id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.659 Rolnummer: A. 244349/VII-42820 Zaak: Arrest 265659 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 05/02/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-02-12 Raadplegingen: 171 - laatst gezien 2026-06-18 06:28 Fiche Arrest nr 265.659 van 5 februari 2026 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.659 no lien 287526 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 265.659 van 5 februari 2026 in de zaak A. 244.349/VII-42.820 In zake : de PROVINCIE ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Cies Gysen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- E.D.
- D.V. -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 10 maart 2025 strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2425-0436 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 30 januari 2025 in de zaak 2324-RvVb-0879-A. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking nr. 16.264 van 24 april 2025 is het cassatieberoep toelaatbaar verklaard. De verwerende partijen hebben geen memorie van antwoord ingediend. De verzoekende partij heeft een toelichtende memorie ingediend. Auditeur Lise Vandenhende heeft een verslag opgesteld. VII-42.820-1/5 Dat verslag werd aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 6 oktober
- Op 20 november 2025 heeft de hoofdgriffier aan de verzoekende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 18, § 1, vierde lid, van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie- procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partij heeft gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 januari
- Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sien Telen, die loco advocaat Cies Gysen verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Auditeur Lise Vandenhende heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Beoordeling
- In het auditoraatsverslag wordt de verwerping van het beroep voorgesteld. VII-42.820-2/5 Naar luid van artikel 21, zevende lid, RvS-wet geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij geen verzoek tot voortzetting van de procedure indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het verslag.
- De verzoekende partij beweert dat zich een situatie van overmacht heeft voorgedaan waardoor de sanctie van het vermoeden van afstand van geding niet kan worden toegepast. De verzoekende partij laat echter na om duidelijk te maken welke feiten zich hebben afgespeeld die volgens haar een situatie van overmacht zouden uitmaken. Op de zitting van 29 januari 2026 gewaagt zij enkel van een “menselijke fout”, zonder nadere uitleg. Hiermee slaagt de verzoekende partij niet in het bewijs dat zij zich in een situatie bevond van overmacht waardoor zij niet in staat was een tijdig verzoek tot voortzetting van de procedure in te dienen..
- De verzoekende partij voert vervolgens aan dat er een niet- gerechtvaardigd verschil bestaat tussen de kennisgevingen in de analoge procedure, en de kennisgevingen in de digitale procesvoering. Zij zet uiteen dat de kennisgevingen in de analoge procedure steeds gebeuren aan de dominus litis, wat in de digitale procedure niet het geval zou zijn : proceshandelingen die termijnen doen lopen worden geadresseerd “aan de ingelogde gebruiker, zonder bijkomende notificatie aan de duidelijk op de memories aangeduide dominus litis”, Hierdoor zou volgens de verzoekende partij het gelijkheidsbeginsel zijn geschonden, en zij vraagt dat de Raad van State hieromtrent een prejudiciële vraag zou richten aan het Grondwettelijk Hof. Deze argumentatie berust op een reeks verkeerde aannames. In de regelgeving zoals van toepassing ten tijde van de kennisgeving van het auditoraatsverslag is nergens sprake van een dominus litis. Het is de partij die zelf bepaalt bij wie zij in voorkomend geval keuze van woonplaats doet en/of wie in het kader van de elektronische procesvoering voor haar als dossierbeheerder optreedt. De personen -niet noodzakelijk advocaten- die aanvaarden dat bij hen ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.659 VII-42.820-3/5 keuze van woonplaats wordt gedaan en/of aanvaarden als dossierbeheerder op te treden, nemen daarbij vrijwillig een persoonlijke verantwoordelijkheid op zich die volledig los staat van de omstandigheid dat iemand anders zich de hoedanigheid van dominus litis zou toeëigenen. De griffie dient enkel acht te slaan op de gemaakte keuze van woonplaats (analoge procedure) en het elektronisch adres van de dossierbeheerder (digitale procedure) zonder zich te bekommeren over eventuele andere namen en hoedanigheden die op een verzoekschrift of memorie worden vermeld. Hierbij mag nog worden opgemerkt dat de dossierbeheerder in het kader van de elektronische procesvoering desgewenst machtigingen kan verlenen aan gedelegeerden, zodat verschillende personen voor dezelfde partij toegang kunnen krijgen tot het elektronisch platform, en elk met een elektronisch bericht worden verwittigd van de neerlegging van een stuk. Het door de verzoekende partij ontwaarde verschil in behandeling berust dan ook op geen enkele bepaling in de regelgeving, laat staan dat het verschil zou volgen uit een wettelijke bepaling en als zodanig het voorwerp zou kunnen uitmaken van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof.
- De verzoekende partij voert niet aan dat de kennisgevingen in dit dossier niet zouden zijn gebeurd in overeenstemming met artikel 85bis, § 13, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (dat blijkens artikel 42 van het cassatieprocedurebesluit mutatis mutandis van toepassing is op de rechtspleging betreffende de cassatieberoepen), zoals van toepassing vóór 31 december
- Het vermoeden van afstand van geding is van toepassing. VII-42.820-4/5 BESLISSING
- De Raad van State spreekt de afstand van geding uit.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 26 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijf februari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Francis Van Nuffel, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Francis Van Nuffel VII-42.820-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.659 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div