← België

Arrest 265660 - Overheidsopdrachten - 05/02/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.660 Rolnummer: A. 246965/XIV-40025 Zaak: Arrest 265660 - Overheidsopdrachten - 05/02/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-02-06 Raadplegingen: 171 - laatst gezien 2026-06-18 06:28 Fiche Arrest nr 265.660 van 5 februari 2026 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.660 no lien 287527 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 265.660 van 5 februari 2026 in de zaak A. 246.965/XIV-40.025 In zake: de BV V-TAX LYBAERT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Arne Vandaele kantoor houdend te 1540 Pajottegem (Herne) Kwatemstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door

  1. de Vlaamse regering
  2. het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Kathleen De hornois, Wim Naudts en Jasper Stuer kantoor houdend te 1930 Zaventem Luchthaven Brussel Nationaal 1J bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  3. De vordering, ingesteld op 8 januari 2026, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “- De gunningsbeslissing d.d. 23 december 2025 […] waarbij de offerte van verzoekende partij substantieel onregelmatig wordt verklaard en de opdracht met als voorwerp ‘Personenvervoer ten behoeve van de DAB Loodswezen (bestek nr. DABL/24/01)’ gegund wordt aan [een derde] voor wat betreft ‘Perceel 2: regio Gentse haven’ […] - De gunningsbeslissing d.d. 23 december 2025 […] waarbij de offerte van verzoekende partij substantieel onregelmatig wordt verklaard en de opdracht met als voorwerp ‘Personenvervoer ten behoeve van de DAB Loodswezen (bestek nr. DABL/24/01)’ gegund wordt aan [een derde] voor wat betreft ‘Perceel 3: kustregio’ […]”. XIV-40.025-1/25 II. Verloop van de rechtspleging
  4. Bij beschikking van 12 januari 2026 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 januari 2026 om 11.00 uur. Staatsraad Inge Vos heeft verslag uitgebracht. Advocaat Arne Vandaele, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaten Wim Naudts en Jasper Stuer, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust schrijft een overheidsopdracht voor diensten uit met als voorwerp het ‘Personenvervoer ten behoeve van de DAB Loodswezen’. De opdracht omvat het vervoer van personeelsleden van DAB Loodswezen in de havengebieden van Antwerpen, Gent, de Vlaamse Kusthavens (Zeebrugge, Oostende, Nieuwpoort), alsook in Vlissingen, Terneuzen en Breskens (Nederland). XIV-40.025-2/25 De opdracht is verdeeld in 4 percelen: Perceel 1: Personenvervoer ten behoeve van de DAB Loodswezen voor de regio Antwerpse Haven + pendel naar Vlissingen (Nederland); Perceel 2: Personenvervoer ten behoeve van de DAB Loodswezen voor de regio Gentse Haven; Perceel 3: Personenvervoer ten behoeve van de DAB Loodswezen voor de kustregio; Perceel 4: Personenvervoer ten behoeve van de DAB Loodswezen voor Vlissingen (Nederland). Voor de voorliggende vordering zijn enkel de percelen 2 en 3 relevant. De opdracht wordt nationaal en Europees bekendgemaakt. De gekozen plaatsingsprocedure is de mededingingsprocedure met onderhandeling in de zin van artikel 38 van de wet van 18 april 2017 ‘inzake overheidsopdrachten (hierna: wet van 18 april 2017). 3.
  7. Het bestek dat op de opdracht van toepassing is, bepaalt dat het een opdracht met gemengde prijsvaststelling betreft. De inventaris gevoegd bij het bestek voor perceel 2 van de opdracht ziet er uit als volgt: “ ” XIV-40.025-3/25 Voor perceel 3 voorziet het bestek in een gelijkluidende inventaris, met dit verschil dat deze inventaris als vermoedelijke hoeveelheid (VH) 1.980.000 km vermeldt. Met betrekking tot de gunningscriteria bepaalt het bestek: “2.4 GUNNINGSCRITERA De aanbestedende overheid zal voor elk perceel de economisch meest voordelige offerte vaststellen rekening houdende met de beste prijs- kwaliteitsverhouding die als volgt wordt ingevuld: De gunningscriteria zijn, samen met het hen toegekende gewicht: Gunningscriterium 1: Het inschrijvingsbedrag (60 punten) De inschrijver neemt in zijn offerte op: een optelsom van de eenheidsprijzen (dit alles excl. btw) uit de inventaris (zie Bijlage 5.11). De inschrijver die de laagste prijs biedt, krijgt het maximum van de punten. Wat de overige offertes betreft, worden de offertes gescoord op basis van de regel van drie: score van de offerte = (prijs laagste offerte/prijs offerte) x gewicht van het prijscriterium De vermoedelijke hoeveelheden die door de aanbestedende overheid worden opgegeven, worden enkel gebruikt om de inschrijvers te kunnen rangschikken en zijn geen effectief uit te voeren hoeveelheden. Gunningscriterium 2: Kwaliteit (40 punten) De inschrijver beschrijft de aanpak die hij voorstelt in het kader van de uitvoering van deze opdracht onder deze overeenkomst. Hiervoor dient de inschrijver nadrukkelijk de voorschriften te volgen zoals vermeld in Bijlage 5.7 ‘lnvulling gunningscriterium ‘Kwaliteit’”. Bij het bestek is een bijlage 5.
  8. gevoegd ‘Invulling gunningscriterium kwaliteit’. Deze voorziet in de beoordeling aan de hand van een plan van aanpak en vermeldt daartoe de volgende “beoordelingselementen”: “
  9. De voorgestelde uitvoeringswijze van de opdracht (algemene omschrijving) – 10 punten
  10. Samenwerking met de aanbestedende overheid – 5 punten 3.Vrijwaring continuïteit van de (openbare) dienst – 10 punten
  11. Wagenpark – 15 punten”. Met betrekking tot het verloop van de onderhandelingen bepaalt het bestek onder punt 2.7 het volgende: XIV-40.025-4/25 “De aanbestedende overheid [houdt] zich het recht voor om de opdracht te gunnen zonder te onderhandelen, dan wel meerdere onderhandelingsrondes te voeren. Indien een offerte een substantiële onregelmatigheid bevat, laat de aanbestedende overheid deze substantiële onregelmatigheid regulariseren alvorens de onderhandelingen aangevat worden. Een laattijdig ingediende offerte of een offerte die geen eerste inhoudelijke beoordeling mogelijk maakt, kan niet worden geregulariseerd. De inschrijvers waarmee niet langer onderhandeld kunnen na toepassing van de gunningscriteria, in de ‘wachtkamer’ worden geplaatst. Dit houdt in dat deze inschrijvers niet definitief afvallen, maar dat de aanbestedende overheid de mogelijkheid heeft om één of meerdere inschrijvers uit de wachtkamer te halen om deze opnieuw in de onderhandelingen te betrekken. Wanneer de aanbestedende overheid de onderhandelingen wenst af te sluiten, stelt zij eventuele resterende inschrijvers daarover in kennis. Met resterende inschrijver wordt bedoeld de inschrijvers waarmee de aanbestedende overheid op dat ogenblik nog onderhandelingen voert. Deze resterende inschrijvers worden uitgenodigd om een definitieve offerte in te dienen. De aanbestedende overheid kan tijdens de loop van de onderhandelingen aangeven hoe de aangepaste offertes moeten worden ingediend. De indiening van de definitieve offertes zal steeds via e-Procurement verlopen […] Over de definitieve offerte kan niet meer worden onderhandeld. Indien een definitieve offerte substantieel onregelmatig is, is regularisatie hiervan niet mogelijk.” 3.
  12. Na indiening van de aanvragen tot deelneming en selectie van de kandidaten, dienen vijf inschrijvers een offerte in voor perceel 2, en drie inschrijvers voor perceel 3, onder wie telkens de verzoekende partij en de bv M. 3.
  13. Met een e-mailbericht van 9 juli 2025 wordt op grond van artikel 35 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’ (hierna: koninklijk besluit van 18 april 2017) aan verschillende inschrijvers, onder wie de bv M. en de verzoekende partij, een bijkomende verduidelijking gevraagd omtrent hun prijsopgave, meer bepaald met betrekking tot de opbouw van de prijzen, zowel op het niveau van de totale prijs als op het niveau van de individuele kostenposten zoals opgenomen in de inventaris. In antwoord hierop geeft de verzoekende partij met een e- mailbericht van 15 juli 2025 een prijstoelichting. XIV-40.025-5/25 3.
  14. Op 24 en 25 juli 2025 vinden er onderhandelingen plaats met onder meer de verzoekende partij en met de bv M. 3.
  15. Op 30 juli 2025 worden alle inschrijvers uitgenodigd om een definitieve offerte in te dienen tegen 7 augustus
  16. De verzoekende partij en de bv M. dienen een definitieve offerte in voor de percelen 2 en
  17. 3.
  18. Op 11 augustus 2025 vraagt de verwerende partij aan de afdeling Algemene Technische Ondersteuning (hierna: ATO) om een prijstechnisch nazicht van de ingediende offertes. 3.
  19. Op 29 augustus 2025 wordt onder meer aan de verzoekende partij met betrekking tot haar definitieve offerte een vraag tot prijstoelichting gesteld op grond van artikel 35 van het koninklijk besluit van 18 april
  20. Wat de verzoekende partij betreft luidt deze vraag als volgt: “In uw prijstoelichting bij percelen 2 en 3 worden uurlonen gehanteerd waarvan de dienst prijsadvies van MOW vermoedt dat ze abnormaal laag zijn. Kan u aantonen dat u met de correcte loonschalen uit het juiste Paritair Comité (van toepassing op deze opdracht) heeft rekening gehouden en een detailberekening hiervan aanleveren? Gelieve deze bijkomende informatie aan te leveren tegen uiterlijk dinsdag 2 september 10u00 als antwoord op deze mail.” In antwoord hierop geeft de verzoekende partij met een e- mailbericht van 1 september 2025 een prijstoelichting. 3.
  21. Op 15 september 2025 wordt aan de verzoekende partij meegedeeld dat een algemeen onderzoek van offertebedragen, alsook eenheids- en totaalprijzen heeft aangetoond dat er voor de ingediende offerte aanzienlijke prijsverschillen zijn met de overige inschrijvers en dat bij het onderzoek het vermoeden is ontstaan van mogelijks abnormale prijzen. De verzoekende partij wordt gevraagd om, op grond van artikel 36 van het koninklijk besluit van 18 april 2017, een prijsverantwoording te verstrekken voor zowel de prijs per km als het vaste maandbedrag voor de percelen 2 en
  22. XIV-40.025-6/25 In antwoord hierop verstrekt de verzoekende partij op 21 september 2025 een prijsverantwoording. 3.
  23. Op 29 september 2025 bezorgt ATO een prijstechnisch nazicht met betrekking tot de definitieve offertes aan de verwerende partij. 3.
  24. Op 5 november 2025 wordt een gunningsverslag opgesteld met betrekking tot de gunning van perceel
  25. Op 1 december 2025 wordt een gunningsverslag opgemaakt met betrekking tot de gunning van perceel
  26. In beide gunningsverslagen wordt de definitieve offerte van de verzoekende partij substantieel onregelmatig bevonden. Na toetsing van de definitieve offerte van de overige inschrijvers aan de gunningscriteria, wordt voor beide percelen voorgesteld om de opdracht te gunnen aan de bv M. 3.
  27. Op 23 december 2025 beslist de verwerende partij om overeenkomstig het gunningsverslag perceel 2 van de opdracht te gunnen aan de bv M. Dit is de eerste bestreden beslissing. Met een afzonderlijke beslissing van diezelfde datum, wordt beslist om, in overeenstemming met het gunningsverslag, perceel 3 van de opdracht te gunnen aan de bv M. Dit is de tweede bestreden beslissing. 3.
  28. Met een afzonderlijk aangetekend schrijven en e-mailbericht van 24 december 2025 wordt aan de verzoekende partij, zowel wat perceel 2 als perceel 3 van de opdracht betreft, meegedeeld dat haar offerte onregelmatig is bevonden en werd geweerd. XIV-40.025-7/25 IV. Verzoek tot vertrouwelijke behandeling van bepaalde stukken
  29. De partijen vragen om de vertrouwelijke behandeling van bepaalde door hen neergelegde stukken die zij in de inventaris als vertrouwelijk aanduiden en waarbij zij de redenen opgeven waarom zij om die vertrouwelijke behandeling vragen. Er zijn geen gronden aangevoerd door de partijen om het aangevoerde vertrouwelijk karakter ervan, althans in deze fase van het geding, te lichten. De Raad van State mag overigens deze stukken in zijn beoordeling betrekken. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  30. Krachtens artikel 17, §§ 1, 5 en 6, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ (hierna: wet van 17 juni 2013), moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. VI. Onderzoek van de middelen Vooraf
  31. Artikel 2, § 1, tweede tot vierde lid, van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: algemene procedureregeling) is op grond van artikel 8, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de XIV-40.025-8/25 Raad van State’ (hierna: koninklijk besluit van 19 november 2024) – dat immers verwijst naar artikel 4, § 1, tweede lid, van dat besluit – eveneens van toepassing op een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. De vordering moet bijgevolg een samenvatting van het middel bevatten als voor het middel een verdere uiteenzetting nodig is. Luidens voornoemd artikel 2, § 1, derde lid, van de algemene procedureregeling kan de ontstentenis van de samenvatting van de grief niet leiden tot de niet- ontvankelijkheid van het middel, maar luidens het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 21 juli 2023 dat deze verplichting invoerde, heeft “die ontstentenis […] als enig mogelijk gevolg voor de verzoeker dat de draagwijdte van zijn grief niet correct samengevat en dus begrepen wordt in het verslag van de auditeur en in het arrest” (BS 26 juli 2023, 62630). Te dezen bevat het verzoekschrift weliswaar een uiteenzetting van het eerste en tweede middel, maar geen samenvatting van de grieven in de zin van de voornoemde bepalingen, terwijl de verzoekende partij wel aan de hand van omstandige toelichtingen concreter ingaat op de argumenten die volgens haar het middel ondersteunen. Uit wat voorafgaat volgt dat, zeker in een kortgedingprocedure ingeleid bij uiterst dringende noodzakelijkheid waarin ook het recht van verdediging van de overige partijen is beperkt, de verzoekende partij moet verdragen dat de Raad van State de grieven samenvat en begrijpt zoals hierna wordt gedaan. A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  32. De verzoekende partij voert in het eerste middel de schending aan van artikel 4 van de wet van 17 juni 2016, de artikelen 1 en 2 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991), de artikelen 35, 36 en 76 van het koninklijk besluit van 18 april 2017, en de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.660 XIV-40.025-9/25 materielemotiveringsplicht, de formelemotiveringsplicht, het zorgvuldigheids- beginsel en het redelijkheidsbeginsel, “Doordat, verwerende partij in het gunningsverslag betreffende perceel 2 en 3 vaststelt dat verzoekende partij de prijzen in haar BAFO zou hebben gewijzigd middels de overgemaakte prijsverantwoording; En doordat, verwerende partij wegens die vaststelling de offerte van verzoekende partij nietig heeft verklaard wegens een substantiële onregelmatigheid; Terwijl, verzoekende partij haar offerteprijzen niet heeft gewijzigd zoals ook expliciet aangegeven in haar prijsverantwoording; Zodat de offerte van verzoekende partij niet mocht worden geweerd wegens een substantiële onregelmatigheid;” In dit middel betoogt de verzoekende partij in essentie dat de gemotiveerde gunningsbeslissingen feitelijke en/of juridische grondslag missen. In de toelichting bij haar middel zet de verzoekende partij uiteen dat er sprake is van een schending van de bepalingen inzake het regelmatigheidsonderzoek nu uit de feiten blijkt dat de verwerende partij in het kader van het prijs- en kostenonderzoek van de BAFO zowel een bijkomende prijstoelichting (op grond van artikel 35 van het koninklijk besluit van 18 april 2017) als een verzoek tot prijsverantwoording (op grond van artikel 36 van het koninklijk besluit van 18 april 2017) heeft gevraagd. In de bijkomende prijstoelichting van 1 september 2025 heeft de verzoekende partij verduidelijkt dat een onderdeel van de interne kostenberekening in de prijstoelichting van 15 juli 2025, die verstrekt werd bij de initiële offerte, per vergissing werd opgemaakt met gebruik van een (beperkt) verouderde loonschaal (2024 in plaats van 2025). Zij stelt dat zij daarbij wel uitdrukkelijk en ondubbelzinnig benadrukt heeft dat de in de BAFO opgenomen prijzen ongewijzigd blijven en dat de BAFO integraal uitvoerbaar is. Zij heeft daarbij ook een geactualiseerde detailberekening bezorgd van de personeelskosten, op basis waarvan duidelijk zou blijken dat de offerteprijzen niet abnormaal zijn. Zij betoogt dat er, rekening houdend met de geactualiseerde personeelskosten, nog steeds een gangbare winstmarge kan gerealiseerd worden (slechts een vermindering van 0,18% ten opzichte van de initiële berekening) zonder dat de aangeboden diensten zelf of de kwaliteit van de aangeboden diensten op enige wijze wordt beïnvloed. Zij kon dit ook doen omdat XIV-40.025-10/25 zij voor wat betreft de loonkosten bij de berekening van haar prijs een ruime marge had voorzien door een niet-verplichte en onnodige zaterdagtoeslag op te nemen in haar berekeningen, met name een uurtarief van 150%. Door dit uurtarief te herleiden naar de standaard 100% zou zij de geactualiseerde loonkost dus helemaal hebben kunnen opvangen. De verzoekende partij betoogt voorts dat de verwerende partij, door op 15 september 2025 de verzoekende partij te verzoeken om een verantwoording van haar BAFO-prijzen, de BAFO voor het overige noodzakelijkerwijze voorlopig regelmatig heeft bevonden. Het verdere onderzoek zou zich volgens de verzoekende partij dan ook beperkt hebben tot de eventuele vaststelling van abnormaal lage prijzen. Dat de verwerende partij nadien besliste om de offerte onregelmatig te verklaren op basis van informatie die reeds werd verstrekt vóór het verzoek om prijsverantwoording, zou haaks staan op de bestekbepaling waarin wordt bepaald dat de aanbestedende overheid een substantiële onregelmatigheid laat regulariseren alvorens de onderhandelingen aan te vatten. De verzoekende partij wijst er op dat zij in haar prijsverantwoording heeft bevestigd dat de prijzen uit de BAFO ongewijzigd bleven en dat de BAFO uitvoerbaar was rekening houdend met de geldende arbeidsrechtelijke regelgeving. De prijsverantwoording bouwt voort op de reeds bezorgde toelichting van 1 september 2025 waarin reeds rekening werd gehouden met de loonschalen uit het PC 140.02a van
  33. Zij betoogt dat de beslissing van de verwerende partij in ieder geval onwettig is in zoverre daarin geoordeeld wordt dat de verzoekende partij haar prijzen zou hebben aangepast, aangezien geen handeling of verklaring van de verzoekende partij voorziet in een aanpassing van de BAFO-prijzen en de regelgeving inzake overheidsopdrachten dergelijke prijsaanpassing in de finale offerte niet toestaat. Zij betoogt dat zij op gedetailleerde wijze heeft uiteengezet dat de actualisatie van de loonkost in de prijstoelichting en prijsverantwoording geen invloed heeft op de BAFO juist omdat ze weet dat een finale offerte niet kan worden aangepast. XIV-40.025-11/25 Voorts blijkt volgens de verzoekende partij uit de feiten en de inhoud van de bestreden beslissingen dat deze ontoereikend en gebrekkig gemotiveerd zijn. De verwerende partij heeft volgens haar niet gehandeld zoals mag worden verwacht van een zorgvuldig en redelijk handelende aanbesteder. Zij heeft aldus het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het beginsel van de materiële motivering geschonden. Zij doet gelden dat de verwerende partij in haar motivering volledig voorbij gaat aan haar expliciete verklaringen en ten onrechte uit de prijsverantwoording afleidt dat de verzoekende partij haar BAFO zou hebben gewijzigd. Tegen de uitdrukkelijke verklaring van de verzoekende partij in stelt de verwerende partij in de bestreden beslissingen dat de verzoekende partij haar prijzen in de BAFO heeft aangepast. Aldus zouden de bestreden beslissingen gesteund zijn op een verkeerde feitelijke grondslag. Bovendien is de motivering volgens de verzoekende partij intern tegenstrijdig doordat zij enerzijds terecht stelt dat een offerte in dit stadium van de procedure niet meer kan worden aangepast, doch anderzijds de verzoekende partij precies datgene verwijt wat zij uitdrukkelijk níét heeft gedaan, namelijk het aanpassen van haar BAFO-prijzen. Voorts verwijt zij de verwerende partij haar prijsverantwoording niet zorgvuldig te hebben onderzocht. Beoordeling
  34. Overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de wet van 17 juni 2016 dienen de aanbesteders de ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze te behandelen. Artikel 35 van het koninklijk besluit van 18 juni 2017 verplicht een aanbestedende overheid om de ingediende offertes te onderwerpen aan een prijs- of kostenonderzoek. Indien uit dit onderzoek blijkt dat er prijzen of kosten worden aangeboden die abnormaal laag of hoog lijken, volgt uit artikel 36, § 1, van dit besluit dat de aanbestedende overheid een bevraging ervan uitvoert. Luidens artikel ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.660 XIV-40.025-12/25 36, § 2, eerste lid, van dit besluit verzoekt de aanbestedende overheid bij de prijzen- of kostenbevraging de inschrijver om de nodige schriftelijke verantwoording over de samenstelling van de abnormaal geachte prijs of kost te verstrekken binnen een termijn van twaalf dagen, tenzij de uitnodiging een langere termijn bepaalt. Artikel 36, § 2, vierde lid, van voormeld besluit bepaalt voorts dat in het kader van de in het eerste lid bedoelde prijzen- of kostenbevraging de aanbestedende overheid de inschrijver verzoekt om de schriftelijke verantwoordingen over te maken inzake de eerbiediging van de verplichtingen bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet, die van toepassing zijn in de domeinen van het sociaal, arbeids- en milieurecht, met inbegrip van de verplichtingen die van toepassing zijn op het vlak van welzijn, lonen en sociale zekerheid. Artikel 76, § 1, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 luidt: “De aanbestedende overheid gaat na of de offertes regelmatig zijn. De offerte kan substantieel of niet substantieel onregelmatig zijn. Een offerte is substantieel onregelmatig wanneer ze van aard is de inschrijver een discriminerend voordeel te bieden, tot concurrentievervalsing te leiden, de beoordeling van de offerte van de inschrijver of de vergelijking ervan met de andere offertes te verhinderen, of de verbintenis van de inschrijver om de opdracht onder de gestelde voorwaarden uit te voeren onbestaande, onvolledig of onzeker te maken. […]” Overeenkomstig artikel 76, §§ 3 en 4, van hetzelfde besluit verklaart de aanbestedende overheid, wanneer wordt gebruikgemaakt van een procedure waarin onderhandelingen toegestaan zijn, zoals te dezen, en het een finale offerte betreft, de substantieel onregelmatige offerte nietig. Het staat in de eerste plaats aan de aanbestedende overheid om te beoordelen of met toepassing van voormeld artikel 76, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 een offerte met een substantiële onregelmatigheid is behept. Het komt aan de Raad van State enkel toe om desgevraagd na te gaan of de aanbestedende overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. XIV-40.025-13/25
  35. Te dezen moesten de inschrijvers overeenkomstig het bestek een forfaitaire prijs per kilometer en een forfaitair vast maandbedrag opgeven in de inventaris. Ter ondersteuning van het vast maandbedrag moesten zij ook de kostenraming daarvan weergeven die minstens vijf posten bevat. Een van deze posten omvat de personeelskosten van de chauffeurs. De verwerende partij heeft in het kader van een algemeen prijs- of kostenonderzoek als bedoeld in artikel 35 van het koninklijk besluit van 18 april 2017, op 29 augustus 2025 aan de verzoekende partij gevraagd om een prijstoelichting te verstrekken bij de definitieve offerte. Daarbij wordt uitdrukkelijk vermeld dat ATO vermoedt dat de gehanteerde uurlonen abnormaal laag zijn en gevraagd om aan te tonen dat de verzoekende partij met de correcte loonschalen uit het juiste Paritair Comité rekening heeft gehouden. Na de beoordeling van de door de verzoekende partij verstrekte prijstoelichting van 1 september 2025 heeft de verwerende partij vervolgens op 15 september 2025 de verzoekende partij nog om een prijsverantwoording gevraagd als bedoeld in artikel 36 van het koninklijk besluit van 18 april 2017, waarbij zij erop wijst dat een algemeen onderzoek van offertebedragen, alsook eenheids- en totaalprijzen heeft aangetoond dat er aanzienlijke prijsverschillen zijn met de overige inschrijvers, zodat het vermoeden is ontstaan van mogelijks abnormale prijzen en gevraagd wordt om een bijkomende prijsverantwoording over te maken, zowel voor de prijs per km als het vaste maandbedrag voor perceel 2 en
  36. In antwoord hierop heeft de verzoekende partij op 21 september 2025 een prijsverantwoording verstrekt. Daarbij blijkt op het eerste gezicht niet dat de verwerende partij, die zich hiertoe heeft laten bijstaan door ATO, een onzorgvuldig prijsonderzoek zou hebben gevoerd.
  37. Uit de gunningsverslagen waar de bestreden beslissingen op steunen, blijkt dat de offerte van de verzoekende partij voor de percelen 2 en 3 van de opdracht substantieel onregelmatig wordt bevonden en geweerd op grond van de volgende motivering: XIV-40.025-14/25 “C.1.
  38. Formele vereisten […] C.1.
  39. Materiële vereisten […] C.1.2.
  40. Prijs- of kostenonderzoek (art. 35 KB Plaatsing) De aanbestedende overheid onderwerpt de ingediende definitieve offertes aan een prijs- of kostenonderzoek conform art. 35 KB Plaatsing. In het kader van het prijs- of kostenonderzoek heeft de aanbestedende overheid advies ingewonnen bij de afdeling Algemene Technische Ondersteuning (ATO) binnen het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken. Dit advies heeft bijgedragen aan de beoordeling van de ingediende prijzen en de onderbouwing van eventuele abnormaal hoge of lage prijzen conform artikel 35 en 36 KB Plaatsing. De aanbestedende overheid onderwerpt de ingediende definitieve offertes aan een prijs-of kostenonderzoek conform art. 35 KB Plaatsing. Uit het prijs- of kostenonderzoek blijkt dat er door [de andere inschrijvers dan de verzoekende partij] geen prijzen of kosten worden aangeboden die abnormaal hoog of laak lijken. Bijgevolg werden deze inschrijvers niet onderworpen aan een verdere prijs- of kostenbevraging. Uit het prijs- of kostenonderzoek blijkt dat er door [de verzoekende partij] prijzen of kosten worden aangeboden die abnormaal hoog of laag lijken. Bijgevolg werd deze inschrijver verder onderworpen aan een verdere prijs- of kostenbevraging conform art. 36 KB Plaatsing (zie infra). C.1.2.4 Prijs of kostenbevraging De aanbestedende overheid onderzoekt de bij het prijs- of kostenonderzoek vastgestelde abnormaal lijkende prijzen door een bevraging van de betrokken inschrijver(s) volgens de regels van art. 36 KB Plaatsing. - [verzoekende partij] Uit het prijs-of kostenonderzoek overeenkomstig artikel 35 KB Plaatsing blijkt dat er prijs of kosten worden aangeboden die abnormaal leken, en waarvan de herkomst niet geheel duidelijk was. Om deze reden werd [verzoekende partij] onderworpen aan een prijsonderzoek conform Artikel 36 §2 KB Plaatsing voor de posten 1 en
  41. In [haar] antwoorden haalde [verzoekende partij] aan dat zij bij de berekening van de loonkost verkeerdelijk was uitgegaan van gegevens van het ‘Sociaal Fonds Taxi & VVB’ van 2024, in plaats van de CAO van 6.02.2025 van het PC 140.02a ‘Rijdend Personeel – Taxichauffeurs’, met inwerkingtreding op 01.02.
  42. In het kader hiervan paste [verzoekende partij] haar prijzen uit de BAFO aan, en ging zij nu uit van de correcte minimumlonen en toeslagen overeenkomstig de geldende CAO. Aan de hand van de nieuwe berekening stijgt de jaarlijkse kost voor de chauffeurs naar […] EUR, een stijging van […] EUR. Om dit resultaat te bekomen werd vastgesteld dat de inschrijver geen rekening meer houdt met een toeslag van 50% voor zaterdagwerk zoals initieel was gecalculeerd. Het gaat om een bedrag van […] EUR dat alzo niet meer is ingecalculeerd. De inschrijver stelde dat dit geen wettelijke verplichting is voor deze dienstverlening, en deze aanpassing grotendeels de verhoging van het basisuurloon compenseert. XIV-40.025-15/25 Bovenstaande aanpassingen zijn niet toegestaan. Een offerte kan in dit stadium van de procedure niet meer worden gewijzigd. Om die reden wordt [de verzoekende partij] op prijstechnisch vlak als onregelmatig beschouwd.”
  43. In zoverre de verzoekende partij betoogt dat een vraag tot prijsverantwoording noodzakelijkerwijze zou inhouden dat een aanbesteder de betrokken offerte voorlopig regelmatig acht en dat het verdere onderzoek zich zou beperken tot een eventuele vaststelling van abnormaal lage prijzen, kan zij niet worden bijgevallen. Het prijsonderzoek vormt slechts één onderdeel van het regelmatigheidsonderzoek waarvoor op het eerste gezicht geen wettelijk opgelegde volgorde lijkt te zijn bepaald. Op het eerste gezicht valt ook niet uit te sluiten dat, zoals te dezen ook het geval lijkt te zijn, bepaalde inhoudelijke onregelmatigheden van een offerte naar boven komen in het kader van het prijsonderzoek.
  44. Anders dan de verzoekende partij het ziet, lijkt de substantieel onregelmatigverklaring van de definitieve offerte van de verzoekende partij voor de percelen 2 en 3 van de opdracht ook niet haaks te staan op hetgeen onder punt 2.7 van het bestek wordt bepaald inzake het verloop van de onderhandelingen. Hoewel daarin wordt bepaald dat indien een offerte een substantiële onregelmatigheid bevat, de aanbestedende overheid deze substantiële onregelmatigheid laat regulariseren alvorens de onderhandelingen aangevat worden, wordt evenzeer gesteld dat over de definitieve offerte niet meer kan worden onderhandeld en dat indien een definitieve offerte substantieel onregelmatig is, regularisatie hiervan niet mogelijk is. Te dezen heeft de vastgestelde substantiële onregelmatigheid betrekking op de definitieve offerte van de verzoekende partij.
  45. Uit de gunningsverslagen waar de bestreden gunningsbeslissingen op steunen, blijkt voorts dat de verwerende partij, in navolging van het deskundig advies van de cel Juridische Ondersteuning Overheidsopdrachten van ATO waardoor zij zich heeft laten bijstaan en dat zij vertrouwelijk bij het administratief dossier heeft gevoegd, de definitieve offerte van de verzoekende partij voor de percelen 2 en 3 substantieel onregelmatig heeft bevonden omdat er volgens de verwerende partij sprake is van aanpassingen in de XIV-40.025-16/25 definitieve offerte, terwijl een offerte in dit stadium van de procedure niet meer kan worden gewijzigd. In haar prijstoelichting van 1 september 2025 en haar prijsverantwoording van 21 september 2025 zet de verzoekende partij uiteen dat zij “in haar oorspronkelijke kostprijsberekening” die zij gehanteerd heeft voor het bepalen van de loonkost van de chauffeurs in haar offerte rekening had gehouden met het uurloon overeengekomen in het Paritair Comité PC 140.2a Rijdend personeel – Taxichauffeurs en dat de berekening was gebaseerd op gegevens van het Sociaal Fonds Taxi & VVB uit
  46. Zij stelt dat het uurloon echter geactualiseerd moet worden volgens het vastgestelde uurloon in de meest recente CAO van 06.02.
  47. Zij maakt een herberekening van de loonkost van de chauffeurs aan de hand van dit meer recente minimumloon, waarbij ze “de zaterdagtoeslag van 150%” die ze oorspronkelijk had voorzien, laat vallen. Zij geeft hierbij aan dat dit geen wettelijke verplichting is voor deze dienstverlening en dat dit “grotendeels” de verhoging van het basisuurloon compenseert. Er blijft een verschil tussen de in haar prijstoelichting en – verantwoording herberekende loonkost en de oorspronkelijke loonkost waarmee ze bij het opstellen van haar initiële offerte en haar BAFO voor de beide percelen zou hebben rekening gehouden maar zij meent dat dit verschil verwaarloosbaar is zodat zij de ingediende prijzen van de BAFO volledig aanhoudt. Zij stelt dat deze geenszins abnormaal laag zouden zijn en dat de BAFO-prijzen realistisch en uitvoerbaar blijven. Hoewel daarmee de ingediende prijzen van de BAFO, zoals deze blijken uit de inventaris, formeel niet lijken te worden gewijzigd, gaat de verwerende partij op het eerste gezicht de grenzen van een zorgvuldige beoordeling niet te buiten door te oordelen dat de voormelde aanpassingen zoals deze blijken uit de prijstoelichting- en verantwoording van de verzoekende partij neerkomen op een niet toelaatbare wijziging van de definitieve offerte. Aangenomen lijkt te kunnen worden dat de prijscomponenten die de verzoekende partij uiteenzet in de prijstoelichting bij de eerste offerte evenzeer deel uitmaken van de initiële offerte nu zij aangeeft dat zij op basis daarvan de personeelskosten van de chauffeurs heeft geraamd. Zo ook stelt de verzoekende partij in haar prijstoelichting en prijsverantwoording met betrekking tot de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.660 XIV-40.025-17/25 definitieve offerte op het eerste gezicht niet dat zij zich heeft vergist in haar eerdere prijstoelichting met betrekking tot de initiële offerte, maar wel dat ze in haar offerte zelf is uitgegaan van een verkeerde loonschaal. Bovendien blijkt op het eerste gezicht dat er in de prijstoelichting en prijsverantwoording met betrekking tot de definitieve offerte niet louter sprake is van een beperkte herberekening met geactualiseerde loonschalen om aan te tonen dat de in de BAFO ingediende prijzen aangehouden kunnen blijven. Daarnaast is er ook duidelijk sprake van een “aanpassing” van de zaterdagtoeslag zoals deze oorspronkelijk in de definitieve offerte was voorzien en waarmee nu beoogd wordt om de verhoging van het basisuurloon “grotendeels” te compenseren. Dat de zaterdagtoeslag geen wettelijke verplichting is voor de in het kader van de opdracht gevraagde dienstverlening, neemt niet weg dat aldus een verloning die in de initiële offerte en de definitieve offerte was voorzien, uit de offerte lijkt te worden gehaald om de rekening alsnog grotendeels te doen kloppen. De argumentatie van de verzoekende partij dat de prijsimpact van de actualisering van de loonschalen op zich verwaarloosbaar is en dat de ingediende BAFO-prijzen op die manier volledig aangehouden worden, doet daar op het eerste gezicht niet aan af.
  48. De verzoekende partij beweert ook niet dat er sprake is van een rekenfout of een zuiver materiële fout in de zin van artikel 34, § 2, van het koninklijk besluit van 18 april
  49. Evenmin lijkt zij aannemelijk te maken dat de voormelde aanpassingen als een loutere verduidelijking van haar definitieve offerte kunnen worden aangemerkt. Punt 2.7 van het bestek, waar de verzoekende partij zelf naar verwijst, bepaalt ook uitdrukkelijk dat over de definitieve offerte niet meer kan worden onderhandeld. Op het eerste gezicht kon de verwerende partij in het licht van al het voorgaande ook oordelen dat de betrokken wijziging van de offerte een onregelmatigheid betreft die van aard is de inschrijver een discriminerend voordeel te bieden, hetgeen overeenkomstig voormeld artikel 76, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 leidt tot substantiële onregelmatigheid van de offerte. XIV-40.025-18/25
  50. In zoverre de verzoekende partij in het eerste middel nog betoogt dat de motivering in de bestreden beslissingen feitelijke grondslag mist waar gesteld wordt dat zij in het kader van haar antwoorden haar prijzen uit de BAFO heeft aangepast, aangezien zij in haar prijstoelichting- en prijsverantwoording ondubbelzinnig benadrukt heeft dat de in de BAFO opgenomen prijzen ongewijzigd blijven, lijkt haar kritiek betrekking te hebben op een overtollig motief. Kritiek op een overtollig motief, zelfs al zou ze ernstig worden bevonden, kan niet tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen leiden. De verzoekende partij heeft bijgevolg geen belang bij deze kritiek, die niet ontvankelijk lijkt.
  51. De verzoekende partij maakt, gelet op het voorgaande, op het eerste gezicht niet aannemelijk dat de aanbestedende overheid, door te besluiten om de definitieve offerte van de verzoekende partij voor de percelen 2 en 3 van de opdracht substantieel onregelmatig te verklaren en te weren, zij de aangevoerde regelgeving en beginselen zou hebben geschonden. Het eerste middel is niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  52. De verzoekende partij voert in het tweede middel de schending aan van artikel 81 van de wet van 17 juni 2016, de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel, “Doordat, verwerende partij de percelen 2 en 3 van de opdracht met als titel ‘Personenvervoer ten behoeve van de DAB Loodswezen’ aan [een derde] heeft gegund; En doordat, verwerende partij de offerte van verzoekende partij ten onrechte nietig heeft verklaard wegens een substantiële onregelmatigheid; En doordat verwerende partij in de voorlopige offerte beslist, na toetsing van de offertes aan het beoordelingselement ‘Wagenpark’, om geen voorlopige evaluatie op te maken en alle inschrijvers uit te nodigen tot de onderhandelingen, XIV-40.025-19/25 Terwijl, verwerende partij de offerte van verzoekende partij als regelmatige en economisch meest voordelige offerte had moeten beoordelen voor de genoemde twee percelen; En terwijl bij het aanvatten van de onderhandelingen een voorafgaande voorlopige beoordeling moet zijn geweest, En terwijl, indien de offerte een substantiële onregelmatigheid bevat, verwerende partij overheid de mogelijkheid moet geven om deze substantiële onregelmatigheid te regulariseren alvorens de onderhandelingen aangevat worden, quod non, Zodat, de percelen 2 en 3 van de opdracht met als titel ‘Personenvervoer ten behoeve van de DAB Loodswezen’ aan verzoekende partij hadden moeten worden gegund, en de bestreden bepalingen en beginselen zijn geschonden.” In de toelichting bij het middel zet de verzoekende partij, in wat als een eerste onderdeel van het middel kan worden beschouwd, uiteen dat aangezien haar offerte niet behept is met een substantiële onregelmatigheid die moet leiden tot het weren van de offerte, zij mee in rekening diende te worden genomen bij de beoordeling van de economisch meest voordelige offerte, hetgeen de verwerende partij heeft nagelaten te doen zodat de opdracht niet werd gegund aan de inschrijver met de economisch meest voordelige offerte. In wat als een tweede onderdeel van het middel kan worden beschouwd, betoogt de verzoekende partij dat er sprake is van een schending van de materiëlemotiveringsplicht en het transparantiebeginsel bij de beoordeling van de initiële offerte met betrekking tot het beoordelingselement ‘wagenpark’. In wat als een derde onderdeel van het middel kan worden beschouwd, doet zij nog gelden dat het beginsel patere legem quam ipse fecisti geschonden is omdat, indien de offerte van de verzoekende partij onregelmatig is, de verwerende partij haar eigen bestekbepaling niet heeft nageleefd nu zij de verzoekende partij niet de mogelijkheid heeft gegeven om de vermeende substantiële onregelmatigheid te regulariseren. XIV-40.025-20/25 Beoordeling Eerste onderdeel
  53. Het eerste onderdeel van het tweede middel, waarin een schending van artikel 81, § 1, van de wet van 17 juni 2016 wordt aangevoerd, dat bepaalt dat de aanbestedende overheid de gunning van overheidsopdrachten baseert op de economisch meest voordelige offerte, steunt op het uitgangspunt dat de definitieve offerte van de verzoekende partij voor de percelen 2 en 3 regelmatig is. Zoals uit de beoordeling van het eerste middel is gebleken, blijkt op het eerste gezicht niet dat de definitieve offerte van de verzoekende partij voor de betrokken percelen ten onrechte substantieel onregelmatig is verklaard. Aangezien het eerste onderdeel van het tweede middel berust op een onjuist uitgangspunt, is het niet ernstig. Tweede onderdeel
  54. De verwerende partij werpt in de nota met opmerkingen een exceptie van niet-ontvankelijkheid van het tweede onderdeel van het tweede middel op, genomen uit een gebrek aan belang.
  55. Luidens het te dezen toepasselijke artikel 14 van de wet van 17 juni 2013, waarnaar artikel 15, eerste lid van diezelfde wet verwijst voor vorderingen tot schorsing, moet de verzoekende partij door de beweerde schending zijn of dreigen te worden benadeeld. In het tweede onderdeel van het tweede middel doet de verzoekende partij in essentie gelden dat de verwerende partij niet duidelijk maakt op welke feitelijke en juridische gronden een score werd toegekend voor het beoordelingselement ‘wagenpark’ bij de beoordeling van de initiële offertes. Zij lijkt aldus kritiek te uiten op de vermeende voorlopige niet-beoordeling van het XIV-40.025-21/25 beoordelingselement ‘wagenpark’ in het kader van de beoordeling van de initiële offertes. Alle inschrijvers, en dus ook de verzoekende partij, werden echter uitgenodigd om een definitieve offerte in te dienen, die vervolgens door de verwerende partij werden beoordeeld. Zoals uit de beoordeling van het eerste middel is gebleken, blijkt voorts op het eerste gezicht niet dat de definitieve offerte van de verzoekende partij voor de betrokken percelen ten onrechte substantieel onregelmatig is verklaard. Er blijkt op het eerste gezicht dan ook niet dat de verzoekende partij door de in het tweede onderdeel van het tweede middel aangevoerde schending is of dreigt te worden benadeeld. De beweerde schending lijkt aldus niet tot nietigverklaring aanleiding te kunnen geven bij toepassing van artikel 14 van de wet van 17 juni 2013 en bijgevolg evenmin tot schorsing van de tenuitvoerlegging ervan.
  56. Uit wat voorafgaat, volgt dat de exceptie van de verwerende partij de vereiste ernst vertoont opdat ze in de huidige stand van de zaak kan worden aangenomen.
  57. Het tweede onderdeel van het tweede middel is niet ontvankelijk en derhalve niet ernstig. Derde onderdeel
  58. In wat als een derde onderdeel van het middel kan worden beschouwd, betoogt de verzoekende partij dat het beginsel patere legem quam ipse fecisti geschonden is omdat, indien de offerte van de verzoekende partij onregelmatig is, de verwerende partij haar eigen bestekbepaling niet heeft nageleefd nu zij de verzoekende partij niet de mogelijkheid heeft gegeven om de vermeende substantiële onregelmatigheid te regulariseren. Zij zet uiteen dat de verwerende partij uit de door de verzoekende partij op 15 juli 2025 verstrekte prijstoelichting met betrekking tot haar initiële offerte, en dus voor de start van de onderhandelingen, reeds had kunnen afleiden dat zij abusievelijk de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.660 XIV-40.025-22/25 minimumlonen zoals opgelegd door het Paritair Comité uit 2024 had vermeld, in de plaats van die uit
  59. Hoewel de verzoekende partij de schending van het beginsel patere legem quam ipse fecisti niet vermeldt in de uiteenzetting van haar middel, blijkt uit de toelichting ervan op voldoende duidelijke wijze dat zij de schending van dit beginsel beoogt. Het is ook in die zin dat de verwerende partij het derde onderdeel van het tweede middel blijkt te hebben begrepen.
  60. Het beginsel patere legem quam ipse fecisti verplicht het bestuur de algemene regels die het zelf heeft vastgesteld te eerbiedigen bij de concrete toepassing ervan. Daaruit vloeit voort dat de verwerende partij bij de beoordeling van de offertes gebonden is door de regels die hieromtrent in het bestek zijn vastgesteld.
  61. Met betrekking tot het verloop van de onderhandelingen bepaalt het bestek onder punt 2.7 onder meer dat “indien een offerte een substantiële onregelmatigheid bevat, […] de aanbestedende overheid deze substantiële onregelmatigheid [laat] regulariseren alvorens de onderhandelingen aangevat worden.” In diezelfde bestekbepaling wordt echter ook gesteld dat “over de definitieve offerte […] niet meer [kan] worden onderhandeld” en dat “indien een definitieve offerte substantieel onregelmatig is, […] regularisatie hiervan niet mogelijk [is].
  62. Op het eerste gezicht blijkt uit de vertrouwelijke stukken van het administratief dossier die de Raad van State heeft kunnen inzien, dat de verwerende partij pas na het indienen van de definitieve offertes en nadat de verwerende partij intern een prijstechnisch onderzoek van de definitieve offertes heeft gevraagd aan ATO een vermoeden ontwikkelde van een abnormaal lage prijs in de definitieve offerte van de verzoekende partij doordat het opgegeven minimumloon mogelijks niet overeenstemde met het minimumloon opgelegd in de toepasselijke CAO van het toepasselijke Paritair Comité. Het is ook pas in de prijstoelichting die de verzoekende partij op 1 september 2025 aan de verwerende partij bezorgde dat zij stelt dat zij in haar definitieve offerte de loonschalen hanteerde uit het Paritair Comité 140.02a Rijdend Personeel – Taxichauffeurs, maar dat zij daarbij foutief ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.660 XIV-40.025-23/25 gebruik maakte van gegevens van het Sociaal Fonds Taxi & VVB uit 2024 en dat zij een herberekening maakte op grond van de meest recente CAO van 6 februari
  63. In zoverre de verzoekende partij voorhoudt dat de verwerende partij uit de prijstoelichting die de verzoekende partij op 9 juli 2025 bezorgde met betrekking tot de initiële offerte, zelf reeds had moeten afleiden dat daarin ten onrechte gewag werd gemaakt van niet geactualiseerde minimumlonen, wordt zij dan ook niet bijgevallen. Het komt in de eerste plaats aan de inschrijver toe zijn offerte en toelichting ervan met de nodige zorgvuldigheid op te stellen. De verzoekende partij zet ook niet uiteen waarom de voormelde problematiek voor de verwerende partij voldoende klaarblijkelijk moet zijn geweest. Een substantiële onregelmatigheid in een initiële offerte die pas wordt opgemerkt bij het onderzoek van de finale offerte lijkt haar substantieel karakter overigens niet te verliezen doordat de aanbestedende overheid ze pas bij het onderzoek van de definitieve offerte heeft vastgesteld. Aangezien het foutieve gebruik van verouderde loonschalen pas aan het licht lijkt te zijn gekomen tijdens het prijstechnisch onderzoek dat werd uitgevoerd op de definitieve offertes, vond de geschonden geachte bestekbepaling, die stelt dat inschrijvers de mogelijkheid krijgen om substantiële onregelmatigheden te regulariseren alvorens de onderhandelingen aan te vatten, in ieder geval geen toepassing zodat er op het eerste gezicht ook geen schending van wordt aangetoond.
  64. Het derde onderdeel van het tweede middel is niet ernstig. VII. Besluit
  65. Geen van beide middelen is ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt dan ook verworpen. XIV-40.025-24/25 BESLISSING
  66. De Raad van State verwerpt de vordering.
  67. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijf februari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Inge Vos, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Inge Vos XIV-40.025-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.660 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.