id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.655 Rolnummer: A. 239334/XIV-39588 Zaak: Arrest 265655 - Overheidsopdrachten - 04/02/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-02-13 Raadplegingen: 168 - laatst gezien 2026-06-18 06:28 Fiche Arrest nr 265.655 van 4 februari 2026 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 265.655 van 4 februari 2026 in de zaak A. 239.334/XIV-39.588 In zake : de BV S. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Valérie Verbeke kantoor houdend te 8500 Kortrijk Burgemeester Nolfstraat 10 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE ZWEVEGEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frank Vanden Berghe kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 15 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 15 juni 2025, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van verwerende partij dd. 12.04.2023 waarbij de overheidsopdracht ‘Aanleg van de nieuwe parkbegraafplaats Lettenhofpark — fase 2: wegenis en infrastructuur’ aan [een derde] wordt gegund.” II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Jonas Riemslagh heeft een verslag opgesteld waarin de verwerping van het beroep wordt voorgesteld. XIV-39.588-1/11 De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de XIVe kamer bij beschikking van 10 september 2025 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 19 november
- Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De aanbestedende overheid schrijft een overheidsopdracht uit voor werken met als voorwerp: “Aanleg van de nieuwe parkbegraafplaats Lettenhofpark — fase 2: wegenis en infrastructuur”. 3.
- Zeven offertes worden ingediend, waaronder die van de verzoekende partij. 3.
- Op 21 december 2023 beslist de aanbestedende overheid de opdracht te gunnen aan de gekozen inschrijver. Dit is de bestreden beslissing. XIV-39.588-2/11 IV. Verzoek tot vertrouwelijke behandeling van bepaalde stukken Standpunt van de partijen
- De verwerende partij vraagt om de vertrouwelijke behandeling van de offertes van de verschillende inschrijvers en het overzicht van de prijsvergelijking van de verschillende offertes, die zij in de inventaris als vertrouwelijk aanduidt en waarbij zij de redenen opgeeft waarom zij om die vertrouwelijke behandeling vraagt.
- De verzoekende partij verzet zich in de memorie van wederantwoord tegen het vertrouwelijke karakter van die stukken op grond van de redenen die als volgt zijn samengevat door het auditoraat in zijn verslag: “Volgens [de verzoekende partij] blijkt de prijzenproblematiek van doorslaggevend belang voor de beoordeling van de zaak, omdat werd vastgesteld dat de gekozen inschrijver een schijnbaar abnormaal lage totaalprijs had aangeboden, waarna een prijsverantwoording werd gevraagd die vervolgens werd aanvaard. Zonder inzage in de offerte van de gekozen inschrijver kan de verzoekende partij niet nagaan hoe de gegeven prijsverantwoording zich daadwerkelijk ook reflecteert in de overeenkomstige prijzen. Bovendien heeft de verwerende partij in haar memorie van antwoord opgeworpen dat het verschil tussen de prijzen van de gekozen inschrijver en de verzoekende partij verband houdt met de winst die zij wensen te realiseren, hetgeen pas na vergelijking van alle offertes kan worden beoordeeld. Om die redenen moet zij inzage krijgen in alle eenheidsprijzen.” Beoordeling
- Het auditoraat besluit op grond van de volgende overwegingen het verzoek tot lichting van de vertrouwelijkheid af te wijzen: “
- In dit geval vraagt de verzoekende partij inzage in de prijzen van de verschillende inschrijvers, zoals die blijken uit hun offertes en de prijsvergelijking die op basis van die offertes is gemaakt. Het betreft, zoals de verwerende partij aangeeft, bedrijfsgevoelige informatie die beschermd moet worden. De verzoekende partij maakt niet aannemelijk dat zij zonder kennisneming van de vertrouwelijke stukken niet over voldoende gegevens beschikt om haar betoog te onderbouwen. In het enig middel bekritiseert zij de aanvaarding door de verwerende partij van verantwoording die door de gekozen inschrijver is verstrekt over zijn totaalprijs. Zoals hierna blijkt, berust die beoordeling op motieven die vervat zijn in niet-vertrouwelijke stukken, waarvan de verzoekende partij kennis heeft genomen en die zij in het tweede middelonderdeel bekritiseert. De eigenlijke XIV-39.588-3/11 prijsverantwoording maakt als niet-vertrouwelijk stuk deel uit van het administratief dossier. De door de gekozen inschrijver verstrekte prijsverantwoording heeft geen betrekking op specifieke eenheidsprijzen. Zoals uit de bespreking van het tweede middelonderdeel blijkt, berust die verantwoording niet op cijfermatige gegevens. Het door de verwerende partij in de memorie van antwoord vermelde mogelijke verschil in de winstmarge tussen de verschillende inschrijvers, was geen onderdeel van de beoordeling van de prijsverantwoording en kan hoe dan ook niet op één of meerdere specifieke posten worden betrokken. Verder blijkt dat de verwerende partij wel degelijk de eenheidsprijzen heeft onderzocht en dat de conclusies daarvan deel uitmaken van het niet-vertrouwelijke stuk 1.4 “begeleidende nota bij rekenkundig nazicht”. Zoals hierna wordt vastgesteld vormt het vertrouwelijke stuk 1.5 de basis van die vergelijking. Dat stuk betreft een tabel met een overzicht en vergelijking van de eenheidsprijzen, volgens de methode die in het niet-vertrouwelijke stuk 1.4 wordt uiteengezet. Het vertrouwelijke stuk 1.5 kan door de Raad van State zelf in het onderzoek worden betrokken, hetgeen hierna ook gebeurt. Om die redenen moet het verzoek tot lichting van de vertrouwelijkheid worden afgewezen.” Na kennisneming van het verslag van het auditoraat beperkt de verwerende partij zich ertoe in haar laatste memorie te verwijzen naar haar eerdere procedurestukken. Zij heeft aldus niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en wijst aldus, na eigen onderzoek, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, de lichting af van de vertrouwelijkheid van de betrokken stukken. V. Regelmatigheid van de rechtspleging
- In haar laatste memorie werpt de verwerende partij op dat de verzoekende partij geen verzoek tot voortzetting heeft ingediend en dat de laatste memorie van de verzoekende partij geen verzoek tot voortzetting van het geding bevat.
- Het verzoek tot voortzetting vormt het formele procesmiddel waarmee een partij verklaart dat zij de behandeling van de zaak wenst voort te XIV-39.588-4/11 zetten ondanks een voor haar ongunstig auditoraatsverslag, en strekt ertoe het wettelijk vermoeden van afstand, bedoeld in artikel 21, zevende lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, af te wenden. Het verzoek tot voortzetting moet niet gemotiveerd zijn, noch vermelden waarom niet wordt ingestemd met het verslag, en de inhoud ervan kan zich beperken tot de loutere bevestiging dat de verzoekende partij in haar vordering volhardt. De verzoekende partij heeft tijdig een laatste memorie ingediend waarin zij verwijst naar haar eerdere procedurestukken en punctuele kritiek uitoefent op het auditoraatsverslag. Zulks volstaat om die laatste memorie (mede) te beschouwen als een verzoek tot voortzetting van het geding. Hieruit blijkt immers duidelijk de wil om de procedure voort te zetten.
- De exceptie wordt verworpen. VI. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in een enig middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 19 juli 1991) en de artikelen 4 en 5 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ (hierna: de wet van 17 juni 2013), juncto de artikelen 4 en 81 van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: de wet van 17 juni 2016) en artikel 36 van het van het koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’ (hierna: het koninklijk besluit van 18 april 2017), alsook van het zorgvuldigheidsbeginsel en het patere legem beginsel, de motiveringsplicht, het gelijkheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. XIV-39.588-5/11 Vervolgens ontwikkelt zij twee middelonderdelen die als volgt worden samengevat in het verslag van het auditoraat: “In een eerste middelonderdeel voert de verzoekende partij de schending van de formelemotiveringsplicht aan omdat in de gunningsbeslissing de regelmatigheid van de inschrijvingen niet wordt gemotiveerd. In die beslissing wordt enkel vastgesteld dat de totale offerteprijs van de gekozen inschrijver de laagste is. Verder wordt er verwezen naar de prijsverantwoording van die inschrijver, zonder dat wordt gemotiveerd wat die verantwoording inhield en waarom zij werd aanvaard. Nochtans moest de verwerende partij uitdrukkelijk motiveren waarom zij de prijsverantwoording aanvaardde. Door het ontbreken van die motivering kan niet worden nagegaan of de offerte van de gekozen inschrijver terecht werd toegelaten en dus of de opdracht werd gegund aan de laagste regelmatige inschrijver. In het tweede middelonderdeel voert de verzoekende partij de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht. Zij stelt vast dat in de “begeleidende nota bij rekenkundig nazicht” de prijsverantwoording van de gekozen inschrijver wordt vermeld en aanvaard. Die beoordeling berust echter niet op in feite en in rechte aanvaardbare motieven, omdat alle elementen die worden aangehaald eveneens gelden voor de verzoekende partij zelf. Ook zij beschikt immers over een zeer beperkt managementteam met een vlakke structuur, voert talrijke werken uit in de buurt, beschikt over veel eigen materieel – bestaande uit onder andere een uitgebreid machinepark – en bevindt zich op een beperkte afstand van de werf (11 km in plaats van 24 km voor de gekozen inschrijver). De prijsverantwoording van de gekozen inschrijver verklaart dus niet waarom haar offerte meer dan 15% onder het gemiddelde ligt, wat niet het geval is voor de verzoekende partij. De verantwoording berust op niet-cijfermatige gegevens, die niet voldoende concreet zijn en haar niet voldoende onderscheiden van de verzoekende partij om een aanvaardbare prijsverantwoording te vormen. Er wordt immers niet aangetoond dat de gekozen inschrijver een concurrentieel voordeel zou hebben tegenover de verzoekende partij. De verwerende partij is dus onzorgvuldig te werk gegaan in de beoordeling van de opgegeven prijsverantwoording. Nog met betrekking tot het tweede middelonderdeel stelt de verzoekende partij dat er geen melding wordt gemaakt van de specifieke eenheidsprijzen die het verschil in totaalprijs tussen de inschrijvers zouden verantwoorden. Uit de gunningsbeslissing noch uit de begeleidende nota bij het rekenkundig nazicht blijkt of de gekozen inschrijver een of meerdere abnormale eenheidsprijzen hanteerde, in welke mate deze een invloed hadden op de totaalprijs, of het al dan niet gaat om verwaarloosbare posten, etc. Nochtans moet er wel sprake zijn van abnormale eenheidsprijzen aangezien de totale offerteprijs meer dan 15% afweek van het gemiddelde. De motivering van de verwerende partij betreft enkel de totaalprijzen. Omdat het voor de verzoekende partij niet mogelijk is na te gaan of het prijsonderzoek over de eenheidsprijzen correct is gevoerd, is ook de motiveringsplicht geschonden.” XIV-39.588-6/11 Beoordeling
- Het auditoraat besluit op grond van de volgende overwegingen dat het enig middel in zijn beide onderdelen ongegrond is: “- wat het eerste middelonderdeel betreft
- In het eerste middelonderdeel voert de verzoekende partij de schending aan van de formelemotiveringsplicht, omdat uit de motivering in de bestreden beslissing niet blijkt op grond van welke motieven de prijsverantwoording van de gekozen inschrijver is aanvaard.
- De aanhef van de bestreden beslissing bevat een rubriek “motivering” waarin wordt overwogen dat de dienst groen en wegen voorstelt om “[o]p basis van het aanbestedingsverslag inclusief nazicht van de bijkomende prijsverantwoording, opgemaakt door ontwerper Omgeving cv”, de opdracht aan de gekozen inschrijver te gunnen. De rubriek “verwijzingsdocumenten” in de aanhef vermeldt onder meer het “verslag van nazicht van de offertes”. Aangenomen moet worden dat telkens wordt gedoeld op de begeleidende nota bij rekenkundig nazicht van Omgeving van 24 maart
- Die nota bevat een bespreking van de prijsverantwoording van de gekozen inschrijver. Aangezien de verzoekende partij de nota ook zelf als stuk neerlegt en zij er in haar procedurestukken uit citeert, was het voor haar mogelijk om met voldoende inzicht te begrijpen waarom de prijsverantwoording van de gekozen inschrijver werd aanvaard. Dat blijkt ook uit de uiteenzetting van het tweede middelonderdeel, waarin zij die motieven betwist.
- Het eerste middelonderdeel is niet gegrond. - wat het tweede middelonderdeel betreft
- In het tweede middelonderdeel bekritiseert de verzoekende partij de aanvaarding van de prijsverantwoording van de gekozen inschrijver door de verwerende partij.
- De verwerende partij heeft aan de gekozen inschrijver een prijsverantwoording gevraagd voor de totaalprijs omdat diens inschrijvingsprijs 15,13% onder het overeenkomstig artikel 36, § 4, van het [koninklijk besluit van 18 april 2017] berekende gemiddeld lag. Vervolgens heeft zij de verstrekte verantwoording aanvaard omdat uit de erin aangevoerde elementen bleek dat de inschrijver “zeer efficiënt met een hoog rendement kan werken en hierdoor een zeer concurrentiële prijs kan aanbieden”.
- Wanneer de aanbestedende overheid met toepassing van artikel 36, § 2, van het [koninklijk besluit van 18 april 2017] een prijzen- of kostenbevraging heeft uitgevoerd, dient zij met toepassing van artikel 36, § 3, de ontvangen verantwoording te beoordelen, en deze al dan niet te aanvaarden. Bij de toepassing van artikel 36, § 3, beschikt de aanbestedende overheid over een beoordelingsruimte om de gegeven prijsverantwoording al dan niet te aanvaarden. De Raad van State mag zich, gesteld voor de toetsing van een dergelijke beoordeling, niet in de plaats stellen van het bestuur en zelf de beoordeling van de prijsverantwoording overdoen. Het komt hem enkel toe om desgevraagd de beoordeling op haar rechtmatigheid te toetsen. Aldus kan hij nagaan of de beoordeling door de overheid berust op voldoende veruitwendigde en in feite en in rechte draagkrachtige motieven, of die motieven na een zorgvuldig onderzoek XIV-39.588-7/11 van het dossier tot stand zijn gekomen, en of de overheid de perken van haar beoordelingsruimte niet te buiten is gegaan.
- De verzoekende partij bekritiseert in haar verzoekschrift de aanvaarding van de prijsverantwoording door de verwerende partij omdat “alle aangehaalde elementen allen evenzeer van kracht [zijn] voor verzoekende partij”. Daarbij wijst zij erop dat ook zij over een zeer beperkt managementteam met vlakke structuur beschikt, talrijke werven in de buurt uitvoert, beschikt over veel eigen materieel en zich op beperkte afstand van de werf – en zelfs dichter dan de gekozen inschrijver – bevindt. De gegeven prijsverantwoording verklaart volgens haar niet het verschil tussen haar inschrijvingsprijs en die van de gekozen inschrijver. Een prijsverantwoording is onderscheidend wanneer zij kan worden betrokken op de specifieke situatie van de inschrijver in kwestie. Anders dan de verzoekende partij het ziet moet aan de hand van de prijsverantwoording echter niet het volledige verschil tussen haar inschrijvingsprijs en die van de gekozen inschrijver worden verklaard. Uit de verantwoording moet blijken dat de totaalprijs realistisch en dus niet abnormaal is, hoewel die bij het onderzoek van de offertes abnormaal leek. In dit geval volgde het schijnbaar abnormale karakter uit de toepassing van de in artikel 36, § 4, van het [koninklijk besluit van 18 april 2017] voorgeschreven 15%-drempel. De inschrijvingsprijs van de gekozen inschrijver lag immers 15,13% onder het overeenkomstig die bepaling berekende gemiddelde. Uit de omstandigheid dat de elementen uit de prijsverantwoording ook zouden opgaan voor de verzoekende partij volgt niet dat de verwerende partij onrechtmatig heeft gehandeld door de prijsverantwoording te aanvaarden. Ook de inschrijvingsprijs van de verzoekende partij, die de tweede gerangschikte inschrijver was, lag ruim 8% onder het berekende gemiddelde. Waar de verzoekende partij argumenteert dat zij zich in dezelfde kostenverlagende omstandigheden bevindt als de gekozen inschrijver, lijkt dat net een verklaring te zijn voor het verschil van hun beide offertes met de gemiddelde inschrijvingsprijs.
- De verzoekende partij argumenteert niet dat de door de gekozen inschrijver aangevoerde elementen als dusdanig niet kunnen worden aangewend in het kader van een prijsverantwoording. Evenmin voert zij aan dat de elementen uit de prijsverantwoording gelden ten aanzien van alle andere inschrijvers. Wel stelt zij, in algemene termen, dat de verantwoording steunt op niet-cijfermatige gegevens die onvoldoende concreet zijn. De Raad van State heeft meermaals bevestigd dat ook niet-cijfermatige gegevens een prijsverantwoording kunnen uitmaken, des te meer indien een prijsverantwoording werd gevraagd voor de totaalprijs. In die context is onder meer aanvaard dat een inschrijver zich in het kader van een prijsverantwoording op niet-becijferde wijze beroept op de nabijheid van de werf , op de gelijktijdige uitvoering van werven in de buurt , op het gegeven dat hij het benodigde materieel in eigen bezit heeft, wat impliceert dat het niet gehuurd moet worden, en op de kostenefficiëntie wegens een familiale structuur .
- De verzoekende partij bekritiseert tot slot dat er geen melding wordt gemaakt van de specifieke eenheidsprijzen die het verschil in totaalprijs tussen de inschrijvers zouden veroorzaken. Volgens haar kan uit het gunningsverslag noch uit de begeleidende nota bij rekenkundig nazicht worden afgeleid of de gekozen inschrijver een of meerdere afwijkende eenheidsprijzen hanteerde en in welke mate die een invloed hadden op haar totaalprijs. De begeleidende nota bij rekenkundig nazicht bevat een onderdeel 2.2 “normaal karakter van de individuele eenheidsprijzen”, dat als volgt luidt : ‘Voor het nazicht van de abnormale eenheidsprijzen nemen we posten in beschouwing die meer dan 2,5% van het totale offertebedrag uitmaken. We houden daarbij zowel met het gemiddelde totaalbedrag als met het XIV-39.588-8/11 totaalbedrag van de inschrijver voor die post rekening. Wij bekijken daarbij posten waarvan de eenheidsprijs 50% lager of hoger is dan het gemiddelde. Volgende posten voldoende aan deze voorwaarden: - [verzoekende partij] Geen posten waarop dit van toepassing is. (…) - [gekozen inschrijver] Geen posten waarop dit van toepassing is. (…)’ Zoals eerder is opgemerkt staat vast dat de verzoekende partij kennis heeft van dit stuk, aangezien zij het zelf als overtuigingsstuk voegt en er in haar verzoekschrift uit citeert. Anders dan zij aanvoert bevat het betrokken verslag wel degelijk een motivering over het prijsonderzoek aangaande de eenheidsprijzen. Uit het als vertrouwelijk stuk neergelegde overzicht van de prijsvergelijking, waarop de Raad van State bij het onderzoek van de zaak niettemin acht kan slaan, blijkt dat het onderzoek van de eenheidsprijzen effectief heeft plaatsgevonden op de wijze die in de begeleidende nota bij rekenkundig nazicht is uiteengezet. Dat overzicht vermeldt voor elke post de raming en de gemiddelde prijs en bevat voor elke inschrijver de eenheidsprijzen en de procentuele afwijking tegenover de gemiddelde prijs voor die post. De velden die meer dan 2,5% van de totaalprijs uitmaken (€ 28.354,25) zijn gemarkeerd. De bespreking van de eenheidsprijzen van elke inschrijver in onderdeel 2.2 van de begeleidende nota bij rekenkundig nazicht stemt daarmee overeen. De verzoekende partij voert geen kritiek aan tegen de zo-even geciteerde passage en de erin uiteengezette werkwijze voor het onderzoeken en beoordelen van de eenheidsprijzen.
- In de memorie van wederantwoord herhaalt de verzoekende partij haar kritiek en voegt zij daar aan toe dat de verwerende partij de prijsverantwoording van de gekozen inschrijver op een meer kritische wijze had moeten analyseren. De verzoekende partij steunt zich daarbij opnieuw op het gegeven dat de elementen van de prijsverantwoording ook op haar van toepassing zijn. Zij merkt ook op dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord suggereert dat het prijsverschil tussen haar en de gekozen inschrijver wordt verklaard door een verschil in winstmarge, terwijl dat argument niet voorkomt in de motivering van de bestreden beslissing. Zoals onder randnummer 35 is opgemerkt moet echter niet het (volledige) verschil tussen de inschrijvingsprijs van de gekozen inschrijver en die van de verzoekende partij door de prijsverantwoording worden verklaard. Daarnaast moest de verwerende partij volgens haar de waarachtigheid en de daadwerkelijke impact van de vier elementen van de prijsverantwoording hebben onderzocht. Volgens de verzoekende partij had zij moeten nagaan of de talrijke werken in de buurt “daadwerkelijk gelijkaardige werken betreffen” en of de gekozen inschrijver “in staat zal zijn al deze talrijke werken gelijktijdig op te volgen”, alsook “of het eigen materieel niet reeds zal zijn ingezet op deze andere “talrijke werken” zodat toch materieel zou moeten worden gehuurd”. Daar gelaten de vraag of een dergelijke verplichting effectief op de aanbestedende overheid rust bij de beoordeling van een prijsverantwoording , wordt deze kritiek voor het eerst in de memorie van wederantwoord geformuleerd en is zij bijgevolg laattijdig.
- Het tweede middelonderdeel is niet gegrond.” Na kennisneming van het auditoraatsverslag beperkt de verzoekende partij zich er, wat het eerste middelonderdeel betreft, in haar laatste XIV-39.588-9/11 memorie toe te stellen dat de ‘verwijzingsdocumenten’ waarnaar de bestreden beslissing verwijst, oorspronkelijk niet aan die beslissing waren gehecht, waardoor zij op grond van de ontvangen beslissing niet met voldoende inzicht kon begrijpen waarom de prijsverantwoording werd aanvaard. Met deze kritiek betwist zij echter niet dat zij op het ogenblik van het indienen van haar verzoekschrift kennis had van de betrokken stukken. Wat het tweede middelonderdeel betreft, tracht de verzoekende partij – nadat zij heeft kennisgenomen van het auditoraatsverslag – in haar laatste memorie een nieuwe wending te geven aan het oorspronkelijke middelonderdeel, dat volgens haar eigen verklaring in het verzoekschrift uitsluitend betrekking had op de materiële motivering. Minstens voert zij argumenten aan waarvan zij niet aannemelijk maakt dat zij die niet reeds eerder had kunnen aanvoeren. Wat haar betoog betreft dat de in de memorie van wederantwoord voor het eerst opgeworpen argumenten niet laattijdig zouden zijn, benadrukt zij weliswaar haar eigen standpunt en overtuiging ter zake, maar zij licht niet toe waarom deze voor het eerst geformuleerde verplichting niet reeds in het verzoekschrift kon worden opgeworpen, en dit los nog van de vraag of op de aanbestedende overheid een dergelijke verregaande verificatieplicht rust bij de beoordeling van de prijsverantwoording. De Raad van State ziet bijgevolg geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, na eigen onderzoek, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het enige middel ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XIV-39.588-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vier februari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.588-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.655 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.