← België

Arrest 265657 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 05/02/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.657 Rolnummer: A. 245426/VII-42969 Zaak: Arrest 265657 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 05/02/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-02-09 Raadplegingen: 168 - laatst gezien 2026-06-18 06:28 Fiche Arrest nr 265.657 van 5 februari 2026 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 265.657 van 5 februari 2026 in de zaak A. 245.426/VII-42.969 In zake : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Leen Vanbrabant kantoor houdend te 1000 Brussel Jan Jacobsplein 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : D.J. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Callebaut kantoor houdend te 9300 Aalst Binnenstraat 39 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 24 juli 2025, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. HHC-M-2425-0030 van het Handhavingscollege van 19 juni 2025 in de zaak 2324-HHC-0047-M. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij beschikking nr. 16.407 van 2 september 2025 wordt het cassatieberoep toelaatbaar verklaard. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. VII-42.969-1/6 De verzoekende partij heeft geen memorie van wederantwoord ingediend. De hoofdgriffier heeft aan de partijen de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 15, § 1 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna : cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partij heeft gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 januari
  3. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Leen Vanbrabant, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Joost Callebaut, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna : RvS-wet). III. Beoordeling
  4. Artikel 14, eerste lid, van het cassatieprocedurebesluit bepaalt dat de hoofdgriffier aan de verzoekende partij een kopie bezorgt van de memorie van antwoord, waarna die over dertig dagen beschikt om de griffie een memorie van wederantwoord toe te zenden. VII-42.969-2/6 De verzoekende partij heeft op 10 oktober 2025 op het elektronisch platform kennis genomen van de memorie van antwoord. Zij heeft binnen de dertig dagen die hierop zijn gevolgd geen memorie van wederantwoord ingediend. Naar luid van voormeld artikel 21, tweede lid, stelt de Raad van State het ontbreken van het vereiste belang vast als de verzoekende partij de termijn voor het toesturen van de memorie van wederantwoord niet eerbiedigt.
  5. De verzoekende partij zet uiteen dat haar dossierbeheerder nooit een elektronisch bericht heeft ontvangen waarmee zij ervan wordt verwittigd dat een memorie van antwoord werd neergelegd, en zij attent wordt gemaakt op de termijn waarbinnen de memorie van wederantwoord moest worden ingediend, en op de sanctie in geval van verzuim. De dossierbeheerder heeft weliswaar op 10 oktober 2025 op het elektronisch platform kennis genomen van de memorie van antwoord, maar deze omstandigheid kan volgens haar niet de termijn doen lopen om de memorie van wederantwoord in te dienen, bij gebreke aan ontvangst van voormeld elektronisch bericht. Zij laat daarbij opmerken dat de elektronische berichten die naar de dossierbeheerder zouden zijn verzonden, niet op het elektronisch platform kunnen worden geraadpleegd, terwijl artikel 85bis, § 13, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna : algemeen procedurereglement) bepaalt dat alle processtukken, betekeningen, kennisgevingen en oproepingen op het platform of in het elektronisch dossier dienen te worden gepubliceerd. Volgens de verzoekende partij heeft de hoofdgriffier aldus bij het ter kennis brengen van de memorie van antwoord geen melding gemaakt van artikel 21, tweede lid, RvS-wet en artikel 15, § 1, van het cassatieprocedurebesluit en bijgevolg het voorschrift van artikel 15, § 2, van het cassatieprocedurebesluit niet nageleefd. Het louter verzenden van een elektronisch bericht met deze melding kan hieraan volgens de verzoekende partij niet verhelpen, omdat het bewijs van de ontvangst van het bericht niet wordt geleverd. VII-42.969-3/6 De verzoekende partij besluit dat haar geen geldige en eenduidige kennisgeving werd gedaan met vermelding van de sanctie overeenkomstig artikel 21, tweede lid, RvS-wet en artikel 15, § 2, van het cassatieprocedurebesluit. Het ontbreken van het belang kan volgens haar bijgevolg niet worden vastgesteld.
  6. Artikel 85bis van het algemeen procedurereglement is blijkens artikel 42 van het cassatieprocedurebesluit mutatis mutandis van toepassing op de rechtspleging betreffende de cassatieberoepen. Artikel 85bis, § 13, van het algemeen procedurereglement (in de versie zoals van toepassing vóór 31 december 2025) luidt: “De Raad van State deelt de processtukken, alsook de betekeningen, kennisgevingen en oproepingen mee via neerlegging in het elektronisch dossier. […] De dossierbeheerders en hun gedelegeerden worden per elektronisch bericht van deze neerlegging op de hoogte gebracht. Een elektronisch afschrift van de hun toegezonden berichten wordt op de website bewaard. De termijnen die deze berichten doen ingaan, nemen een aanvang wanneer de bestemmeling het stuk voor het eerst raadpleegt, ongeacht het de dossierbeheerder dan wel een van zijn gedelegeerden betreft. Wanneer een stuk door de bestemmeling ervan niet is geraadpleegd binnen drie werkdagen na het versturen van het bericht, wordt een elektronisch herinneringsbericht verstuurd. Wanneer het stuk niet is geraadpleegd, wordt het geacht ter kennis zijn gebracht bij het verstrijken van de derde werkdag nadat het elektronisch herinneringsbericht is verstuurd. […]” Artikel 15, § 2, van het cassatieprocedurebesluit luidt: “Wanneer de hoofdgriffier de memorie van antwoord ter kennis brengt van de verzoekende partij […], maakt hij melding van artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten, alsook van paragraaf 1 van dit artikel.”
  7. Uit de gegevens van het elektronisch dossier blijkt dat op 2 oktober 2025 een elektronisch bericht werd verstuurd, en dat op 7 oktober 2025 een elektronisch herinneringsbericht werd verstuurd, waarmee aan de dossierbeheerder van de verzoekende partij werd gemeld dat de memorie van VII-42.969-4/6 antwoord werd neergelegd op het uitwisselingsplatform, en waarin de aandacht werd gevestigd op artikel 21bis RvS-wet en artikel 15, § 1, van het cassatieprocedurebesluit. De dossierbeheerder van de verzoekende partij heeft vervolgens op 10 oktober 2025 de memorie van antwoord op het elektronisch platform geraadpleegd. Uit artikel 85bis, § 13, vierde lid, van het algemeen procedurereglement, zoals van toepassing vóór 31 december 2025, volgt dat de termijn voor de indiening van de memorie van wederantwoord is ingegaan toen de dossierbeheerder de memorie van antwoord op het uitwisselingsplatform raadpleegde op 10 oktober 2025, zijnde binnen de drie werkdagen na de verzending van het elektronisch herinneringsbericht. De eventuele omstandigheid dat de elektronische berichten van 2 en 7 oktober 2025 niet in de elektronische brievenbus van de dossierbeheerder zijn terechtgekomen, zoals de verzoekende partij beweert, kan hieraan geen afbreuk doen. De vraag naar de ontvangst van deze elektronische berichten kan maar van belang zijn in geval de memorie van antwoord niet zou zijn geraadpleegd door de dossierbeheerder binnen de drie werkdagen na het herinneringsbericht, omdat in dat geval de termijn geacht wordt in te gaan bij het verstrijken van de derde dag. Evenmin kan de eventuele omstandigheid dat geen afschrift van deze elektronische berichten werd bewaard op het elektronisch platform op een wijze dat zij door de dossierbeheerder konden worden geraadpleegd, in de gegeven omstandigheden hieraan afbreuk doen. De dossierbeheerder is immers advocaat, van wie mag worden verwacht dat hij ervan op de hoogte is dat de kennisname op het elektronisch platform van de memorie van antwoord de termijn van dertig dagen voor de indiening van de memorie van wederantwoord doet ingaan, zonder dat hij daaraan moet worden herinnerd met berichten van de hoofdgriffier waarin gewezen wordt op artikel 21, tweede lid, RvS-wet en artikel 15, § 1, van het cassatieprocedurebesluit. De aangevoerde omstandigheden dat geen elektronische berichten werden ontvangen en dat geen kennis kon worden genomen van de elektronische berichten op het elektronisch platform, had de betrokken advocaat VII-42.969-5/6 minstens, na raadpleging van de memorie van antwoord, moeten aanzetten tot contactname met de griffie om de situatie op korte tijd uit te klaren.
  8. De verzoekende partij heeft geen memorie van wederantwoord ingediend binnen de termijn van dertig dagen die wordt voorgeschreven door artikel 14 van het cassatieprocedurebesluit. Op grond van artikel 21, tweede lid, RvS-wet wordt vastgesteld dat het bij het cassatieberoep vereiste belang ontbreekt. BESLISSING
  9. De Raad van State verwerpt het beroep.
  10. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijf februari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Francis Van Nuffel, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Francis Van Nuffel VII-42.969-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.657 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.