingen zijn gevolgen heeft voor het belang bij enkele door de verzoekende partij aangevoerde middelen. XII-9707-18/75 Zoals terecht in het auditoraatsverslag wordt besloten, volgt uit de beoordeling van de middelen dat de verzoekende partij de onwettigheid niet aantoont van de beslissing van de verwerende partij om, enerzijds slechts met maximaal 25 ziekenhuizen een overeenkomst af te sluiten, en anderzijds om deze plaatsen geografisch te verdelen over de deelstaten en over de provincies. Bijgevolg was het aantal plaatsen voor elke provincie beperkt en zijn deze voor de betrokken provincies in deze dossiers definitief ingenomen door andere ziekenhuizen, wat, zoals terecht wordt aangegeven in het auditoraatsverslag, gevolgen heeft voor het belang bij enkele middelen zoals hierna zal blijken. In zoverre de verzoekende partij in haar laatste memorie nog laat gelden dat de beslissingen tot selectie van de overige kandidaten voor de overeenkomst niet definitief zouden zijn, omdat de overeenkomst maar geldig is tot en met 30 november 2028 en zij haar belang bij de middelen bijgevolg put uit het feit dat nadien alle plaatsen terug openliggen, wordt haar betoog niet bijgevallen. De vordering van de verzoekende partij strekt ertoe de weigering aan te vechten om te worden aangeduid als PMOC om de voormelde overeenkomst af te sluiten, dit is, de overeenkomst die geldt tot 30 november 2028. De bestreden beslissing staat er sowieso niet aan in de weg dat de verzoekende partij na afloop van de overeenkomst zich eventueel opnieuw kandidaat kan stellen, zodat zij daaruit haar belang bij de voorliggende vordering niet kan putten. Bijgevolg is dit ook niet relevant ter beoordeling van haar belang bij de middelen. Dat de lopende overeenkomst met één van de ziekenhuizen in de provincie van de verzoekende partij om een of andere reden voor de einddatum van de overeenkomst beëindigd zou worden en dat de verzoekende partij dan opnieuw een kans wil maken om die plaats in te nemen, daaraan staat de bestreden beslissing evenmin in de weg, zodat de verzoekende partij ook daaruit geen belang bij sommige van de door haar aangevoerde middelen kan putten. 14. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, de ambtshalve exceptie gegrond. XII-9707-19/75 A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 15. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in een eerste middel de schending aan van het beginsel patere legem quam ipse fecisti, het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel. Het lid van het auditoraat vat de essentie van het middel, zoals uiteengezet in het verzoekschrift, als volgt samen in haar verslag: “Eerste onderdeel 6.1. In een eerste onderdeel van het eerste middel voert de verzoekende partij in essentie aan dat de verwerende partij ten onrechte slechts 21 ziekenhuizen heeft weerhouden om de overeenkomst mee af te sluiten omwille van een vermeend gebrek aan beschikbare plaatsen terwijl er volgens de overeenkomst 25 beschikbare plaatsen zijn. Hierdoor zou het patere legem- beginsel, het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel geschonden zijn. Tweede onderdeel 6.2. In een tweede onderdeel van het eerste middel voert de verzoekende partij aan dat de verwerende partij ten onrechte onmiddellijk over ging tot een geografische analyse van de kandidaturen zonder eerst te onderzoeken of er al dan niet teveel ontvankelijke kandidaturen waren. Bovendien werd er eerst een geografische analyse per gewest uitgevoerd terwijl dit niet vermeld stond in de selectieprocedure beschreven in artikel 7 van de overeenkomst. Hierdoor zou het patere legem-beginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden zijn. Derde onderdeel 6.3. In een derde onderdeel van het eerste middel voert de verzoekende partij aan dat de verwerende partij bij de geografische analyse ten onrechte rekening heeft gehouden met onontvankelijke kandidaturen. Hierdoor zou het patere legem-beginsel, het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel en het redelijkheidsbeginsel geschonden zijn. Vierde onderdeel 6.4. In een vierde onderdeel voert de verzoekende partij aan dat de verwerende partij haar eigen geografische criterium niet juist toepast. Niet alleen was er in de selectiecriteria in de overeenkomst niet voorzien in een geografische analyse op het niveau van de gewesten. Bovendien werd in de bestreden beslissing bij deze analyse rekening gehouden met het aantal obese kinderen tussen 2 en 18 jaar per gewest ten opzichte van het totale aantal obese kinderen voor het hele Rijk. Het geografische selectiecriterium zoals geformuleerd in de overeenkomst houdt echter rekening met het aantal inwoners tussen 2 en 18 jaar per provincie. Indien dit criterium al op het gewestelijk niveau betrokken kon worden dan had men moeten vaststellen dat Vlaanderen 56% van het totaal aantal minderjarigen in België huisvest zodat er niet 11 maar 14 PMOC in Vlaanderen moesten worden erkend. XII-9707-20/75 Hierdoor zou het patere legem-beginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden zijn.” 16. In de memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij hieraan toe: “42. Allereerst moet verzoekende partij vaststellen dat verwerende partij – anders dan zij voorhoudt in haar memorie van antwoord van 18 april 2024 – het wel degelijk eens is met de door verzoekende partij gegeven omschrijving van de toepasselijke toetsingsnormen. Verwerende partij problematiseert daarentegen enkel de toepassing van deze toetsingsnormen in huidig geschil. Dat blijkt onder meer uit het verweer dat verwerende partij aanvoert bij de weerlegging van het redelijkheidsbeginsel. Verwerende partij argumenteert dat de beslissing in casu genomen werd door de feitelijkheden in acht te nemen die de aanvragende partijen in dit dossier meegedeeld hebben. Dit betreft dus niet de definitie van het redelijkheidsbeginsel, maar de toepassing ervan ten gronde. 43. Ten tweede moet verzoekende partij vaststellen dat verwerende partij er niet in slaagt om door middel van degelijke overtuigingsstukken aan te tonen dat zij de toetsingsnormen op voorliggend geschil correct toegepast zou hebben (quod non). Waar verwerende partij doet uitschijnen dat zij de toetsingsnomen in casu toepast, parafraseert zij in werkelijkheid keer op keer louter het theoretisch kader van deze toepassingsnormen. Dit blijkt onder meer uit het verweer dat verwerende partij aanvoert bij de weerlegging van het redelijkheidsbeginsel. Verwerende partij beweert dat het Verzekeringscomité alle feitelijkheden in acht genomen heeft die de aanvragende partijen meegedeeld hebben in dit dossier. Zij staaft dit evenwel niet door te verwijzen naar concrete stukken. Ook het zorgvuldigheidsbeginsel problematiseert verwerende partij zonder zich hierbij te baseren op relevante stukken of bijkomende relevante uitleg. Verwerende partij poneert louter dat: Het staat zonder twijfel dat het Verzekeringscomité voorafgaand een grondige analyse uitwerkte o.m. na inwinnen van prevalentiecijfers aangeleverd door de Belgische Vereniging voor de Studie van Obesitas, BASO) waarin nauwkeurig uitgewerkte criteria werden opgenomen om het doel te bereiken en om een efficiënte en nauwkeurige beslissing te nemen. Het staat net wél ter discussie of het Verzekeringscomité een grondige analyse uitgewerkt heeft. Verzoekende partij moet echter vaststellen dat geen enkel bijkomend stuk bijgebracht wordt waaruit net zou blijken dat het Verzekeringscomité deze criteria nauwkeurig uitgewerkt zou hebben. Dit blijkt ook niet uit het dossier, aangezien er tussen de verschillende aanvragende ziekenhuizen twijfel bestond over de interpretatie van verschillende criteria zoals het aantal rechthebbenden. Verzoekende partij moet echter vaststellen dat verwerende partij hierop geen antwoord biedt. Overigens past verwerende partij het rechtszekerheidsbeginsel ook verkeerd toe. Zij argumenteert waarom de rechtszekerheid ten aanzien van de patiënt niet geschonden zou zijn. Verzoekende partij, die van oordeel is dat verwerende partij dit beginsel schond, is echter een ziekenhuis. En het is de overheid die de rechtmatige verwachtingen van een ziekenhuis, ook een rechtsonderhorige, niet inlost. Tot slot betwist verwerende partij ook bij dit eerste middel het evenredigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en de motiveringsplicht. Dit ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.637 XII-9707-21/75 zijn echter geen beginselen van algemeen bestuur die in dit eerste middel ter discussie staan. Bijgevolg zal verzoekende partij er onder dit middel niet verder op ingaan. 2° De bestreden beslissing is in strijd met het beginsel patere legem quam ipse fecisti, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel a. Eerste onderdeel: het RIZIV erkende geen 25 PMOC en schendt bijgevolg het beginsel patere legem quam ipse fecisti en het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel […] 46. Inzake het eerste onderdeel van het eerste middel verwijst verzoekende partij naar hetgeen zij hierboven […] reeds heeft uiteengezet en waarin zij volhardt. Zij voegt hier het volgende aan toe. 47. Verzoekende partij betwist de zienswijze van verwerende partij dat zij geen 25 PMOC diende te erkennen. De criteria die het Verzekeringscomité zelf opgesteld heeft, vermelden duidelijk dat de overheid pas zou overgaan tot een selectie tussen de verschillende kandidaten wanneer zij méér dan 25 ontvankelijke kandidaten zou hebben. Art. 7, §1 van de Overeenkomst is hierin duidelijk: Het aantal PMOC wordt beperkt in functie van het beschikbaar budget tot maximaal 25 PMOC. Elk centrum mag zich kandidaat stellen. De procedure en modaliteiten van kandidaatstelling worden bekend gemaakt via de website van het RIZIV. Indien er meer ontvankelijke kandidaturen zijn dan beschikbare plaatsen, zal de eerste contractant een selectie maken gebaseerd op volgende criteria: • De geografische verspreiding van de provincies waar de PMOC zich bevinden, gewogen voor het aantal inwoners, vanaf de 2de verjaardag tot de 18de verjaardag, per provincie. • Aantal rechthebbenden in permanente opvolging bij het PMOC op het moment van indienen van de aanvraag. […] Dit impliceert dus dat verwerende partij, indien zij 25 ontvankelijke kandidaturen zou ontvangen, zou overgaan tot het erkennen van 25 PMOC. Dit gebeurde niet. 48. Bovendien verwijst verzoekende partij naar de voorbereidende nota CGV/348 van 27 november 2023 van de werkgroep van het Verzekeringscomité, waarbij de verschillende kandidaturen geanalyseerd werden. Verzoekende partij stelt vast dat de werkgroep bij deze nota wél overging tot het voorstellen van 25 kandidaten voor de erkenning als PMOC. Bij deze nota werd wél duidelijk de procedure gevolgd zoals deze bepaald werd in de Overeenkomst. Tijdens de vergadering van 27 november 2023 stelde het Verzekeringscomité echter vast dat er 25 PMOC-erkenningen te weinig zullen zijn voor de zorgbehoefte van jongeren met obesitas. Een zorgvuldig handelend bestuur zou – indien zij dergelijke vaststelling zou doen – een aanpassing van het voorgestelde kader moeten doen (bijvoorbeeld door het aantal erkenningen te verhogen naar meer dan 25). In plaats daarvan besluit verwerende partij – geheel contra legem – om niet minder dan 4 erkenningen voor te behouden voor Waalse en Brusselse ziekenhuizen en zo verzoekende partij (die nochtans en een ontvankelijke aanvraag inhoudt en beschikt over een bijzonder grote expertise) geen erkenning toe te kennen. 49. Daarnaast wil verzoekende partij erop wijzen dat verwerende partij in haar memorie van antwoord meermaals aanhaalt dat de vier overige plaatsen voorbehouden worden voor de Waalse en Brusselse, onontvankelijke kandidaturen: XII-9707-22/75 Aangezien er volgens de geografische spreiding en het aantal obese rechthebbenden 2 centra in Henegouwen tekort zijn, wordt aan CHU Tivoli en aan Centre hospitalier EpuCURA bijkomend tijd tot 31 mei 2024 gegeven om binnen hun centrum te voldoen aan de voorwaarden van de overeenkomst en daartoe een aanvullend dossier in te dienen. Zodra hun kandidatuur ontvankelijk is, zal dat centrum kunnen toetreden tot de overeenkomst en dit op de eerste dag van de maand na indiening van de ontvankelijke kandidatuur. Hetzelfde geldt voor Luxemburg en het aldaar gelegen Vivalia- CHCA Libramont, alsook voor Brussel en het aldaar gelegen ASBL Chirec Bruxelles. […] Het Verzekeringscomité houdt dus wel degelijk rekening met 25 plaatsen voor erkende PMOC én garandeert deze reeds voor de Waalse en Brusselse ziekenhuizen die onvoldoende expertise konden aantonen en bijgevolg onontvankelijk verklaard werden. Het is dus incorrect van verwerende partij om voor te houden dat de 25 plaatsen geen exhaustief in te vullen aantal was, terwijl zij de facto deze 25 plaatsen reeds ingevuld heeft (ook met onontvankelijke kandidaturen). 50. Tot slot strookt dit argument van verwerende partij ook niet met het initiële doeleinde van de PMOC, namelijk om de erkende centra te spreiden en zo toegankelijk te maken voor iedere minderjarige patiënt die hier nood aan heeft. Indien het Verzekeringscomité de centra zo toegankelijk mogelijk wou maken voor de patiënten, dan zou zij de 25 voorziene plaatsen voor erkende PMOC volledig benut hebben. Zeker aangezien er kandidaturen waren, waaronder verzoekende partij, die wel degelijk voldeden (en nog steeds voldoen) aan de vooropgestelde kwaliteitscriteria. Deze doelstelling staat onder meer in art. 3 van de Overeenkomst […]. […] Ook de Nota aan de Ministerraad van 12 december 2023 vermeldt deze doelstelling […]. […] Het is onlogisch om initieel een goed georganiseerd zorgaanbod te willen realiseren en toegankelijk te willen zijn voor de patiënten, om vervolgens geen gebruik te maken van het aantal voorzien[…]e plaatsen voor erkende PMOC. Bovendien zullen huidige en toekomstige patiënten afhaken doordat zij zich niet vlot kunnen verplaatsen naar de verder gelegen PMOC. Zoals reeds aangehaald komen deze minderjarige patiënten met overgewicht vaak uit zwakkere sociale milieus, waar de ouders meestal ook minder mobiel zijn (en bv. geen eigen gezinswagen hebben). Voor hen is dus cruciaal dat alle beschikbare plaatsen voor PMOC benut worden. Op die manier moeten zij zich minder ver verplaatsen en kunnen ze hun behandeling en opvolging langer volhouden. Het argument van verwerende partij kan dan ook niet gevolgd worden. b. Tweede onderdeel: het RIZIV ging onmiddellijk over tot een geografische analyse op basis van gewesten wat in strijd is met het patere legem quam ipse fecisti en het zorgvuldigheidsbeginsel […] 55. Inzake het tweede onderdeel van het eerste middel verwijst verzoekende partij naar hetgeen zij hierboven […] reeds heeft uiteengezet en waarin zij volhardt. Zij voegt hier het volgende nog aan toe. 56. Verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord dat zij 25 ontvankelijke kandidaturen ontving. Verwerende partij concludeert namelijk dat de Waalse en Brusselse ziekenhuizen bijkomende tijd kon gegeven worden, aangezien er geen sprake was van meer dan 25 ontvankelijke kandidaturen. XII-9707-23/75 Echter, overeenkomstig artikel 7, §1 van de Overeenkomst kon verwerende partij slechts overgaan tot een analyse van de kandidaturen op basis van de criteria ‘aantal rechthebbenden’ en ‘geografische spreiding’ wanneer zij méér dan 25 kandidaturen ontvangen heeft: Artikel 7. §1. Aantal PMOC Het aantal PMOC wordt beperkt in functie van het beschikbaar budget tot maximaal 25 PMOC. Elk centrum mag zich kandidaat stellen. De procedure en modaliteiten van kandidaatstelling worden bekend gemaakt via de website van het RIZIV. Indien er meer ontvankelijke kandidaturen zijn dan beschikbare plaatsen, zal de eerste contractant een selectie maken gebaseerd op volgende criteria: • De geografische verspreiding van de provincies waar de PMOC zich bevinden, gewogen voor het aantal inwoners, vanaf de 2de verjaardag tot de 18de verjaardag, per provincie. • Aantal rechthebbenden in permanente opvolging bij het PMOC op het moment van indienen van de aanvraag. Verwerende partij geeft dus zélf aan dat zij niet meer dan 25 ontvankelijke kandidaturen ontvangen heeft. Zij kon – rekening houdende met haar eigen selectiecriteria – dus niet overgaan tot een geografische analyse en het aantal rechthebbenden in rekening brengen. Opnieuw moet verzoekende partij vaststellen dat verwerende partij niet eens verklaart waarom zij toch een selectie deed op basis van de aanvullende criteria, nu er niet meer ontvankelijke kandidaturen waren dan beschikbare plaatsen. 57. Bovendien verwijst verzoekende partij opnieuw naar de voorbereidende nota CGV/348 van 27 november 2023 van de werkgroep van het Verzekeringscomité. Verzoekende partij benadrukt dat de werkgroep van het Verzekeringscomité bij deze nota wel overging tot het voorstellen van 25 kandidaten voor de erkenning als PMOC, zonder dat hierbij eerst een geografische analyse uitgevoerd werd. Ook voor de werkgroep van het Verzekeringscomité was het dus duidelijk dat deze geografische spreiding pas uitgevoerd kon worden wanneer verwerende partij meer dan 25 ontvankelijke kandidaturen zou hebben (quod non). De procedure werd dus door de werkgroep uitgevoerd zoals ze bepaald werd in de Overeenkomst. 58. Verzoekende partij moet bijkomend vaststellen dat het Verzekeringscomité tijdens de vergadering van 27 november 2023 al opmerkte dat het Waalse en Brusselse grondgebied niet over voldoende expertise beschikken om een gelijkwaardig aantal erkende PMOC te hebben als het Vlaamse grondgebied. De voorbereidende nota van de werkgroep van het Verzekeringscomité kwam namelijk tot dezelfde conclusie: Opvallend is dat er meer kandidaturen met uitgewerkte initiatieven vanuit Vlaamse kant werden ingediend. In de toekomst moet er meer aandacht zijn voor de expertiseontwikkeling in de Waalse regio. Dit betekent echter niet dat men onontvankelijke kandidaturen, zoals de kandidatuur van verzoekende partij, kon afwijzen om deze plaatsen te garanderen voor kandidaten die niet over voldoende expertise beschikken. Zoals verwerende partij namelijk zelf meermaals aanhaalt in haar memorie van antwoord is het niet in het belang van de patiënt om centra die over onvoldoende kennis en expertise beschikken, te erkennen: Het zijn de criteria als vooropgesteld bij de oproeping in het document tot kandidaatstelling, als in te vullen door de kandidaten, welke werden weerhouden door het Verzekeringscomité om diens analyse te maken. Expertise is hierin erg belangrijk. De obesitas schalen EOSSP-2 en 3 zijn zeer ernstig. PMOC’s moeten aan alle expertise voldoen. Een centrum erkennen ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.637 XII-9707-24/75 met onvoldoende expertise kan in de toekomst nadelig zijn voor de zorg van de patiënt. […] Een zorgvuldig handelend bestuur zou – indien zij dergelijke vaststelling zou doen – een aanpassing van het voorgestelde kader moeten doen (bijvoorbeeld door het aantal erkenningen te verhogen naar meer dan 25). In plaats daarvan besluit verwerende partij – geheel contra legem – om niet minder dan 4 erkenningen voor te behouden voor Waalse en Brusselse ziekenhuizen en zo verzoekende partij (die nochtans en een ontvankelijke aanvraag inhoudt en beschikt over een bijzonder grote expertise) geen erkenning toe te kennen. 59. Bovendien wordt dit onzorgvuldig en onwettig handelen ook aangetoond doordat het Verzekeringscomité het nodig achtte de Overeenkomst te wijzigen nadat verzoekende partij haar kandidatuur ingediend had én de initiële termijn voor aanvragen reeds verstreken was. De Overeenkomst die momenteel gepubliceerd is op de website van het RIZIV bepaalt in art. 7, §1 namelijk […]: §1 Aantal PMOC Het aantal PMOC wordt beperkt in functie van het beschikbaar budget tot maximaal 25 PMOC. Elk centrum mag zich kandidaat stellen. De procedure en modaliteiten van kandidaatstelling worden bekend gemaakt via de website van het RIZIV. Indien er meer ontvankelijke kandidaturen zijn dan beschikbare plaatsen, zal de eerste contractant een selectie maken gebaseerd op volgende criteria: • De geografische verspreiding van de provincies waar de PMOC zich bevinden, gewogen voor het aantal inwoners, vanaf de 2de verjaardag tot de 18de verjaardag, per provincie. • Aantal rechthebbenden in permanente opvolging bij het PMOC op het moment van indienen van de aanvraag. Een centrum dat een kandidatuur heeft ingediend en op basis van het voormelde criterium in verband met de geografische spreiding en aantal rechthebbenden in aanmerking komt om toe te treden tot de overeenkomst, maar niet over de noodzakelijke expertise beschikt zoals gedefinieerd in artikel 7, paragraaf 4, krijgt uitstel tot 31 mei 2024 om te voldoen aan de voorwaarden van de overeenkomst inzake de noodzakelijk vereiste expertise. Daartoe kan een aanvullend of aangepast dossier ingediend worden voor 31 mei 2024. Deze tweede paragraaf van art. 7, §1 was echter niet terug te vinden in de oorspronkelijke Overeenkomst die verzoekende partij getekend heeft. Enkel de eerste paragraaf is terug te vinden in de initiële tekst […]. Het Verzekeringscomité draait het toekenningsproces echter om door eerst de kandidaten te selecteren waarmee men de Overeenkomst wil afsluiten, om daarna de Overeenkomst te wijzigen zodat deze kandidaten ook kunnen geselecteerd worden. Bovendien besefte het Verzekeringscomité ook dat zij de vooropgestelde procedure niet gevolgd heeft, anders was er geen nood tot wijziging van de Overeenkomst, in tegenstelling tot wat verwerende partij beweert. Het post factum wijzigen van de Overeenkomst toont juist aan dat het Verzekeringscomité zelf aanvoelde dat het schoentje knelde bij de toepassing van hun vooropgestelde procedure voor de toewijzing van erkenningen aan kandidaat-PMOC. 60. Tot slot vermeldt verwerende partij in dat opzicht ook dat zij bij de analyse van de geografische spreiding rekening hield met een spreiding over de verschillende ziekenhuisnetwerken. Dit is echter manifest onjuist. Zo behoren het Universitair Ziekenhuis Antwerpen, AZ Voorkempen en AZ Klina tot hetzelfde ziekenhuisnetwerk Helix en AZ Sint-Jan Brugge en ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.637 XII-9707-25/75 AZ Alma behoren beide tot het KOM-netwerk. Het ZNK-netwerk waartoe AZ Turnhout behoort, beschikt daarentegen over geen enkele PMOC- erkenning. c. Derde onderdeel: het RIZIV hield rekening met onontvankelijke kandidaturen wat in strijd is met het beginsel patere legem quam ipse fecisti, het rechtszekerheid- en vertrouwensbeginsel en het redelijkheidsbeginsel […] 63. Inzake het derde onderdeel van het eerste middel verwijst verzoekende partij naar hetgeen zij hierboven […] reeds heeft uiteengezet en waarin zij volhardt. Zij voegt hier nog het volgende aan toe. 64. Verzoekende partij kan niet anders dan vaststellen dat verwerende partij ook in haar memorie van antwoord toegeeft dat zij rekening gehouden heeft met onontvankelijke kandidaturen. Dit gaat uiteraard in tegen de procedure die zij zelf vooropgesteld heeft. d. Vierde onderdeel: het RIZIV paste haar eigen geografisch criterium niet correct toe, strijdig met het beginsel patere legem quam ipse fecisti en het zorgvuldigheidsbeginsel […] 69. Inzake het vierde onderdeel van het eerste middel verwijst verzoekende partij naar hetgeen zij hierboven […] reeds heeft uiteengezet en waarin zij volhardt. Zij voegt hier nog het volgende aan toe. 70. Verzoekende partij moet vaststellen dat verwerende partij geen repliek voorziet op de argumentatie uit dit vierde onderdeel van het eerste middel. Verwerende partij herhaalt louter haar antwoord, namelijk dat zij het geografisch criterium correct toegepast heeft. Zij brengt echter geen enkel stuk bij die haar argumentatie zou kunnen staven. Ook de berekeningen van het aantal PMOC per gewest en per provincie worden niet verder gestaafd of uiteengezet. 71. Tot slot verwijst verzoekende partij naar de argumentatie die aangehaald werd met betrekking tot de verschuiving van het aantal PMOC tussen de verschillende provincies. Aangezien verwerende partij hier een antwoord biedt op hetgeen verzoekende partij pas in het tweede middel opwerpt, zal zij daar haar repliek voorzien. e. Besluit 72. Uit al het voorgaande blijkt duidelijk dat het RIZIV haar eigen regels niet (correct) toepast, ongeacht het feit dat deze regels bovendien arbitrair en kennelijk onredelijk zijn […]. Dit is in strijd met het beginsel patere legem quam ipse fecisti en met het zorgvuldigheidsbeginsel. Het RIZIV heeft namelijk niet op zorgvuldige wijze haar beslissing voorbereid en genomen. Bovendien schendt het RIZIV ook het redelijkheidsbeginsel door haar beleidsvrijheid op een onjuiste wijze aan te wenden en het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel door bij het AZ Turnhout de rechtmatige verwachting te creëren 25 PMOC te erkennen wanneer men voldoende ontvankelijke aanvragen ontvangen heeft. Het RIZIV deed dit echter niet en schond hierbij onder meer het rechtszekerheid- en vertrouwensbeginsel.” 17. In haar laatste memorie laat de verzoekende partij nog gelden: “20. De Eerste Auditeur voert aan dat enkel de definitieve nota van het Verzekeringscomité van november 2023 relevant is voor de bepaling van de selectieprocedure. Toch verwijst zij ter staving van haar argumentatie zelf ook naar de notulen van de vergadering van het Verzekeringscomité van 25 september 2023 (d.i. een nota die volgens haar irrelevant is voor XII-9707-26/75 voorliggende procedure). De Eerste Auditeur lijkt m.a.w. zelf niet overtuigd te zijn van de zogenaamde irrelevantie van ‘voorbereidende documenten’. Verzoekende partij voegt nog toe dat uit de voorbereidende nota van 27 november 2023 blijkt dat de kandidatuur van AZ Groeninge onontvankelijk was […] en aldus wijst op de willekeur in het beslissingsproces van verwerende partij. De voorbereidende nota is bijgevolg wel degelijk relevant in voorliggende procedure. 21. Verder stelt de auditeur dat de verdeling van de beschikbare PMOC- erkenningen (
  7. i)eerst per gewest, (
  8. ii)daarna per provincie moet gebeuren en (iii) dat ten slotte per provincie enkel van de ontvankelijke kandidaturen het aantal rechthebbenden wordt beoordeeld. Deze interpretatie van artikel 7, §1, eerste alinea van de Overeenkomst is onjuist. Zoals Uw Raad van State zal kunnen vaststellen, bepaalt de Overeenkomst enkel dat: − indien het aantal ontvankelijke kandidaturen kleiner dan of gelijk is aan 25 elke kandidaat onverkort wordt erkend. In dat geval wordt er dus geen rekening gehouden met de geografische spreiding (noch met het aantal rechthebbenden); − indien het aantal ontvankelijke kandidaturen groter is dan 25 er een selectie wordt gemaakt, waarbij de PMOC-erkenningen eerst worden verdeeld over de provincies (‘geografisch criterium’) en vervolgens per provincie wordt gekeken naar het aantal rechthebbenden (criterium van ‘aantal rechthebbenden’). De voorafgaandelijke verdeling over de gewesten staat in ieder geval niet in de overeenkomst. Het is m.a.w. duidelijk dat de voorafgaandelijke verdeling van het aantal beschikbare plaatsen over de gewesten contra legem is. Bijkomend zijn de door verwerende partij gebruikte cijfers om tot het maximaal aantal PMOC te komen in ieder geval beschikbaar per provincie, zodat de ‘tussenstap’ van een gewestelijke verdeling irrelevant is. 22. Bijkomend wijst verzoekende partij Uw Raad van State op een feitelijke onjuistheid van de Eerste Auditeur met betrekking tot de toegekende bijkomende termijn van bepaalde kandidaten. De Eerste Auditeur poneert namelijk dat de aangepaste versie van de overeenkomst (waarbij een bijkomende termijn werd toegekend aan ziekenhuizen om een aangepaste kandidatuur in te dienen) reeds als bijlage werd gevoegd bij de nota van 27 november 2023. Dit is echter onjuist. Artikel 7, §1 van de oorspronkelijke overeenkomst bevatte namelijk enkel de selectiecriteria en vermeldde niets over een bijkomende termijn om een aangepaste kandidatuur in te dienen. Het RIZIV publiceerde daarentegen pas begin 2024 een aangepaste overeenkomst op haar website (en verwijderde de eerdere versie) waarin een bijkomende alinea werd toegevoegd aan artikel 7, §1 van de overeenkomst. De Eerste Auditeur gaat m.a.w. geheel voorbij aan het feit dat verwerende partij en cours de route haar beslissingskader als het ware op maat gemaakt heeft van bepaalde ziekenhuizen. b. Eerste onderdeel: het RIZIV erkende geen 25 PMOC en schendt bijgevolg het beginsel patere legem quam ipse fecisti en het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel […] […] 25. Anders dan de Eerste Auditeur beweert, stelde het Verzekeringscomité (en niet verzoekende partij) vast dat 25 PMOC-erkenningen te weinig zouden zijn om tegemoet te komen aan de zorgbehoefte van kinderen met obesitas. Verzoekende partij werpt in haar procedurestukken enkel op dat een zorgvuldig handelend bestuur bij dergelijke vaststelling de nodige maatregelen had moeten treffen om het voorgesteld kader aan te passen aan ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.637 XII-9707-27/75 de reële zorgnood. De kritiek van de Eerste Auditeur is wat dat betreft derhalve onjuist. Ten overvloede verwijst de Eerste Auditeur, in navolging van verwerende partij, naar cijfers van het BVAS of de gezondheidsenquête 2018 om aan te tonen dat zij wel degelijk een voldoende aantal erkenningen heeft vastgelegd. Verwerende partij legt deze concrete rapporten echter niet voor, zodat verzoekende partij niet kan nagaan of de aannames met betrekking tot de prevalentie van obesitas bij minderjarigen wel voldoende verfijnd werden per regio (of zelfs gemeente). 26.Verder lijkt de Eerste Auditeur al te gemakkelijk voorbij te gaan aan het feit dat de voorafgaandelijke verdeling van de PMOC-erkenningen over de gewesten niet is opgenomen in de overeenkomst. Aangezien verwerende partij (
  9. i)en cours de route de tekst van de overeenkomst aanpaste en zo de facto enkel de Waalse ziekenhuizen bijkomende tijd verleende om een aangepaste kandidatuur in te dienen en daarenboven (
  10. ii)geheel contra legem een bijkomend geografisch criterium toevoegde aan de overeenkomst, behoeft het geen verder betoog dat het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel alleszins zijn geschonden. Anders dan de Eerste Auditeur laat uitschijnen, doet de mate van beleidsvrijheid waarover verwerende partij al dan niet zou beschikken hieraan geen afbreuk. Het verbaast verzoekende partij overigens dat de Eerste Auditeur vervolgens zelf een invulling geeft aan de reden waarom verwerende partij geen 25 centra heeft erkend. De aannames dienaangaande voegen niets toe in voorliggende procedure. 27.Dat verwerende partij verder niet de facto al 25 plaatsen zou hebben ingevuld klopt niet. Zoals aangehaald in haar procedurestukken, erkent verwerende partij allereerst zelf in de definitieve nota van 27 november 2023 dat zij de laatste vier plaatsen overhoudt voor de onontvankelijke Waalse en Brusselse ziekenhuizen (d.i. Chirec Hôpital Delta Bruxelles, CHU Tivoli, Centre Hospitalier Epicura en Vivalia–CACH Libramont). De erkenningspraktijk van verwerende partij bevestigt dit verder: Chirec Hôpital Delta Bruxelles trad toe tot de overeenkomst op 1 juli 2024 en CHU Tivoli resp. Centre Hospitalier Epicura op 1 april 2025.Voorhouden dat deze plaatsen niet werden voorbehouden aan deze ziekenhuizen is aldus niet ernstig, nu drie van de vier overblijvende plaatsen werden ingevuld door destijds onontvankelijke kandidaturen. 28.Ten slotte is de redenering van de Eerste Auditeur met betrekking tot het totaal ontvangen ontvankelijke kandidaturen onjuist. Zoals duidelijk staat gestipuleerd in artikel 7, §1 van de overeenkomst, mocht verwerende partij slechts overgaan tot een selectie op basis van de selectiecriteria (d.i. ‘geografisch criterium’ en ‘aantal rechthebbenden’) als het aantal ontvankelijke kandidaturen meer was dan 25. Verwerende partij moest m.a.w. eerst de ontvankelijkheid van de kandidaturen nagaan en desgevallend pas erna (als er meer ontvankelijke kandidaturen waren dan beschikbare erkenningen) overgaan tot een selectie op basis van de criteria zoals vermeld in artikel 7 van de Overeenkomst. De voorbereidende nota van 27 november 2023 bepaalt dat er 35 PMOC- kandidaturen werden ingediend, waarvan 25 ontvankelijk waren. Overeenkomstig artikel 7, §1, eerste alinea van de Overeenkomst werd aldus besloten tot de onmiddellijke erkenning van al deze kandidaturen, hetgeen inderdaad de enige juiste toepassing kan zijn van dit artikel. De definitieve versie van diezelfde nota bepaalt daarentegen dat er 26 ontvankelijke kandidaturen zouden zijn. Een analyse van hoe verwerende partij tot dit aantal komt, leidt tot de conclusie dat zij de kandidatuur van AZ Groeninge ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.637 XII-9707-28/75 oorspronkelijk als onontvankelijk bestempelde (wegens een gebrek van een overzicht van aantal rechthebbenden) om de kandidatuur vervolgens alsnog ontvankelijk te verklaren. Overeenkomstig artikel 7, §2 van de Overeenkomst moet een PMOC bij opstart ten minste 100 rechthebbenden met obesitas permanent in regelmatige behandeling te hebben. Bij wijze van overgangsmaatregel kan worden aanvaard dat het cijfer van 100 rechthebbenden in behandeling pas vanaf het tweede jaar bereikt wordt. Niettegenstaande de onduidelijke formulering van het aantal rechthebbenden, impliceert deze paragraaf alleszins dat een lijst met aantal rechthebbenden essentieel is om een onontvankelijke kandidatuur in te dienen. Om ontvankelijk te zijn, moest een kandidatuur bijkomend ten laatste op 31 oktober 2023 worden ingediend. Uit de voorbereidende nota van 27 november blijkt duidelijk dat AZ Groeninge geen lijst met rechthebbenden toevoegde aan haar kandidatuur, zodat die inderdaad onontvankelijk was. Verwerende partij lijkt evenwel geheel voorbij te gaan aan deze grond van onontvankelijkheid door in de tweede nota te stellen dat de kandidatuur van AZ Groeninge enkel niet wordt weerh[ou]den op basis van het geografisch criterium. Deze beoordeling faalt evenwel in rechte: de kandidatuur van AZ Groeninge was niet ontvankelijk, zodat zij ab initio niet kon worden weerhouden. Dat verwerende partij desondanks overgaat tot een beoordeling ervan op basis van de selectiecriteria is strijdig met de Overeenkomst. Het behoeft aldus geen betoog dat het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel geschonden zijn. Wederom maakt verwerende partij op onjuiste wijze ‘gebruik’ van het beslissingskader om het hoge aantal onontvankelijke kandidaturen in Brussel en Wallonië te remediëren […]. 29. Het eerste onderdeel van het eerste middel is ontvankelijk en gegrond. c. Tweede onderdeel (het RIZIV ging onmiddellijk over tot een geografische analyse op basis van gewesten wat in strijd is met het patere legem quam ipse fecisti-beginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel) en vierde onderdeel (het RIZIV paste haar eigen geografisch criterium niet correct toe, strijdig met het […] patere legem quam ipse fecisti-beginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel) […] 32. De stelling dat er 26 ontvankelijke kandidaturen zouden zijn ingediend is onjuist. […] Gelet op het voorgaande zal Uw Raad van State ontegensprekelijk moeten vaststellen dat er wel degelijk 25 (en geen 26) ontvankelijke kandidaturen waren, zodat verwerende partij geenszins mocht overgaan tot een beoordeling van de kandidaturen op basis van de selectiecriteria. 33. De Eerste Auditeur stelt dat de voorafgaandelijke verdeling van het aantal beschikbare erkenningen over de gewesten een verdere verfijning betreft van de selectiecriteria van de Overeenkomst. Om niet in herhaling te vallen verwijst verzoekende partij naar hetgeen zij hierover [al] heeft […] uiteengezet […]. Bijkomend verwijst de Eerste Auditeur naar de notulen van de vergadering van het Verzekeringscomité van 25 september 2023, waarin een geografische spreiding aan de hand van de ziekenhuizen wordt gesuggereerd zodat er één erkend centrum per ziekenhuisnetwerk zou moeten zijn om een goede geografische spreiding te garanderen. Het aantal ziekenhuisnetwerken werd inderdaad tevens vastgelegd op maximaal 25 om een goede geografische spreiding van zorgopdrachten te kunnen garanderen. Daarbij beschikt Vlaanderen over 13, Brussel over 4 en Wallonië over 8 ziekenhuisnetwerken. Verzoekende partij stelt evenwel vast dat (
  11. i)Vlaanderen over 11 in plaats van 13 PMOC beschikt (in lijn met het aantal ziekenhuisnetwerken) en (
  12. ii)dat het ziekenhuisnetwerk Briant en het ziekenhuisnetwerk Kempen niet eens over ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.637 XII-9707-29/75 één PMOC-erkenning beschikken terwijl o.a. het Helix-netwerk en het KOM- netwerk zelfs over 2 PMOC-erkenningen beschikken. Het mag duidelijk zijn dat de doelstelling van de geografische spreiding minstens op een merkwaardige manier werd ingevuld door verwerende partij, waarbij zij de achterliggende ratio volledig achterwege gelaten heeft. Overigens benadrukt de Eerste Auditeur dat de ratio van de Overeenkomst het vermijden van blinde vlekken in het zorgaanbod is. Verzoekende partij stelt evenwel vast dat er net door de weigeringsbeslissing in de praktijk een blinde vlek is ontstaan in de regio Turnhout. Verwerende partij had als zorgvuldig bestuur bij de vastlegging van het kader c.q. de verspreiding van de centra rekening moeten houden met de regionale cijfers (en niet enkel met de provinciale cijfers) om deze ratio werkelijk te kunnen toepassen in de praktijk. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt immers in dat een bestuur haar beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Welnu, bij een zorgvuldige analyse van de zorgnood in de regio Antwerpen had zij kunnen vaststellen dat het aantal rechthebbenden in de regio Turnhout groter is dan in de regio van AZ Voorkempen […]. 34. De redenering omtrent de afronding van het aantal PMOC per gewest verbaast verzoekende partij ten zeerste. Allereerst herhaalt zij dat een voorafgaandelijke verdeling van het aantal PMOC-erkenningen per gewest niet alleen contra legem is. Bijkomend is die oefening geheel overbodig, nu de bevolkingscijfers o.a. via Statbel zonder meer beschikbaar zijn op provinciaal niveau […]. Het staat aldus buiten k[ij]f dat de post factum toevoeging van een bijkomend selectiecriterium en de willekeurige toepassing van gebruikte afrondingsregels wel degelijk aantonen dat verwerende partij het patere legem-beginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. 35. Ten slotte voert de Eerste Auditeur nog aan dat er met de bestreden beslissing niet zou zijn beslist om een overeenkomst te sluiten met ziekenhuizen die een onontvankelijke kandidatuur indienden. Dit is onjuist. Om niet in herhaling te vallen verwijst verzoekende partij naar hetgeen zij dienaangaande al heeft uiteengezet […]. 36. Het tweede en vierde onderdeel van het eerste middel zijn aldus gegrond. d. Derde onderdeel: het RIZIV hield rekening met onontvankelijke kandidaturen wat in strijd is met het patere legem quam ipse fecisti-beginsel, het rechtszekerheid- en vertrouwensbeginsel en het redelijkheidsbeginsel […] 39. Ook wat betreft het derde onderdeel van het eerste middel een interpretatie aan van de overeenkomst die geheel contra legem is. Verzoekende partij herhaalt dat verwerende partij niet eens moet overgaan tot de beoordeling van de ingediende kandidaturen, omdat zij slechts 25 ontvankelijke kandidaturen heeft ontvangen. Zelfs indien er 26 ontvankelijke kandidaturen zouden zijn geweest (quod non), dan is de verdeling zoals voorgesteld door de Eerste Auditeur (en verwerende partij) onjuist. De ontvankelijke kandidaturen zouden in dat geval immers enkel per provincie (geografisch criterium) moeten worden beoordeeld op grond van het aantal rechthebbenden. Dat de beschikbare plaatsen voorafgaandelijk zouden moeten worden verdeeld over de gewesten is onjuist. Bijkomend volgt uit (
  13. i)de post factum aanpassing van de Overeenkomst (zodat aan de Brusselse en Waalse ziekenhuizen een bijkomende termijn wordt toegekend om de onontvankelijkheid van hun kandidatuur te remediëren) en (
  14. ii)het feit dat Chirec Hôpital Delta Bruxelles, CHU Tivoli en Centre Hospitalier Epicura intussen wel degelijk werden erkend duidelijk ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.637 XII-9707-30/75 dat verwerende partij deze kandidaturen in ieder geval zou laten toetreden tot de Overeenkomst. Verzoekende partij verwijst naar hetgeen zij hierover al heeft uiteengezet […]. 40. Het derde onderdeel is wel degelijk gegrond. e. Besluit 41. Op basis wat hierboven is weergegeven, zal Uw Raad van State moeten vaststellen dat de kritiek van de Eerste Auditeur veelal uitgaat van een verkeerde voorstelling van de feiten en van verkeerde premisses over het toepasselijk beslissingskader. Het voorgaande toont aldus aan dat verwerende partij haar eigen selectieprocedure niet volgde en dat de bestreden beslissing in strijd is met het patere legem quam ipse fecisti-beginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel schendt. Het eerste middel is wel degelijk ontvankelijk en gegrond.” Beoordeling 18. Het auditoraat heeft het eerste middel, zoals uiteengezet in het verzoekschrift en zoals aangevuld in de memorie van wederantwoord, weergegeven in de zin als hiervoor (zie supra, randnummers 15 en 16). Partijen hadden in hun navolgende processtukken geen kritiek op deze analyse. De beoordeling van het middel wordt daarom aan de hand van deze samenvatting verricht. 19. Door het auditoraat wordt tot de ongegrondheid van het eerste middel besloten op grond van de volgende overwegingen: “B. Beoordeling Vooraf 6.5. De bestreden beslissing heeft betrekking op het niet weerhouden van een kandidatuur voor het afsluiten van een overeenkomst tussen het RIZIV en pediatrische multidisciplinaire obesitas centra op grond van artikel 22, 6° en 6°bis van de ZIV-wet, op voorstel van de nationale commissie artsen- ziekenfondsen. Op grond van het toepasselijk wettelijke kader wordt het aan de verwerende partij, op voorstel van het college van artsen-directeurs of de betrokken overeenkomsten- en akkoordencommissies overgelaten om de voorwaarden en het aantal alsook de procedure te bepalen voor selectie van de verplegingsinrichtingen waarmee een overeenkomst wordt afgesloten voor de multidisciplinaire aanpak van obesitas bij kinderen. De verwerende partij beschikt bijgevolg over een ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid om deze voorwaarden en selectieprocedure te bepalen binnen de grenzen van het gelijkheidsbeginsel en de beginselen van behoorlijk bestuur. 6.6. De criteria die werden toegepast voor de selectie van de PMOC’s blijken uit de nota aan het Verzekeringscomité van 27 november 2023. De bestreden beslissing werd genomen op grond van de definitieve versie van de nota aan het Verzekeringscomité en niet op grond van een eerdere versie van deze nota ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.637 XII-9707-31/75 die nog in belangrijke mate werd aangepast. De achterliggende motieven voor de bestreden beslissing, zoals de toegepaste criteria om de ziekenhuizen te selecteren, zijn dan ook enkel terug te vinden in de definitieve versie van deze nota die elke eerdere versie vervangt. De verwijzing in het verzoekschrift naar de eerste versie van de nota van het Verzekeringscomité van 27 november 2023 is bijgevolg niet relevant. 6.7. Uit de notulen van het Verzekeringscomité van 27 november 2023 blijkt dat het Verzekeringscomité het aangepaste ontwerp van overeenkomst goedkeurt en beslist de overeenkomst af te sluiten met de betrokken centra. Uit de nota aan het Verzekeringscomité van 27 november 2023 en de bijlage 2 bij deze nota blijkt dat eerst een geografische verdeling werd gemaakt van de 25 beschikbare plaatsen over het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in functie van de prevalentiecijfers die werden verkregen via de gezondheidsenquête 2018 en de Statbel-gegevens. Zo werden 11 PMOC’s toegewezen aan het Vlaams Gewest, 9 aan het Waals Gewest en 5 aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Vervolgens werden deze aantallen voor het Vlaamse Gewest en het Waalse Gewest verder verdeeld over de provincies in functie van de populatie van 2- tot en met 17-jarigen per provincie. Tot slot werden per provincie de ontvankelijke kandidaturen vergeleken aan de hand van het aantal rechthebbenden. Wanneer er voor een provincie onvoldoende ontvankelijke kandidaturen waren in functie van het aantal beschikbare plaatsen, kregen de kandidaten bijkomend tijd tot 31 mei 2024 om aan de voorwaarden van de overeenkomst te voldoen (zie de aanvulling in die zin van artikel 7, §1 van de overeenkomst). 6.8. De verwerende partij kan dan ook niet worden gevolgd waar zij in haar memorie van antwoord stelt dat er geen enkele volgorde of rangschikking zou bestaan tussen de twee criteria vermeld in artikel 7 van de overeenkomst. Uit de toepassing van de criteria zoals die blijkt uit de nota aan het Verzekeringscomité van 27 november 2023 blijkt duidelijk dat eerst een geografische verdeling van het aantal PMOC werd toegepast en dat vervolgens op basis van deze verdeling per provincie het criterium van aantal rechthebbenden werd toegepast, zoals ze ook zelf elders in haar memorie van antwoord uiteenzet. In de nota aan het Verzekeringscomité wordt gesteld: ‘Op basis van de verdeling per provincie wordt dan het criterium van aantal rechthebbenden in permanente opvolging bij het PMOC op het moment van indienen toegepast om het aantal toegelaten PMOC te selecteren. Dit leidt tot volgend voorstel: de provincie Antwerpen: AZ Turnhout heeft het minst aantal obese rechthebbenden dat permanent wordt opgevolgd en wordt niet weerhouden voor toetreding tot de overeenkomst;(…)’ Eerste onderdeel 6.9. In het eerste onderdeel wordt een schending aangevoerd van het patere legem beginsel, het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel omdat de verwerende partij geen 25 PMOC zou hebben erkend terwijl dit nochtans voorzien zou worden volgens de overeenkomst. 6.10. Het aantal PMOC waarmee een overeenkomst zou kunnen worden afgesloten werd beperkt tot maximaal 25 omwille van budgettaire redenen en op grond van de prevalentiecijfers aangeleverd door de Belgische Vereniging voor de Studie van Obesitas. De verzoekende partij meent dat dit aantal onvoldoende is maar zij toont niet aan hoe de verwerende partij hierdoor het patere legem beginsel, het rechtszekerheids- of het vertrouwensbeginsel zou hebben geschonden. 6.11. Het gebruik van de term ‘maximaal’ in artikel 7 van de overeenkomst duidt er voorts op dat er ook minder dan 25 PMOC tot de overeenkomst konden worden toegelaten. Zoals bij de beoordeling van het tweede onderdeel ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.637 XII-9707-32/75 van dit middel zal blijken, werd, alvorens de ontvangen kandidaturen te beoordelen, een voorafgaandelijke geografische verdeling gemaakt van het maximaal aantal PMOC over de gewesten op grond van de prevalentiecijfers (gezondheidsenquête 2018 en Statbel-gegevens) en vervolgens over de provincies op basis van de bevolkingscijfers. Gelet hierop kon de verwerende partij vaststellen dat er voor sommige provincies meer ontvankelijke kandidaturen waren dan beschikbare plaatsen, zoals in de provincie Antwerpen, waar er vier ontvankelijke kandidaturen waren voor slechts drie beschikbare plaatsen. Dit houdt geen schending in van het patere legem beginsel. Het feit dat de beschikbare plaatsen voor de andere provincies, waar er onvoldoende ontvankelijke kandidaturen waren, niet allemaal werden ingevuld, ook niet nadat aan kandidaten die op grond van het geografische criterium en het aantal rechthebbenden in aanmerking kwamen nog een bijkomende termijn tot 31 mei 2024 werd gegeven om het nodige gekwalificeerde personeel aan te trekken en hun kandidatuur opnieuw voor te leggen, doet niet anders besluiten. Het valt binnen de opdracht van algemeen belang van de verwerende partij om, bij het goedkeuren en sluiten van overeenkomsten zoals in dit geval, te streven naar een hoog kwalitatief aanbod van gezondheidszorgen voor diegene die er nood aan hebben. Dat zij daarbij een geografische verdeling van de PMOC wenst te bewerkstelligen past binnen dit streven. De verwerende partij stelt in dit verband in haar memorie dat Waalse patiënten evenveel recht hebben op nabije zorgverlening als Vlaamse patiënten. Men heeft dan ook allicht de mogelijkheid niet willen hypothekeren om binnen de budgettaire context in de toekomst nog een overeenkomst af te sluiten met PMOC’s die kunnen zorgen voor de nagestreefde geografische spreiding in het Waals Gewest. Voorts faalt de kritiek dat de verwerende partij de facto toch 25 plaatsen zou hebben ingevuld met onontvankelijke kandidaturen zoals hierna nog zal blijken bij de bespreking van het derde onderdeel van het eerste middel. 6.12. In de mate de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord nog aanvoert dat uit de formulering van artikel 7 van de overeenkomst zou blijken dat indien er slechts 25 ontvankelijke kandidaturen waren, deze sowieso allen geselecteerd zouden worden, kan worden volstaan met de vaststelling dat deze hypothese zich in ieder geval niet heeft voorgedaan. Er werden 35 kandidaturen ontvangen. Uit de nota aan het Verzekeringscomité van 27 november 2023 en zijn bijlagen blijkt dat er 21 kandidaturen werden geselecteerd, die bijgevolg ontvankelijk geacht werden en dat vijf andere kandidaturen niet geselecteerd werden om redenen van geografische spreiding en het aantal rechthebbenden in opvolging in vergelijking met andere kandidaten. Ook deze vijf kandidaturen werden bijgevolg ontvankelijk geacht zodat er reeds 26 ontvankelijke kandidaturen werden ontvangen. De verzoekende partij heeft dit ook zelf kunnen afleiden, zoals blijkt op bladzijde 30 van haar verzoekschrift. De argumentatie van de verwerende partij in haar memorie is op dit punt zeer summier en onduidelijk, zoals ook andere passages uit de memorie van antwoord, maar dit doet geen afbreuk aan de gegevens die blijken uit de nota aan het Verzekeringscomité van 27 november 2023. 6.13. Er wordt dan ook geen schending aangetoond van het patere legem beginsel, noch van het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel. Het eerste onderdeel van het middel is niet gegrond. Tweede en vierde onderdeel 6.14. In het tweede en het vierde onderdeel van het eerste middel wordt een schending aangevoerd van het patere legem beginsel en van het zorgvuldigheidsbeginsel omdat de verwerende partij onmiddellijk zou zijn ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.637 XII-9707-33/75 overgegaan tot een geografische analyse van de kandidaturen op basis van gewesten terwijl dit niet voorzien was in de selectieprocedure. Bovendien zou de verwerende partij het geografisch criterium niet juist hebben toegepast omdat zij bij de verdeling over de gewesten rekening hield met het aantal obese kinderen terwijl in het geografisch criterium zoals geformuleerd in de overeenkomst werd aangegeven dat rekening zou worden gehouden met het aantal minderjarige inwoners per provincie. 6.15. Het beginsel patere legem quam ipse fecisti verplicht het bestuur de algemene regels die het zelf heeft vastgesteld te eerbiedigen bij de concrete individuele toepassing ervan. Daaruit vloeit voort dat de verwerende partij bij de individuele beoordeling van de kandidaturen in beginsel gebonden is door de regels die hieromtrent in de oproep tot kandidaatstelling zijn vastgesteld. 6.16. Vooreerst, zoals reeds besproken, blijkt uit de nota aan het Verzekeringscomité van 27 november 2023 dat er 26 ontvankelijke kandidaturen werden ontvangen. Het tweede onderdeel van het middel faalt dan ook in feite in de mate daarin wordt aangevoerd dat ten onrechte werd overgegaan tot een selectie op grond van de geografische spreiding terwijl er niet meer ontvankelijke kandidaturen zouden geweest zijn dan beschikbare plaatsen. 6.17. Zoals reeds vermeld, heeft de verwerende partij de kandidaten geselecteerd op basis van de geografische spreiding en op basis van het aantal rechthebbenden in permanente opvolging. Het geografisch criterium werd als volgt omschreven in het ontwerp van overeenkomst, zoals goedgekeurd op 25 september 2023: ‘De geografische verspreiding van de provincies waar de PMOC zich bevinden, gewogen voor het aantal inwoners, vanaf de 2de verjaardag tot de 18de verjaardag per provincie.’ Zoals de verzoekende partij in randnummer 47 van haar verzoekschrift ook zelf lijkt te insinueren, moest het geografisch criterium nog verder uitgewerkt worden alvorens dit kon worden toegepast. In haar vergadering van 27 november 2023 heeft het Verzekeringscomité, met het oog op geografische spreiding, eerst de 25 beschikbare plaatsen verdeeld tussen de drie gewesten op grond van het percentage obese kinderen van 2 tot en met 17 jaar per gewest ten opzichte van het totaal aantal obese kinderen in België. Zo kwam men tot een verdeling van 11 PMOC voor Vlaanderen, 9 PMOC voor Wallonië en 5 PMOC voor Brussel. Voor Vlaanderen en Wallonië werd het aantal naar beneden afgerond, voor Brussel werd het aantal naar boven afgerond. Het aantal beschikbare plaatsen per gewest werd verder onderverdeeld per provincie in functie van het aantal inwoners van 2 tot en met 17 jaar per provincie ten opzichte van het aantal inwoners van 2 tot en met 17 jaar in het betreffende gewest. Opdat er meer kans zou zijn dat de beschikbare plaatsen per provincie zouden kunnen worden ingevuld, werd tegelijk een bijkomende regel voorzien dat alle kandidaten die tijdig een aanvraagdossier hadden ingediend en in aanmerking kwamen op grond van het geografische criterium en het aantal rechthebbenden, uitstel kregen tot 31 mei 2024 om te voldoen aan de voorwaarden voor de overeenkomst inzake het vereiste personeelskader, infrastructuur en expertise en om daartoe een aanvullend of aangepast dossier in te dienen vóór 31 mei 2024. Vervolgens werden alle kandidaturen beoordeeld in het licht van deze aangevulde selectiecriteria. De verzoekende partij merkt terecht op dat deze voorafgaandelijke verdeling van het aantal beschikbare plaatsen per gewest niet uitdrukkelijk wordt vermeld in het ontwerp van de overeenkomst. Het gaat echter om een aanvulling en verdere verfijning van de selectiecriteria zoals ze reeds in het ontwerp van overeenkomst waren opgenomen. Het gaat niet om een ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.637 XII-9707-34/75 afwijking van een algemene regel in een individueel geval, maar om het aanvullen van de algemene regel waarna deze zonder onderscheid wordt toegepast op de verschillende individuele gevallen, namelijk de ingediende kandidaturen. Er kan in dat verband ook gewezen worden op de opmerkingen die reeds ter zake werden gemaakt door de leden van het Verzekeringscomité in de vergadering van 25 september 2023: ‘Toch heeft BVAS ook enkele bezorgdheden. - Ten eerste zal het vermoedelijke aantal patiënten rond de 2650 - 2885 schommelen. Het aantal PMOC wordt beperkt tot 25, maar niet noodzakelijk per locoregionaal netwerk, omdat er regio’s zijn met een hogere prevalentie van obesitas bij kinderen. Aangezien een PMOC bij aanvang ten minste 100 rechthebbenden moet hebben om erkend te worden zal dit krap worden. Bij meerdere kandidaturen zal, volgens bijlage 1, een keuze gemaakt worden op basis van twee principes: de geografische verspreiding van de provincies waar de PMOC zich bevinden, gewogen voor het aantal inwoners vanaf de 2de verjaardag tot de 18de verjaardag, per provincie en het aantal rechthebbenden in permanente opvolging bij het PMOC op het moment van indienen van de aanvraag. Dit geeft evenwel niet aan welk criterium overweegt, de geografische spreiding of de minimale 100 rechthebbenden en hoe de geografische spreiding zal bepaald worden. Het betreft hier immers geen supraregionale zorgopdracht. (…) De h. [H.] antwoordt dat er een begeleidingscomité is voorzien. Het is een belangrijk project en het advies van de overeenkomstencommissie kinesitherapeute - VI dient inderdaad nog te worden ingewonnen. Wat betreft de geografische spreiding zou men de 25 netwerken kunnen gebruiken. De patiënten moeten regelmatig opgevolgd worden en dan is geografische toegankelijkheid belangrijk. (…) Mevr. [H.], regeringscommissaris (…) De beleidscel sluit zich aan bij de eerdere opmerking aangaande de geografische spreiding. Het is belangrijk dat alle Belgen een beroep kunnen doen op deze overeenkomst. De h. [L.] zegt dat er hard is gewerkt aan dit project. Er moet vermeden worden dat er blinde vlekken zijn, een goede geografische spreiding is belangrijk. Bij de selectie moet hierover gewaakt worden, er zou minstens 1 centrum per netwerk moeten zijn. Expertise is uiteraard ook belangrijk, maar geografische spreiding zeker ook. Mevr. [L.] legt uit (…) Wat betreft de geografische spreiding, kan naar de netwerken gekeken worden. Al moet ook naar het aanbod worden gekeken, waar de meeste obese kinderen zijn. De leden van de werkgroep of het begeleidingscomité zullen betrokken worden bij de selectie van de centra. (…) De h. [C.] geeft aan dat het pleidooi voor geografische spreiding belangrijk is, maar dat ook naar de noden en behoeften moet worden gekeken. (…)’ Uit de overeenkomst blijkt het belang van een goede geografische spreiding, zoals aangegeven in artikel 3 van de overeenkomst. De aanvulling van de selectiecriteria met een voorafgaande verdeling over de gewesten in functie van het aantal obese kinderen per gewest stemt overeen met het doel van de overeenkomst, minstens toont de verzoekende partij het tegendeel niet aan. Uit de bespreking in het Verzekeringscomité blijkt dat het de bedoeling was om blinde vlekken te voorkomen en rekening te houden met de behoefte. Voorts verduidelijkt de verzoekende partij niet waarom er bij de verdere uitwerking van het geografisch criterium op het niveau van de gewesten geen rekening kon gehouden worden met een verdeling op basis van het aantal ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.637 XII-9707-35/75 obese kinderen en dus met de prevalentie en behoefte, wat niet ongebruikelijk lijkt bij het organiseren van zorgtrajecten. Voor zover de verzoekende partij kritiek heeft op het feit dat voor het Waalse gewest het aantal centra wordt afgerond naar boven terwijl dit voor het Vlaamse gewest wordt afgerond naar beneden gaat de verzoekende partij eraan voorbij dat een verdeling uiteraard slechts kan gebeuren op grond van gehele getallen. Het aantal PMOC werd uitdrukkelijk beperkt tot 25. Deze 25 PMOC werden verdeeld over de drie gewesten. In functie van het aantal obese kinderen per gewest ten opzichte van het aantal obese kinderen op nationaal niveau leidde dit tot 11,28 centra voor Vlaanderen, 5,33 centra voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en 8,39 centra voor het Waals Gewest. De cijfers na de komma moesten worden afgerond. Gelet op het maximum van 25 PMOC moesten bijgevolg twee getallen naar beneden worden afgerond om tot een verdeling te komen. Daarbij werden de twee getallen met de laagste cijfers na de komma afgerond naar beneden (11 voor het Vlaams Gewest en 5 voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest) en het getal met de hoogste cijfers na de komma, afgerond naar boven (9 voor het Waalse Gewest). Deze werkwijze is geenszins onverklaarbaar te noemen zoals de verzoekende partij ten onrechte voorhoudt en komt ook niet als onredelijk voor. 6.18. Voor het overige toont de verzoekende partij niet aan hoe de kandidaten zouden zijn benadeeld doordat pas beslist werd om de PMOC’s te verdelen over de gewesten nadat de kandidaturen reeds waren ingediend. Er valt niet in te zien hoe kennis over de verdeling over de gewesten vóór het opstellen van de kandidatuur de kans van de verzoekende partij om in aanmerking te komen als PMOC had kunnen beïnvloeden. Voorts blijkt uit de stukken van het dossier dat met deze werkwijze getracht werd om rekening te houden met de behoefte en om blinde vlekken te vermijden in het belang van de betrokken patiënten. Het blijkt geenszins de bedoeling geweest te zijn om bepaalde kandidaat-PMOC te bevoordelen, minstens toont de verzoekende partij dit opnieuw niet aan. Zoals hierna ook zal blijken, wordt met de bestreden beslissing geenszins beslist om de overeenkomst af te sluiten met ziekenhuizen die een onontvankelijke kandidatuur indienden. Deze ziekenhuizen worden met de bestreden beslissing vooralsnog niet geselecteerd. Er wordt wel beslist om aan kandidaten uit regio’s waar er een onvoldoende aanbod is een bijkomende termijn te geven voor het indienen van een nieuwe kandidatuur. De verzoekende partij toont dan ook niet aan dat er sprake is van een schending van het patere legem beginsel. Voor het overige wordt in de uiteenzetting van het middelonderdeel geen afzonderlijke kritiek aangevoerd met betrekking tot de vermeende schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Er wordt dan ook evenmin een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel aangetoond. Het tweede en het vierde onderdeel van het middel zijn niet gegrond. Derde onderdeel 6.19. In het derde onderdeel van het middel wordt een schending aangevoerd van het patere legem beginsel, het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel en het redelijkheidsbeginsel doordat de verwerende partij de onontvankelijke kandidaturen van CHU Tivoli, Centre Hospitalier EpiCURA, Vivalia-CHCA Libramont en ASBL Chirec-Bruxelles in aanmerking zou hebben genomen terwijl dit in strijd zou zijn met de selectieprocedure. De aangevoerde schending van het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel valt opnieuw samen met de aangevoerde schending van het patere legem beginsel. 6.20. De verzoekende partij gaat in dit middelonderdeel voorbij aan het feit dat, zoals hiervoor reeds besproken, de beschikbare plaatsen eerst verdeeld ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.637 XII-9707-36/75 werden over de gewesten en provincies waarna de kandidaturen werden beoordeeld in functie van deze verdeling. Na toebedeling van de plaatsen per provincie aan de ziekenhuizen die voldeden aan alle voorwaarden van de overeenkomst werd vastgesteld dat er voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest nog één plaats beschikbaar was, voor de provincie Henegouwen nog twee plaatsen en voor de provincie Luxemburg nog één plaats. Deze plaatsen blijken met de bestreden beslissing niet te zijn toegewezen aan onontvankelijke kandidaturen. Aan de betreffende kandidaten, die op grond van het geografische criterium en het aantal rechthebbenden wel in aanmerking zouden komen om toe te treden tot de overeenkomst, wordt echter de mogelijkheid geboden om tegen 31 mei 2024 te voldoen aan de voorwaarden van de overeenkomst en om daartoe een aanvullend dossier in te dienen. Er wordt echter op geen enkele wijze reeds beslist om met deze ziekenhuizen de overeenkomst af te sluiten. 6.21. Bijgevolg houdt de bestreden beslissing niet de beslissing in om een overeenkomst af te sluiten met onontvankelijke kandidaturen, noch wordt voor deze kandidaturen afgeweken van hetgeen wordt bepaald in de overeenkomst. Het artikel 7, §1 van het ontwerp van overeenkomst werd met het oog op deze werkwijze immers precies aangevuld […]. Er wordt dan ook geen schending van het patere legem beginsel aangetoond, noch van het redelijkheidsbeginsel. Voorts zet de verzoekende partij niet uiteen hoe hierdoor het vertrouwensbeginsel of het rechtszekerheidsbeginsel zou worden geschonden. Het derde onderdeel is niet gegrond. Het eerste middel is in zijn geheel niet gegrond.” 20. In haar laatste memorie bekritiseert de verzoekende partij de redenering in het auditoraatsverslag. Daartoe herhaalt zij in essentie op een uitgebreide en parafraserende wijze haar standpunt zoals aangevoerd in het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord, zonder inhoudelijk afbreuk te doen aan de redenering in het auditoraatsverslag. Dienaangaande sluit de Raad van State zich aan bij de hoofdanalyse die wordt voorgestaan in het auditoraatsverslag en die er op neerkomt dat de verzoekende partij ten onrechte ervan uitgaat dat het voorstel tot overeenkomst, dat werd vastgesteld in het Verzekeringscomité van 25 september 2023, het enige en onwijzigbare beslissingskader vormt waarbinnen de verwerende partij de kandidaturen van de ziekenhuizen voor deelname aan de overeenkomst ‘Obesitas bij kinderen’ mocht beoordelen. Wat dat betreft, wordt het beslissingskader gevormd door de overeenkomst, die in de loop van het beslissingsproces nog werd aangepast, samen gelezen met de definitieve nota aan het Verzekeringscomité van 27 november 2023. Dit blijkt tevens uit de motivering XII-9707-37/75 van de bestreden weigeringsbeslissing, waarin het beslissingskader uit de nota aan het Verzekeringscomité van 27 november 2023 werd overgenomen en voorts wordt verwezen naar artikel 7 van de overeenkomst. Op de vraag of de verwerende partij, door na indiening van de kandidaturen nog wijzigingen aan te brengen aan haar eigen beslissingskader, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden, dient om de redenen uiteengezet in het auditoraatsverslag ontkennend te worden geantwoord, nu op basis van voortschrijdend inzicht en kennisname van de kandidaturen, de verwerende partij heeft vastgesteld dat een voorafgaandelijke verdeling van het budgettair beschikbaar aantal plaatsen van 25 PMOC over de deelstaten en de provincies noodzakelijk was om een optimale geografische spreiding te verkrijgen. Zoals in het auditoraatsverslag wordt besloten toont de verzoekende partij niet aan dat de verwerende partij met deze werkwijze een bepaald ziekenhuis heeft willen bevoordelen. Evenmin wordt door haar machtsafwending aangevoerd, noch wordt aangetoond dat de voortschrijdende verfijning van het beslissingskader niet gesteund is op draagkrachtige onderliggende motieven. Wat betreft de, bij het eerste onderdeel van het eerste middel, gemaakte opmerking over de ontvankelijkheid van de kandidatuur van het AZ Groeninge, volstaat de vaststelling dat in de overeenkomst, zoals meegedeeld voorafgaand aan de indiening van de kandidaturen, nergens werd bepaald dat een lijst van het aantal rechthebbenden toegevoegd moest worden op straffe van onontvankelijkheid van de kandidatuur. De verzoekende partij toont ook niet aan dat andere kandidaten die mogelijks dergelijke lijst niet onmiddellijk bij hun kandidatuur hadden gevoegd onontvankelijk werden verklaard zodat er ook geen sprake blijkt van ongelijke behandeling van de kandidaten. In zoverre de verzoekende partij bij het tweede onderdeel van het eerste middel voor het eerst in haar laatste memorie aanvoert dat de verdeling van het aantal PMOC over de deelstaten niet strookt met de verdeling van het aantal ziekenhuisnetwerken over de deelstaten en dat bij de geografisch spreiding niet enkel rekening had moeten worden gehouden met de provinciale cijfers maar ook met de regionale cijfers omdat er nu door de weigeringsbeslissing net een blinde vlek wordt gecreëerd in de regio Turnhout, voert zij een nieuwe argumentatie aan ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.637 XII-9707-38/75 waarvan zij niet aantoont waarom zij deze niet reeds in haar verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft de verzoekende partij op laattijdige en niet- ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel. Die argumenten en kritieken kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden. 21. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het eerste middel ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 22. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in een tweede middel de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel. Het lid van het auditoraat vat de essentie van het middel, zoals uiteengezet in het verzoekschrift, als volgt samen in haar verslag: “6.22. De verzoekende partij voert aan dat voormelde bepalingen en beginselen werden geschonden omdat in de provincie Limburg een tweede kandidatuur toch wordt erkend terwijl er volgens het geografisch criterium in deze provincie maar één PMOC kon worden toegestaan. Dit wordt in de bestreden beslissing verantwoord door te verwijzen naar een compensatie voor de provincie Vlaams-Brabant waar er een kandidatuur te weinig werd ingediend en met welke provincie er een geografische link zou bestaan maar dit wordt niet verder uiteen gezet. Bovendien wordt aan de verzoekende partij die mogelijkheid niet geboden terwijl de provincie waarin zij gelegen is ook grenst aan de provincie Vlaams-Brabant. 6.23. Daarnaast zou de verwerende partij onontvankelijke kandidaturen hebben weerhouden van het CHU Tivoli, het Centre hospitalier EpiCURA, het Vivalia – CHCA Libramont en het ASBL Chirec Bruxelles terwijl deze niet voldeden aan de toetredingsvoorwaarden voor de overeenkomst. In plaats van deze kandidaturen af te wijzen, kregen zij de mogelijkheid om hun kandidatuur nog na de indieningsdatum in overeenstemming te brengen met de toetredingsvoorwaarden en werd hen toetreding verzekerd. 6.24. Voorts zou uit de online gepubliceerde lijst van het RIZIV blijken dat het AZ Voorkempen en het AZ Klina gezamenlijk een erkenning tot PMOC verkregen. Nochtans zou noch uit de overeenkomst, noch uit het formulier tot kandidatuurstelling blijken dat ziekenhuizen zich gezamenlijk mochten ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.637 XII-9707-39/75 kandidaat stellen. De verzoekende partij vermoedt dat de ziekenhuizen afzonderlijk niet voldeden aan de toetredingsvoorwaarden of individueel niet voldoende rechthebbenden hadden. Deze mogelijkheid had dan ook aan andere kandidaten zoals de verzoekende partij moeten worden geboden. 6.25. Voorts zou het geografisch criterium op een discriminatoire wijze zijn toegepast waarbij het Vlaamse Gewest werd benadeeld. Indien er niet met het aantal obese kinderen maar met het aantal inwoners van 2 tot en met 17 jaar per gewest ten opzichte van het nationaal aantal zou rekening zijn gehouden, zoals vermeld in de overeenkomst, dan hadden er niet 11 maar 14 PMOC aan het Vlaams Gewest moeten worden toebedeeld. Bovendien werd het aantal PMOC voor het Waalse Gewest naar boven afgerond terwijl dit voor het Vlaamse Gewest ten onrechte naar onder werd afgerond. Opnieuw zou dit een discriminatoire behandeling van het Vlaamse Gewest inhouden.” 23. In de memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij hieraan toe: “81. Allereerst merkt verzoekende partij op dat zij de bevoegdheid van verwerende partij om een overeenkomst te sluiten niet betwist. Zij is evenmin van oordeel dat verwerende partij gebonden zou zijn om een overeenkomst te sluiten. Verzoekende partij verzet zich daarentegen wel dat verwerende partij de kandidaturen van de verschillende ziekenhuizen niet op een gelijke manier behandelde, hoewel het om gelijke situaties ging die gelijk behandeld dienden te worden. Het tegendeel beweren – zoals verwerende partij dit in haar memorie doet – door te stellen dat ontvankelijke en onontvankelijke kandidaturen geen gelijke situaties betreffen, is niet redelijk én volkomen naast de kwestie. Uiteraard gaat het om dezelfde oproeping tot kandidatuurstelling en betreft het dezelfde erkenning als PMOC. De enige ongelijkheid die de kandidaten hebben, is hun aanvraag tot erkenning waarbij zij hun eigen expertise moet kunnen aantonen. Bovendien past het hier op te merken dat verwerende partij daarbij zelf aangeeft dat deze expertise van de kandidaten uitermate belangrijk is: Het zijn de criteria als vooropgesteld bij de oproeping in het document tot kandidaatstelling, als in te vullen door de kandidaten, welke werden weerhouden door het Verzekeringscomité om diens analyse te maken. Expertise is hierin erg belangrijk. De obesitas schalen EOSSP-2 en 3 zijn zeer ernstig. PMOC’s moeten aan alle expertise voldoen. Een centrum erkennen met onvoldoende expertise kan in de toekomst nadelig zijn voor de zorg van de patiënt. […] Het gaat dus wel degelijk om gelijke situaties die gelijk moeten behandeld worden en waar verzoekende partij vaststelt dat zij, hoewel zij reeds over alle nodige expertise beschikt, gediscrimineerd werd. Verzoekende partij moet echter opmerken dat verwerende partij geen verdere uitleg of verklaring geeft voor de afwijkende beoordeling van de Waalse en Brusselse kandidaturen van het CHU Tivoli, het Centre hospitalier EpiCURA, het Vivalia - CHCA Libramont en het ASBL Chirec Bruxelles. 82. Verder stelt verzoekende partij vast dat verwerende partij wel poneert dat de patiëntenpopulatie zich eenvoudig van Vlaams-Brabant naar Limburg kan verplaatsen, maar zij geeft niet aan waarop zij zich baseert voor deze veronderstelling: XII-9707-40/75 Inderdaad werd een bepaalde verdeling/ verschuiving toegepast in Vlaanderen, van Limburg aan Vlaams-Brabant), wat een verantwoorde verschuiving is binnen Vlaanderen, van een populatie van patiënten die geografisch in de mogelijkheid zijn zich binnen dit gebied te verplaatsen. […] Verwerende partij poneert dat een verschuiving tussen Limburg en Vlaams- Brabant een ‘verantwoorde verschuiving’ binnen Vlaanderen is. Verzoekende partij moet vaststellen – als dergelijke verschuiving tussen eerder vermelde provincies zonder meer uitgevoerd kan worden – dat dit evengoed mogelijk moet zijn voor een verschuiving tussen Vlaams-Brabant en Antwerpen. 83. Daarnaast beweert verwerende partij dat uit de stukken en gegevens van het gezamenlijk dossier van AZ Voorkempen en AZ Klina zou moeten blijken dat het in se om een kandidatuur van AZ Voorkempen zou gaan. Zij brengt echter nog steeds geen stukken bij om dit aan te tonen, wat verzoekende partij ernstig doet twijfelen aan de waarachtigheid van deze bewering. In datzelfde opzicht wijst verzoekende partij erop dat het feit dat er patiëntengegevens opgenomen zijn in de kandidatuur van deze twee ziekenhuizen geen geldige reden is om hun dossier niet te delen. Zo oordeelt de Belgische Gegevensbeschermingsautoriteit (de ‘GBA’) bijvoorbeeld omtrent de inzage in een personeelsdossier dat persoonsgegevens van derden bevat: Wat betreft het antwoord van de verwerkingsverantwoordelijke in casu, waarin deze stelt dat, voorafgaand aan het verlenen van de inzage, dient te worden nagegaan of de betrokken documenten informatie bevatten die zou toelaten andere betrokkenen te identificeren, dient erop te worden gewezen dat overweging 63 AVG verduidelijkt dat hoewel het recht van inzage ‘geen afbreuk (mag) doen aan de rechten of vrijheden van anderen’, ‘die overwegingen (
  15. er)echter niet (mogen) toe leiden dat de betrokkene alle informatie wordt onthouden’. De Geschillenkamer wijst er in dit verband tevens op dat de verwerkingsverantwoordelijke desgevallend de persoonsgegevens van andere betrokkenen vooraf dient te verwijderen of anonimiseren, doch dat deze omstandigheid geen reden kan zijn voor het niet (tijdig) voldoen aan een verzoek tot inzage. In dit verband kan worden verwezen naar het arrest van het Italiaanse Hof van Cassatie van 14 december 2018, waarbij het Hof oordeelde dat een inzage in werknemersevaluaties niet kan worden geweigerd louter omwille van het feit dat deze eveneens gegevens bevatten van derde personen. […] De GBA oordeelt dus dat een recht van inzage in principe geen afbreuk mag doen aan de rechten en vrijheden van anderen. De GBA verduidelijkt dat dit uitgangspunt er niet toe mag leiden dat een betrokkene alle informatie ontzegd mag worden (en dat de verwerkingsverantwoordelijke desgevallend de persoonsgegevens kan anonimiseren). Louter voorhouden dat het dossi

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.