← België

Arrest 265641 - Bewakingsondernemingen - 04/02/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.641 Rolnummer: A. 242705/XII-9739 Zaak: Arrest 265641 - Bewakingsondernemingen - 04/02/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-02-09 Raadplegingen: 169 - laatst gezien 2026-06-18 06:28 Fiche Arrest nr 265.641 van 4 februari 2026 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Bewakingsondernemingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 265.641 van 4 februari 2026 in de zaak A.242.705/XII-9739 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Van de Steen kantoor houdend te 9300 Aalst Leopoldlaan 48 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, bijgestaan en vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 9 augustus 2024, strekt tot de nietigverklaring van de “beslissing van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken met referte VIII/MW/24/ d.d. 12.06.2024, waarbij aan de aanvraag voor een identiteitskaart voor verzoeker werd geweigerd”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Lennard Michaux heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. XII-9739-1/15 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 december 2025. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Leroy Lievens, die loco advocaat Ann Van de Steen verschijnt voor verzoeker en Attaché Adriaan De Weerdt die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Christiaan Lesaffer, daartoe gemachtigd bij beslissing van 24 september 2024 van de auditeur-generaal, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op een niet nader te preciseren datum dient de bewakingsonderneming Securitas NV een aanvraag in om voor verzoeker een identificatiekaart als bewakingsagent te verkrijgen overeenkomstig de wet van 2 oktober 2017 ‘tot regeling van de private en de bijzondere veiligheid’ (hierna: de wet van 2 oktober 2017). 3.2. Op 18 april 2023 vraagt de directie Private Veiligheid een onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden in hoofde van verzoeker. 3.3. Op 19 september 2023 wordt het verslag van het onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden opgesteld. 3.4. Op basis van dit verslag adviseert de Commissie onderzoeken naar de veiligheidsvoorwaarden op 25 september 2023 dat verzoeker niet aan de XII-9739-2/15 veiligheidsvoorwaarden voldoet en dat een procedure tot weigering van de afgifte van een identificatiekaart moet worden aangevat. 3.5. Bij aangetekende brief van 23 oktober 2023 deelt de directie Private Veiligheid aan verzoeker het voornemen mee om de aangevraagde identificatiekaart te weigeren. De brief vermeldt onder meer: “Na bovengenoemd advies van de Commissie beoogt de administratie de identificatiekaart te weigeren voor de onderneming SECURITAS NV. In het verslag naar de veiligheidsvoorwaarden worden de volgende feiten naar voren gebracht: PV AN.36.LB.[…] dd. 26/02/2023 uitgaande van de PZ DRF — regio Centrum Antwerpen uit hoofde van illegaal dracht van een verboden blank wapen of niet-vuurwapen. Een voertuig bestuurd door [Y.O.] wordt tegengehouden wegens agressieve rijstijl en bumperkleven. [Y.] gedraagt zich zeer nerveus en begint onmiddellijk te bellen. Opstellers verzoeken hem te stoppen met bellen hetwelke hij weigert. [Y.] wordt verzocht uit te stappen. Bij het doorzoeken van het voertuig wordt een springmes gevonden in een opbergvak. [Y.] deelt mee dat het mes niet van hem is. Het voertuig staat op naam van [Y.O.] ingeschreven. Beslissing parket : minnelijke schikking 200 euro betaald. Uittreksel strafregister dd. 19/09/2023: blanco.” 3.6. Op 11 december 2023 dient de raadsman van verzoeker een schriftelijk verweer in. 3.7. Op 11 juni 2024 beslist de directeur-generaal van de directie Private Veiligheid om de aanvraag tot het bekomen van een identificatiekaart als bewakingsagent te weigeren. Deze weigering steunt op de vaststelling dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 61, eerste lid, 6°, van de wet van 2 oktober 2017, met name dat hij niet beantwoordt aan het profiel van artikel 64 van diezelfde wet. Dit is de bestreden beslissing. XII-9739-3/15 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4. In het eerste middel voert verzoeker de schending aan van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991) en van de materiëlemotiveringsplicht. 5. Luidens artikel 2, § 1, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: algemene procedureregeling) moet de vordering een samenvatting van het middel bevatten als voor het middel een verdere uiteenzetting nodig is. Luidens het voornoemde artikel 2, § 1, derde lid, van de algemene procedureregeling kan de ontstentenis van de samenvatting van de grief niet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het middel, maar luidens het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 21 juli 2023 ‘tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ dat deze verplichting invoerde, heeft “die ontstentenis […] als enig mogelijk gevolg voor de verzoeker dat de draagwijdte van zijn grief niet correct samengevat en dus begrepen wordt in het verslag van de auditeur en in het arrest” (BS 26 juli 2023, Ed. 2, 62.630). Te dezen bevat het verzoekschrift weliswaar een uiteenzetting van het middel, maar geen samenvatting van de grieven in de zin van de voornoemde bepalingen, terwijl verzoeker wel aan de hand van zeer omstandige toelichtingen concreter ingaat op de argumenten die volgens hem het middel ondersteunen. XII-9739-4/15 Uit wat voorafgaat, volgt dat de verzoekende partij moet verdragen dat de Raad van State de grieven samenvat en begrijpt zoals hierna wordt gedaan. 6. In het verzoekschrift voert verzoeker vier bezwaren aan tegen de formele motivering van de bestreden beslissing. Ten eerste wordt volgens verzoeker niet verduidelijkt “welke kenmerken er dan precies zouden ontbreken” uit het profiel bepaald in artikel 64 van de wet van 2 oktober 2017. Ten tweede voert verzoeker aan dat de bestreden beslissing uitsluitend steunt op de betwiste feiten die ten grondslag liggen aan het proces-verbaal AN.36.LB.[…] van 26 februari 2023. Verzoeker wijst erop dat de betaling van een minnelijke schikking geen bekentenis op strafrechtelijk vlak inhoudt. Volgens verzoeker houdt de minnelijke schikking in dat ook het openbaar ministerie oordeelde dat de feiten niet konden worden bewezen en dat verzoeker dus onschuldig is. Het motief dat het onwaarschijnlijk is dat verzoeker geen weet had van het mes in zijn auto, is volgens verzoeker een subjectieve mening die niet steunt op objectieve gegevens. Ten derde zou de verwerende partij onvoldoende rekening hebben gehouden met het verweer van verzoeker, met name (

  1. i)het blanco strafregister van verzoeker, (
  2. ii)dat het om een eenmalig feit ging in specifieke omstandigheden, (iii) de persoonlijke gezinssituatie van verzoeker en (
  3. iv)de bijzondere motivatie van verzoeker om een carrière als bewakingsagent uit te bouwen. Deze gegevens dienden volgens verzoeker op een proportionele wijze te worden beoordeeld. Ten vierde houdt de formele motivering volgens verzoeker ten onrechte geen rekening met het psychotechnisch onderzoek. De bestreden beslissing motiveert niet op basis van welke redenen ze afwijkt van dat onderzoek, uitgevoerd door een gespecialiseerd centrum. Bovendien is verzoeker niet gehoord noch onderzocht in het kader van de bestreden beslissing, terwijl hij wel uitgebreid is onderzocht door deskundigen in het kader van het psychotechnisch onderzoek. De bestreden beslissing schendt de formelemotiveringsplicht, doordat de verwerende partij haar oordeel zonder meer in de plaats stelt van het oordeel van deze specialisten. 7. In de memorie van wederantwoord voegt verzoeker daaraan toe dat de verwerende partij laat uitschijnen dat hij schuldig is aan het misdrijf van XII-9739-5/15 verboden wapendracht, wat volgens hem in strijd is met het vermoeden van onschuld en het verval van de strafvordering ingevolge de minnelijke schikking. Voorts voert verzoeker aan dat het psychotechnisch onderzoek en het onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden inherent verbonden zijn, daar zij hetzelfde doel voor ogen hebben, met name nagaan of verzoeker over een persoonlijkheid beschikt die in overeenstemming is met artikel 64 van de wet van wet van 2 oktober 2017. De bestreden beslissing moet daarom concreet motiveren waarom – ondanks het positieve psychotechnisch onderzoek – het gerechtelijk verleden van verzoeker alsnog van die aard zou zijn, dat het een weigeringsbeslissing rechtvaardigt. 8. Verzoeker heeft geen laatste memorie ingediend. Beoordeling 9. Artikel 61, eerste lid, van de wet van 2 oktober 2017 luidt: “De personen, bedoeld in artikel 60, moeten voldoen aan de volgende voorwaarden: 1° niet veroordeeld geweest zijn, zelfs niet met uitstel, tot enige correctionele of criminele straf zoals bedoeld in artikel 7 van het Strafwetboek of tot een gelijkaardige straf in het buitenland, behoudens veroordelingen wegens inbreuken op de regelgeving betreffende de politie over het wegverkeer en veroordelingen bedoeld in artikel 420, tweede lid, van het Strafwetboek; […] 6° beantwoorden aan het profiel, zoals bedoeld in artikel 64; 7° voldoen aan de voorwaarden inzake psychotechnisch onderzoek.” Artikel 64 van de wet van 2 oktober 2017 luidt: “Het profiel van de personen, bedoeld in artikel 60, is gekenmerkt door: 1° respect voor de grondrechten en de rechten van de medeburgers; 2° integriteit, loyaliteit en discretie; 3° een incasseringsvermogen ten aanzien van agressief gedrag van derden en het vermogen om zich daarbij te beheersen; 4° afwezigheid van verdachte relaties met het crimineel milieu; 5° respect voor de democratische waarden; 6° de afwezigheid van risico voor de inwendige of uitwendige veiligheid van de Staat of voor de openbare orde.” 10. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli XII-9739-6/15 1991) verplichten het bestuur in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Hoewel de formelemotiveringsplicht het bestuur er niet toe verplicht uitdrukkelijk te antwoorden op alle door de betrokkene tijdens de procedure opgeworpen argumenten, moet uit de beslissing wel kunnen worden opgemaakt dat die argumenten daadwerkelijk in de besluitvorming zijn betrokken. Hieruit volgt dat het bestuur niet uitvoerig moet antwoorden op elk van deze argumenten, noch moet elk argument uitdrukkelijk worden weerlegd. Wel moet impliciet of expliciet blijken dat de argumentatie van de betrokkene in de besluitvorming werd betrokken en moet hieruit minstens impliciet kunnen worden afgeleid waarom de argumenten in het algemeen niet werden aanvaard. Bij het onderzoek naar het afdoende karakter van de formelemotiveringsplicht moet voorts worden rekening gehouden met het geheel van de formele motivering en niet met een of meerdere onderdelen van de motivering op zich. De motivering in haar geheel moet immers afdoende zijn. 11. De bestreden beslissing is, naast een beschrijving van de toepasselijke regelgeving en de procedure, de vermelding van de voorgaande stappen in de procedure, alsook de weergave van de feiten die bleken uit het verslag XII-9739-7/15 over het onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden (zie supra, nr. 3.5), als volgt formeel gemotiveerd: “Er dient immers een belangrijk onderscheid gemaakt te worden tussen de manier waarop de feiten moeten bekeken worden op vlak van de veiligheidsvoorwaarden en op strafrechtelijk vlak. Feiten die niet het voorwerp uitmaken van een strafrechtelijke veroordeling, zoals in casu feiten waarvoor er een minnelijke schikking werd opgelegd, kunnen een weigering rechtvaardigen wanneer ze bekeken worden in het kader van de veiligheidsvoorwaarden. Ik kan dus nagaan of betrokkene in het verleden geen feiten heeft begaan of gedrag heeft gesteld dat van die aard is dat er redelijke twijfel bestaat of betrokken wel over de juiste ingesteldheid en integriteit beschikt die verwacht mag worden van een persoon die toegang wenst te verkrijgen of te behouden tot het beroep van bewakingsagent binnen de sector van de private en bijzondere veiligheid. De wetgever verleende mij bijgevolg een bijzondere appreciatiebevoegdheid van feiten die door de (kandidaat-) bewakingsagent werden begaan. Voor wat betreft de feiten van illegaal dracht van een verboden blank wapen of niet- vuurwapen Uit bovenvermelde feiten blijkt samengevat dat u op 26 februari 2023 in het bezit bent bevonden van een verboden wapen. Dit wapen werd door de politie gevonden nadat u staande werd gehouden. Het betrof een springmes. Het springmes zat op een plaats waar het vanuit de bestuurderscabine makkelijk uit het opbergvak genomen kon worden. Om te antwoorden op uw verweer: 1° Tijdens de controle werd er bij u in de wagen een verboden wapen aangetroffen, nl. een springmes met slot. Hierdoor heeft u de wapenwet an sich reeds overtreden (zie infra). U verklaart niet te weten waar dit wapen vandaan komt. U ontkent dat dit verboden wapen van u is en verklaart dat het waarschijnlijk al aanwezig was in de auto toen u de auto recentelijk heeft gekocht. Ik moet echter opmerken dat u geen enkel recent aankoopbewijs van deze auto heeft gevoegd aan uw verweer om deze stelling te staven. Verder vind ik het ook onwaarschijnlijk dat u niet wist dat er een mes aanwezig was in uw wagen, gezien het mes zich bevond in een opbergvak dichtbij de bestuurderscabine. Daarenboven is het ook gebruikelijk om tijdens de aankoop van een (tweedehands)wagen dit voertuig eerst grondig te inspecteren (en dit zowel door de koper als de verkoper) alvorens de verkoop tot stand komt. Tot slot bent u akkoord gegaan met de afhandeling via een minnelijke schikking. Hoewel de betaling van een minnelijke schikking inderdaad geen bekentenis is op strafrechtelijk vlak, is dit evenwel een bekentenis op burgerrechtelijk vlak aangezien u akkoord bent gegaan om hiervoor te betalen. 2° U haalt aan dat u meteen meewerkte met de politiediensten. De politiediensten hielden u net tegen omwille van uw assertieve rijstijl en bovendien weigerde u uw telefoongesprek af te breken op vraag van de politie. Dit soort gedragingen kunnen moeilijk als `samenwerken met de politie' worden beschouwd. 3° Daarnaast haalt u aan dat deze feiten geen weerspiegeling zijn van hoe u bent als persoon en dat u zich niet inlaat met wapens. Ondanks dit verweer liggen de feiten van verboden wapendracht voor me zoals ze zijn en dien ik er rekening mee te houden. 4° Ten slotte kadert u uw persoonlijke situatie. Persoonlijke gebeurtenissen uit het verleden doen echter geen afbreuk aan de ernst van de feiten die het onderwerp XII-9739-8/15 uitmaken van deze beslissing en houden bijgevolg geen verzachtende omstandigheid in. Van een bewakingsagent moet worden verwacht dat hij of zij ten alle tijden met de nodige zorg en conform de regels zijn activiteiten uitvoert. Overeenkomstig [a]rt. 64, 2° van de wet Private Veiligheid dient een persoon die tewerkgesteld is in deze sector over de nodige integriteit te beschikken. Met integriteit wordt bedoeld dat men adequaat en zorgvuldig handelt, met Inachtneming van zijn verantwoordelijkheid en de geldende regels. Ik heb ernstige twijfels of u wel integer handelt aangezien u in het bezit/dracht bent bevonden van een springmes. Dit betreft een verboden wapen o.b.v. art. 3 §1, 5° van de wapenwet: ‘Als verboden wapens worden beschouwd: spring- of valmessen met slot, vlindermessen, boksbeugels en blanke wapens die uiterlijk gelijken op een ander voorwerp’. Artikel 8 van de wapenwet bepaalt verder: ‘Niemand mag verboden wapens vervaardigen, herstellen, te koop stellen, verkopen, overdragen of vervoeren opslaan, voorhanden hebben of dragen’. Door het louter in het bezit te zijn van dit wapen heeft u deze wetgeving, die van openbare orde is, bijgevolg reeds overtreden. Er is tevens sprake van verboden wapendracht als men het wapen bij zich heeft zodat het onmiddellijk gebruikt kan worden. Zo kan het opbergen van een wapen in het opbergvak dichtbij de bestuurderscabine dan ook als verboden wapendracht beschouwd worden. Ook verbalisanten kwalificeerden de feiten als verboden wapendracht. Uw verweer al zou u niet geweten hebben dat dit wapen in uw voertuig lag en dat dit waarschijnlijk van de vorige eigenaar van het voertuig was, wordt - zoals hierboven reeds uiteengezet - als ongeloofwaardig beschouwd. Bewakingsactiviteiten zijn zeer delicaat zijn en dienen principieel steeds onbewapend worden uitgevoerd. Enkel in sommige gevallen en onder strenge voorwaarden kunnen bewakingsactiviteiten gewapend uitgevoerd worden. Het profiel van een (kandidaat-)bewakingsagent stelt ook dat men over incasseringsvermo[..]gen moet beschikken ten aanzien van agressief gedrag. Er wordt van betrokkene verwacht dat deze beschikt over het vermogen om met problematische, stressvolle en conflictueuze situaties om te gaan zonder te grijpen naar geweld, dwang of (verboden) wapens. Gelet op de gepleegde feiten heb ik ernstige twijfels of u wel over voorgaande karakteristieken beschikt. Het bezit alsook het dragen van een verboden wapen is principieel verboden, niet alleen bij het uitvoeren van bewakingsactiviteiten maar ook daarbuiten. Dergelijke springmessen kunnen ernstige verwondingen of zelfs de dood teweeg brengen. Verder houdt het feit dat u vrijwillig afstand van het wapen deed geen verzachtende omstandigheid in. Ten slotte ben ik ook van oordeel dat de feiten voldoende recent zijn om in aanmerking genomen te worden. Bovendien staan de feiten voldoende vast en zijn ze tevens voldoende ernstig zoals hierboven aangetoond.” 12. Op basis van deze formele motivering stelt de Raad van State vast dat de eerste grief van verzoeker – de bestreden beslissing zou niet vermelden welk kenmerk van het vereiste profiel bij verzoeker ontbreekt – feitelijke grondslag mist. Uit de formele motivering blijkt immers expliciet dat de ontbrekende profielkenmerken volgens verwerende partij “integriteit” (artikel 64, 2°) en “een XII-9739-9/15 incasseringsvermogen ten aanzien van agressief gedrag van derden en het vermogen om zich daarbij te beheersen” (artikel 64, 3°) zijn. 13. Wat verzoekers tweede kritiek op de formele motivering betreft, stelt de Raad van State vast dat uit het administratief dossier blijkt dat het ten laste van verzoeker opgestelde aanvankelijk proces-verbaal wegens verboden wapenbezit werd afgehandeld overeenkomstig de procedure van het “verval van de strafvordering door betaling van een geldsom” zoals geregeld in artikel 216bis, § 1, Sv. Uit deze bepaling volgt geenszins dat het openbaar ministerie in een dergelijk geval oordeelt dat de feiten niet kunnen worden bewezen noch dat verzoeker onschuldig is, zoals verzoeker ten onrechte aanvoert. In de bijlage bij voormeld aanvankelijk proces-verbaal, met name het “vaststellingsformulier OMS” heeft verzoeker het “voorstel om een minnelijke schikking te betalen” ondertekend dat onder meer vermeldt: “Ik erken hierbij de feiten en verklaar mij akkoord om de som van 200 euro te betalen […]”. In die omstandigheden faalt verzoekers grief dat de bestreden beslissing – door te verwijzen naar de feitelijke vaststellingen die door de politie werden gedaan – van onjuiste feitelijkheden zou uitgaan. Het gegeven dat verzoeker niet strafrechtelijk werd veroordeeld voor die feiten en dat er geen sprake is van een bekentenis op strafrechtelijk vlak, belet niet dat hij de materialiteit van de feiten wel degelijk heeft erkend, zodat de bestreden beslissing er ook rekening mee mag houden om te onderzoeken of verzoeker aan het vereiste profiel beantwoordt. Voorts blijkt uit de formele motivering van de bestreden beslissing waarom de verwerende partij het onwaarschijnlijk acht dat verzoeker niet zou hebben geweten dat het verboden wapen in zijn auto lag. Verzoeker brengt tegen deze formele motivering niets anders in dan dat niet valt uit te sluiten dat het verboden wapen toebehoorde aan de vorige eigenaar van de auto. Met deze loutere ontkenning toont verzoeker echter niet aan dat de bestreden beslissing steunt op onjuiste feitelijkheden. XII-9739-10/15 14. De grief van verzoeker dat de bestreden beslissing niet antwoordt op zijn verweer, faalt evenzeer. Uit de bestreden beslissing blijkt immers dat expliciet wordt geantwoord op het gevoerde verweer. Verzoeker kan in de bestreden beslissing lezen waarom is geoordeeld dat hij niet beantwoordt aan het vereiste profiel en waarom de door hem aangevoerde omstandigheden en zijn persoonlijke situatie niet anders doen besluiten. Deze formele motivering is afdoende. De verwerende partij moet immers niet elk deelaspect van het gevoerde verweer beantwoorden (zie supra, nr. 10). In de mate dat verzoeker aanvoert dat de formele motivering niet ingaat op het blanco strafregister van verzoeker, merkt de Raad van State op dat uit de bestreden beslissing zeer duidelijk blijkt dat de identificatiekaart wordt geweigerd, niet op grond van artikel 61, eerste lid, 1°, van de wet van 2 oktober 2017, omdat verzoeker strafrechtelijk zou zijn veroordeeld, maar wel op grond van artikel 61, eerste lid, 6°, van de wet van 2 oktober 2017, omdat verzoeker niet beantwoordt aan het profiel van artikel 64 van dezelfde wet. De afwezigheid van bepaalde strafrechtelijke veroordelingen is weliswaar een noodzakelijke, doch niet de enige voorwaarde waaraan de aanvrager van een identificatiekaart moet beantwoorden. Uit de bestreden beslissing blijkt dat het beantwoorden aan de voorwaarde van artikel 61, eerste lid, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 niet ter discussie staat. Voorts toont verzoeker niet aan waarom de formele motivering van de bestreden beslissing niet zou mogen steunen op een – naar verzoeker aanvoert – alleenstaand geval dat niet kenmerkend zou zijn voor zijn persoonlijkheid. Evenmin zet hij uiteen waarom zijn bijzondere motivatie voor een carrière als bewakingsagent of zijn “turbulente jeugd” anders moeten doen besluiten. In de mate dat verzoeker de formele motivering van de bestreden beslissing vanuit die oogpunten bekritiseert, faalt het middel evenzeer. 15. Tot slot bekritiseert verzoeker dat de formele motivering van de bestreden beslissing geen rekening houdt met het psychotechnisch onderzoek. Uit artikel 61, eerste lid, van de wet van 2 oktober 2017 blijkt evenwel dat het voldoen XII-9739-11/15 aan de voorwaarde inzake psychotechnisch onderzoek (7°) een afzonderlijke voorwaarde is, die moet worden onderscheiden van de overige voorwaarden, zoals onder meer “het beantwoorden aan het profiel, zoals bedoeld in artikel 64” (6°). Deze vaststelling alleen reeds volstaat om deze grief te verwerpen. Uit die bepalingen van wet blijkt immers dat verzoekers uitgangspunt dat de beoordeling van de voorwaarde van artikel 61, eerste lid, 7°, van de wet van 2 oktober 2017 zou samenvallen met de beoordeling van de voorwaarde van artikel 61, eerste lid, 6°, van diezelfde wet, faalt. Voorts wordt de verwerende partij bijgevallen dat het onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden – luidens artikel 70 van de wet van 2 oktober 2017 – zich baseert op inlichtingen van gerechtelijk of bestuurlijke politie, inlichtingen waarover de inlichtingen- en veiligheidsdiensten beschikken of inlichtingen aangaande de beroepsuitoefening, terwijl – zoals blijkt uit artikel 149 van de wet van 2 oktober 2017 – het psychotechnisch onderzoek daarentegen de persoonlijkheid, alsook het voldoen aan de vereisten op psychologisch vlak, analyseert. Daar beide onderzoeken niet samenvallen – zoals verzoeker ten onrechte aanneemt – moet de bestreden beslissing niet motiveren waarom wordt ‘afgeweken’ van het psychotechnisch onderzoek. 16. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker niet aantoont dat de bestreden beslissing niet afdoende is gemotiveerd. 17. Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 18. In het tweede middel voert verzoeker de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel. Wat het gebrek aan samenvatting van het middel betreft, herhaalt de Raad van State wat hiervoor werd uiteengezet (zie supra, nr. 5) 19. In het verzoekschrift zet verzoeker vooreerst uiteen dat de verwerende partij onzorgvuldig handelde met betrekking tot het aanvankelijk proces- XII-9739-12/15 verbaal AN.36.LB.[…], met name door zich uitsluitend te baseren op dat proces- verbaal en zonder meer aan te nemen dat verzoeker de feiten heeft gepleegd. Alzo is de verwerende partij volgens verzoeker tekortgeschoten aan haar plicht tot zorgvuldige feitenvinding. Ten tweede voert verzoeker aan dat de verwerende partij onzorgvuldig handelde door geen rekening te houden met de omstandigheden aangehaald in zijn schriftelijk verweer, met name zijn blanco strafregister, de eenmalige aard van de feiten, zijn persoonlijke situatie en bijzondere motivatie. Ten derde verwijst verzoeker wederom naar het psychotechnisch onderzoek. Door hiermee geen rekening te houden, heeft de verwerende partij onzorgvuldig gehandeld. 20. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker dat de feiten van verboden wapendracht geenszins bewezen zijn. Voorts voert hij aan dat, indien hij tot de vaststelling komt dat de verwerende partij niet is ingegaan op de elementen uit zijn verweer, hij daaruit enkel kan afleiden dat daarmee geen rekening werd gehouden. 21. Verzoeker heeft geen laatste memorie ingediend. Beoordeling 22. Krachtens het zorgvuldigheidsbeginsel moet elk bestuur zich gedragen zoals een voorzichtig en redelijk handelend bestuur, geplaatst in dezelfde omstandigheden. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Het bestuur is onder meer verplicht om zorgvuldig tewerk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat het met kennis van zaken kan beslissen. Het komt aan verzoeker toe om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van het bestuur niet doet blijken van het XII-9739-13/15 vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoeker van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaat niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. 23. In de mate dat verzoeker aanvoert dat de bestreden beslissing ten onrechte aanneemt dat verzoeker de feiten vermeld in het aanvankelijk proces- verbaal daadwerkelijk heeft gepleegd, wordt verwezen naar de beoordeling van de gelijkaardige grief in het kader van het eerste middel. Daaruit is gebleken dat verzoeker de feiten heeft erkend (zie supra, nr. 13). Verzoeker zet voorts niet uiteen waarom de verwerende partij in het licht van het zorgvuldigheidsbeginsel dan niet op die erkende feiten zou mogen steunen. 24. De tweede grief vertrekt van het uitgangspunt dat in de bestreden beslissing geen rekening is gehouden met de omstandigheden door verzoeker aangehaald in zijn schriftelijk verweer. Hiervoor is vastgesteld dat die kritiek ongegrond is, daar uit de bestreden beslissing blijkt dat expliciet wordt geantwoord op het gevoerde verweer, dat verzoeker erin kan lezen waarom hij niet beantwoordt aan het vereiste profiel en waarom de door hem aangevoerde omstandigheden en zijn persoonlijke situatie niet anders doen besluiten (zie supra, nr. 14). Door het louter herhalen van die onterecht bevonden kritiek – ditmaal onder de noemer van het zorgvuldigheidsbeginsel – toont verzoeker niet aan dat de handelwijze van het bestuur niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. 25. In de mate dat verzoeker tot slot herhaalt dat geen rekening is gehouden met het psychotechnisch onderzoek, kan eveneens worden verwezen naar de beoordeling van die kritiek in het kader van het eerste middel, waarbij werd vastgesteld dat het psychotechnisch onderzoek niet samenvalt met het onderzoek of verzoeker beantwoordt aan het profiel bedoeld in artikel 64 van de wet van 2 oktober 2017 (zie supra, nr. 15). Bijgevolg toont verzoeker door het louter herhalen van zijn kritiek niet aan dat de verwerende partij onzorgvuldig handelde door het resultaat van de beide onderzoeken – en dus ook dat van het onderzoek of XII-9739-14/15 verzoeker beantwoordt aan het profiel bedoeld in artikel 64 van de wet van 2 oktober 2017 – in aanmerking te nemen. 26. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel aantoont. 27. Het tweede middel is ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vier februari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Chantal Bamps XII-9739-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.641 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.